ECLI:NL:RBNHO:2026:5501

ECLI:NL:RBNHO:2026:5501

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 13-05-2026
Datum publicatie 18-05-2026
Zaaknummer 15/107829-22
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig

Samenvatting

Verkort strafvonnis. Veroordeling voor het medeplegen van meerdere oplichtingen en daarnaast voor het medeplegen van witwassen van de geldbedragen afkomstig uit de oplichtingen. De verdachte en zijn mededaders hebben de slachtoffers geldbedragen laten betalen door via een nepaccount op Facebook Marketplace producten aan te bieden. De slachtoffers hebben de producten nooit geleverd gekregen, terwijl zij wel de koopprijs of een aanbetaling via zogeheten tikkie’s hadden overgemaakt op de bankrekeningen van door de verdachte geregelde geldezels. Oplegging van een taakstraf van 240 uur waarvan 60 uur voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar gelet op de overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/107829-22

Uitspraakdatum: 13 mei 2026

Tegenspraak

verkort strafvonnis (artikel 138b van het Wetboek van Strafvordering)

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 30 april 2026 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2002 te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres]

.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. M. Sobering en van wat de verdachte en zijn raadsman, mr. S. Jankie, advocaat te Hoofddorp, naar voren hebben gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 september 2021 tot en met 31 december 2021 te Heemstede en/of Hoofddorp, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefstel van verdichtsels,- [slachtoffer 1] (een aanbetaling van 50,00 euro voor een PS5) en/of- [slachtoffer 2] (815,50 euro voor een PS5) en/of- [slachtoffer 3] (200,00 euro voor een PS5) en/of- [slachtoffer 4] (een aanbetaling van 30,00 euro voor een Apple Watch) en/of- [slachtoffer 5] (420,00 euro voor een PS5) en/of- [slachtoffer 6] (585,00 euro voor onbekend gebleven product) en/of- [slachtoffer 7] (662,50 euro voor een grafische kaart) en/of- [slachtoffer 8] (een aanbetaling van 225,00 euro voor een PS5) en/of- [slachtoffer 9] (225,00 euro voor een Nintendo Switch) en/of- [slachtoffer 10] (157,00 euro voor een Nintendo en/of Nintendo spel) en/of- [slachtoffer 11] (500,00 euro voor een PS5) en/of- [slachtoffer 12] (287,00 euro voor een grafische kaart) en/of- [slachtoffer 13] (342,50 euro voor een Apple Watch) en/of- [slachtoffer 14] (207,50 euro voor een iPad en/of iPad pen),(telkens) heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten de afgifte van een of meerdere van bovengenoemde geldbedrag(en), in elk geval (telkens) enig(e) goed(eren) en/of geldbedrag(en), door (telkens) met vorenomschreven oogmerk – zakelijk weergegeven – valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid- zich voor te doen als aanbieder(s) en/of verkoper(s) van bovengenoemde goederen, in elk geval één of meer goederen, op de internetsite Facebook Market Place en/of- gebruik te maken van de/een (valse) naam, te weten [naam] , en/of het aan hem toebehorende identiteitsbewijs en/of- meermalen gebruik te maken van de bankrekening(en)(nummers) van zogenoemde ‘geldezel(s)’ (te weten personen die hun bankrekening ter beschikking stellen) en/of- zich voor te doen heeft als bonafide verkoper en/of- de indruk te wekken dat hij/zij bovengenoemde goederen in het bezit had(den) en/of- voornoemde aangevers voor te houden dat hij/zij bovengenoemde goederen zou(den) leveren na betaling/overschrijving op de rekeningnummer(s) van bovengenoemde geldezel(s);

2.hij in of omstreeks de periode van 1 september 2021 tot en met 31 december 2021 Heemstede, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (van) een of meerdere geldbedrag(en), althans een of meer voorwerpen,

sub a- de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld, dan wel- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie de rechthebbende(n) op dat /die voorwerp(en) was/waren, en/of- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie dat/die voorwerp(en) voorhanden had(den)

sub b- heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en/of- gebruik heeft gemaakt

terwijl hij/zij, verdachte, en/of zijn/haar mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is en dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak.

Beroep op niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

De raadsman heeft betoogd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat de redelijke termijn aanzienlijk is overschreden zonder gegronde reden daarvoor.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich verzet tegen een niet-ontvankelijkheidverklaring van het Openbaar Ministerie. Zij stelt zich op het standpunt dat de overschrijding van de redelijke

termijn moet worden gecompenseerd met strafvermindering. Dit heeft zij verdisconteerd in

haar strafeis.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag voor de bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Uitgangspunt is dat de behandeling van een zaak ter terechtzitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden.

De rechtbank is van oordeel dat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen

op 12 oktober 2022, omdat de verdachte op die datum in verzekering is gesteld. Het eindvonnis wordt op 13 mei 2026 gewezen. De rechtbank stelt de duur van de overschrijding van de redelijke termijn daarom vast op negentien maanden.

Overschrijding van de redelijke termijn wordt in beginsel gecompenseerd door vermindering van de straf die zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden. Gelet op vaste rechtspraak van de Hoge Raad kan het enkele tijdsverloop, ook in uitzonderlijke gevallen, niet leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie (Hoge Raad 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578).

De raadsman heeft zijn verweer dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard uitsluitend onderbouwd met de vaststelling dat de redelijke termijn is overschreden. Hij heeft niet onderbouwd waarom de rechtbank, in weerwil van genoemde rechtspraak van de Hoge Raad, in deze zaak toch tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie zou moeten komen. Het verweer van de raadsman slaagt daarom niet. De overschrijding van de redelijke termijn zal worden verdisconteerd in de strafoplegging.

Het Openbaar Ministerie is dus ontvankelijk in zijn vervolging. De rechtbank heeft verder vastgesteld dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich ten aanzien van het bewijs gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelen

De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten en grondt de beslissing dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn opgenomen.

De bewijsmiddelen worden slechts gebruikt ten aanzien van het feit waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben.

De bewijsmiddelen zullen worden uitgewerkt in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist en zullen dan in een aan dit vonnis te hechten aanvulling worden opgenomen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat

1.hij in de periode van 1 september 2021 tot en met 31 december 2021 in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, door het aannemen van een valse naam en van een valse hoedanigheid en door listige kunstgrepen en door een samenweefstel van verdichtsels,- [slachtoffer 1] (een aanbetaling van 50,00 euro) en - [slachtoffer 2] (815,50 euro voor een PS5) en - [slachtoffer 3] (200,00 euro voor een PS5) en - [slachtoffer 4] (een aanbetaling van 30,00 euro voor een Apple Watch) en - [slachtoffer 5] (420,00 euro voor een PS5) en - [slachtoffer 6] (585,00 euro voor onbekend gebleven product) en - [slachtoffer 7] (662,50 euro voor een grafische kaart) en - [slachtoffer 8] (een aanbetaling van 225,00 euro voor een PS5) en - [slachtoffer 9] (225,00 euro voor een Nintendo Switch) en - [slachtoffer 10] (157,00 euro voor een Nintendo en/of Nintendo spel) en - [slachtoffer 11] (500,00 euro voor een PS5) en - [slachtoffer 12] (287,00 euro voor een grafische kaart) en - [slachtoffer 13] (342,50 euro voor een Apple Watch) en - [slachtoffer 14] (207,50 euro voor een iPad en/of iPad pen),telkens heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten de afgifte van bovengenoemde geldbedragen door telkens met vorenomschreven oogmerk – zakelijk weergegeven – valselijk en listiglijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid- zich voor te doen als aanbieder en/of verkoper van bovengenoemde goederen, in elk geval één of meer goederen, op de internetsite Facebook Market Place en - gebruik te maken van een valse naam, te weten [naam] , en het aan hem toebehorende identiteitsbewijs en - meermalen gebruik te maken van de bankrekeningen(nummers) van zogenoemde ‘geldezels’ (te weten personen die hun bankrekening ter beschikking stellen) en - zich voor te doen als bonafide verkoper en - de indruk te wekken dat hij/zij bovengenoemde goederen in het bezit hadden en - voornoemde aangevers voor te houden dat hij/zij bovengenoemde goederen zouden leveren na betaling/overschrijving op de rekeningnummers van bovengenoemde geldezels;

2.hij in de periode van 1 september 2021 tot en met 31 december 2021 in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, van meerdere geldbedragen

- de werkelijke aard en de herkomst heeft verborgen en heeft verhuld,

terwijl verdachte en zijn mededaders wisten dat die gelden - onmiddellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het

verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is

aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

Feit 1: medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd.

Feit 2: medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.

5. Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

6. Motivering van de sanctie

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden, met een proeftijd van twee jaar. Aan het voorwaardelijk strafdeel dienen de bijzondere voorwaarden, zoals geadviseerd door de reclassering in het rapport van 16 april 2026, te worden verbonden. De officier van justitie heeft verder een onvoorwaardelijke taakstraf van 240 uur gevorderd.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat er voldoende basis is om bij een veroordeling van de verdachte het jeugdstrafrecht toe te passen. De raadsman acht, naast de jeugdige leeftijd van de verdachte, van belang dat de verdachte nog thuis woont en een ontwikkelingsachterstand heeft. Ook heeft de raadsman gesteld dat de forse overschrijding van de redelijke termijn moet leiden tot strafvermindering. Tot slot heeft de raadsman de rechtbank verzocht een geheel voorwaardelijke straf op te leggen.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de straf die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten, die in een onderlinge verhouding van eendaadse samenloop staan als bedoeld in artikel 55 van het Wetboek van Strafrecht (Sr), en de omstandigheden waaronder deze feiten begaan, en de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Ernst van de feiten

De verdachte heeft zich binnen een tijdsbestek van vier maanden schuldig gemaakt aan het medeplegen van meerdere oplichtingen en daarnaast aan het medeplegen van witwassen van de geldbedragen afkomstig uit de oplichtingen. De verdachte en zijn mededaders hebben de slachtoffers geldbedragen laten betalen door via een nepaccount op Facebook Marketplace producten aan te bieden. De slachtoffers hebben de producten nooit geleverd gekregen, terwijl zij wel de koopprijs of een aanbetaling via zogeheten tikkie’s hadden overgemaakt op de bankrekeningen van door de verdachte geregelde geldezels. Deze geldbedragen werden vervolgens door of namens de verdachte gepind of doorgestort naar de bankrekeningen van de medeverdachten. Door op deze doortrapte manier mensen op te lichten, heeft de verdachte het vertrouwen van zijn slachtoffers beschaamd, hen financiële schade toegebracht en veel narigheid bezorgd. Daarnaast heeft het witwassen van gelden een ontwrichtende werking op de integriteit van het financieel en economisch verkeer en op de openbare orde. Met zijn handelen heeft de verdachte niet alleen zichzelf, maar ook anderen de mogelijkheid gegeven om het door de oplichtingen verkregen geld weg te sluizen, aan het zicht van justitie te onttrekken en daaraan een schijnbaar legale herkomst te verschaffen.

Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft gelet op het strafblad van de verdachte (Uittreksel Justitiële Documentatie) van 17 april 2026, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor een vermogensdelict. Uit het strafblad blijkt ook dat de verdachte na het plegen van de onderhavige feiten in andere zaken onherroepelijk is veroordeeld, waardoor artikel 63 Sr van toepassing is.

De rechtbank heeft ook gekeken naar het rapport van de reclassering van 16 april 2026. De reclassering ziet risico's op het gebied van dagbesteding, sociaal netwerk, financiën en de houding van de verdachte. De reclassering schetst een beeld van een verdachte die beperkte openheid van zaken geeft en een sociaal wenselijke houding aanneemt. Hierdoor is het voor de reclassering moeilijk om een goed beeld te krijgen van zijn situatie. Het risico op recidive wordt ingeschat als gemiddeld-hoog. De reclassering acht een reclasseringstoezicht noodzakelijk om de structuur in het leven van de verdachte te vergroten. Het huidige reclasseringstoezicht in het kader van een eerdere veroordeling geeft de reclassering onvoldoende tijd om de huidige risico’s te verlagen. De reclassering adviseert om bij een veroordeling een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden (i) een meldplicht bij de reclassering, (ii) een ambulante behandeling, (iii) dagbesteding, (iv) het meewerken aan het aflossen van schulden en (v) de beheersing van middelengebruik.

Daarnaast heeft de rechtbank ter terechtzitting [deskundige] , als reclasseringsmedewerker werkzaam bij GGZ Reclassering Fivoor, als deskundige gehoord. Hij heeft toegelicht dat het huidige reclasseringstoezicht goed verloopt en dat de verdachte zich aan de afspraken houdt. De verdachte is sinds kort ook opener geworden. De reclassering ziet de noodzaak van een (deels) voorwaardelijke straf zodat de reeds ingezette behandeling voortgezet kan worden. De reclassering staat negatief tegenover het verzoek van de raadsman om het jeugdstrafrecht toe te passen.

Toepassing van het jeugdstrafrecht?

De verdachte was ten tijde van de bewezenverklaarde feiten negentien jaar oud en dus meerderjarig. Het uitgangspunt is dan berechting volgens het volwassenenstrafrecht. De rechtbank kan ten aanzien van een verdachte die ten tijde van het begaan van een strafbaar feit de leeftijd van achttien jaar, maar nog niet de leeftijd van drieëntwintig jaar, heeft bereikt, beslissen het jeugdstrafrecht toe te passen, indien de rechtbank daartoe grond vindt in de persoonlijkheid van de dader of de omstandigheden waaronder het feit is begaan.

De rechtbank ziet, gelet op de toelichting van de reclasseringsmedewerker op de zitting en de indruk die de rechtbank van de verdachte tijdens de zitting heeft gekregen, onvoldoende aanknopingspunten voor het toepassen van het jeugdstrafrecht. Bij het bepalen van de straf zal de rechtbank wel rekening houden met de destijds jeugdige leeftijd van de verdachte.

De op te leggen straf

Gelet op de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten is de door de officier van justitie gevorderde straf in beginsel passend. De rechtbank heeft echter vastgesteld dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM zeer fors is overschreden, namelijk met negentien maanden. De rechtbank ziet in deze aanzienlijke overschrijding aanleiding om een lagere straf en deels andere strafmodaliteit op te leggen dan de officier van justitie heeft gevorderd.

Alles afwegende acht de rechtbank een taakstraf van 240 uur, waarvan 60 uur voorwaardelijk en een proeftijd van twee jaar, passend. Aan het voorwaardelijk strafdeel zal de rechtbank de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden verbinden.

7. Vorderingen benadeelde partijen

In deze zaak hebben twaalf van de vijftien aangevers zich als benadeelde partijen in het strafproces gevoegd en een vordering tot schadevergoeding ingediend.

De vordering van [naam] (€ 1.320,38) ziet op de door hem geleden materiële schade als gevolg van de aanvraag van een nieuwe identiteitskaart nadat die van hem gestolen was (€ 70,38) en de door hem gestelde immateriële schade (€ 1.250,-).

De vorderingen van [slachtoffer 1] (€ 50,-), [slachtoffer 2] (€ 915,50), [slachtoffer 3] (€ 200,-), [slachtoffer 5] (€ 420,-), [slachtoffer 7] (€ 662,50), [slachtoffer 8] (€ 225,-), [slachtoffer 9] (€ 225,-), [slachtoffer 10] (€ 157,-), [slachtoffer 11] (€ 500,-) en [slachtoffer 13] (€ 342,50) hebben betrekking op de door hen geleden materiële schade als gevolg van het overmaken van geldbedragen, in de veronderstelling dat zij vervolgens een product geleverd zouden krijgen.

De vordering van [slachtoffer 4] (€ 8.000,-) ziet op de door hem gestelde immateriële schade.

Verder verzoeken de benadeelde partijen de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente, de schadevergoedingsmaatregel op te leggen en de verdachten hoofdelijk te veroordelen tot het betalen van de schadevergoeding.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat:

het materiële deel van de vordering van [naam] moet worden afgewezen en dat het immateriële deel van zijn vordering toewijsbaar is;

de vorderingen van [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 5] , [slachtoffer 8] , [slachtoffer 9] , [slachtoffer 10] , [slachtoffer 11] en [slachtoffer 13] geheel toewijsbaar zijn;

[slachtoffer 4] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vordering;

de vorderingen, voor zover toegewezen, moeten worden vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en dat de verdachten hoofdelijk veroordeeld moeten worden tot betaling van de schadevergoeding.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat [naam] niet-ontvankelijk moet worden verklaard ten aanzien van het immateriële deel van zijn vordering, omdat deze niet voldoende onderbouwd is. Ten aanzien van het materiële deel van zijn vordering heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Ook [slachtoffer 4] moet niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering, omdat deze niet voldoende onderbouwd is. Ten aanzien van de overige vorderingen heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

Benadeelde partijen [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 5] , [slachtoffer 7] , [slachtoffer 9] , [slachtoffer 10] , [slachtoffer 11] en [slachtoffer 13]

De rechtbank is van oordeel dat de door de benadeelde partijen [slachtoffer 1] (€ 50,-), [slachtoffer 2] (€ 915,50), [slachtoffer 3] (€ 200,-), [slachtoffer 5] (€ 420,-), [slachtoffer 7] (€ 662,50), [slachtoffer 8] (€ 225,-), [slachtoffer 9] (€ 225,-), [slachtoffer 10] (€ 157,-), [slachtoffer 11] (€ 500,-) en [slachtoffer 13] (€ 342,50) gevorderde schade rechtstreeks voortvloeit uit het onder 1 bewezen verklaarde feit en dat de hoogte van het betreffende schadebedrag steeds voldoende met stukken is onderbouwd. Deze vorderingen zullen dan ook worden toegewezen.

De hiervoor genoemde bedragen die de verdachte aan de benadeelde partijen moet betalen worden vermeerderd met de wettelijke rente, telkens vanaf 15 juni 2023. Dit betreft de datum waarop aan de verdachte is medegedeeld dat hij vervolgd zal worden voor de feiten in deze strafzaak. Deze datum acht de rechtbank redelijk en billijk gelet op de verstreken tijd tussen de pleegperiode en de uitspraakdatum, waarbij het lange tijd onduidelijk was of de verdachte vervolgd zou worden.

Daarnaast moet de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen hebben gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moeten maken, tot op heden

begroot op nihil.

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder 1 bewezen verklaarde handelen (kort

gezegd: medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd) aanleiding om de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f Sr op te leggen.

De verdachte is voor de gehele schade naar burgerlijk recht met zijn medeverdachte(n)

hoofdelijk aansprakelijk. Dit betekent dat de verdachte tegenover de benadeelde partijen voor het hele bedrag aansprakelijk is en dat hij niet meer hoeft te betalen voor zover het bedrag door een medeverdachte is betaald, en andersom.

Benadeelde partij [naam]

Materiële schade

Alleen schade die rechtstreeks is geleden door het bewezen verklaarde feit, komt voor vergoeding in aanmerking. Uit de stukken blijkt niet dat de door [naam] gevorderde materiële schade (voor de aanvraag van een nieuwe identiteitskaart) in rechtstreeks verband staat met de bewezen verklaarde feiten (oplichting en witwassen). De rechtbank zal de vordering van [naam] op dit punt afwijzen.

Immateriële schade

Vergoeding van immateriële schade is op grond van artikel 6:106 sub b van het Burgerlijk Wetboek (BW) mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.

Uit rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon.

De rechtbank stelt vast dat [naam] geen gegevens heeft verstrekt waaruit blijkt dat hij door het strafbare feit geestelijk letsel heeft opgelopen. Ook kan de rechtbank niet vaststellen dat anderszins sprake is van een aantasting in de persoon, omdat de benadeelde partij niet met concrete gegevens heeft onderbouwd welke gevolgen het strafbare feit voor hem heeft gehad. Van een uitzonderlijke situatie waarin geen onderbouwing nodig is, is in dit geval geen sprake. De benadeelde partij krijgt geen gelegenheid om dit gedeelte van de vordering alsnog verder te onderbouwen, omdat dat leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in dit deel van de vordering.

Benadeelde partij [slachtoffer 4]

Vergoeding van immateriële schade is onder meer mogelijk als de benadeelde partij ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast (artikel 6:106 BW). De rechtbank begrijpt dat de vordering van [slachtoffer 4] op deze laatste grondslag is gebaseerd. Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld.

[slachtoffer 4] heeft geen gegevens verstrekt waaruit blijkt dat hij door het strafbare feit geestelijk letsel heeft opgelopen. Ook heeft hij ontbreken concrete gegevens welke gevolgen het strafbare feit voor hem heeft gehad. Van een uitzonderlijke situatie waarin geen onderbouwing van het gestelde geestelijke letsel nodig is, is in dit geval geen sprake. De benadeelde partij krijgt geen gelegenheid om zijn vordering alsnog verder te onderbouwen, omdat dat tot een te grote belasting van deze strafprocedure zou leiden. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij [slachtoffer 4] niet-ontvankelijk is in de vordering.

Benadeelde partij [slachtoffer 8]

De benadeelde partij [slachtoffer 8] is (op 26 juni 2023) verzocht om aanvullende informatie, ter onderbouwing van de vordering, te verstrekken. Dat is niet gebeurd. Het is daarom onduidelijk waar de schade van [slachtoffer 8] uit bestaat en hoe hoog die zou zijn. Het aanhouden van een einduitspraak in de strafzaak om de benadeelde partij nogmaals te verzoeken de vordering te onderbouwen, vormt een te grote belasting van deze strafprocedure. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

- 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 47, 55, 63, 326 en 420bis Sr.

9. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.3.2 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat de onder 1 en 2 bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot het verrichten van 240 [tweehonderdveertig] uren taakstraf die bestaat uit het verrichten van onbetaalde arbeid, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 120 [honderdtwintig] dagen hechtenis, met bevel dat een gedeelte groot 60 [zestig] uren, bij niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 30 [dertig] dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van 2 [twee] jaren.

Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering heeft doorgebracht, bij de eventueel ten uitvoer te leggen taakstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht en met dien verstande dat voor elke dag die de verdachte in verzekering heeft doorgebracht twee uren taakstraf, subsidiair één dag hechtenis, in mindering worden gebracht.

Stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte:

- zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dit nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn;

- zich gedurende de proeftijd laat behandelen door Ambulant centrum Fivoor of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken;

- zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur;

- meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. De verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden;

- gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol en/of verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs), en/of lijst II (softdrugs) en/of middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek/ademonderzoek/speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.

Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, Sr toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.

Voorwaarden daarbij zijn dat de verdachte gedurende de proeftijd:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, Sr, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.

Vordering benadeelde partij [naam]

Wijst af de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [naam] geleden materiële schade (€ 70,38).

Verklaart de benadeelde partij [naam] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Vordering benadeelde partij [slachtoffer 1]

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade tot een bedrag van € 50,- (zegge: vijftig euro) als vergoeding voor de materiële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 15 juni 2023 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer 1] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door een (van de) medeverdachte(n) is betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer 1] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 50,-, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 1 dag gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 juni 2023 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een (van de) medeverdachte(n) aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, de verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Vordering benadeelde partij [slachtoffer 2]

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade tot een bedrag van € 915,50 (zegge: negenhonderdvijftien euro en vijftig cent) als vergoeding voor de materiële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 15 juni 2023 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer 2] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door een (van de) medeverdachte(n) is betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer 2] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 915,50, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 9 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 juni 2023 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een (van de) medeverdachte(n) aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, de verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Vordering benadeelde partij [slachtoffer 3]

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade tot een bedrag van € 200,- (zegge: tweehonderd euro) als vergoeding voor de materiële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 15 juni 2023 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer 3] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door een (van de) medeverdachte(n) is betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer 3] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 200,-, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 2 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 juni 2023 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een (van de) medeverdachte(n) aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, de verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Vordering benadeelde partij [slachtoffer 4]

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 4] niet-ontvankelijk in de vordering.

Vordering benadeelde partij [slachtoffer 5]

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade tot een bedrag van € 420,- (zegge: vierhonderdtwintig euro) als vergoeding voor de materiële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 15 juni 2023 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer 5] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door een (van de) medeverdachte(n) is betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer 5] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 420,-, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 4 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 juni 2023 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een (van de) medeverdachte(n) aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, de verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Vordering benadeelde partij [slachtoffer 7]

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade tot een bedrag van € 662,50 (zegge: zeshonderdtweeënzestig euro en vijftig cent) als vergoeding voor de materiële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 15 juni 2023 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer 7] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door een (van de) medeverdachte(n) is betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer 7] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 662,50, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 6 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 juni 2023 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een (van de) medeverdachte(n) aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, de verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Vordering benadeelde partij [slachtoffer 8]

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 8] niet-ontvankelijk in de vordering.

Vordering benadeelde partij [slachtoffer 9]

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade tot een bedrag van € 225,- (zegge: tweehonderdvijfentwintig euro) als vergoeding voor de materiële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 15 juni 2023 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer 9] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door een (van de) medeverdachte(n) is betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer 9] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 225,-, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 2 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 juni 2023 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een (van de) medeverdachte(n) aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, de verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Vordering benadeelde partij [slachtoffer 10]

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade tot een bedrag van € 157,- (zegge: honderdzevenenvijftig euro) als vergoeding voor de materiële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 15 juni 2023 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer 10] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door een (van de) medeverdachte(n) is betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer 10] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 157,-, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 1 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 juni 2023 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een (van de) medeverdachte(n) aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, de verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Vordering benadeelde partij [slachtoffer 11]

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade tot een bedrag van € 500,- (zegge: vijfhonderd euro) als vergoeding voor de materiële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 15 juni 2023 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer 11] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door een (van de) medeverdachte(n) is betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer 11] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 500,-, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 5 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 juni 2023 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een (van de) medeverdachte(n) aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, de verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Vordering benadeelde partij [slachtoffer 13]

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade tot een bedrag van € 342,50 (zegge: driehonderdtweeënveertig euro en vijftig cent) als vergoeding voor de materiële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 15 juni 2023 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer 13] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door een (van de) medeverdachte(n) is betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer 13] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 342,50, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 3 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 juni 2023 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een (van de) medeverdachte(n) aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, de verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. C.S. Schoorl, voorzitter,

mr. P. Reemst en mr. F.V. Streiff, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. S. Maerman,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 13 mei 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. C.S. Schoorl
  • mr. P. Reemst
  • mr. F.V. Streiff

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand