RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Team Straf, zittingsplaats Alkmaar
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/114886-25 (P)
Uitspraakdatum: 22 januari 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 8 januari 2026 in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1983 te [geboorteplaats],
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres].
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. J.A. Zwinkels, en van wat de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. S.J. van der Aart, advocaat te Koog aan de Zaan, naar voren hebben gebracht.
1. Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
Feit 1
primair
hij op of omstreeks 25 augustus 2023 te Zaandam, gemeente Zaanstad als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, de Wibautstraat, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,
- bij het naderen van een voetgangersoversteekplaats op die Wibautstraat het voor hem bestemde rood licht uitstralende verkeerslicht te negeren en/of
- bij het passeren van de voetgangersoversteekplaats niet de nodige voorzichtigheid in acht te nemen en/of onvoldoende aandacht te hebben voor overige verkeersdeelnemers en/of de verkeerssituatie ter plaatse en/of
- geen voorrang te verlenen aan een voor hem van rechts komende voetgangster ([naam slachtoffer]) en/of in botsing te komen met die voetgangster,
waardoor die voetgangster (genaamd [naam slachtoffer]) zwaar lichamelijk letsel, te weten hersenletsel, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;
subsidiair
hij op of omstreeks 25 augustus 2023 te Zaandam, gemeente Zaanstad als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de Wibautstraat,
- bij het naderen van een voetgangersoversteekplaats op die Wibautstraat het voor hem bestemde rood licht uitstralende verkeerslicht heeft genegeerd en/of
- bij het passeren van die voetgangersoversteekplaats niet de nodige voorzichtigheid in acht heeft genomen en/of onvoldoende aandacht heeft gehad voor overige verkeersdeelnemers en/of de verkeerssituatie ter plaatse en/of
- geen voorrang heeft verleend aan een voor hem van rechts komende voetgangster (te weten [naam slachtoffer]) en/of in botsing is gekomen met die voetgangster,
door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;
Feit 2
hij op of omstreeks 25 augustus 2023 te Zaandam, gemeente Zaanstad als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) heeft gereden op de weg, de Wibautstraat, zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde.
2. Voorvragen
De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd van de zaak kennis te nemen, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
3. Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de (primair) ten laste gelegde feiten.
Standpunt van de verdediging
Ten aanzien van feit 1 heeft de verdachte verklaard dat hij door een groen verkeerslicht is gereden. De raadsvrouw heeft bepleit dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde feit. De verdachte kan enkel worden verweten dat hij door een kort moment van onoplettendheid een rood verkeerslicht heeft gemist, waardoor hij met het slachtoffer in botsing is gekomen. Die enkele verkeersfout levert volgens de raadsvrouw niet de minimaal vereiste mate van schuld op. Wat betreft het subsidiair ten laste gelegde feit heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
De raadsvrouw heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat feit 2 kan worden bewezen.
Oordeel van de rechtbank
Bewijsmiddelen
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de (primair) ten laste gelegde feiten op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn opgenomen.
Bewijsoverweging feit 1 primair
Feiten en omstandigheden
Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank het volgende vast. De verdachte heeft op 25 augustus 2023 omstreeks 18:32 uur een verkeersongeval veroorzaakt op de Wibautstraat te Zaandam. Bij dit verkeersongeval is de verdachte, rijdende in een personenauto, in botsing gekomen met een overstekende voetgangster (hierna: het slachtoffer). Hierdoor heeft het slachtoffer ernstig letsel opgelopen. Het betreffende kruispunt werd ten tijde van het verkeersongeval geregeld door middel van een verkeersregelinstallatie (VRI). Uit de Analyse VRI is gebleken dat de verdachte door rood licht is gereden. Op het moment dat hij de stopstreep passeerde, straalden de voor hem geldende verkeerslichten minimaal vier seconden rood licht uit. Uit de Analyse VRI is verder gebleken dat hij het verkeerslicht is genaderd met een snelheid gelegen tussen de 52 en 53 km/h. Ter plaatse gold een toegestane maximum snelheid van 50 km/h. Verkeer op de Wibautstraat dat het kruispunt nadert, wordt door middel van verkeersborden, goed zichtbaar bevestigd aan een lantaarnpaal aan de rechterzijde van de weg, gewaarschuwd dat het een voetgangersoversteekplaats en een stoplicht nadert.
Juridisch kader
Voor een bewezenverklaring van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW) moet kunnen worden vastgesteld dat de verdachte zich zodanig heeft gedragen dat het aan zijn schuld is te wijten dat een verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor iemand is gedood, zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen of tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is veroorzaakt. Er moet minimaal sprake zijn van aanmerkelijk onvoorzichtig of onoplettend handelen door de verdachte. Een lichte mate van schuld is niet voldoende. Bij de beoordeling van de mate van schuld komt het aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. In zijn algemeenheid kan niet worden aangegeven of een enkele verkeersovertreding voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van schuld in de zin van genoemd artikel. Of sprake is van schuld kan niet reeds uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag worden afgeleid.
Oordeel van de rechtbank
De verdachte heeft, naast dat hij door het rode licht is gereden, onvoldoende aandacht gehad voor de verkeerssituatie ter plaatse en de overige verkeersdeelnemers. Hij was bekend met de verkeerssituatie ter plaatse, maar heeft desondanks geen vaart geminderd toen hij de oversteekplaats naderde. Verder heeft de verdachte ter terechtzitting verklaard dat hij de waarschuwingsborden niet heeft gezien, hoewel deze duidelijk zichtbaar waren. Ook heeft de verdachte het slachtoffer niet gezien, terwijl niet is gebleken dat sprake was van obstakels waardoor de verdachte het slachtoffer niet heeft kunnen zien. Daarbij is van belang dat zowel getuige [naam getuige 1], de bestuurder van de auto voor de verdachte, als de getuige [naam getuige 2], de bestuurder van de auto achter de verdachte, het slachtoffer, ondanks de struiken in de berm langs de weg, goed hebben gezien.
Onder deze omstandigheden is geen sprake van een enkel moment van verontschuldigbare onoplettendheid. De rechtbank kwalificeert het rijgedrag van de verdachte als aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend. De lichtste vorm van schuld in de zin van artikel 6 WVW is daarmee bewezen.
Verder stelt de rechtbank vast dat het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Het slachtoffer is als gevolg van het verkeersongeval met hersenletsel en een gebroken sleutelbeen opgenomen in het ziekenhuis, waar zij is geïntubeerd en gesedeerd op de intensive care. Na haar ontslag uit het ziekenhuis heeft het slachtoffer een poliklinisch revalidatietraject gevolgd van drie maanden. Zij heeft daardoor veel gemist op school en heeft het schooljaar over moeten doen. De verwachting is dat het slachtoffer, door het opgelopen hersenletsel, op cognitief vlak blijvend beperkt zal zijn, met name ten aanzien van de aandacht en het concentratievermogen. Daarnaast zullen aanmerkelijke balans en coördinatieproblemen blijven bestaan, zo blijkt uit de medische informatie die namens het slachtoffer is overgelegd.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de (primair) ten laste gelegde feiten heeft begaan, in die zin dat
Feit 1
primair
hij op 25 augustus 2023 te Zaandam, gemeente Zaanstad als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de Wibautstraat, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend,
- bij het naderen van een voetgangersoversteekplaats op die Wibautstraat het voor hem bestemde rood licht uitstralende verkeerslicht te negeren en
- bij het passeren van de voetgangersoversteekplaats niet de nodige voorzichtigheid in acht te nemen en onvoldoende aandacht te hebben voor overige verkeersdeelnemers en de verkeerssituatie ter plaatse en
- geen voorrang te verlenen aan een voor hem van rechts komende voetgangster ([naam slachtoffer]) en in botsing te komen met die voetgangster,
waardoor die voetgangster (genaamd [naam slachtoffer]) zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht.
Feit 2
hij op 25 augustus 2023 te Zaandam, gemeente Zaanstad als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) heeft gereden op de weg, de Wibautstraat, zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen waartoe dat motorrijtuig behoorde.
Wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
4. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten
Het bewezenverklaarde levert op:
Feit 1 primair: overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.
Feit 2: overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dan ook strafbaar.
5. Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dan ook strafbaar.
6. Motivering van de sanctie
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte voor feit 1 wordt veroordeeld tot een taakstraf van 120 uren met aftrek van het voorarrest en een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Ten aanzien van feit 2 heeft de officier van justitie gevorderd de verdachte een geldboete van € 500,00 euro voorwaardelijk op te leggen, met een proeftijd van twee jaren.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht bij de strafoplegging ten hoogste de laagste schuldgradatie van aanmerkelijke onvoorzichtigheid in aanmerking te nemen en rekening te houden met een overschrijding van de redelijke termijn. Daarnaast heeft de raadsvrouw verzocht de verdachte geen onvoorwaardelijke rijontzegging op te leggen. De verdachte is voor en na het ongeval niet met politie of justitie in aanraking gekomen, er is sprake van tijdsverloop, de verdachte heeft maar één verkeersfout begaan en hij heeft zijn rijbewijs nodig voor zijn werk.
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sancties die aan de verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon en de draagkracht van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het veroorzaken van een verkeersongeval door zich als bestuurder van een personenauto, terwijl hij niet over een geldig Nederlands rijbewijs beschikte, aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend in het verkeer te gedragen. Hij is bij een oversteekplaats voor voetgangers op de Wibautstraat te Zaandam door een rood verkeerslicht gereden dat al enkele seconden op rood stond en heeft daar een overstekende voetganger, een meisje van acht jaar oud, aangereden. Hij had de waarschuwingsborden voor het naderen van een oversteekplaats met verkeerslicht en het slachtoffer bij de oversteekplaats niet opgemerkt en zijn snelheid niet aangepast. Het slachtoffer heeft door de aanrijding hersenletsel en een gebroken sleutelbeen opgelopen. Zij heeft gedurende meerdere maanden moeten herstellen en ervaart door het opgelopen hersenletsel nog steeds beperkingen.
Persoon van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad van de verdachte) van 27 november 2025, waaruit blijkt dat de verdachte reeds eerder met justitie in aanraking is gekomen wegens het rijden zonder geldig Nederlands rijbewijs. Hij heeft hiervoor op 2 augustus 2023 een strafbeschikking gekregen. De rechtbank weegt deze omstandigheid ten nadele van de verdachte mee bij de straftoemeting voor feit 2.
Verder heeft de rechtbank kennis genomen van het over de verdachte uitgebrachte reclasseringsadvies gedateerd 23 december 2025 van [naam] als reclasseringsmedewerkster verbonden aan Reclassering Nederland.
Op te leggen sancties
Feit 1 (primair)
Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank gelet op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Op basis van die oriëntatiepunten wordt in de regel (als uitgangspunt) voor het veroorzaken van een verkeersongeval waarbij sprake is van aanmerkelijke schuld en zwaar lichamelijk letsel bij het slachtoffer, een taakstraf van 120 uren opgelegd en een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor van zes maanden. Deze straffen zijn voor de rechtbank het uitgangspunt. Deze straf acht de rechtbank, rekening houdend met de persoonlijke omstandigheden, in beginsel ook passend in het onderhavige geval.
De rechtbank ziet echter in de schending van de redelijke termijn aanleiding om deze straf te matigen. Op grond van artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden dient de verdachte binnen een redelijke termijn te worden berecht. Als uitgangspunt geldt dat de behandeling van een zaak ter terechtzitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaren nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Van zodanige omstandigheden is in deze zaak niet gebleken. De termijn is in dit geval gestart op 26 augustus 2023, omdat de verdachte toen is gehoord over het feit. Tot aan dit vonnis is een periode van twee jaar en bijna vijf maanden verstreken. De overschrijding van de redelijke termijn bedraagt dus bijna vijf maanden. Ter compensatie van deze schending van de redelijke termijn zal de rechtbank de ontzegging van de rijbevoegdheid geheel voorwaardelijk opleggen met een proeftijd van 2 jaar. De taakstraf voor de duur van 120 uren wordt – conform de LOVS-oriëntatiepunten – wel onvoorwaardelijk opgelegd.
Feit 2
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat voor dit feit een geldboete moet worden opgelegd van € 500,-. Deze boete wordt onvoorwaardelijk opgelegd, omdat de verdachte al eerder is bestraft voor hetzelfde feit.
7. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
9, 14a, 14b, 22c, 22d en 62 van het Wetboek van Strafrecht;
6, 107, 175, 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.
8. Beslissing
De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 primair en onder 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4. weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Feit 1
Veroordeelt de verdachte tot het verrichten van 120 (honderdtwintig) uren taakstraf die bestaat uit het verrichten van onbetaalde arbeid, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis.
Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering heeft doorgebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht, in die zin dat voor elke dag die de verdachte in verzekering heeft doorgebracht twee uren taakstraf, subsidiair één dag hechtenis, in mindering worden gebracht.
Veroordeelt de verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 (zes) maanden. Beveelt dat deze bijkomende straf niet zal worden ten uitvoer gelegd tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat verdachte voor het einde van de op twee jaren bepaalde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Feit 2
Veroordeelt de verdachte tot het betalen van een geldboete van € 500,00 (vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 5 (vijf) dagen hechtenis.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. C.M.A.V. van Kleef, voorzitter,
mr. M.C.J. Lommen en mr. C.H. de Jonge van Ellemeet, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. A.I. Hoedjes,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 22 januari 2026.
Bijlage
De bewijsmiddelen
(…)