ECLI:NL:RBNHO:2026:556

ECLI:NL:RBNHO:2026:556

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 22-01-2026
Datum publicatie 26-01-2026
Zaaknummer 11870199 VV EXPL 25-138
Rechtsgebied Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure Kort geding
Zittingsplaats Haarlem

Samenvatting

In deze zaak vordert de verhuurder (bij wijze van voorlopige voorziening) veroordeling van huurders tot ontruiming van de door hen gehuurde woning en tot betaling van huurachterstand en buitengerechtelijke incassokosten. De vordering wordt bij verstek toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Haarlem

Zaaknummer: 11870199 \ VV EXPL 25-138 (HB)

Vonnis in kort geding van 22 januari 2026

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

WPNL - IX B.V.,

te Schiphol,

eisende partij,

hierna te noemen: WPNL,

gemachtigde: mr. M.A. Visser,

tegen

1. [gedaagde 1],

te [plaats],2. [gedaagde 2],

te [plaats],

gedaagde partijen,

hierna te noemen: [gedaagde 1] en [gedaagde 2] of gedaagden,

(beiden niet ter zitting verschenen)

De zaak in het kort

In deze zaak vordert WPNL (bij wijze van voorlopige voorziening) veroordeling van gedaagden tot ontruiming van de door hen van WPNL gehuurde woning en tot betaling van huurachterstand en buitengerechtelijke incassokosten. De vordering wordt bij verstek toegewezen. Gedaagden worden in de proceskosten en nakosten veroordeeld.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 9 september 2025 met 9 producties

- de brief van WPNL van 29 december 2025 met een akte wijziging van de eis met producties 10 tot en met 13;

- het exploot van 31 december 2025, waarbij gedaagden zijn opgeroepen om op de zitting van 8 januari 2026 (om 9.30 uur) te verschijnen en waarbij de akte wijziging van de eis met producties aan gedaagden is betekend;

- de e-mail van [gedaagde 1] van 6 januari 2026, waarbij hij schriftelijk verweer heeft gevoerd en heeft aangegeven dat hij het niet nodig vindt om ter zitting te verschijnen;

- de brief van WPNL van 7 januari 2026 met producties 14 en 15 - de mondelinge behandeling van 8 januari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.

2. Feiten

WPNL heeft met ingang van 1 december 2020 de woning aan de [adres] te [plaats] verhuurd aan gedaagden.

De (geliberaliseerde) huurprijs bedroeg laatstelijk € 1.320,77 per maand. Op grond van artikel 4.4. van de schriftelijke huurovereenkomst moeten [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de huurprijs voor of op de eerste van iedere maand betalen.

Op de huurovereenkomst zijn de Algemene bepalingen huurovereenkomst woonruimte (Model ROZ van 20 maart 2017) van toepassing (hierna: de algemene voorwaarden).

Bij brief van 26 juni 2025 heeft de beheerder van WPNL ([bedrijf] B.V.) gedaagden aangemaand tot betaling van een huurachterstand van € 9.263,39. Bij brief van 9 juli 2025 zijn gedaagden nogmaals aangemaand voor de huurachterstand van inmiddels € 10.584,16, bij uitblijvende betaling te vermeerderen met buitengerechtelijke incassokosten. Bij die brief zijn gedaagden ook gewezen op de mogelijkheid van schuldhulpverlening bij de gemeente [gemeente].

Omdat betaling van de huurachterstand uitbleef, heeft WPNL op 17 juli 2025 een melding van vroegsignalering bij de gemeente [gemeente] gedaan, waarbij de gegevens van gedaagden en de hoogte van de huurachterstand met die gemeente zijn gedeeld.

Bij brief van 24 juli 2025 zijn gedaagden weer tot betaling gemaand.

Bij brief van haar gemachtigde van 5 augustus 2025 heeft WPNL gedaagden nogmaals aangemaand tot betaling van de huurachterstand van inmiddels € 11.924,93, onder aanzegging van buitengerechtelijke incassokosten bij uitblijvende betaling. Ook heeft WPNL bij die brief de huurovereenkomst opgezegd en een (kort geding-)procedure tot ontbinding/ontruiming en betaling van de huurachterstand aangekondigd.

Bij dagvaarding van 9 september 2025 heeft WPNL deze kort geding-procedure tegen gedaagden aangespannen. Op 16 september 2025 - de dag voorafgaand aan de geplande zitting - hebben partijen een betalingsregeling getroffen, naar aanleiding waarvan gedaagden diezelfde dag € 3.000,- hebben betaald. Op verzoek van WPNL is de procedure vervolgens drie maanden aangehouden in afwachting van de verdere nakoming van de regeling.

De tweede betaling die op grond van de getroffen regeling (op 15 oktober 2025) had moeten gedaan, is door gedaagden niet verricht. WPNL heeft gedaagden een nadere termijn geboden om die betaling uiterlijk op 17 oktober 2025 alsnog te voldoen. Gedaagden hebben dat niet gedaan. Bij e-mail van 20 oktober 2025 heeft [gedaagde 1] bericht dat hij zich niet aan de betalingsregeling kan houden, omdat hij als gevolg van een ernstig auto-ongeluk in financiële problemen is gekomen. In die brief heeft hij er op gewezen dat hij een afspraak heeft gemaakt met de schuldhulpverlening en dat hij zal doorgaan met het betalen van de lopende huur.

In reactie daarop heeft WPNL bij e-mail van 28 oktober 2025 een voorstel gedaan, dat inhield dat de woning uiterlijk op 30 januari 2026 moest worden ontruimd en dat de huur per die datum zou eindigen, waarbij tot die datum uitsluitend de lopende huur tijdig moest worden betaald. Na 30 januari 2026 zou dan worden gestart met de aflossing van de huurachterstand. Het daarop volgende contact tussen [gedaagde 1] en WPNL heeft niet tot overeenstemming geleid. Daarom heeft WPNL de kantonrechter op 21 november 2025 verzocht over te gaan tot het inplannen van een zitting in de kort geding procedure (waarna zitting is bepaald op 8 januari 2026).

Bij e-mail van 21 december 2025 heeft [gedaagde 1] de huurovereenkomst opgezegd per 31 december 2025. WPNL heeft daarop meegedeeld in te stemmen met een opzegging per 31 januari 2026.

3. De vordering

WPNL vordert - na wijziging van de eis - dat de kantonrechter (samengevat):

A. gedaagden veroordeelt tot ontruiming van de gehuurde woning, welke ontruiming zo nodig door de deurwaarder kan worden bewerkstelligd met behulp van de sterke arm;

B. gedaagden hoofdelijk veroordeelt tot betaling van:

- de huurachterstand van € 11.616,62 (berekend tot en met december 2025);

- de huurprijs van € 1.320,77 per maand vanaf januari 2026 tot de ontruiming;

- de buitengerechtelijke incassokosten van € 1.078,31 inclusief btw.

Verder vordert WPNL veroordeling van gedaagden in de proceskosten en hoofdelijke veroordeling van gedaagden tot betaling in de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

WPNL legt aan haar vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat gedaagden ondanks aanmaningen zijn tekortgeschoten in de nakoming van hun betalingsverplichtingen uit de huurovereenkomst. Ook de getroffen betalingsregeling is niet nagekomen. De omvang van de huurachterstand rechtvaardigt de gevorderde ontruiming van het gehuurde. WPNL heeft een spoedeisend belang bij haar vordering.

4. De beoordeling

Verstek en toetsingskader

Beide gedaagden zijn (hoewel behoorlijk opgeroepen, ook bij aangetekende brieven van de griffier van 16 december 2025) niet op de mondelinge behandeling van 8 januari 2026 verschenen, hoewel alle wettelijke formaliteiten in acht zijn genomen. Daarom zal tegen beide gedaagden verstek worden verleend. De omstandigheid dat [gedaagde 1] voorafgaand aan de mondelinge behandeling (bij e-mail van 6 januari 2026) een schriftelijk verweer heeft ingediend, maakt dat niet anders.

Voor de toewijsbaarheid van een vordering in kort geding bij verstek is vereist dat die vordering spoedeisend is en deze de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt.

Verder is van belang dat in een kort geding procedure de kantonrechter zich een voorlopig oordeelt vormt over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.

Spoedeisend belang

WPNL heeft bij de dagvaarding van 9 september 2025 gesteld dat zij een spoedeisend belang bij haar vordering heeft, omdat zij zich geconfronteerd ziet met een steeds maar oplopende huurachterstand en zij de woning spoedig aan een woningzoekende wil aanbieden. Ter zitting heeft WPNL (onweersproken) gesteld dat [gedaagde 1] de huurovereenkomst inmiddels heeft opgezegd en dat zowel hij als WPNL (inmiddels) hebben ingestemd met beëindiging van de huur per 31 januari 2026. Gesteld noch gebleken is dat [gedaagde 1] die opzegging mede namens [gedaagde 2] heeft gedaan. Bovendien vreest WPNL - naar zij ter zitting heeft aangevoerd - dat de woning per 31 januari 2026 niet daadwerkelijk zal worden ontruimd, omdat [gedaagde 1] eerdere (betalings)afspraken ook niet is nagekomen. Daarom is de kantonrechter van oordeel dat WPNL (ondanks de met [gedaagde 1] gesloten beëindigingsovereenkomst) nog steeds een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorziening.

Ambtshalve toetsing

Omdat het hier gaat om een professionele verhuurder en consument-huurders, moet de kantonrechter ambtshalve beoordelen of in de huurovereenkomst of algemene voorwaarden bedingen zijn opgenomen die oneerlijk zijn ten opzichte van een consument. Dat kan namelijk gevolgen hebben voor (de hoogte van) de vordering. Een beding dat onredelijk bezwarend is, is vernietigbaar.

Wat betreft de onderhavige vordering moeten de bedingen opgenomen in artikel 5.2. van huurovereenkomst in combinatie met artikel 16 van de algemene voorwaarden en de bedingen opgenomen in 25.2 van de algemene voorwaarden ambtshalve worden getoetst.

In artikel 5 van de huurovereenkomst staat:

Huurprijswijziging

Indien het gehuurde zelfstandige woonruimte met een geliberaliseerde huurprijs voor woonruimte betreft, is het onder 5.1 gestelde niet van toepassing. In dat geval wordt de huurprijs voor het eerst per 01-12-2021 en vervolgens jaarlijks aangepast overeenkomstig het gestelde in artikel 16 van de algemene bepalingen. Bovenop en gelijktijdig met de jaarlijkse aanpassing overeenkomstig artikel 16 van de algemene bepalingen, heeft de verhuurder het recht om de huurprijs te verhogen met maximaal 5%.’

In artikel 16 van de algemene voorwaarden staat:

‘Huurprijswijziging

16. Indien het gehuurde zelfstandige woonruimte met een geliberaliseerde huurprijs betreft:

vindt de jaarlijkse huurprijswijziging plaats op basis van de wijziging van het maandprijsindexcijfer volgens de consumentenprijsindex (CPI), reeks alle huishoudens (2015=100), gepubliceerd door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS);

wordt de gewijzigde huurprijs berekend volgens de formule: de gewijzigde huurprijs is gelijk aan de geldende huurprijs op wijzigingsdatum, vermenigvuldigd met het indexcijfer van de vierde kalendermaand die ligt voor de kalendermaand waarin de huurprijs wordt aangepast, gedeeld door het indexcijfer van de zestiende kalendermaand die ligt voor de kalendermaand waarin de huurprijs wordt aangepast;

zal de huurprijs niet gewijzigd worden indien de aanpassing leidt tot een lagere huurprijs dan de laatstgeldende, doch in dat geval blijft die laatstgeldende huurprijs ongewijzigd, totdat bij een volgende indexering het indexcijfer van de kalendermaand, die ligt vier kalendermaanden véér de kalendermaand waarin de huurprijs wordt aangepast, hoger is dan het indexcijfer op basis waarvan de huurprijs voor het laatst is gewijzigd;

zal een zoveel mogelijk vergelijkbaar indexcijfer worden gehanteerd, indien het CBS de bekendmaking van bedoeld prijsindexcijfer staakt of de basis van de berekening daarvan wijzigt, en kan bij verschil van mening hieromtrent door meest gerede partij aan de directeur van het CBS een uitspraak worden gevraagd die voor partijen bindend is. De eventueel hieraan verbonden kosten worden door partijen elk voor de helft gedragen;

- geldt de gewijzigde huurprijs ook indien van de wijziging aan huurder geen afzonderlijke mededeling wordt gedaan.’

De kantonrechter is van oordeel dat het in artikel 5.2 van de huurovereenkomst in combinatie met artikel 16 van de algemene voorwaarden opgenomen indexeringsbedingen niet oneerlijk zijn, omdat artikel 16 van de algemene voorwaarden verwijst naar de regels van de CPI die worden gehanteerd door het CBS.

Het in artikel 5.2. van de huurovereenkomst opgenomen (van de indexeringbedingen afsplitsbare) opslagbeding zou mogelijk wel oneerlijk kunnen zijn en dus zou mogelijk (in een bodemprocedure) moeten worden vernietigd. Ter zitting heeft WPNL echter onweersproken gesteld en toegelicht dat vanaf de aanvang van de huurovereenkomst het opslagpercentage van maximaal 5% nooit in rekening is gebracht. Het resultaat is dus per saldo hetzelfde als wanneer dat – mogelijk – oneerlijke opslagbeding in een bodemprocedure vernietigd zou worden. Een eventuele terugbetalingsplicht voor WPNL is dan ook niet aan de orde, zodat daar ook in dit kort geding geen rekening mee hoeft te worden gehouden.

In artikel 25 van de algemene voorwaarden staat:

Kosten, verzuim

In alle gevallen waarin (ver)huurder een sommatie, een ingebrekestelling of een exploot aan (ver)huurder doet uitbrengen, of in geval van procedures tegen (ver)huurder om deze tot nakoming van de huurovereenkomst of huurder tot ontruiming te dwingen, is (ver)huurder verplicht alle daarvoor gemaakte kosten, zowel in als buiten rechte - met uitzondering van de ingevolge een definitieve rechterlijke beslissing door (ver)huurder te betalen proceskosten - aan (ver)huurder te voldoen, voor zover op de vergoeding van die kosten de Wet normering buitengerechtelijke incassokosten en het Besluit incassokosten niet van toepassing is.’

Artikel 25.2. is niet oneerlijk voor zover het ziet op de buitengerechtelijke incassokosten. Hoewel dit beding niet duidelijk en begrijpelijk is geformuleerd, is het niet oneerlijk omdat de buitengerechtelijke kosten worden beperkt tot wat wettelijk is toegestaan.

Artikel 25.2. ziet ook op de proceskosten. Voor zover WPNL op grond van dit beding aanspraak kan maken op gerechtelijke kosten die boven het liquidatietarief uitkomen, is dit beding oneerlijk. Dit heeft echter geen gevolg voor de proceskostenveroordeling in deze procedure, omdat de (kanton)rechter op grond van de artikelen 237 en 242 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering ertoe gehouden is om de (grotendeels) in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten te veroordelen en deze proceskosten niet lager mogen worden vastgesteld dan het liquidatietarief.

Huurachterstand en ontruiming

Gedaagden hebben niet weersproken dat zij een betalingsachterstand hebben laten ontstaan van € 11.616,62 (berekend tot en met december 2025). Hiermee schieten zij tekort in de nakoming van de huurovereenkomsten. Uitgangspunt is dat iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van zijn verbintenissen aan de wederpartij de bevoegdheid geeft om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden. Dit is alleen anders als de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt.

Het is vaste jurisprudentie dat een betalingsachterstand van drie maanden of meer een ontbinding (in een bodemprocedure) en ontruiming rechtvaardigt. Hieraan is in dit geval ruimschoots voldaan, omdat de huurachterstand bijna negen maanden bedraagt. Voor zover de huurachterstand is ontstaan of de betalingsregeling niet is nagekomen als gevolg van ontstane financiële problemen door het ongeluk van [gedaagde 1], is dat - hoe vervelend ook - een omstandigheid die voor rekening van gedaagden komt.

Gedaagden hebben ook niet weersproken dat WPNL heeft voldaan aan de op haar rustende inspanningsverplichtingen door persoonlijk contact met gedaagden te zoeken, hen te informeren over de mogelijkheden tot schuldhulpverlening, schriftelijke herinneringen te sturen en hun contactgegevens (nadat hiertegen geen bezwaar was ontvangen) met de gemeente [gemeente] te delen.

Bij de beslissing of toewijzing van de gevorderde ontruiming gerechtvaardigd is, moet ook worden gelet op de belangen van de (minderjarige) kinderen van gedaagden. Hun belang staat zelfs voorop. Dit betekent echter niet dat een woning waarin kinderen wonen nooit mag worden ontruimd. De ouders van minderjarige kinderen zijn in principe verantwoordelijk voor tekortkomingen die tot ontruiming kunnen leiden. Het ligt dan ook op de eerste plaats op de weg van de ouders zelf om de nadelige effecten van de ontruiming voor hun kinderen zoveel mogelijk te beperken. Een vordering tot ontruiming is echter niet toewijsbaar als de ontruiming tot een acute noodtoestand voor de kinderen zou leiden.

Dat die situatie zich hier voordoet is niet gebleken. WPNL heeft ter zitting gesteld dat uit de omstandigheid dat [gedaagde 1] de huurovereenkomst zelf (aanvankelijk zelfs per december 2025) heeft opgezegd, kan worden afgeleid dat er inmiddels kennelijk ander onderdak voor het gezin is gevonden. Bovendien zag de woning er al verlaten uit toen de deurwaarder eind december 2025 het oproepingsexploot kwam betekenen, aldus WPNL. Dit alles is door gedaagden niet weersproken. De kantonrechter gaat er daarom vanuit dat voor gedaagden en hun kinderen geen dakloosheid dreigt bij ontruiming van de woning.

Dit alles afwegend, komt de vordering tot ontruiming van het gehuurde de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voor, zodat deze toewijsbaar is. De kantonrechter zal bepalen dat de woning uiterlijk op 31 januari 2026 moet worden ontruimd, gezien de tussen [gedaagde 1] en WPNL overeengekomen einddatum.

Voor zover WNPL heeft bedoeld om machtiging tot gedwongen ontruiming te vorderen, is die vordering niet toewijsbaar. Indien noodzakelijk kan de deurwaarder met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 555 en verder van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zonder toestemming van de bewoner of gebruiker de woning betreden en ontruimen.

Ook de niet weersproken huurachterstand kan als niet onrechtmatig of ongegrond worden toegewezen, evenals een bedrag van € 1.320,77 per maand voor iedere maand dat gedaagden het gehuurde vanaf 1 januari 2026 in gebruik houden (maar in ieder geval tot en met de overeengekomen beëindigingsdatum 31 januari 2026).

Buitengerechtelijke incassokosten

De buitengerechtelijke incassokosten zijn eveneens toewijsbaar. Deze zijn overeenkomstig artikel 6:96 lid 6 BW aangezegd en gaan het tarief van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten niet te boven.

Proceskosten (en nakosten)

Gedaagden worden in het ongelijk gesteld en zullen daarom worden veroordeeld in de proceskosten. De nakosten en de wettelijke rente daarover zullen worden toegewezen zoals hierna vermeld.

5. De beslissing

De kantonrechter

veroordeelt gedaagden om de woning aan de [adres] te [plaats] met al het hunne en de hunnen uiterlijk 31 januari 2026 te ontruimen en onder afgifte van de sleutels leeg en conform de bepalingen van de huurovereenkomst aan WPNL (althans aan [bedrijf] B.V.) ter beschikking te stellen en ontruimd en verlaten te houden;

veroordeelt gedaagden hoofdelijk (in die zin, dat als de een betaalt de ander zal zijn bevrijd) om aan WPNL te betalen:

a. € 11.616,62 aan achterstallige huur (berekend tot en met december 2025);

b. een bedrag van € 1.320,77 per maand voor iedere maand dat gedaagden het gehuurde vanaf 1 januari 2026 in gebruik houden (maar in ieder geval tot en met 31 januari 2026);

c. € 1.078,31 (inclusief btw) aan buitengerechtelijke kosten;

veroordeelt gedaagden in de proceskosten, die aan de zijde van WPNL worden vastgesteld op:

dagvaardingskosten: € 146,43;

griffierecht: € 1.461,00;

salaris gemachtigde: € 543,00;

veroordeelt gedaagden hoofdelijk (in die zin, dat als de een betaalt de ander zal zijn bevrijd) tot betaling van € 135,- aan nasalaris, voor zover daadwerkelijk nakosten door WPNL worden gemaakt, te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis, te vermeerderen met de wettelijke rente over die nakosten ingaande veertien dagen na de dag van betekening van het vonnis;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.I.V. Scherpenhuijsen Rom en in het openbaar uitgesproken op 22 januari 2026.

De griffier, De kantonrechter,

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?