ECLI:NL:RBNHO:2026:559

ECLI:NL:RBNHO:2026:559

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 21-01-2026
Datum publicatie 26-01-2026
Zaaknummer 11781153 CV EXPL 25-4424
Rechtsgebied Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure Bodemzaak
Zittingsplaats Haarlem

Samenvatting

geen minnelijke regeling tot stand gekomen, veroordeling tot betaling van facturen voor verrichte werkzaamheden en geleverde materialen, beroep op opschorting verworpen, tegenvordering tot ontbinding van de overeenkomst en vergoeding van schade afgewezen

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Civiel recht

Kantonrechter Zittingsplaats Haarlem

Zaaknummer: 11781153 \ CV EXPL 25-4424 (HB)

Vonnis van 21 januari 2026

in de zaak van

[eiser], handelend onder de naam [bedrijf]

wonende en zaakdoende te [plaats 1]

eiser

verder te noemen: [eiser]

gemachtigden: mr. C.A.G. van der Wijst en mr. S. Hasançebi (DAS)

tegen

[gedaagde]

wonende te [plaats 2]

gedaagde

verder te noemen: [gedaagde]

gemachtigde: mr. V.G.I. van der Lei (LegalGuard)

De zaak in het kort

Deze zaak betreft de levering en installatie van elektrische systemen (verlichting, inbraakdetectie, camera’s) in de woning van gedaagde. Eiser vordert primair nakoming van een (volgens hem) tussen partijen gesloten minnelijke regeling. Subsidiair vordert hij veroordeling van gedaagde tot betaling van facturen voor door hem verrichte werkzaamheden en geleverde materialen.

De primaire vordering wordt afgewezen, omdat er geen minnelijke regeling tussen partijen tot stand is gekomen.

De subsidiaire vordering wordt toegewezen. Het beroep van gedaagde op opschorting van zijn betalingsverplichting wordt verworpen.

De tegenvordering van gedaagde tot ontbinding van de overeenkomst en tot het vergoeden van schade wordt afgewezen, omdat gedaagde eiser pas in gebreke heeft gesteld op het moment dat hij zelf al in gebreke was en eiser zich zijnerzijds al – terecht – had beroepen op opschorting.

De tegenvordering tot afgifte van wachtwoorden en codes wordt eveneens afgewezen, omdat toewijzing van die vordering zou leiden tot een onmogelijkheid zijdens eiser.

1. Het procesverloop

[eiser] heeft bij dagvaarding van 27 juni 2025 (met producties) een vordering tegen [gedaagde] ingesteld. [gedaagde] heeft schriftelijk geantwoord en daarbij een tegenvordering ingediend onder overlegging van producties.

Vervolgens heeft [eiser] bij brief van 22 oktober 2025 een akte genomen waarbij hij de eis heeft gewijzigd en producties heeft overgelegd. Ook bij brief van 4 december 2025 heeft hij nog een productie in het geding gebracht.

Op 16 december 2026 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. [eiser] heeft gebruik gemaakt van pleitaantekeningen, die zijn overgelegd.

2. Feiten

[gedaagde] heeft [eiser] (medio 2023, in ieder geval vóór oktober 2023) opdracht gegeven om een inbraakdetectiesysteem en een CCTV-installatie te leveren en installeren, alsmede een Fibarosysteem voor het realiseren van verlichting in zijn woning.

Na bezichtiging op locatie heeft [eiser] op 15 oktober 2023 aan [gedaagde] een offerte gestuurd voor het leveren van het inbraakdetectiesysteem voor een bedrag van € 5.622,00 exclusief btw/€ 6.802,62 inclusief btw. Van die offerte maken deel uit de VEB Algemene Leveringsvoorwaarden installatiebedrijven – Techniek (hierna: de algemene voorwaarden).

Bij e-mail van 28 november 2023 heeft [eiser] nogmaals de offerte voor de inbraakdetectie aan [gedaagde] toegestuurd en ook een offerte voor een CCTV-installatie. De offerte voor de CCTV-installatie sloot op € 2.796,- exclusief btw/€ 3.383,16 inclusief btw. In die e-mail staat dat de prijs bij overeenstemming (over beide offertes) € 7.500,- exclusief btw zou bedragen, wat een korting impliceert van € 918,00 exclusief btw.

Voor de gewenste verlichtingswerkzaamheden (Fibarosysteem) is geen offerte verstrekt, omdat de daarvoor benodigde gegevens ontbraken. Partijen zijn overeengekomen dat die werkzaamheden op basis van nacalculatie aan [gedaagde] in rekening zouden worden gebracht.

[eiser] heeft - onder meer - de volgende facturen aan [gedaagde] toegestuurd (die in dit geschil ter discussie staan):

- nr. 80262 van 24 oktober 2023 van € 4.105,52 inclusief btw voor arbeidsloon (over de periode van 12 juni 2023 tot en met 13 oktober 2023),

- nr. 80263 van 25 oktober 2023 van € 1.052,26 inclusief btw (‘deel levering 3 Fibaro componenten en overige’),

- nr. 80271 van 2 november 2023 van € 772,88 inclusief btw (‘deel levering 3 Fibaro componenten’),

- nr. 80367 van 11 maart 2024 van € 2.994,75 inclusief btw (‘arbeidsloon op nacalculatie Fibaro-/domotica-/verlichting week nr 41 t/m 45 2023’),

in totaal € 8.925,41 inclusief btw.

In reactie op de door [eiser] toegezonden factuur van 24 oktober 2023 (nr. 80262) voor arbeidsloon heeft [gedaagde] bij e-mail van diezelfde datum aan [eiser] meegedeeld dat hij die factuur pas zal betalen op het moment dat de zaken finaal worden opgeleverd, omdat hij eerst een 100% werkend systeem wenst. Een andere factuur van 24 oktober 2023 (nr. 80261) die zag op Fibaro materiaal heeft [gedaagde] wel betaald.

Op 28 november 2023 heeft [eiser] [gedaagde] een overzicht gestuurd van de op dat moment openstaande facturen (80262 van 24 oktober 2023, 80263 van 25 oktober 2023 en 80271 van 2 november 2023).

Bij aangetekende e-mail van 26 januari 2024 heeft [eiser] een betalingsherinnering toegestuurd voor die facturen. Die e-mail heeft [gedaagde] niet geopend.

Bij e-mail van 5 februari 2024 heeft [gedaagde] nogmaals aan [eiser] meegedeeld dat hij eerst wil dat zaken gaan werken.

Bij e-mail van 7 februari 2024 heeft [eiser] aan [gedaagde] aangegeven dat hij hem (de dag na 24 oktober 2024) erop heeft aangesproken dat een 100% werkend systeem niet reëel is en heeft [eiser] aan [gedaagde] gevraagd een lijstje te maken van wat er niet werkt of niet juist is geïnstalleerd.

Bij ‘veertiendagenbrief’ van 13 maart 2024 heeft [eiser] [gedaagde] nogmaals aangemaand tot betaling van de facturen van 24 en 25 oktober 2023 en 2 november 2023, onder aanzegging van buitengerechtelijke incassokosten (van € 812,- inclusief btw). Bij e-mail van diezelfde datum heeft [eiser] aan [gedaagde] meegedeeld dat hij genoodzaakt is zijn leveringen en diensten op te schorten totdat alle facturen zijn betaald.

Bij aangetekende e-mail van 23 maart 2024 heeft [eiser] [gedaagde] aangemaand tot betaling van de factuur nr. 80367 van 11 maart 2024. Bij e-mail van diezelfde datum heeft [gedaagde] [eiser] in de gelegenheid gesteld om uiterlijk 15 april 2024 het werk conform afspraak uit te voeren. Daarbij heeft [gedaagde] aangezegd dat hij anders op zoek gaat naar een alternatief.

Bij e-mail van 9 april 2024 heeft [gedaagde] (nogmaals) aan [eiser] meegedeeld dat de openstaande facturen betaald zullen worden nadat de laatste werkzaamheden correct zijn afgerond. Volgens [gedaagde] werken de rails met spotjes nog steeds niet, zitten veel lampen niet op de juiste kanalen op de app en moeten de zones van de vloerverwarming nog worden aangesloten op Fibaro. Verder heeft [gedaagde] aangegeven dat in zijn administratie alleen factuur 80263 (van 25 oktober 2024 van € 1.052,26 inclusief btw) nog openstaat. Bij e-mail van 18 april 2024 heeft [gedaagde] zijn standpunt, dat hij eerst de werkzaamheden afgerond wil zien alvorens hij betaalt, herhaald.

Bij brief van zijn gemachtigde van 1 mei 2024 heeft [eiser] [gedaagde] voor de laatste maal in de gelegenheid gesteld de openstaande facturen van in totaal € 8.925,41 (met buitengerechtelijke incassokosten van € 821,27 en wettelijke rente) ‘binnen veertien dagen na heden’ te betalen.

[eiser] heeft die facturen op 6 mei 2024 (op verzoek) nog een keer aan [gedaagde] toegestuurd. Op 11 mei 2024 heeft [eiser] ook een excelsheet met een overzicht van de openstaande facturen toegestuurd.

Op 12 mei 2024 heeft [eiser] geconstateerd dat hij niet meer kon inloggen op Fibaro home center 3.

Bij e-mail van 22 mei 2024 heeft [gedaagde] meegedeeld dat volgens hem nog een bedrag van € 4.047,01 openstaat (het totaal van de facturen 80263 van 25 oktober 2023 en factuur 80367 van 11 maart 2024). [gedaagde] heeft ook aangegeven dat de factuur nr. 80262 van 24 oktober 2023 cash is betaald (met een betaling van € 7.500,- die zag op die factuur en op de offerte van het inbraaksysteem) en dat factuur nr. 80271 van 2 november 2023 gelijk is aan factuur 80263 (op wat extra werk en materiaal in factuur 80263 na.) [gedaagde] is bereid het openstaande bedrag van € 4.047,01 direct over te maken, onder de garantie dat [eiser] binnen 3 weken de werkzaamheden komt afronden.

Bij brief van zijn gemachtigde van 19 juni 2024 heeft [eiser] daarop gereageerd. In die brief stelt [eiser] dat er nog een bedrag van € 11.014,02 open staat (bestaande uit het bedrag van € 8.925,41, de btw over het voor inbraakdetectie en CCTV overeengekomen bedrag van € 7.500,- van € 1575,- (kantonrechter: dat bedrag wordt niet gevorderd in deze procedure) en € 513,61 aan buitengerechtelijke incassokosten. In die brief legt [eiser] uit dat factuur nr. 80271 niet gelijk is aan factuur nr. 80263. Ook wijst [eiser] er in die brief op dat conform de algemene voorwaarden de garantie is komen te vervallen doordat [gedaagde] het wachtwoord voor Fibaro heeft laten wijzigen.

Bij brief van zijn gemachtigde van 16 juli 2024 heeft [gedaagde] daarop gereageerd. In die brief staat (nogmaals) dat hij eind oktober 2023 € 7.500,- contant heeft betaald voor factuur 80262 en de offerte (voor de inbraakdetectie). Volgens [gedaagde] staat er nog € 4.819,89 open (het totaal van de facturen van 25 oktober 2023 nr. 80263, 2 november 2023 nr. 80271 - waarover hij twijfels heeft - en 11 maart 2024 nr. 80367). Ook wijst [gedaagde] er op dat de volgende werkzaamheden nog moeten worden uitgevoerd:

- de verschillende zones van het Fibarosysteem moeten nog worden ingesteld

- de automatische lichten werken niet

- de vloerverwarming moet nog aan het Fibaro systeem worden gekoppeld

- er staat een foutmelding op het inbraaksysteem

- [gedaagde] beschikt niet over de wachtwoorden en codes van het inbraaksysteem.

De algemene voorwaarden zien volgens [gedaagde] niet op het Fibaro systeem, maar op het inbraakdetectiesysteem. [gedaagde] heeft in de brief een schikkingsvoorstel gedaan op basis van het volgens hem openstaande bedrag van € 4.818,89.

In reactie daarop heeft [eiser] bij brief van zijn gemachtigde van 27 augustus 2024 meegedeeld dat hij niet begrijpt waarom hij wordt aangesproken op gebreken: het Fibaro systeem kent geen zones, de automatische lichten werken, het koppelen van de vloerverwarming aan het Fibaro systeem behoort niet tot de overeengekomen werkzaamheden, de foutmelding van het inbraaksysteem is waarschijnlijk te wijten aan het wegvallen van de internetverbinding en [gedaagde] heeft wel de codes en uitleg van het inbraaksysteem ontvangen. De contante betaling van € 7.500,- ziet niet op factuur 80262, maar op het inbraakdetectiesysteem en de CCTV-installatie. De algemene voorwaarden zien ook op het Fibaro systeem. Op grond van die voorwaarden is de garantie komen te vervallen door de wijziging van het wachtwoord, aldus [eiser].

Bovenop het bedrag van € 11.014,02 heeft [eiser] bij deze brief € 4.423,95 aan reisuren- en kosten aan [gedaagde] in rekening gebracht (kantonrechter: deze worden in deze procedure niet gevorderd) en heeft hij [gedaagde] gesommeerd het totaalbedrag van € 15.437,97 binnen veertien dagen te betalen.

Bij brief van zijn gemachtigde van 21 oktober 2024 heeft [gedaagde] zijn standpunt dat er € 4.819,89 openstaat (inclusief de factuur van 2 november 2023 waarbij hij twijfels heeft) gehandhaafd en heeft hij aangegeven dat het schikkingsvoorstel uit zijn brief van 16 juli 2024 nog steeds openstaat.

Bij e-mails van 10 december 2024 tot en met 22 mei 2025 hebben partijen (verder) gecorrespondeerd over een minnelijke regeling. In dat kader heeft [gedaagde] op 6 januari 2025 aangeboden een bedrag van € 5.086,29 tegen finale kwijting te betalen. Aan dat voorstel heeft hij op 21 januari 2025 de voorwaarde verbonden dat [eiser] hem alle benodigde wachtwoorden en codes zou verstrekken. Daarbij ging het [gedaagde] vooral om het Fibaro systeem, dat volgens hem maar gedeeltelijk was geïnstalleerd.

Bij e-mail van 25 april 2025 heeft [gedaagde] aangeboden tegen finale kwijting € 8.925,41 te betalen eveneens onder de voorwaarde dat [eiser] alle benodigde wachtwoorden en codes zou verstrekken.

Bij e-mail van 30 april 2025 heeft [eiser] zich (in beginsel) akkoord verklaard met dat voorstel en heeft hij diverse codes en wachtwoorden aan [gedaagde] gegeven. Hij heeft daarbij opgemerkt dat het wachtwoord voor Fibaro ID en homecenter door [gedaagde] is gewijzigd en dat dit door [gedaagde] of de door hem ingeschakelde installateur moet worden aangepast. Verder heeft [eiser] aangegeven dat [gedaagde] het bedrag van € 8.925,41 binnen veertien dagen moet betalen, omdat anders de gesloten schikkingsovereenkomst komt te vervallen.

Bij e-mail van 20 mei 2025 heeft [gedaagde] aangegeven dat hij het fijn vindt dat partijen wat betreft het financiële gedeelte een akkoord hebben bereikt, maar dat hij nog steeds geen toegang heeft tot het systeem: het is zijn elektricien niet gelukt om daarin te komen. [gedaagde] heeft in die e-mail voorgesteld dat [eiser] rechtstreeks contact opneemt met zijn elektricien ([betrokkene 1]) om het probleem op te lossen, waarna [gedaagde] zal overgaan tot betaling.

Bij e-mail van 22 mei 2025 heeft [eiser] meegedeeld dat [gedaagde] moet overgaan tot betaling van het bedrag van € 8.925,41, omdat [eiser] de codes en wachtwoorden zoals overeengekomen heeft doorgegeven. Daarbij heeft [eiser] aangegeven dat hij vermoedt dat [gedaagde] niet in het systeem komt omdat hij eigenhandig het Fibaro wachtwoord heeft gewijzigd. Dit zijn volgens [eiser] geen werkzaamheden waarvoor hij is aan te spreken. [eiser] geeft [gedaagde] in die e-mail ‘nog een allerlaatste mogelijkheid om buitengerechtelijk tot een oplossing te komen’ door betaling van het bedrag van € 8.925,41 binnen vijf dagen, bij gebreke waarvan een dagvaarding aan [gedaagde] zal worden betekend.

3. De vordering

Na wijziging van de eis vordert [eiser] veroordeling van [gedaagde] tot betaling van:

primair:

een hoofdsom van € 8.925,41, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van dagvaarding en met de proceskosten (met de wettelijke rente en de nakosten);

subsidiair:

een hoofdsom van € 8.925,41, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 29 maart 2024 of 15 mei 2024 of de datum van dagvaarding, met € 821,27 aan buitengerechtelijke incassokosten en met de proceskosten (met de wettelijke rente en de nakosten).

[eiser] legt aan zijn primaire vordering – kort weergegeven – ten grondslag dat partijen in dit geschil een minnelijke regeling zijn overeengekomen. Die regeling is door [eiser] wel en door [gedaagde] - ten onrechte - niet nagekomen. [gedaagde] zou tegen finale kwijting € 8.0925,41 betalen onder de voorwaarde dat [eiser] alle benodigde wachtwoorden en codes zou verstrekken. [eiser] heeft die codes en wachtwoorden verstrekt, maar [gedaagde] is niet tot betaling overgegaan.

Aan zijn subsidiaire vordering legt [eiser] – samengevat – ten grondslag dat [gedaagde] de onder 2.5. van dit vonnis vermelde facturen voor de door [eiser] verrichte werkzaamheden en geleverde materialen ten onrechte niet heeft voldaan. [eiser] heeft de overeenkomst deugdelijk uitgevoerd en daarom moet [gedaagde] zijn betalingsverplichting nakomen.

Op het standpunt van [eiser] zal (zo nodig) hierna onder ‘de beoordeling’ verder worden ingegaan.

4. Het verweer en de tegenvordering

[gedaagde] is van mening dat de vordering moet worden afgewezen. Hij voert als verweer tegen de primaire vordering aan – samengevat – dat het partijen geen minnelijke regeling zijn overeengekomen.

Wat betreft de subsidiaire vordering voert hij aan dat het gevorderde openstaande bedrag niet klopt, omdat dit veel lager moet zijn. Bovendien zijn de overeengekomen werkzaamheden niet naar behoren uitgevoerd en beroept hij zich op opschorting.

Bij wijze van tegenvordering vordert [gedaagde] dat de kantonrechter:

I. de overeenkomst tussen partijen (gedeeltelijk) ontbindt;

II. [eiser] veroordeelt:

a. tot betaling aan [gedaagde] van € 4.179,93;

b. om over te gaan tot afgifte van de wachtwoorden en codes die [gedaagde] nodig heeft om toegang te krijgen tot het Fibaro systeem en om over te kunnen gaan tot het resetten van dat systeem, op straffe van een dwangsom;

c. tot betaling van de proceskosten (met de wettelijke handelsrente) en de nakosten.

[gedaagde] legt aan zijn tegenvordering ten grondslag – samengevat – dat de overeengekomen werkzaamheden niet zijn afgerond en dat hij problemen ervaart met het geleverde werk. [gedaagde] heeft [eiser] (bij de e-mail van 23 maart 2024) in gebreke gesteld, maar [eiser] deed niets meer en verkeert dus in verzuim. De gebreken zijn ook door een derde (JB Security) geconstateerd. [gedaagde] heeft kosten gemaakt om het camera systeem te laten vervangen en het Fibaro systeem te laten uitzoeken. Die kosten van in totaal € 4.179,93 komen als schade voor rekening van [eiser]. Het beveiligingssysteem is geheel vervangen en werkt nu. Het Fibaro systeem werkt nog steeds niet, omdat [gedaagde] de juiste wachtwoorden en codes niet heeft.

[eiser] betwist de tegenvordering.

Op de standpunten van partijen zal (zo nodig) hierna onder ‘de beoordeling’ verder worden ingegaan.

5. De beoordeling (van de vordering en de tegenvordering)

De vordering en de tegenvordering lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

De primaire vordering: minnelijke regeling?

De primaire vordering van [eiser] is gegrond op de stelling dat tussen partijen een minnelijke regeling tot stand is gekomen die door [eiser] wel en door [gedaagde] niet is nagekomen. Dat betoog kan niet slagen.

[gedaagde] heeft aan zijn bereidheid tot betaling de voorwaarde verbonden dat hij de benodigde wachtwoorden en codes zou ontvangen. Uit zijn verdere e-mails blijkt dat het voor hem van belang was om het systeem, en met name het Fibaro systeem, werkzaam te krijgen. Het daarvoor door [eiser] verstrekte wachtwoord was, zoals [eiser] in de brief van 30 april 2025 ook aangeeft, al bij [gedaagde] bekend. In diezelfde brief heeft [eiser] aangegeven dat het Fibaro systeem (volgens hem door toedoen van [gedaagde]) inmiddels twee wachtwoorden had en dat het aangepast moest worden, waarop [eiser] geen garantie kon geven. [eiser] was ook niet bereid om hierover contact te hebben met de elektricien van [gedaagde].

Bij deze stand van zaken kan niet worden gezegd dat [eiser] heeft voldaan aan de door [gedaagde] gestelde voorwaarde, in die zin dat hij niet de wachtwoorden/code heeft geleverd die ertoe hebben geleid dat het Fibaro systeem werkzaam werd en hij ook niet bereid was om daarover contact te hebben met de door [gedaagde] ingeschakelde elektricien. Of [eiser] hier al dan niet een verwijt van kan worden gemaakt, is in deze niet relevant: hij is zijn verplichting uit de vaststellingsovereenkomst onvoldoende nagekomen. Verder heeft [eiser] in de hierboven aangehaalde correspondentie zelf tot twee keer toe aangegeven dat de regeling kwam te vervallen als [gedaagde] niet zou betalen.

De primaire vordering is daarom niet toewijsbaar.

De subsidiaire vordering

De subsidiaire vordering is gegrond op een gemengde overeenkomst van consumentenkoop en aanneming van werk betreffende het leveren en installeren van een inbraakdetectiesysteem, een CCTV systeem en een Fibaro systeem voor de verlichting.

Ambtshalve toetsing van precontractuele informatieplichten

De vordering is gebaseerd op een overeenkomst tussen een handelaar en een consument. Bij het sluiten van dergelijke overeenkomsten moet de handelaar voldoen aan de wettelijke precontractuele informatieplichten van het Burgerlijk Wetboek (BW). De kantonrechter moet er ambtshalve op toezien dat die voorschriften worden nageleefd, ook als er daartegen geen verweer is gevoerd.

In dit geval is sprake van een overeenkomst anders dan op afstand of buiten de verkoopruimte, zoals bedoeld in artikel 6:230l van het Burgerlijk Wetboek (BW).

Niet in geschil is dat de afspraken tussen partijen tot stand zijn gekomen tijdens het uitvoeren van werkzaamheden door [eiser] (aanvankelijk in onderaanneming voor [betrokkene 2]) in de woning van [gedaagde]. Naar aanleiding daarvan zijn voor het inbraakdetectiesysteem en het CCTV systeem uiteindelijk offertes opgemaakt en is overeengekomen dat de werkzaamheden betreffende het Fibarosysteem op factuurbasis zouden worden uitgevoerd (waarbij voorafgaand conceptfacturen zouden worden verstrekt).

Van een overeenkomst op afstand in de zin van artikel 6:230g aanhef en onder e BW is geen sprake, omdat niet is gebleken dat gebruik is gemaakt van een ‘georganiseerd systeem voor verkoop of dienstverlening op afstand’ in de zin van artikel 6:230g aanhef en onder e BW. Evenmin is sprake van een overeenkomst buiten de verkoopruimte als bedoeld in artikel 6:230g aanhef en onder f BW. Weliswaar is de overeenkomst tussen partijen feitelijk buiten de verkoopruimte tot stand gekomen, maar [gedaagde] heeft zich gedurende enige tijd kunnen bezinnen op de beslissing om al dan niet met [eiser] te contracteren. De kantonrechter moet daarom toetsen of [eiser] aan de precontractuele informatieverplichtingen die zijn neergelegd in artikel 6:230l BW heeft voldaan.

Op grond van dat artikel moet de handelaar voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst de consument op duidelijke en begrijpelijke wijze (voor zover van belang) de volgende informatie verstrekken, voor zover die informatie niet al duidelijk uit de context blijkt:

a. de voornaamste kenmerken van de zaken of de diensten;

b. de identiteit van de handelaar zoals zijn handelsnaam;

c. de totale prijs van de zaken of diensten, met inbegrip van alle belastingen en

d. de wijze van betaling, levering, nakoming, de termijn waarbinnen de handelaar zich verbindt de zaak te leveren of de dienst te verlenen en het beleid van de handelaar inzake klachtenbehandeling.

De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] ter zitting voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij die informatie (voor zover van belang) voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst mondeling aan [gedaagde] heeft verstrekt. Dat is door [gedaagde] ook niet weersproken.

In dit geval geen ambtshalve toetsing van de algemene voorwaarden

Bij vorderingen gebaseerd op een overeenkomst tussen een handelaar en een consument moet de kantonrechter ook onderzoek doen naar (mogelijk) oneerlijke bedingen in toepasselijke algemene voorwaarden.

De kantonrechter is van oordeel dat de algemene voorwaarden van [eiser] alleen van toepassing zijn op de overeenkomst tot het leveren en aanbrengen van het inbraakdetectiesysteem en niet op de overeenkomsten betreffende de CCTV installatie en het Fibarosysteem. Alleen in de offerte voor het inbraakdetectiesysteem zijn deze voorwaarden van toepassing verklaard. Dat die voorwaarden ook van toepassing zijn verklaard op de overeenkomsten betreffende het CCTV installatie en het Fibarosysteem is in ieder geval uit niets gebleken.

[eiser] heeft nog aangevoerd dat, gelet op de ruime definitie van het begrip installatie in artikel 1 van de algemene voorwaarden, die voorwaarden ook op het Fibaro systeem zien. Het inbraakdetectiesysteem is volgens [eiser] immers geïntegreerd in het Fibaro Home Center en er vindt communicatie tussen beide systemen plaats. Dat betoog kan niet slagen. De overeenkomst met betrekking tot het inbraakdetectiesysteem staat immers los van de overeenkomst tot het installeren van het Fibarosysteem. De omstandigheid dat die systemen technisch met elkaar zijn verbonden maakt niet dat de algemene voorwaarden dan ook van toepassing zijn op het Fibarosysteem.

Omdat de ter discussie staande facturen zien om het Fibarosysteem en de algemene voorwaarden op dat systeem niet van toepassing zijn, hoeft de kantonrechter de algemene voorwaarden van [eiser] in deze zaak niet ambtshalve te toetsen op oneerlijke bedingen.

Inhoudelijke beoordeling van de subsidiaire vordering

i. openstaande facturen

De vordering ziet op vier facturen. In de correspondentie tussen partijen heeft [gedaagde] steeds erkend dat hiervan in ieder geval openstaan de factuur nr. 80263 van 25 oktober 2023 van € 1.052,26 inclusief btw en de factuur nr. 80367 van 11 maart 2024 van € 2.994,75 inclusief btw.

[gedaagde] heeft in die correspondentie ook erkend dat factuur 80271 van 2 november 2023 van € 772,88 inclusief btw niet is betaald. Over die factuur heeft hij echter twijfels geuit, in die zin dat deze betrekking zou hebben op onderdelen die al bij factuur nr. 80263 van 25 oktober 2023 in rekening waren gebracht. [eiser] heeft echter in de brief van 19 juni 2024 voldoende toegelicht dat factuur nr. 89271 ziet op bestellingen - door [eiser] bij Fibaro - gedaan op 17 november 2024 en dat factuur nr. 80263 ziet op bestellingen gedaan op 1 november 2023. De betreffende inkoopfacturen van 18 oktober 2023 en 3 november 2023 zijn meegestuurd met die brief. [gedaagde] heeft de juistheid van die uitleg niet (of in ieder geval onvoldoende) weersproken.

Met betrekking tot factuur nr. 80262 van 24 oktober 2023 van € 4.105,52 inclusief btw heeft [gedaagde] aangevoerd dat deze is voldaan door een betaling eind oktober 2023 van € 7.500,-. Die betaling zag volgens [gedaagde] op die factuur en op het offertebedrag betreffende de inbraakdetectie installatie (van € 6.802,62), wat een korting betekende van € 3.408,14 op het totaalbedrag van € 10.908,14. Dit is door [eiser] betwist en ligt ook niet voor de hand. Uit niets blijkt dat partijen deze aanzienlijke korting zijn overeengekomen. Blijkens de e-mail van 28 november 2023 zag die contante betaling kennelijk (zoals ook door [eiser] is aangevoerd) op het offertebedrag van € 7.500,- exclusief btw voor het inbraakdetectiesysteem en het CCTV systeem tezamen, wat een (meer voor de hand liggende) korting van € 918,- zou opleveren. In de e-mail van 22 mei 2024 waarin [gedaagde] voor het eerst het standpunt inneemt dat de contante betaling ook op factuur 80626 zag, spreekt hij ook over een “kleine korting”. Verder sluit het betoog van [gedaagde] niet aan op zijn mededeling in zijn e-mail van 24 oktober 2023 waarin hij aangeeft de factuur voor het arbeidsloon (80262) pas te zullen betalen als de “zaken finaal worden opgeleverd” en hij een “100% werkend systeem” heeft. Dit laatste is echter nooit het geval geweest en gesteld noch gebleken is dat [gedaagde] desondanks de betreffende factuur heeft willen voldoen of heeft voldaan. De kantonrechter neemt dan ook als vaststaand aan dat factuur nr. 80262 niet is voldaan.

Dit betekent dat in totaal nog een factuurbedrag van € 8.925,41 openstaat zoals gevorderd. Dit totaal ziet op de vier hiervoor genoemde facturen.

Gelet op wat hiervoor is overwogen kan het door [gedaagde] in deze procedure primair ingenomen standpunt dat het openstaande bedrag slechts € 1.425,41 bedraagt geen standhouden en evenmin het subsidiaire verweer dat slechts € 4.047,01 openstaat.

Voor zover [gedaagde] stelt dat optelling van alle ooit van [eiser] ontvangen facturen (in totaal € 16.206,62) en aftrek van alle betalingen (in totaal € 14.781,21) resulteert in een openstaand bedrag van € 1.425,41 heeft hij dat ook onvoldoende concreet onderbouwd. Bovendien is dit standpunt niet in overeenstemming met het door [gedaagde] in de correspondentie ingenomen standpunt dat er een bedrag van € 4.0471,01 of € 4.819,89 openstaat.

ii. beroep op opschorting

Vervolgens moet de vraag worden beantwoord of [gedaagde] zich terecht op opschorting van zijn betalingsverplichting betreffende de facturen 80262 (arbeidsloon), 80263 en 80721 (beiden levering materiaal Fibaro systeem) heeft beroepen. Daarbij geldt als uitgangspunt dat een partij alleen mag opschorten als hij een opeisbare vordering op zijn wederpartij heeft. De reden voor de opschorting lag er blijkens de mededeling van [gedaagde] destijds in dat het Fibaro systeem nog niet 100% werkte. Echter, uit niets blijkt dat een dergelijke verplichting op dat moment op [eiser] rustte. Hij had zich verbonden om werkzaamheden op regiebasis te verrichten en om materialen te leveren. [gedaagde] heeft niet gemotiveerd betwist dat [eiser] de werkzaamheden die hij volgens factuur 80262 in rekening bracht, had uitgevoerd. Evenmin heeft [gedaagde] gemotiveerd betwist dat [eiser] de materialen die op de facturen 80263 en 80721 staan, had geleverd. Voorts staat vast dat een eindoplevering nog niet had plaatsgevonden. Ten slotte is van belang dat [gedaagde] pas in april 2024 specifiek heeft aangegeven welke tekortkomingen het Fibaro systeem had. Op dat moment verkeerde hij al in verzuim wegens het niet betalen van de facturen van [eiser].

Het voorgaande betekent dat het beroep van [gedaagde] op opschorting niet kan slagen. [gedaagde] zal alsnog de facturen 80262, 80263 en 80271 moeten betalen. Dat geldt ook voor factuur 80367 (die ziet op het arbeidsloon over de periode 13 oktober tot 8 november 2023) waartegen [gedaagde] geen specifiek verweer heeft gevoerd. De verschuldigdheid van die factuur staat dus ook vast. Voor zover [gedaagde] zich ten aanzien van die factuur ook op opschorting heeft beroepen, kan dat beroep niet slagen gelet op hetgeen hiervoor ten aanzien van opschorting is overwogen.

iii. conclusie in conventie en wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten

De conclusie in conventie is dus dat de vordering tot betaling van € 8.925,41 aan hoofdsom toewijsbaar is.

De over de hoofdsom gevorderde wettelijke rente is niet betwist en eveneens toewijsbaar, met dien verstande dat de wettelijke rente over de eerste drie facturen (met een totaal van € 5.930,66) toewijsbaar is vanaf 29 maart 2024 (de datum waarop de termijn in de aanmaningsbrief van 13 maart 2024 is verlopen) en de rente over de laatste factuur (totaal van € 2.994,75 incl. btw) vanaf 15 mei 2024.

De gevorderde buitengerechtelijke kosten zijn niet betwist en toewijsbaar tot een bedrag van € 812,55 inclusief btw omdat deze alleen correct (overeenkomstig artikel 6:96 lid 6 BW) zijn aangezegd over het bedrag van de eerste drie facturen in de veertiendagenbrief van 13 maart 2025.

De tegenvordering

In reconventie heeft [gedaagde] (gedeeltelijke) ontbinding van de overeenkomst tussen partijen en betaling van een bedrag van € 4.179,93 gevorderd, daartoe stellende dat dit de schade is die hij heeft geleden als gevolg van het toerekenbaar te kort schieten van [eiser]. Die tekortkomingen betreffen zowel het Fibaro systeem als het inbraakdetectiesysteem. [gedaagde] heeft [eiser] daarvoor bij brief van 23 maart 2024 in gebreke gesteld. Omdat [eiser] niet nakwam, heeft [gedaagde] kosten moeten maken ter vervanging van het camerasysteem en het laten uitzoeken van het Fibaro systeem.

De vordering kan alleen al niet slagen omdat [gedaagde] [eiser] pas in gebreke heeft gesteld op het moment waarop [gedaagde] zelf al in gebreke was en [eiser] zich al had beroepen op opschorting zijnerzijds (zie zijn e-mail van 13 maart 2024). Die opschorting was gerechtvaardigd omdat [gedaagde] naliet de facturen van [eiser] te voldoen terwijl hij daartoe wel gehouden was. Omdat [gedaagde] ten onrechte de facturen van [eiser] onbetaald heeft gelaten en [eiser] op grond daarvan bevoegd was de nakoming van zijn verplichtingen op te schorten, is [gedaagde] in verzuim gekomen (zie artikel 6:59 BW) en kan [eiser] niet ook in verzuim raken (zie artikel 6:61 BW). Zonder verzuim kan de overeenkomst niet (gedeeltelijk) worden ontbonden en is er ook geen verplichting voor [eiser] om de gestelde schade te vergoeden, nog daargelaten dat de gestelde schade onvoldoende is onderbouwd en met name niet is gebleken dat de door derden verrichte werkzaamheden het gevolg waren van een tekortschieten van [eiser].

[gedaagde] heeft ook nog gevorderd dat [eiser] wordt veroordeeld tot afgifte van wachtwoorden en codes die [gedaagde] nodig heeft om toegang tot het Fibaro systeem te krijgen en het systeem te kunnen resetten. Die vordering kan evenmin slagen. [eiser] heeft onbetwist aangevoerd dat hij de bij hem bekende wachtwoorden en codes heeft verstrekt (zie ook e-mail van 30 april 2025) en dat hij niet beschikt over andere wachtwoorden en codes. [eiser] heeft ook toegelicht hoe volgens hem het probleem met de toegankelijkheid van het Fibaro systeem is ontstaan en dat [gedaagde] dit kan oplossen door zelf contact op te nemen met Fibaro. Dit is door [gedaagde] niet, althans onvoldoende, weerlegd. Toewijzing van de vordering zou daarom leiden tot een onmogelijkheid zijdens [eiser].

De proceskosten in conventie en in reconventie

De proceskosten in conventie en in reconventie komen voor rekening van [gedaagde], omdat hij (grotendeels) ongelijk krijgt. De wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten zijn toewijsbaar zoals hierna vermeld.

6. De beslissing

De kantonrechter:

de vordering

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van:

a. een hoofdsom van € 8.925,41, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 5.930,66 vanaf 29 maart 2024 tot 15 mei 2024 en over € 8.925,41 vanaf 15 mei 2024 tot de dag van de gehele betaling;

b. € 812,55 inclusief btw aan buitengerechtelijke incassokosten.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van [eiser] tot en met vandaag vaststelt op: dagvaarding € 120,78griffierecht € 257,00salaris gemachtigde € 678,00;

te voldoen binnen veertien dagen na de dag van betekening van dit vonnis en, indien niet binnen die termijn voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten vanaf vijftiende dag na de dag van betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van € 135,00 aan nasalaris, voor zover daadwerkelijk nakosten door Leibbbrand worden gemaakt;

verklaart bovenstaande veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst de vordering voor het overige af.

de tegenvordering

wijst de vordering af;

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor [eiser] worden vastgesteld op een bedrag van € 271,00 aan salaris van de gemachtigde van [eiser], te voldoen binnen veertien dagen na de dag van betekening van dit vonnis en, indien niet binnen die termijn voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten vanaf vijftiende dag na de dag van betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van € 135,00 aan nasalaris, voor zover daadwerkelijk nakosten door [eiser] worden gemaakt.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. Dijk, kantonrechter, en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. J.J. Dijk

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?