RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Bewind
Locatie Zaanstad
Zaaknummers : 12149026 \ WM VERZ 26-203
CJIB-nummers : [nummer]
Uitspraakdatum : 6 mei 2026
Uitspraak op een vordering tot gijzeling als bedoeld in artikel 28 van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
in de zaak van
[betrokkene]
1. Het verloop van de procedure
De officier van justitie heeft een vordering ingesteld om te worden gemachtigd tot het toepassen van het dwangmiddel gijzeling, voor de duur van het in de vordering genoemde aantal dagen.
De zaak is behandeld op de zitting van 22 april 2026. Op de zitting is de vertegenwoordiger van de officier van justitie niet verschenen. Betrokkene is ook niet verschenen, ondanks een oproep daartoe in een brief van de rechtbank. De kantonrechter heeft na de zitting uitspraak gedaan.
2. Overwegingen
In artikel 28 lid 1 van de Wahv staat dat een vordering tot gijzeling wordt ingesteld bij de kantonrechter in het arrondissement waar het adres is van degene aan wie de verkeersboete is opgelegd.
Betrokkene heeft een adres in ’s-Gravenhage en staat daar ook ingeschreven in de basisregistratie personen. Dat betekent dat niet de kantonrechter van de rechtbank Noord-Holland bevoegd is om over de vordering te beslissen, maar de kantonrechter van de rechtbank Den Haag.
De zaak zal dus voor verdere behandeling worden verwezen naar de rechtbank Den Haag.
De uitspraak
De kantonrechter:
‒ verwijst de zaak naar de kantonrechter van de rechtbank Den Haag.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Jansen, kantonrechter, bijgestaan door de griffier, en in het openbaar uitgesproken.
De griffier De kantonrechter