RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Bewind
locatie Zaanstad
Zaaknummer : 11677071 \ WM VERZ 25-733
CJIB-nummer : [nummer]
Uitspraakdatum : 13 februari 2026
Uitspraak op een beroep tegen een boete op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) en proces-verbaal van de zitting
in de zaak van
[betrokkene]
gemachtigde : [gemachtigde], Verkeersboete.nl te Zoetermeer
De verkeersboete en het beroep
Aan betrokkene is een boete opgelegd voor een verkeersovertreding (geen goedgekeurde, goed passende of goed bevestigde helm dragen als bestuurder of passagier van een bromfiets of brommobiel).
Betrokkene heeft beroep ingesteld tegen de boete. Het beroep is behandeld op de zitting van
5 december 2025. Op de zitting is de vertegenwoordiger van de officier van justitie verschenen.
De gemachtigde van betrokkene is ook verschenen.
Betrokkene is het niet eens met de beslissing van de officier van justitie en heeft zijn standpunt uitgebreid toegelicht. Betrokkene voert onder meer aan dat de snorfiets waarop betrokkene reed, valt onder een uitzondering op de helmplicht.
De vertegenwoordiger van de officier van justitie (hierna de vertegenwoordiger) heeft de kantonrechter verzocht om het beroep gegrond te verklaren. Daarbij heeft de vertegenwoordiger gesteld dat het voertuig van betrokkene wordt aangemerkt als ‘bijzondere bromfiets’ en daarmee onder de uitzondering van artikel 60 lid 2 RVV valt. De vertegenwoordiger verwijst hierbij naar het Besluit tot wijziging van het RVV 1990 in verband met de helmplicht voor snorfietsers (Staatsblad 2022, nr. 2022).
De beoordeling
De kantonrechter heeft bij tussenuitspraak van 19 december 2025 de officier van justitie de gelegenheid gegeven om vóór 30 januari 2026 een aanvullend proces-verbaal te overleggen waaruit concreet blijkt op basis waarvan het voertuig van betrokkene als ‘bijzondere bromfiets’ is aan te merken.
De officier van justitie heeft deze gelegenheid niet te baat genomen en heeft geen aanvullende informatie verstrekt. De kantonrechter leidt hieruit en de mededeling op zitting af dat de officier de boete kennelijk niet meer wenst te handhaven. Gelet hierop komt de kantonrechter niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van de zaak. Het beroep is dus gegrond.
De beschikking waarbij de boete is opgelegd en de beslissing van de officier van justitie zullen worden vernietigd.
Het verzoek om een proceskostenvergoeding wordt toegewezen, omdat betrokkene (gedeeltelijk) gelijk krijgt. Met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht en artikel 13a lid 2 Wahv zullen die kosten worden vastgesteld op een bedrag van in totaal € 400,00. Daarbij is voor de procedure bij de officier van justitie een proceskostenvergoeding bepaald van
€ 166,50 (2 punten voor het beroepschrift en de hoorzitting, wegingsfactor 0,5, verminderingsfactor 0,25, waarde per punt € 666,00) en voor de procedure bij de kantonrechter een proceskostenvergoeding van € 233,50 (2 punten voor het beroepschrift en de zitting, wegingsfactor 0,5, verminderingsfactor 0,25, waarde per punt € 934,00). De kantonrechter heeft bij hiervoor genoemde vaststelling van de proceskosten een verminderingsfactor van 0,25 toegepast, zoals bedoeld in artikel 13a lid 2 Wahv, omdat de beslissing waarbij de boete is opgelegd en beslissing van de officier zijn bekendgemaakt ná 1 januari 2024.
De kantonrechter is niet bevoegd om kennis te nemen van de bezwaren tegen de uitbetaling van de proceskostenvergoeding.
De uitspraak
De kantonrechter:
‒ verklaart het beroep gegrond;
‒ vernietigt de beslissing van de officier van justitie en de beschikking waarbij de
boete is opgelegd;
‒ bepaalt dat de officier van justitie het bedrag dat betrokkene als zekerheidstelling heeft betaald, aan betrokkene terugbetaalt;
‒ veroordeelt de officier van justitie tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 400,00;
‒ verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van de bezwaren tegen de uitbetaling van de proceskostenvergoeding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.D.M. Hazeu, kantonrechter, bijgestaan door de griffier, en in het openbaar uitgesproken.
De griffier De kantonrechter
Tegen deze uitspraak kan op grond van artikel 14 Wahv hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, binnen 6 weken na de hieronder vermelde dag van toezending. Hoger beroep is in beginsel alleen mogelijk als de boete in de uitspraak is bepaald op een bedrag van meer dan € 110,00. Het beroepschrift moet worden verzonden aan de afdeling Kanton van de rechtbank Noord-Holland, Postbus 251, 1800 BG Alkmaar. De wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure in hoger beroep, tenzij door u bij het beroepschrift uitdrukkelijk om een mondelinge behandeling van de zaak is verzocht. Het instellen van hoger beroep per e-mail is niet mogelijk.
Datum toezending: