uitspraak van de enkelvoudige douanekamer van 20 mei 2026 in de zaak tussen
[eiseres] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. J.A. Biermasz),
en
de inspecteur van de Douane, verweerder.
Inleiding
Verweerder heeft met dagtekening 26 augustus 2021 een uitnodiging tot betaling (utb) uitgereikt aan eiseres voor een bedrag van € 1.249.845,02. Dit bedrag bestaat uit € 1.151.013,22 aan antidumpingrechten en € 98.831,80 aan rente op achterstallen.
Eiseres heeft op 7 september 2021 een bezwaarschrift ingediend.
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaarschrift van 25 november 2022 dit bezwaarschrift ongegrond verklaard.
Eiseres heeft daartegen op 1 december 2022 beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben vervolgens diverse stukken gewisseld.
Partijen hebben verzocht uitspraak te doen zonder zitting. Op grond van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de rechtbank bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.
De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten.
Feiten 1.In de periode van 15 september 2016 tot en met 10 januari 2019 heeft eiseres tweeëntwintig aangiften tot plaatsing onder de regeling brengen in het vrije verkeer gedaan voor ijzer en staalproducten en ijzer en staalproducten zijnde buizen (hierna: buizen). Als land van niet-preferentiële oorsprong van de buizen is India in de douaneaangiften aangegeven. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de niet-preferentiële oorsprong van de door eiseres in het vrije verkeer gebrachte buizen China is. Naar aanleiding van dit standpunt heeft verweerder de utb aan eiseres opgelegd.
2. In haar beroepschrift van 1 december 2022 heeft eiseres aangegeven dat prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie zijn gesteld over de vaststelling van de oorsprong van de buizen in geding en aanspraak gemaakt op het door haar betaalde griffierecht en de forfaitaire proceskostenvergoeding in bezwaar en beroep.
3. Verweerder heeft naar aanleiding van het arrest van Hof van Justitie van 21 september 2023 op 25 januari 2024 het verweerschrift aangevuld, aangegeven dat de utb wordt verminderd tot nihil en dat het griffierecht en de forfaitaire proceskostenvergoeding voor zijn rekening zijn.
4. Bij brief van 26 april 2024 heeft eiseres verzocht om vergoeding van immateriële schade vanwege de duur van de procedure, de rente over de inzake de utb aan eiseres terugbetaalde bedragen en de kosten van de door eiseres gestelde bankgarantie van € 18.370. Daarbij heeft eiseres gemeld dat zij een mondelinge behandeling niet meer nodig acht.
5. Partijen hebben – ook desgevraagd door de rechtbank – informatie en standpunten uitgewisseld.
6. Bij brief van 28 oktober 2024 heeft verweerder meegedeeld dat het griffierecht en de proceskostenvergoeding volgens forfait voor rekening van verweerder komen. Inzake het verzoek om vergoeding van de immateriële schade refereert verweerder zich aan het oordeel van de rechtbank. Verweerder geeft daarbij aan dat de bezwaarprocedure tien maanden vertraagd is geweest vanwege uitstel voor het indienen van bezwaargronden.
7. Bij brief van 12 februari 2025 heeft eiseres doorgegeven dat de rente inmiddels is vergoed, zodat zij het verzoek om vergoeding van rente intrekt. Verder heeft zij de rechtbank – desgevraagd – nadere informatie doen toekomen over de kosten van de bankgarantie en heeft zij bevestigd dat de bezwaarprocedure inderdaad tien maanden vertraagd is geweest vanwege uitstel voor het indienen van bezwaargronden.
8. Verweerder heeft, na herhaald rappel door de rechtbank, bij brief van 4 december 2025 gereageerd op het verzoek om vergoeding van kosten inzake de bankgarantie. Dit verzoek heeft verweerder bij besluit van 3 december 2025 toegewezen.
9. Bij brief van 30 december 2025 heeft eiseres bevestigd dat de kosten van de bankgarantie zijn vergoed, en dat zij uitspraak wenst van de rechtbank over een vergoeding van de proceskosten, het griffierecht en het verzoek om vergoeding van immateriële schade vanwege de duur van de procedure. Zij trekt het beroep niet in omdat bij intrekking geen mogelijkheid bestaat verweerder te veroordelen in de vergoeding van immateriële schade.
10. Bij brief van 30 maart 2026 heeft verweerder aan de rechtbank verzocht uitspraak te doen op deze verzoeken. Daarbij heeft verweerder (nogmaals) aangegeven dat hij niet gehoord wenst te worden op een zitting.
11. Bij brief van 20 april 2026 heeft eiseres de rechtbank verzocht uitspraak te doen op drie verzoeken: vergoeding van de proceskosten, het griffierecht en het verzoek om vergoeding van immateriële schade.
Geschil
12. Tussen partijen is nu alleen nog in geschil het verzoek om vergoeding van diverse kosten.
Griffierecht
13. De utb is verminderd naar nihil. Dit betekent dat verweerder op het besluit teruggekomen is. Het beroep is dus gegrond. Uit artikel 8:74 van de Awb vloeit dan voort dat het door eiseres betaalde griffierecht wordt vergoed door verweerder.
Proceskostenvergoeding
14. Nu het beroep gegrond is, bestaat aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.266 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934, 1 punt voor het indienen van een bezwaarschrift en 1 punt voor de hoorzitting in bezwaar, met een waarde per punt van € 666 en een wegingsfactor 1).
Immateriële schade vanwege de duur van de procedure
15. De duur van de redelijke termijn in eerste aanleg (de bezwaarfase inbegrepen) is in beginsel twee jaar. Eiseres heeft op 7 september 2021 een bezwaarschrift ingediend. De behandeling in eerste aanleg eindigt volgens vaste jurisprudentie met de uitspraak van de rechtbank. Deze is op 20 mei 2026 uitgesproken. De totale duur van de procedure in eerste aanleg is dan 57 maanden geweest. Dit is een overschrijding van de redelijke termijn met 33 maanden. Daarmee zou een schadevergoeding corresponderen van (afgerond) € 3.000 (6 maal € 500).
16. Er zijn echter bijzondere omstandigheden op grond waarvan de rechtbank niet voor de gehele duur van 33 maanden een vergoeding van immateriële schade toekent. Allereerst betreft het een omvangrijk en complex dossier. De rechtbank acht het daarom redelijk dat verweerder 3 maanden langer over de bezwaarprocedure heeft gedaan. Verder is de bezwaarprocedure 10 maanden vertraagd geweest vanwege aan eiseres verleend uitstel voor het indienen van nadere bezwaargronden. Enig uitstel voor indienen van bezwaargronden is redelijk, zeker in een omvangrijk en complexe zaak als deze. De rechtbank telt daarom niet 10 maanden maar 6 maanden bij de redelijke duur van de bezwaarprocedure op. Ten tweede heeft verweerder op 25 januari 2024 aangegeven dat de utb wordt verminderd tot nihil. Uit de aard van de vergoeding van immateriële schade vanwege de duur van de procedure vloeit voort dat op het moment dat tegemoet wordt gekomen, geen spanning en frustratie vanwege de duur van de procedure meer kan worden aangenomen. In januari 2024 eindigde dus de redelijke termijn. Met een verlenging van de maximale redelijke bezwaartermijn tot 15 maanden en een redelijke termijn voor de rechtbank van 18 maanden zou er dan geen aanleiding zijn voor vergoeding van immateriële schade vanwege de duur van de procedure.
17. Na januari 2024 is echter ruim twee jaar verstreken voordat de rechtbank uitspraak doet inzake de nevenvorderingen. In beginsel is een termijn van een jaar daarvoor redelijk. De rechtbank heeft daar echter 16 maanden langer over gedaan. Daarmee correspondeert in beginsel een schadevergoeding van (afgerond) € 1.500 (3 maal € 500).
18. Er zijn echter bijzondere omstandigheden op grond waarvan de rechtbank tot het oordeel komt dat het niet redelijk is het gehele bedrag van € 1.500 voor rekening van de Staat te laten komen. Eiseres heeft, nadat verweerder op 25 januari 2024 aangegeven dat de utb wordt verminderd tot nihil, op 26 april 2024 verzocht om vergoeding van de kosten van de door haar gestelde bankgarantie. Zij heeft pas later (bij brief van 12 februari 2025), en desgevraagd door de rechtbank, nadere informatie verstrekt over deze kosten. De rechtbank vindt het daarom redelijk dat de redelijke termijn in beroep met 6 maanden wordt verlengd. Dit leidt tot een schadevergoeding van (10 maanden afgerond naar 12) € 1.000 (2 maal € 500).
19. Aangezien de behandeling van de procedure in beroep te lang heeft geduurd, dient de vergoeding van immateriële schade in beginsel voor rekening van de Staat te komen. De rechtbank heeft echter tussen februari 2025 en december 2025 verweerder herhaaldelijk moeten verzoeken om een reactie over de gestelde kosten van de bankgarantie. De rechtbank vindt het daarom redelijk dat de overschrijding van de redelijke termijn in beroep voor 6 maanden voor rekening van verweerder komt. De schadevergoeding komt dus voor € 500 voor rekening van verweerder en voor € 500 voor rekening van de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid).
Slotsom
20. Het beroep is gegrond, zodat verweerder het griffierecht en proceskosten moet vergoeden. De overschrijding van de redelijke termijn in beroep wordt in gelijke mate toegerekend aan eiseres, verweerder en de Staat. De rechtbank verlengd de redelijke termijn in beroep met 6 maanden. Verweerder dient € 500 aan schadevergoeding te betalen en de Staat ook.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A. Schreuder, rechter, in aanwezigheid van mr. W.G. van Gastelen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026.
griffier rechter
Uitspraak verzonden op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de douanekamer van het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH te Amsterdam, waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Amsterdam vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.