ECLI:NL:RBNHO:2026:5658

ECLI:NL:RBNHO:2026:5658

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 13-05-2026
Datum publicatie 20-05-2026
Zaaknummer 15/317949-24 en 15/347042-24 (gev.)
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig

Samenvatting

Vrijspraak voor het medeplegen van gekwalificeerde opzetverkrachting (zaak A). Naar het oordeel van de rechtbank zijn de verklaringen van de aangeefster onvoldoende concreet en gedetailleerd over de aard van de seksuele handelingen die bij haar zouden zijn uitgevoerd, onder welke omstandigheden die handelingen plaatsvonden en wie daarbij betrokken was. De rechtbank acht de verklaringen van de aangeefster daarom onvoldoende betrouwbaar om deze als uitgangspunt voor de bewijsvoering te nemen. Ook vrijspraak voor witwassen (zaak B, feit 3). Veroordeling voor het opzettelijk aanwezig hebben van een hoeveelheid cocaïne en MDMA (zaak B, feit 1) en het voorhanden hebben van een pistool en bijbehorende munitie (zaak B, feit 2). Bekennende verdachte. Onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest. Beslissingen over beslag. De vordering van de benadeelde partij (zaak A) wordt niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummers: 15/317949-24 en 15/347042-24 (gev.) (P)

Uitspraakdatum: 13 mei 2026

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 30 april 2026 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1992 te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres 1]

.

De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, op de pro-forma zitting van 23 april 2025 gevoegd. De zaak met parketnummer 15/317949-24 wordt hierna aangeduid als zaak A en de zaak met parketnummer 15/347042-24 als zaak B.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. A.M.H.G. Peters en van wat de verdachte en zijn raadsman, mr. M.M.J. Nuijten, advocaat te Haarlem, naar voren hebben gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

Zaak A

1.

hij op of omstreeks 22 september 2024 te Haarlem tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met een persoon, te weten [slachtoffer] een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten

- het brengen van zijn, verdachtes, penis in de vagina en/of anus van die [slachtoffer] en/of (vaginale en/of anale) gemeenschap hebben met die [slachtoffer] ,

terwijl hij, verdachte en/of zijn mededaders, wisten dat bij die [slachtoffer] daartoe de wil ontbrak

en welke opzetverkrachting werd voorafgaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging, door

- bovenop die [slachtoffer] te gaan liggen en/of

- terwijl die [slachtoffer] hem, verdachte, van zich af/weg probeerde te duwen

voorbij is gegaan aan de verbale en non-verbale signalen van verzet/weerstand van die [slachtoffer] ;

Zaak B

1.

hij op of omstreeks 29 oktober 2024 te Haarlem opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde cocaïne en/of MDMA, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

hij op of omstreeks 29 oktober 2024 te Haarlem een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuistwapen in de vorm van een pistool, type CZ model 70, kaliber 7,65 millimeter (.32 APC) zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool en/of bijbehorende munitie voorhanden heeft gehad;

3.

hij op of omstreeks 29 oktober 2024, te Haarlem (van) een geldbedrag van circa 12.960,00 euro, althans een of meer geldbedragen en/of voorwerpen,

Sub a

- de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld, dan wel

- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie de rechthebbende(n) op dat /die voorwerp(en) was/waren, en/of

- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie dat/die voorwerp(en) voorhanden had(den)

Sub b

- heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en/of

- gebruik heeft gemaakt

terwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig (eigen) misdrijf.

2. Voorvragen

De dagvaardingen zijn geldig, de rechtbank is bevoegd kennis te nemen van de zaken, de officier van justitie is ontvankelijk en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

3. Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het in zaak A ten laste gelegde feit, met dien verstande dat de verdachte partieel moet worden vrijgesproken van het gebruik van dwang, geweld of bedreiging. De officier van justitie heeft daarnaast gerekwireerd tot bewezenverklaring van de in zaak B onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten en tot vrijspraak van het onder 3 ten laste gelegde feit.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het in zaak A ten laste gelegde feit en het in zaak B onder 3 ten laste gelegde feit.

Ten aanzien van de in zaak B onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

Vrijspraak zaak A (gekwalificeerde opzetverkrachting)

Inleidende opmerkingen

In zedenzaken zijn vaak slechts twee personen bij de verweten seksuele gedragingen aanwezig geweest: het veronderstelde slachtoffer en de vermeende dader. In de kern komt het vaak neer op het woord van de aangeefster tegen dat van de verdachte. Ook in deze zaak staan de belastende verklaringen van [slachtoffer] (hierna: de aangeefster) tegenover de ontkennende verklaring van de verdachte.

In strafzaken moet zorgvuldig en behoedzaam worden omgegaan met verklaringen van getuigen en (vermeende) slachtoffers. In een zaak als deze, waarin de verdachte het ten laste gelegde feit ontkent, er geen directe getuigen zijn van de verweten seksuele gedragingen en de aangeefster verklaart zich een groot gedeelte van de avond niet te kunnen herinneren, geldt dat des te meer.

De wet voorziet niet in een toetsingskader voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van een getuigenverklaring. Rechtspraak in zedenzaken biedt wel criteria voor deze beoordeling. In de eerste plaats komt belang toe aan de consistentie, gedetailleerdheid en volledigheid van de verklaring. Daarnaast kan worden getoetst aan gegevens uit objectieve bronnen en kan meewegen of de inhoud van de verklaring, gelet op de vastgestelde omstandigheden, plausibel is. Ook kan bij de beoordeling worden betrokken of er omstandigheden aannemelijk zijn geworden die mogelijk van beslissende invloed zijn op de (betrouwbaarheid van de) verklaring. Dan valt bijvoorbeeld te denken aan de eigen betrokkenheid bij het ten laste gelegde feit of een motief om niet overeenkomstig de waarheid te verklaren.

Bewijsminimum

Wanneer de verdachte de hem of haar verweten gedraging ontkent, is de verklaring van het veronderstelde slachtoffer doorgaans het enige directe bewijsmiddel. Het bewijs dat een verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, kan echter niet uitsluitend worden gebaseerd op de verklaring van het veronderstelde slachtoffer, maar er moet daarnaast voldoende steun zijn in ander bewijsmateriaal (steunbewijs). Niet vereist is dat de ten laste gelegde seksuele handeling als zodanig steun vindt in ander bewijs. Voldoende kan zijn dat de verklaring van de aangeefster op specifieke punten wordt bevestigd door ander bewijsmateriaal. Dit steunbewijs moet afkomstig zijn uit een andere bron en in voldoende duidelijk verband staan met de verklaring van de aangeefster.

Tegen de achtergrond van de hiervoor genoemde maatstaven zal de rechtbank hierna eerst beoordelen of de verklaring van de aangeefster voldoende betrouwbaar is om als uitgangspunt voor de bewijsvoering te dienen. Alleen als die vraag bevestigend wordt beantwoord, komt de rechtbank toe aan de vraag of die verklaring in voldoende mate wordt ondersteund door ander bewijs.

De verklaringen van de aangeefster

Op 24 september 2024 heeft een zogeheten “informatief gesprek zeden” plaatsgevonden tussen de aangeefster en twee verbalisanten. Vervolgens heeft zij op 1 oktober 2024 aangifte gedaan van verkrachting. De aangeefster heeft op deze twee momenten, samengevat, het volgende verklaard.

De aangeefster is op 21 september 2024 in Haarlem op stap gegaan. Omstreeks 01:00 uur (op 22 september 2024) heeft zij een bar verlaten en daarna is het voor haar onduidelijk. Op enig moment die nacht bevond zij zich in een huis aan de [adres 2] in Haarlem. Zij weet niet meer hoe ze daar terecht is gekomen. Het volgende moment dat zij zich kan herinneren is dat zij op haar buik op bed lag en anaal gepenetreerd werd door een voor haar onbekende man (in de aangifte aangeduid als man 3). Zij probeerde man 3 van haar af te krijgen, maar dat lukte niet. Vervolgens werd man 3 door een andere man of mannen van haar afgehaald. Zij heeft dit niet kunnen zien, omdat het donker was. Hoe die nacht verder is verlopen kan zij zich niet herinneren. Toen de aangeefster de volgende ochtend wakker werd, lag er een man (in de aangifte aangeduid als man 2; de medeverdachte [medeverdachte] ) naast haar zonder kleding aan. De aangeefster voelde iets aan haar vagina en heeft, nadat de medeverdachte [medeverdachte] later die ochtend een grap maakte over dat ze mooie kinderen zouden krijgen, aangenomen dat hij haar verkracht had. Volgens de aangeefster heeft de verdachte (in de aangifte aangeduid als man 1) vermoedelijk niets met haar gedaan. De aangeefster heeft ook verklaard dat het voor haar onduidelijk is gebleven of er twee of drie mannen in het huis waren.

De aangeefster kan zich niet herinneren dat zij de verdachte, de medeverdachte [medeverdachte] of man 3 tijdens het uitgaan heeft ontmoet. Zij kan zich niet herinneren wanneer zij hen voor het eerst heeft gezien. Haar meest heldere herinnering is van die ochtend.

De rechtbank stelt vast dat de aangeefster een zeer gefragmenteerde herinnering heeft aan de gebeurtenissen die nacht; zij kan zich veel niet herinneren, mogelijk veroorzaakt door de hoeveelheid alcohol die zij blijkens haar verklaring had gedronken. Zij denkt dat man 3 haar anaal heeft gepenetreerd maar ze kon op dat moment niets zien omdat het donker was. Op basis van de verklaringen van de aangeefster en het overige dossier is niet duidelijk wie deze man is. De aangeefster neemt aan dat de medeverdachte [medeverdachte] haar vaginaal heeft verkracht, maar deze verklaring vindt geen steun in het DNA-onderzoek. Volgens de aangeefster heeft de verdachte (vermoedelijk) niets met haar gedaan.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn de verklaringen van de aangeefster onvoldoende concreet en gedetailleerd over de aard van de seksuele handelingen die bij haar zouden zijn uitgevoerd, onder welke omstandigheden die handelingen plaatsvonden en wie daarbij betrokken was.

De rechtbank acht de verklaringen van de aangeefster daarom onvoldoende betrouwbaar om deze als uitgangspunt voor de bewijsvoering te nemen.

Het (on)vrijwillige karakter van de seks

De rechtbank stelt op grond van het NFI-rapport en de verklaring van de verdachte vast dat hij en de aangeefster in de bewuste nacht seks met elkaar hebben gehad. Uit het NFI-rapport volgt immers dat in onder meer de vagina van de aangeefster DNA-sporen van de verdachte zijn aangetroffen. De verdachte heeft verklaard dat hij die nacht in zijn woning seks met de aangeefster heeft gehad, en dat dit vrijwillig was.

Anders dan de officier van justitie heeft betoogd, is de rechtbank van oordeel dat op basis van het dossier niet met de vereiste mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat de aangeefster voorafgaand aan en tijdens de seks buiten bewustzijn is geweest en dat om die reden sprake is geweest van verkrachting. De foto die de verdachte die nacht aan de medeverdachte [medeverdachte] heeft gestuurd en waarop het ontblote onderlichaam van de aangeefster is te zien, biedt voor die vaststelling onvoldoende steun.

Ook verder bevat het dossier geen objectieve bewijsmiddelen die als bewijs kunnen dienen voor de ten laste gelegde opzetverkrachting.

Conclusie

De rechtbank is dan ook van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit (in zaak A) heeft gepleegd. De rechtbank zal de verdachte daarom vrijspreken in zaak A.

Vrijspraak zaak B, feit 3 (witwassen)

De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het in zaak B onder 3 ten laste gelegde feit heeft begaan, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen zaak B, feit 1 (aanwezig hebben cocaïne en MDMA) en feit 2 (voorhanden hebben vuurwapen en munitie)

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de in zaak B onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten. De rechtbank heeft vastgesteld dat ten aanzien van deze feiten sprake is van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering. Omdat de verdachte deze feiten heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit, zal de rechtbank volstaan met de hieronder vermelde opgave van de bewijsmiddelen, te weten:

Ten aanzien van feiten 1 en 2:

(…)

Ten aanzien van feit 1:

(…)

Ten aanzien van feit 2:

(…)

De vermelde processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die

daartoe bevoegd zijn en voldoen ook aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

De vermelde bewijsmiddelen zijn, ook in onderdelen, telkens slechts gebruikt tot het bewijs van het feit of de feiten waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de in zaak B onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:

Zaak B

1.

hij op 29 oktober 2024 te Haarlem opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA.

2.

hij op 29 oktober 2024 te Haarlem een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuistwapen in de vorm van een pistool, type CZ model 70, kaliber 7,65 millimeter (.32 APC) zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool en bijbehorende munitie voorhanden heeft gehad.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

Zaak B

Feit 1: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Feit 2:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.

5. Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

6. Motivering van de sanctie

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan tien maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaar. Aan het voorwaardelijk strafdeel dienen de bijzondere voorwaarden, zoals geadviseerd door de reclassering in het rapport van 17 april 2026, te worden verbonden. Hierbij heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank de dadelijke uitvoerbaarheid van deze voorwaarden zal bevelen.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om de straf te beperken tot het al uitgezeten voorarrest, eventueel aangevuld met een voorwaardelijke gevangenisstraf of een taakstraf.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de straf die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, en de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Ernst van de feiten

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk aanwezig hebben van een hoeveelheid cocaïne en MDMA. De verdachte heeft door zijn handelen bijgedragen aan de verspreiding van verdovende middelen. Harddrugs zijn voor de gezondheid van gebruikers daarvan zeer schadelijke stoffen en het gebruik ervan is bezwarend voor de samenleving, onder meer vanwege de daarmee gepaard gaande criminaliteit.

Daarnaast heeft hij zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een pistool en bijbehorende munitie. Het ongecontroleerde bezit van vuurwapens en munitie brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen mee en is daarom bij wet verboden.

Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft gelet op het strafblad van de verdachte (Uittreksel Justitiële Documentatie) van 26 maart 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke feiten.

De voorlopige hechtenis van de verdachte is met ingang van 25 april 2025 geschorst. Sindsdien staat de verdachte onder toezicht van de reclassering. De reclassering heeft laatstelijk op 17 april 2026 een advies uitgebracht. Hierin schrijft de reclassering dat zij aan het begin van de schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte instabiliteit zag op diverse leefgebieden van de verdachte. Sinds de schorsing ziet de reclassering een positieve gedragsverandering bij de verdachte. Hij hanteert een gezondere leefstijl, leeft een maatschappelijk geaccepteerd bestaan en streeft pro-sociale doelen na. Ook houdt de verdachte zich aan zijn voorwaarden en (meldplicht)afspraken. Het risico op recidive wordt ingeschat als laag tot gemiddeld. De reclassering adviseert om bij een veroordeling een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden (i) een meldplicht bij de reclassering, (ii) een contactverbod met [slachtoffer] en (iii) het meewerken aan middelencontrole. Tot slot adviseert de reclassering de bijzondere voorwaarden en het uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar te verklaren.

De op te leggen straf

De aard en ernst van de bewezen verklaarde feiten rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank in beginsel de oplegging van een forse gevangenisstraf.

De rechtbank ziet in het tijdsverloop sinds de bewezen verklaarde feiten en de positieve ontwikkeling die de verdachte blijkens voormeld reclasseringsrapport in de voorbije periode heeft doorgemaakt, echter aanleiding om niet een gevangenisstraf op te leggen die ertoe leidt dat de verdachte terug moet naar de gevangenis. Naar het oordeel van de rechtbank zou dit geen redelijk strafdoel dienen en zijn de maatschappij en de verdachte het meest gebaat bij voortzetting van de reeds ingezette hulpverlening via de reclassering, zonder onderbreking vanwege een detentie. De rechtbank vindt het belangrijk dat de verdachte het reeds gestarte reclasseringstraject vervolgt, mede gericht op het verder verlagen van het recidiverisico.

Alles afwegend zal de rechtbank aan de verdachte een gevangenisstraf opleggen voor de duur van 230 dagen, waarvan 120 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van twee jaar. Het voorwaardelijk strafdeel heeft tot doel de verdachte ervan te weerhouden zich voor het einde van de proeftijd opnieuw schuldig te maken aan een strafbaar feit. Aan het voorwaardelijk strafdeel zal de rechtbank de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden verbinden, met uitzondering van het contactverbod met de aangeefster ( [slachtoffer] ) omdat de rechtbank de verdachte vrijspreekt van het in zaak A ten laste gelegde feit.

Gelet op deze vrijspraak biedt de wet geen ruimte om de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren.

7. In beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen

Onder de verdachte zijn – samengevat – de volgende voorwerpen inbeslaggenomen en niet teruggegeven:

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdovende middelen, het wapen en de munitie

(items 5 tot en met 27) worden onttrokken aan het verkeer. Ten aanzien van het geldbedrag

(item 38) heeft de officier van justitie gevorderd dat dit bedrag wordt teruggegeven aan de

verdachte.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht het geldbedrag terug te geven aan de verdachte. Voor het overige refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

Onttrekking aan het verkeer

De rechtbank is van oordeel dat de onder de verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten de verdovende middelen, het wapen en de munitie (items 5 tot en met 27) moeten worden onttrokken aan het verkeer. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de bewezen verklaarde feiten met betrekking tot die voorwerpen zijn begaan en het ongecontroleerde bezit van die voorwerpen is in strijd met de wet of het algemeen belang.

Teruggave aan de verdachte

De rechtbank is van oordeel dat het onder de verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerp, te weten het geldbedrag (item 38), moet worden

teruggegeven aan de verdachte, aangezien hij redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.

8. Vordering benadeelde partij

Namens de benadeelde partij [slachtoffer] is tegen de verdachte een vordering tot schadevergoeding ingediend van € 22.224,55 wegens materiële en immateriële schade die zij als gevolg van het in zaak A ten laste gelegde feit zou hebben geleden.

De verdachte wordt vrijgesproken van het ten laste gelegde handelen waardoor de gestelde schade zou zijn veroorzaakt. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot schadevergoeding.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

10. Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen wat aan de verdachte in de zaak met parketnummer 15/317949-24 (zaak A) en in de zaak met parketnummer 15/347042-24 (zaak B) onder feit 3 is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten in de zaak met parketnummer 15/347042-24 (zaak B) heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven;

verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij;

bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren;

verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 230 [tweehonderddertig] dagen;

beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 120 [honderdtwintig] dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van 2 [twee] jaren;

bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;

onttrekt aan het verkeer:

5. 1 STK Verdovende Middelen (Omschrijving: PL1100-2024240817-G1662904); 6. 1 STK Verdovende Middelen (Omschrijving: PL1100-2024240817-G1662910);7. 1 STK Verdovende Middelen (Omschrijving: PL1100-2024240817-G1662916);8. 1 STK Wapen (Omschrijving: PL1100-2024240817-G1662937);9. 8 STK Munitie (Omschrijving: PL1100-2024240817-G1662940);10. 43 STK Munitie (Omschrijving: PL1100-2024240817-G1662946);11. 1 STK Verdovende Middelen (Omschrijving: PL1100-2024240817-G1662957);12. 20 STK Munitie (Omschrijving: PL1100-2024240817-G1662949);13. 100 STK Verdovende Middelen (Omschrijving: PL1100-2024240817-G1662900);14. 1 STK Verdovende Middelen (Omschrijving: PL1100-2024240817-G1662901);15. 3 STK Verdovende Middelen (Omschrijving: PL1100-2024240817-G1662905);16. 1 STK Verdovende Middelen (Omschrijving: PL1100-2024240817-G1662902);17. 1 STK Verdovende Middelen (Omschrijving: PL1100-2024240817-G1662906);18. 1 STK Verdovende Middelen (Omschrijving: PL1100-2024240817-G1662909);19. 4 STK Verdovende Middelen (Omschrijving: PL1100-2024240817-G1662912);20. 1 STK Verdovende Middelen (Omschrijving: PL1100-2024240817-G1662913);21. 1 STK Verdovende Middelen (Omschrijving: PL1100-2024240817-G1662914);22. 1 STK Verdovende Middelen (Omschrijving: PL1100-2024240817-G1662915);23. 3 STK Verdovende Middelen (Omschrijving: PL1100-2024240817-G1662917);24. 3 STK Verdovende Middelen (Omschrijving: PL1100-2024240817-G1662920);25. 1 ZAK Munitie (Omschrijving: PL1100-2024240817-G1662894);26. 1 ZAK Munitie (Omschrijving: PL1100-2024240817-G1662897);27. 1 STK Verdovende Middelen (Omschrijving: PL1100-2024240817-G1662922);

gelast de teruggave aan de verdachte van:38. 405,00 EUR Geld Euro (Omschrijving: PL1100-2024240817-1665545);

verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk in de vordering;

bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen; en

heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. P. Reemst, voorzitter,

mr. C.S. Schoorl en mr. I.A. Groenendijk, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. S. Maerman,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 13 mei 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. P. Reemst
  • mr. C.S. Schoorl
  • mr. I.A. Groenendijk

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand