uitspraak van de meervoudige douanekamer van 20 mei 2026 in de zaken tussen
[eiseres] GmbH, gevestigd te [vestigingsplaats] ( [land] ), eiseres
(gemachtigde: mr. J.A. Biermasz),
en
de inspecteur van de Douane, verweerder.
Inleiding
In deze beroepen beoordeelt de rechtbank of verweerder verzoeken om terugbetaling van aanvullende rechten voor bepaalde staalproducten uit India terecht heeft afgewezen.
Op diverse data heeft eiseres in één geschrift zowel bezwaren tegen uitnodigingen tot betaling (utb’s) als verzoeken om terugbetaling ingediend.
De verzoeken om terugbetaling betroffen aanvullende rechten van in totaal € 522.723,78.
Verweerder heeft de verzoeken om terugbetaling afgewezen.
Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt en aan verweerder verzocht om in te stemmen met een rechtstreeks beroep bij de rechtbank. Verweerder heeft ingestemd met rechtstreeks beroep en heeft bij brief van 7 februari 2025 de bezwaarschriften van eiseres, met bijlagen, toegezonden aan de rechtbank. De rechtbank heeft het verzoek om rechtstreeks beroep ingewilligd.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft op 18 november 2025 ter voorbereiding van de inhoudelijke behandeling van de beroepen een regiezitting gehouden, waarbij de meervoudige douanekamer mr. C.A. Schreuder op grond van 8:12 van de Algemene wet bestuursrecht uit haar midden heeft aangewezen als rechter-commissaris. Namens eiseres zijn toen verschenen: haar gemachtigde, bijgestaan door [naam 1] ( [bedrijf 1] LLP). Namens verweerder zijn toen verschenen: mr. [naam 2] en [naam 3] .
Na de regiezitting heeft de rechtbank de (inhoudelijke) behandeling aangehouden tot de zitting van 24 maart 2026.
Partijen hebben voor deze zitting nadere stukken ingediend: verweerder met dagtekening 3 december 2025 en eiseres met dagtekening 23 januari 2026.
Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 24 maart 2026. Namens eiseres zijn verschenen: haar gemachtigde, bijgestaan door [naam 1] en [naam 4] (beiden van [bedrijf 1] LLP), [naam 5] (directeur van [bedrijf 2] Ltd), [naam 6] (Staff Member van [bedrijf 4] B.V. en douane-expediteur van [bedrijf 3] B.V.) en [naam 9] en [naam 10] (beiden tolk). Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam 2] , mr. dr. [naam 7] en drs. [naam 8] .
Ter zitting zijn de beroepen gelijktijdig behandeld met beroepen van diverse andere eiseressen, waarin de geldigheid van Uitvoeringsverordening (EU) 2019/159 van de Commissie van 31 januari 2019 tot instelling van definitieve vrijwaringsmaatregelen ten aanzien van de invoer van bepaalde staalproducten (Verordening 2019/159) en afwijzing van verzoeken om terugbetaling van aanvullende rechten voor bepaalde staalproducten uit India ook in geschil is. In die beroepen doet de rechtbank vandaag ook uitspraak.
Overwegingen
Feiten
1. De werkzaamheden van eiseres bestaan onder andere uit handel in staal, met name in allerlei soorten halffabricaten van roestvrij staal.
2. Eiseres heeft in de periode van het eerste kwartaal van 2022 tot en met het eerste kwartaal van 2024 aangiften voor het vrije verkeer gedaan van staalproducten van oorsprong uit India van de productcategorie 14 uit Bijlage IV.1 van Verordening 2019/159. Productcategorie 14 behoort tot de in de staalindustrie gebruikelijk te onderscheiden productfamilie “lange producten” en betreft staven en lichte profielen van roestvrij staal. Bij de aangiften in de kwartalen in geding deed eiseres een beroep op de toepassing van de voor deze producten geldende contingent (098871). Op de dagen dat eiseres haar aangiften indiende en deze werden aanvaard, werd in de kwartalen in geding telkens in totaal een grotere aanspraak gemaakt op de geldende contingenten dan de hoeveelheid die van die contingenten beschikbaar was. Met toepassing van artikel 51, vierde lid, van de Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447 van de Commissie van 24 november 2015 (de UVo.DWU) werden de contingenten telkens op een deel van de aangegeven staalproducten toegepast. Voor de overige delen was eiseres de aanvullende rechten van 25% verschuldigd.
3. Aangiften uit de volgende kwartalen zijn in geding: het eerste en het derde kwartaal van 2022, het eerste tot en met het vierde kwartaal van 2023 en het eerste kwartaal van 2024. Het financiële belang van de aangiften in geding bedraagt in totaal € 522.723,78.
4. Tegen de aan haar uitgereikte utb’s inzake de aanvullende rechten heeft eiseres bezwaar gemaakt. In haar bezwaarschriften heeft eiseres steeds verzoeken om terugbetaling opgenomen. Verweerder heeft deze verzoeken afgewezen. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de afwijzing van haar bezwaren tegen de utb’s (HAA 25/1700, HAA 24/4700, HAA 24/4702, HAA 24/4704, HAA 24/4706 en HAA 24/4707) en tegen de afwijzing van de verzoeken om terugbetaling. De rechtbank doet in alle beroepen van eiseres vandaag uitspraak.
Geschil 5. Eiseres meent dat de Commissie, door meerdere handelingen en onwettige praktijken, een vergissing heeft begaan in de zin van artikel 119 van het Douanewetboek van de Unie (DWU). Verweerder heeft ook een dergelijke vergissing begaan door deze handelingen en praktijken van de Commissie te volgen. Deze vergissingen moeten leiden tot terugbetaling van de geheven aanvullende rechten. Voor zover de rechtbank dit niet zou volgen, betoogt eiseres dat sprake is van een heffing van aanvullende rechten in strijd met de billijkheid. Terugbetaling moet dan plaatsvinden op grond van artikel 120 van het DWU. Eiseres betoogt in het verlengde hiervan dat verweerder de verzoeken om terugbetaling op grond van de procedure van artikel 116, derde lid, van het DWU ter behandeling had moeten doorsturen naar de Commissie. Dit had verweerder haar ook toegezegd. Zij verzoekt de rechtbank het besluit van verweerder om de zaak niet aan Commissie voor te leggen, nietig te verklaren. Verder heeft eiseres het vermoeden dat verweerder door de Commissie is aangestuurd om de verzoeken om terugbetaling af te wijzen. Daarom verzoekt zij de rechtbank om onderzoek te doen naar contacten tussen verweerder en de Commissie over de verzoeken om terugbetaling van eiseres.
Eiseres voert hiernaast aan dat de Commissie met de vrijwaringsmaatregelen en de verlenging daarvan de belangen van de staal producerende industrie in Europa te lang heeft beschermd. Zij stelt dat tariefcontingenten zijn gebruikt om zo hoog mogelijke bedragen aan rechten te heffen op zo veel mogelijk invoer. Dit is een oneerlijke handelspraktijk. Voor verweerder geldt dat deze heeft verzuimd te onderzoeken of het contingentensysteem in strijd is met beginselen van het Unierecht. Verweerder is ten onrechte niet ingegaan op schending van beginselen van transparantie, voorspelbaarheid, vertrouwen en non-discriminatie. Ook heeft verweerder het begrip “fout” als genoemd in artikel 119 van het DWU verkeerd geïnterpreteerd, en heeft hij het begrip “deelnemers die dezelfde activiteit verrichten” van artikel 120 van het DWU verkeerd uitgelegd. Eiseres verzoekt de rechtbank over deze aspecten prejudiciële vragen te stellen.Ten laatste betoogt zij dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de verzoeken om terugbetaling zijn afgewezen.
Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van haar beroepen en vernietiging van de afwijzing van haar verzoeken om terugbetaling en verzoekt de rechtbank verweerder te gelasten over te gaan tot terugbetaling van de ten onrechte geheven aanvullende rechten, met veroordeling van verweerder in de proceskosten en tot terugbetaling van het griffierecht.
6. Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij de verzoeken om terugbetaling terecht heeft afgewezen. Hij heeft het systeem van de tariefcontingenten correct toegepast. Eiseres is professioneel en deskundig. Door haar ervaring weet zij dat tariefcontingenten op de eerste dag al kunnen zijn uitgeput. Er is geen sprake van een vergissing in zin van artikel 119 van het DWU of van een onbillijkheid in de zin van artikel 120 van het DWU, zodat verweerder niet gehouden was de procedure van artikel 116, derde lid, van het DWU te volgen. Verweerder heeft ook niet toegezegd dat hij deze procedure wel zou volgen. Over de verzoeken om terugbetaling zijn geen contacten met de Commissie geweest. Het argument inzake gebrekkige motivering kan verweerder niet volgen nu verweerder in de bezwaarprocedure zo nodig de motivering had kunnen aanvullen, maar eiseres zelf heeft verzocht om rechtstreeks beroep bij de rechtbank.
Verweerder ziet geen aanleiding voor het stellen van prejudiciële vragen en concludeert tot ongegrondverklaring van de beroepen.
Beoordeling van het geschil 7. Het juridisch kader is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.
Omvang van het geding
8. Eiseres heeft verweerder verzocht om terugbetaling inzake door haar betaalde aanvullende rechten voor kwartalen vanaf begin 2022. De nu voorliggende verzoeken betreffen slechts een deel van die verzoeken: bepaalde kwartalen in de periode van 2022 tot en met het eerste kwartaal van 2024 (zie overweging 3). Eiseres en verweerder hebben afgesproken om de behandeling van verzoeken om terugbetaling van ná het eerste kwartaal van 2024 aan te houden totdat de rechter heeft geoordeeld over de rechtmatigheid van de afwijzing van de nu voorliggende verzoeken. Voor zover eiseres in de nu voorliggende beroepen verzoeken betrekt van na het eerste kwartaal van 2024, vallen deze buiten de omvang van het geding.
Ter zitting heeft eiseres haar verzoek om het besluit van verweerder om de zaak niet aan Commissie voor te leggen, nietig te verklaren, ingetrokken. Zij acht dit besluit niet appellabel. Ook heeft zij ter zitting haar beroepsgrond over schending van het motiveringsbeginsel ingetrokken.
Vergissing van de douaneautoriteiten, artikelen 116 en 119 van het DWU 9. Eiseres voert specifiek het volgende aan ter onderbouwing van haar beroep op artikel 119 van het DWU. Door het traditionele systeem van beheer van tariefcontingenten niet aan te passen aan de complexiteit van het instellen van vrijwaringsmaatregelen voor 26 productcategorieën, heeft de Commissie de beginselen van transparantie en voorspelbaarheid geschonden. De Commissie had geen tariefcontingenten moeten instellen maar een vergunningstelsel. Verder heeft de Commissie de stand van de contingenten slechts éénmaal per dag bijgewerkt. Dit is veel te weinig om te voldoen aan de vereisten van voorspelbaarheid. Ten onrechte heeft de Commissie niet het beginsel “wie het eerst komt, wie het eerst maalt” toegepast, door de beschikbare tariefcontingenten te verdelen over alle aangiften die op een uitputtingsdag zijn gedaan en de contingenten niet toe te wijzen aan de eerste aangiften van die dag. Ook heeft de Commissie pas in 2025 een specifiek landencontingent opgenomen voor China in productcategorie 14. De Commissie heeft toegestaan dat de landencontingenten van het Verenigd Koninkrijk en Oekraïne grotendeels ongebruikt bleven terwijl de landencontingenten van India steeds heel snel uitgeput waren. Verder heeft de Commissie een te geringe liberalisering van de vrijwaringsmaatregelen toegepast. Omdat verweerder deze onwettige praktijken en handelingen van de Commissie heeft gevolgd, heeft hij een vergissing in de zin van artikel 119 van het DWU begaan.
10. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de klachten van eiseres zien op handelingen van de Commissie in het kader van haar wetgevende taken en niet ten aanzien van haar uitvoerende taken. Handelingen van de Commissie als Uniewetgever worden niet verricht in de hoedanigheid van douaneautoriteit en kunnen daardoor niet worden getoetst aan artikel 119 van het DWU.
11. De rechtbank is van oordeel dat het beroep van eiseres op een vergissing in de zin van artikel 119 van het DWU niet kan slagen.
In artikel 119, eerste lid, van het DWU gaat het om vergissingen van de bevoegde autoriteiten waardoor het oorspronkelijk als douaneschuld meegedeelde bedrag lager was dan het verschuldigde bedrag. Bij eiseres is geen sprake van een hogere vaststelling dan een oorspronkelijk meegedeeld bedrag. Zij richt zich tegen de verschuldigdheid van het oorspronkelijk meegedeelde bedrag zelf: de gestelde vergissingen van de Commissie, en in het verlengde daarvan, verweerder, hebben geleid tot de mededeling van douaneschulden die hoger waren dan de bedragen die eiseres meent verschuldigd te zijn. Het betoog van eiseres dat artikel 119, eerste lid, van het DWU ook geldt voor de primair medegedeelde douaneschuld, slaagt niet. Deze uitleg is in strijd met de tekst van de wet. Nu een beroep op artikel 119, eerste lid, van het DWU in geen geval kan slagen, kan een onderzoek naar welke handelingen de Commissie in het kader van haar uitvoerende taken heeft verricht, en een beoordeling daarvan door de rechtbank, achterwege blijven.
In artikel 119, tweede lid, van het DWU gaat het om de situatie dat de voorwaarden van artikel 117, tweede lid, van het DWU niet zijn vervuld. In artikel 117, tweede lid, van het DWU is een bijzondere regeling getroffen indien op het tijdstip van de aanvaarding van de aangifte een nulrecht bij invoer in het kader van een tariefcontingent aan de orde is. Terugbetaling wordt dan slechts verleend indien op het tijdstip van het verzoek het tariefcontingent niet is uitgeput. Eiseres betoogt te verkeren in de situatie beschreven in artikel 117, tweede lid, van het DWU. Zij heeft echter steeds verzocht om terugbetaling toen het desbetreffende tariefcontingent was uitgeput. Zij voldoet dus niet aan genoemde voorwaarde van artikel 117, tweede lid, van het DWU. Voor eiseres staat dan de weg van artikel 119, tweede lid, DWU open.
Eiseres baseert haar beroep op artikel 119, tweede lid, van het DWU, op gronden die zij ook heeft aangevoerd in de zaken die zijn aangevangen met het bezwaar van eiseres tegen de utb’s voor de in geding zijnde aanvullende rechten (zie overweging 4). De rechtbank heeft in de uitspraak op die beroepen geoordeeld dat verweerder de utb’s terecht heeft uitgereikt. Op basis van haar oordelen in die uitspraak ziet de rechtbank geen aanleiding om in de onderhavige beroepen een vergissing in de zin van artikel 119, tweede lid, van het DWU aanwezig te achten. Voor zover de argumenten van eiseres niet expliciet in het kader van de utb’s beoordeeld zijn, zoals bijvoorbeeld het argument dat tariefcontingenten door de Commissie zijn gebruikt om zo hoog mogelijke rechten te heffen op zo veel mogelijk invoer, wijst de rechtbank erop dat dergelijke argumenten in de kern zien op de verbindendheid van Verordening 2019/159. Zoals de rechtbank in haar uitspraak inzake de utb’s heeft overwogen (overweging 12) beschikken de instellingen van de Europese Unie op het gebied van beschermende handelsmaatregelen over een ruime beoordelingsbevoegdheid. Daarbij past een terughoudende rechterlijke toets. Bovendien rust op eiseres de last om haar stellingen en standpunten met bewijzen te onderbouwen. Dit heeft zij niet voldoende gedaan. Wat er ook zij van het gestelde oogmerk van de Commissie om zo hoog mogelijke rechten te heffen op zo veel mogelijk invoer, het betoog van eiseres leidt niet tot het oordeel dat sprake is feiten en omstandigheden op grond waarvan terugbetaling in de zin van artikel 119, tweede lid, van het DWU aangewezen is.
Bijzondere omstandigheden, artikelen 116 en 120 van het DWU 12. Voor het geval de rechtbank niet zou oordelen dat verweerder gehouden is tot terugbetaling op grond van artikel 119 van het DWU, betoogt eiseres dat terugbetaling moet plaatsvinden op grond van artikel 120 van het DWU. Zij voert meer specifiek het volgende aan ter onderbouwing van haar beroep op artikel 120 van het DWU. Importeurs van staal uit India bevinden zich in een andere, nadeliger, positie dan importeurs van staal uit andere landen. De contingenten voor Indiaas staal zijn vaak al op de eerste dag van de geldigheid van het contingent uitgeput, terwijl contingenten voor staal uit andere landen vaak pas veel later of zelfs helemaal niet uitgeput raken. Ondanks de vele waarschuwingen van de leverancier van eiseres aan de Commissie heeft de Commissie dit wanbeheer van de contingenten voor Indiaas staal nog niet opgelost, zo stelt eiseres. De Commissie heeft bovendien geweigerd om het systeem van contingenten zodanig aan te passen dat importeurs van Indiaas staal bij het doen van aangifte meer zekerheid hebben over de hoogte van de aanvullende rechten die zij verschuldigd zijn.
13. Verweerder stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 120 van het DWU omdat eiseres zich niet in een bijzondere situatie bevindt ten opzichte van andere marktdeelnemers die dezelfde activiteit verrichten. Elke importeur van bepaalde soorten staalproducten wordt in beginsel getroffen door de vrijwaringsmaatregelen van Verordening 2019/159. Iedere andere marktdeelnemer die op de eerste dag van de opening van een contingent (de eerste dag van een nieuw kwartaal) aangifte voor het vrije verkeer doet van staal uit India van categorie 14, zou geconfronteerd kunnen worden met een uitputting van het tariefcontingent. Eiseres verkeert dus in dezelfde situatie als andere importeurs van Indiaas staal. Haar positie moet niet worden vergeleken met die van importeurs van staal van dezelfde productcategorie uit andere landen, zoals eiseres betoogt, omdat die importeurs gebruik maken van andere tariefcontingenten.
14. De rechtbank is van oordeel dat eiseres zich niet bevindt in een uitzonderlijke situatie ten opzichte van andere marktdeelnemers die dezelfde activiteit verrichten. Contingenten en de hoogte ervan worden in Verordening 2019/159 bij uitstek landenspecifiek vastgesteld. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres zich in dezelfde situatie bevindt als andere importeurs die Indiaas staal uit productcategorie 14 hebben ingevoerd. Deze zijn gelijkelijk geconfronteerd met de uitputting van hetzelfde contingent. Daarbij heeft verweerder het begrip “deelnemers die dezelfde activiteit verrichten” van art 120 van het DWU niet verkeerd uitgelegd. De positie van eiseres in deze moet namelijk worden vergeleken met de positie van andere importeurs van Indiaas staal en niet met importeurs die te maken hebben met contingenten die gelden voor staal uit andere landen. Dat een contingent voor staal uit India in de tijd eerder is uitgeput dan contingenten uit andere landen, is geen uitzonderlijke omstandigheid in de zin van artikel 120 van het DWU: iedere importeur van staal uit India krijgt daarmee te maken, zodat deze omstandigheid een onbepaald aantal marktdeelnemers raakt. Verder is niet is gebleken dat het beheer van de contingenten van staal uit India op een andere wijze heeft plaatsgevonden dan andere contingenten. Voor zover eiseres haar beroep op artikel 120 van het DWU baseert op de gronden die zij ook heeft aangevoerd in haar beroepen die zijn aangevangen met het bezwaar van eiseres tegen de utb’s voor de in geding zijnde aanvullende rechten of op andere gronden, gericht tegen de verbindendheid van Verordening 2019/159, verwijst de rechtbank naar overweging 11.3 van deze uitspraak.
Verweerder heeft het verzoek om terugbetaling op grond van artikel 120 van het DWU terecht afgewezen.
Procedure van artikel 116, derde lid, van het DWU 15. Gelet op het bovenstaande was verweerder niet gehouden de verzoeken om terugbetaling voor te leggen aan de Commissie. De procedure van artikel 116, derde lid, van het DWU is namelijk, anders dan eiseres kennelijk meent, niet bedoeld om in algemene zin de Commissie te laten beslissen over argumenten in verzoeken om terugbetaling. Slechts in de gevallen waarin een nationale douaneautoriteit zoals verweerder zelf meent dat terugbetaling of kwijtschelding moet worden verleend, legt deze autoriteit op grond van artikel 116, derde lid, van het DWU het dossier voor aan de Commissie. Verweerder heeft de verzoeken om terugbetaling afgewezen, zodat hij niet gehouden was de verzoeken voor te leggen aan de Commissie.
Sturing door de Commissie? 16. Eiseres stelt dat verweerder zich heeft laten leiden door de Commissie. Dit omdat er een onverklaarbaar lange tijdspanne is verlopen tussen de besprekingen die eiseres met verweerder had over de verzoeken om terugbetaling en de afwijzing van deze verzoeken. Zij stelt dat verweerder contact heeft gehad met de Commissie over de verzoeken en stelt, als dit niet het geval zou zijn, dat zij het vreemd zou vinden als er géén contact zou zijn geweest. Zij verzoekt de rechtbank onderzoek te doen naar de rol van de Commissie in de besluitvorming van verweerder.
Verweerder weerspreekt de stelling dat de Commissie een rol zou hebben gespeeld in zijn besluitvorming en stelt dat hij geen contact heeft gehad met de Commissie over de verzoeken om terugbetaling.De rechtbank heeft tijdens de regiezitting aan verweerder gevraagd of er op de zaak betrekking hebbende stukken bestaan (in welke vorm ook) over communicatie tussen verweerder en de Commissie over de in de regiebrief van 4 november 2025 genoemde verzoeken om terugbetaling. Verweerder heeft de rechtbank verzekerd dat dergelijke stukken er niet zijn. Tegenover de gemotiveerde betwisting door verweerder heeft eiseres haar stelling dat verweerder over de onderhavige zaken toch overleg heeft gevoerd met de Commissie niet aannemelijk gemaakt. De rechtbank ziet geen aanleiding voor verder onderzoek.
Vertrouwensbeginsel 17. Eiseres stelt dat zij erop mocht vertrouwen dat verweerder haar verzoeken om terugbetaling aan de Commissie zou voorleggen. Zij verwijst daarvoor naar hetgeen verweerder aan haar heeft gecommuniceerd en noemt in het bijzonder de tweede hoorzitting van 17 januari 2023. Verweerder heeft toen nadrukkelijk gewezen op de terugbetalingsprocedures van artikelen 119 en 120 van het DWU en daarmee heeft hij toegezegd dat hij de verzoeken aan de Commissie zou doorverwijzen, aldus eiseres.
18. Verweerder bestrijdt dat hij een dergelijke toezegging heeft gedaan. Hij heeft de terugbetalingsprocedures van artikelen 119 en 120 van het DWU genoemd omdat sommige bezwaargronden van eiseres tegen de utb’s materieel zagen op gronden voor terugbetaling. Verweerder kan deze gronden niet behandelen in het kader van de bezwaarprocedures inzake de utb’s.
19. De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van een schending van het vertrouwensbeginsel. Eiseres kan zich alleen met vrucht op het vertrouwensbeginsel beroepen indien verweerder bij haar gegronde verwachtingen heeft gewekt door precieze, onvoorwaardelijke en overeenstemmende toezeggingen te doen die uitgaan van bevoegde en betrouwbare bronnen. Eiseres heeft met wat zij heeft aangevoerd en overgelegd, niet aannemelijk gemaakt dat een in rechte te beschermen vertrouwen is gewekt dat verweerder haar verzoeken om terugbetaling aan de Commissie zou voorleggen.
20. Hetgeen eiseres overigens heeft aangevoerd, levert geen grond tot terugbetaling op. Van andere terugbetalingsgronden is de rechtbank niet gebleken.
Slotsom 21. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de verzoeken om terugbetaling terecht heeft afgewezen en ziet dan ook geen aanleiding om verweerder op te dragen het dossier alsnog op grond van artikel 116, derde lid, van het DWU, aan de Commissie voor te leggen. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie.De beroepen zijn ongegrond. Dit betekent dat de afwijzingen van de verzoeken om terugbetaling in stand blijven.
Proceskosten 22. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A. Schreuder, voorzitter, en mr. P.H. Lauryssen en mr. W.M.C. Schipper, leden, in aanwezigheid van mr. W.G. van Gastelen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026.
griffier voorzitter
Uitspraak verzonden op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de douanekamer van het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam, waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Amsterdam vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage “Juridisch kader”
Verordening (EU) Nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (herschikking) (DWU)
Artikel 116 van het DWU luidt, voor zover van belang, als volgt:
Algemene bepalingen
1. Onder de bij deze afdeling vastgestelde voorwaarden wordt overgegaan tot terugbetaling of kwijtschelding van bedragen aan invoer- of uitvoerrechten, om elk van de volgende redenen:
a. a) invoer- of uitvoerrechten die te veel in rekening zijn gebracht;
b) goederen die gebreken vertonen of goederen die niet met de bepalingen van het contract in overeenstemming zijn;
c) vergissing van de bevoegde autoriteiten;
d) billijkheid.
(…)
2. (…)
3. Indien de douaneautoriteiten van mening zijn dat terugbetaling of kwijtschelding moet worden verleend op basis van artikel 119 of 120, legt de betrokken lidstaat het dossier met het oog op een beschikking voor aan de Commissie in de volgende gevallen:
a. a) indien de douaneautoriteiten van oordeel zijn dat de bijzondere omstandigheden het gevolg zij van het feit dat de Commissie haar verplichtingen niet is nagekomen;
b) indien de douaneautoriteiten van oordeel zijn dat de Commissie een vergissing heeft begaan in de zin van artikel 119;
c) (…)
d) indien het bedrag waarvoor de betrokkene met betrekking tot één of meer invoer- of uitvoertransacties aansprakelijk kan zijn, door een vergissing of bijzondere omstandigheden gelijk is aan of hoger is dan 500 000 EUR.
Niettegenstaande de eerste alinea, worden dossiers niet voorgelegd in de volgende gevallen:
a. a) indien de Commissie reeds een beschikking heeft verleend in een zaak die feitelijk en juridisch vergelijkbaar is;
b) indien bij de Commissie reeds een zaak is ingeleid die feitelijk en juridisch vergelijkbaar is.
(…).
Artikel 117 van het DWU luidt, voor zover van belang, als volgt:
Invoer- of uitvoerrechten die te veel in rekening zijn gebracht
1. Een bedrag aan invoer- of uitvoerrechten wordt terugbetaald of kwijtgescholden indien het bedrag dat correspondeert met de aanvankelijk meegedeelde douaneschuld het verschuldigde bedrag overschrijdt (…).
2. Wanneer het verzoek om terugbetaling of kwijtschelding is gegrond op het bestaan, op het tijdstip van de aanvaarding van de aangifte voor het vrije verkeer van de goederen, van een verlaagd recht of een nulrecht bij invoer in het kader van een tariefcontingent, een tariefplafond of een andere gunstige tariefbehandeling, wordt de terugbetaling of kwijtschelding slechts verleend indien, op het tijdstip waarop het verzoek, voorzien van alle nodige bescheiden, wordt ingediend, is voldaan aan een van de volgende voorwaarden:
a. a) indien het een tariefcontingent betreft, dit niet is uitgeput;
b) in de overige gevallen, het normaal verschuldigde recht niet opnieuw is ingesteld.
Artikel 119 van het DWU luidt, voor zover van belang, als volgt:
Vergissing van de bevoegde autoriteiten
1. In andere dan de in artikel 116, lid 1, tweede alinea, en in de artikelen 117, 118 en 120 genoemde gevallen, wordt een bedrag aan invoer- of uitvoerrechten terugbetaald of kwijtgescholden wanneer, als gevolg van een vergissing van de bevoegde autoriteiten, het met de oorspronkelijk meegedeelde douaneschuld overeenkomende bedrag lager was dan het verschuldigde bedrag, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:
a. a) de schuldenaar had de vergissing redelijkerwijze niet kunnen ontdekken; en
b) de schuldenaar heeft te goeder trouw gehandeld.
2. Indien de in artikel 117, lid 2, genoemde voorwaarden niet zijn vervuld, wordt terugbetaling of kwijtschelding verleend wanneer het verlaagde recht of het nulrecht als gevolg van een vergissing van de douaneautoriteiten zelf, niet werd toegepast op goederen waarvan de douaneaangifte voor het vrije verkeer alle gegevens bevatte en vergezeld was van alle voor de toepassing van het verlaagde recht of het nulrecht vereiste documenten.
3. (…).
Artikel 120 van het DWU luidt als volgt:
Billijkheid
1. In andere dan de in artikel 116, lid 1, tweede alinea, en de artikelen 117, 118 en 119 bedoelde gevallen wordt een bedrag aan invoer- of uitvoerrechten om redenen van billijkheid terugbetaald of kwijtgescholden indien een douaneschuld is ontstaan in bijzondere omstandigheden waarin de schuldenaar geen bedrog heeft gepleegd noch kennelijk nalatig is geweest.
2. De bijzondere omstandigheden bedoeld in lid 1 worden geacht te bestaan indien uit de omstandigheden van de zaak blijkt dat de schuldenaar zich in een uitzonderlijke situatie bevindt ten opzichte van andere deelnemers die dezelfde activiteit uitoefenen, en indien de schuldenaar in afwezigheid van dergelijke omstandigheden niet het nadeel zou hebben geleden door de inning van het bedrag aan in- of uitvoerrechten.