ECLI:NL:RBNHO:2026:5680

ECLI:NL:RBNHO:2026:5680

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 14-04-2026
Datum publicatie 20-05-2026
Zaaknummer 15/177314-22
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Alkmaar

Samenvatting

EncroChat-verweren. Medeplegen van voorbereidings- en bevorderingshandelingen gericht op het vervoeren en het in- en uitvoeren van cocaïne.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Alkmaar

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/177314-22 (P)

Uitspraakdatum: 14 april 2026

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 31 maart 2026 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1974 te [geboorteplaats],

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres].

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. J.J. van Bree en van hetgeen de verdachte en zijn raadslieden, mr. J.C. Reisinger, advocaat te Utrecht, en mr. A.D. Kloosterman, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

1. Tenlastelegging

De verdachte wordt, verkort en zakelijk weergegeven, verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het volgende feit:

het medeplegen van voorbereidings- en/of bevorderingshandelingen om cocaïne te verkopen, af te leveren, te verstrekken, te vervoeren en/of buiten en/of binnen het grondgebied van Nederland te brengen in de periode van 15 maart 2020 tot en met 12 juni 2020 te Schiphol en/of Amsterdam, in elk geval in Nederland.

De volledige tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. De voorvragen

De geldigheid van de dagvaarding

De dagvaarding is geldig.

De bevoegdheid van de rechtbank

De rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de zaak.

De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

De raadsman mr. J.C. Reisinger heeft primair bepleit dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging van de verdachte. Daaraan heeft de raadsman ten grondslag gelegd dat het Openbaar Ministerie onjuiste en misleidende informatie heeft verstrekt over de wijze waarop de EncroChat-data in Frankrijk is verkregen en over de rol die de Nederlandse autoriteiten daarbij hebben gespeeld. In dat kader is aangevoerd dat Nederland een grotere rol heeft gehad bij de EncroChat-hack in Frankrijk dan door het Openbaar Ministerie is gepresenteerd. Hiermee is getracht te voorkomen dat de Nederlandse strafrechter de rechtmatigheid en betrouwbaarheid van de EncroChat-data kan toetsen. Vervolgens hebben de Nederlandse autoriteiten de werkelijke gang van zaken verzwegen of verdraaid. Dit handelen dient te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.

Bij de beoordeling van het ontvankelijkheidsverweer betrekt de rechtbank het volgende. De Hoge Raad heeft in zijn beslissing van 13 februari 2024 (ECLI:NL:HR:2024:192) onder meer het volgende overwogen:

“(..) 5.2.1 Het hof heeft onder meer het volgende vastgesteld. In Frankrijk liep een strafrechtelijk onderzoek naar het bedrijf EncroChat en de daaraan verbonden personen. In januari 2020 heeft de Franse rechter toestemming gegeven om een interceptietool te installeren op de voor EncroChat-communicatie gebruikte server in Roubaix, Frankrijk. Deze tool is ontwikkeld door de Franse Service Technique National de Captation Judiciaire. Door installatie en activatie van deze tool werd een kopie van de op de server aanwezige EncroChat-communicatie gemaakt en werd software geïnstalleerd die bewerkstelligde dat op EncroChat-toestellen lopende communicatie werd doorgezonden naar een door de Franse politie beheerde server. In de periode van 1 april 2020 tot en met 20 juni 2020 is ‘live’ informatie van EncroChat-telefoons verzameld, ook van EncroChat-telefoons die zich in Nederland bevonden. Nederlandse opsporingsambtenaren hebben bij deze implementatie en activering van de interceptietool niet enige concrete opsporingshandeling verricht in Frankrijk, ook niet in samenwerking met de Franse opsporingsautoriteiten. De interceptietool is, op basis van Franse wettelijke bevoegdheden, ingezet door de Franse autoriteiten op Frans grondgebied.Verder heeft het hof vastgesteld dat zowel het kopiëren van EncroChat-gegevens vanaf de server van EncroChat als het ‘live’ onderscheppen en kopiëren van EncroChat-telefoondata plaatsvond door de Franse politie in en vanuit Frankrijk. Er zijn geen aanwijzingen dat Nederland het gebruik van de Franse bevoegdheid heeft geïnitieerd of daarom heeft verzocht met het oog op het instellen van strafrechtelijke onderzoeken in Nederland.

Deze vaststellingen komen erop neer dat de inzet van de interceptietool plaatsvond onder verantwoordelijkheid van de Franse en dus buitenlandse autoriteiten. Het daarop gebaseerde oordeel van het hof dat ten aanzien van de toetsing van de inzet van de interceptietool het vertrouwensbeginsel van toepassing is – zodat het niet aan de Nederlandse rechter is om te toetsen of de wijze waarop die inzet heeft plaatsgevonden strookt met de rechtsregels die daarvoor gelden in Frankrijk – getuigt, gelet op wat in de onder 3 weergegeven beslissing van de Hoge Raad is overwogen, niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. De omstandigheid dat de inzet van de interceptietool meebracht dat ook gegevens van EncroChat-toestellen die zich op het moment van interceptie in Nederland bevonden, werden verzameld en gekopieerd, leidt daarbij niet tot een ander oordeel. Die omstandigheid doet er immers niet aan af dat de inzet van de interceptietool, met het daaropvolgende onderscheppen en kopiëren van data en het vervolgens delen van die data met de Nederlandse politie, plaatsvond in en vanuit Frankrijk, terwijl die omstandigheid ook niet met zich brengt dat de verantwoordelijkheid voor de inzet van de interceptietool overgaat naar of mede komt te liggen bij de autoriteiten van het land waar een gebruiker van het toestel zich op dat moment bevindt. Ook artikel 31 Richtlijn 2014/41/EU geeft geen aanleiding hierover anders te oordelen (vgl. rechtsoverweging 6.23 in de onder 3 weergegeven beslissing van de Hoge Raad).”

De Hoge Raad heeft in dit arrest de overwegingen van het Hof omtrent de inzet van de interceptietool in stand gelaten. Dat geldt dus ook voor de vaststellingen van het Hof dat

Nederlandse opsporingsambtenaren bij de implementatie en activering van de interceptietool geen concrete opsporingshandeling hebben verricht in Frankrijk, ook niet in samenwerking met de Franse opsporingsautoriteiten, en dat de interceptietool op basis van Franse wettelijke bevoegdheden, is ingezet door de Franse autoriteiten op Frans grondgebied.In hetgeen de verdediging heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding om daar anders over te oordelen. Ook indien de Nederlandse opsporingsautoriteiten informatie hebben verstrekt aan de Franse opsporingsdiensten (zoals een IP-adres of technische informatie ten behoeve van de interceptietool) betekent dat nog niet dat er opsporingshandelingen zijn verricht door Nederlandse opsporingsambtenaren in Frankrijk.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken dat het Openbaar Ministerie onjuiste of misleidende informatie heeft verstrekt over de wijze waarop de EncroChat-data zijn verkregen of over de rol van de Nederlandse autoriteiten daarbij. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van de verdachte. Het verweer van de raadsman wordt daarom verworpen.

Bespreking en beoordeling van de verweren met betrekking tot EncroChat

De raadsman heeft subsidiair bepleit dat de verkregen EncroChat-data van het bewijs moet worden uitgesloten. De argumenten die hij daarvoor heeft aangevoerd zal de rechtbank hieronder bespreken.

Schending van het soevereiniteitsbeginsel en de notificatieplicht

De raadsman heeft aangevoerd dat bij de verkrijging van de EncroChat-data sprake is geweest van schending van artikel 1 EVRM, artikel 32 Cybercrimeverdrag, artikel 4 VN-Verdrag van Palermo, artikel 20 lid 1 EU Rechtshulp-overeenkomst en artikel 31 van Richtlijn 2014/41/EU (hierna: de Richtlijn). De Franse opsporingsautoriteiten zijn namelijk vanaf april 2020 binnengedrongen in EncroChat-toestellen van gebruikers die zich in Nederland bevonden. De interceptie had daarom conform de eisen van artikel 126uba lid 1 sub d van het Wetboek van Strafvordering (Sv) moeten plaatsvinden. Ook hadden de Franse autoriteiten op grond van de Richtlijn de verplichting de Nederlandse autoriteiten te notificeren. Dat is niet gebeurd. Er is sprake van schending van de hiervoor genoemde bepalingen en het Nederlandse strafprocesrecht, aldus de raadsman.

De rechtbank stelt voorop de overwegingen van de Hoge Raad van 13 juni 2023 (ECLI:NL:HR:2023:913) als uitgangspunt te nemen. In deze beslissing heeft de Hoge Raad overwogen dat het interstatelijke vertrouwensbeginsel ertoe leidt dat de beslissingen van buitenlandse autoriteiten, die aan in het buitenland verricht onderzoek ten grondslag liggen, door de rechter in de Nederlandse zaak moeten worden gerespecteerd, dat ervan wordt uitgegaan dat het onderzoek rechtmatig is verricht en dat dit uitsluitend anders is als het in het betreffende land onherroepelijk is komen vast te staan dat het betreffende onderzoek niet in overeenstemming met de daarvoor geldende regels is verricht. Aangezien niet is gebleken dat het Franse onderzoek niet overeenkomstig de daarvoor geldende regels is verricht, moet ervan worden uitgegaan dat de onderzoeksresultaten rechtmatig zijn verkregen.

Richtlijn 2014/41/EU

Met betrekking tot het verweer van de raadsman dat de interceptie van de EncroChat in strijd is met artikel 31 van Richtlijn 2014/41/EU, stelt de rechtbank vast dat de Encrochat-informatie in het onderzoek is verkregen in het kader van een JIT.

Uit artikel 3 van Richtlijn 2014/41/EU ‘betreffende het Europees onderzoeksbevel in strafzaken’ (de Richtlijn) volgt dat de Richtlijn niet van toepassing is als het gaat om bewijsgaring en uitwisseling/overdracht van die bewijsgegevens tussen twee (of meerdere lidstaten) die een gemeenschappelijk onderzoeksteam (JIT) hebben gevormd. In deze zaak was sprake van een JIT tussen de Nederlandse en Franse autoriteiten. Bij een JIT bestaat geen aanleiding voor notificatie, aangezien een JIT juist wordt opgericht teneinde gezamenlijk onderzoekshandelingen te kunnen verrichten en de resultaten daarvan uit te kunnen wisselen. Gelet daarop wijst de rechtbank het verzoek van de verdediging om de zaak aan te houden in afwachting van het antwoord van het Hof van Justitie van de EU op de op 16 september 2025 door het Franse Hof van Cassatie gestelde prejudiciële vragen (ECLI:FR:CCASS:2025:CR00936) af. Die prejudiciële vragen zien namelijk op de uitleg van de genoemde richtlijn, terwijl in de onderhavige zaak dus een JIT aan de orde is. Gelet daarop kan niet gezegd worden dat de antwoorden daarop van Hof van Justitie van de EU relevant zullen zijn voor de onderhavige zaak.

De rechtbank overweegt verder dat het Wetboek van Strafvordering in artikel 126uba een bevoegdheid kent die vergelijkbaar is met de inzet van de interceptietool door Frankrijk. Het Nederlandse Openbaar Ministerie heeft, alvorens de van Frankrijk ontvangen EncroChat-data met de Nederlandse opsporingsinstanties te delen, aan de Nederlandse rechter-commissaris een gecombineerde machtiging als bedoeld in de artikelen 126uba en 126t Sv gevraagd. De rechter-commissaris heeft deze machtiging verleend en daarbij concrete voorwaarden gesteld. De gestelde voorwaarden dienen ertoe om de beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit zo zorgvuldig mogelijk toe te passen en onnodige privacy schendingen van de gebruikers te voorkomen.

De rechtbank verwerpt dan ook het verweer dat de EncroChat-gegevens niet als bewijs mogen worden gebruikt omdat niet voldaan zou zijn aan de notificatieverplichting, omdat van zo’n verplichting in het geval van een JIT geen sprake is, Nederland op de hoogte was van het voornemen tot interceptie van (ook) communicatie van zich in Nederland bevindende gebruikers van EncroChat en de inzet van de interceptie bovendien vooraf door de Nederlandse rechter-commissaris is getoetst.

De raadsman heeft er verder nog op gewezen dat ook indien de rechtbank artikel 31 van de Richtlijn niet van toepassing acht, sprake is van strijd met artikel 20 EU Rechtshulp-Overeenkomst. Artikel 20 van de EU Overeenkomst gaat over het aftappen van telecommunicatie. Wanneer bij het aftappen telecommunicatie wordt verkregen van een persoon die zich in een andere lidstaat bevindt, stelt de autoriteit van de lidstaat waarin wordt afgetapt, deze andere lidstaat in kennis. Ook hier gaat het om het in kennis stellen van de andere lidstaat met het doel om dergelijk aftappen te kunnen voorkomen of te beëindigen. De rechtbank is, op grond van dezelfde overwegingen die zij hiervoor uiteen heeft gezet, van oordeel dat in het geval van een JIT deze kennisgeving niet verplicht is.

Schending van het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer (artikel 8 EVRM)

De raadsman heeft aangevoerd dat alle data van alle EncroChat-gebruikers zijn onderschept en dat daarmee sprake is geweest van een onbegrensde data-interceptie. Daarvoor was geen rechtvaardiging en bestond geen wettelijke basis. Het recht op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer is daarom geschonden.

De Hoge Raad heeft in zijn hiervoor genoemde arrest van 13 februari 2024 de volgende passage uit het arrest van 13 juni 2023 herhaald:

“(..) 6.5.3 Het vorenstaande brengt in relatie tot het recht op eerbiediging van het privéleven, zoals dat wordt gewaarborgd door artikel 8 lid 1 EVRM, met zich dat de Nederlandse strafrechter niet beoordeelt of in het recht van het land onder wiens verantwoordelijkheid het onderzoek is verricht, al dan niet een toereikende wettelijke grondslag bestond voor de eventueel bij het verrichten van het onderzoek gemaakte inbreuk op het recht van de verdachte op respect voor zijn privéleven, en ook niet of die inbreuk geacht kan worden noodzakelijk te zijn, zoals bedoeld in het tweede lid van artikel 8 EVRM. Zo’n beoordeling zou immers vergen dat de Nederlandse rechter aan het buitenlandse recht toetst. Daaraan staat in de weg wat onder 6.5.2 is overwogen.”

Het voorgaande brengt met zich dat de rechtbank niet beoordeelt of het recht op eerbiediging van het privéleven als gevolg van de data-interceptie is geschonden. Het interstatelijk vertrouwensbeginsel staat daar immers aan in de weg.

De taak van de rechtbank in deze onderhavige zaak is ertoe beperkt de “overall fairness” van de strafzaak te waarborgen. De wijze waarop van de resultaten in het Franse onderzoek in de strafzaak gebruik wordt gemaakt, mag geen inbreuk maken op het recht op een eerlijk proces, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM. De rechtbank ziet in hetgeen de raadsman heeft aangevoerd, het verhandelde ter terechtzitting en de inhoud van het dossier, geen aanwijzingen dat er inbreuk is gemaakt op het recht op een eerlijk proces van de verdachte. Het verweer van de raadsman wordt dan ook verworpen.

Gebrek aan (gebleken) betrouwbaarheid en overtuiging(skracht) EncroChat-data

Ten slotte heeft de raadsman aangevoerd dat de EncroChat-data niet betrouwbaar is. Er is sprake van onvolkomenheden in de juistheid en volledigheid, gebreken in de omzetting naar Excel, er zijn berichten die niet ontsleuteld zijn zonder dat daarvoor een verklaring bestaat, en dus van fouten in de vergaring c.q. verwerking die de volledigheid van de weergave van de communicatie raakt, aldus de raadsman.

De Hoge Raad heeft in zijn hiervoor genoemde arrest van 13 februari 2024 het volgende overwogen:

“(..) 6.6 (…) Waar het gaat om de betrouwbaarheid van onderzoeksresultaten die voor het bewijs worden gebruikt, geldt dat de rechter bij de beantwoording van de vraag of het tenlastegelegde kan worden bewezenverklaard, alleen dat bewijsmateriaal gebruikt dat hij betrouwbaar en bruikbaar acht. Er kan grond voor bewijsuitsluiting bestaan als zich onregelmatigheden hebben voorgedaan die de betrouwbaarheid en accuraatheid van onderzoeksresultaten wezenlijk hebben aangetast. Hierbij maakt het in beginsel geen verschil of die onderzoeksresultaten zijn verkregen onder verantwoordelijkheid van buitenlandse autoriteiten dan wel in een Nederlands strafrechtelijk onderzoek. Dat doet echter niet eraan af dat de rechter in de strafzaak tot uitgangspunt mag nemen dat onderzoek dat onder verantwoordelijkheid van buitenlandse autoriteiten is uitgevoerd, op zodanige wijze is verricht dat de door dat onderzoek verkregen resultaten betrouwbaar zijn. Als er echter – al dan niet naar aanleiding van een daartoe strekkend verweer – concrete aanwijzingen voor het tegendeel bestaan, is de rechter gehouden de betrouwbaarheid van die resultaten te onderzoeken. Daartoe kan hij bijvoorbeeld – met tussenkomst van het openbaar ministerie – nadere informatie inwinnen over de wijze waarop het onderzoek onder de verantwoordelijkheid van de buitenlandse autoriteiten is verlopen en de (procedurele) waarborgen die daarbij in acht zijn genomen; één en ander voor zover dat voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van de door die autoriteiten verkregen resultaten van belang is. Deze nadere informatie kan bijvoorbeeld betrekking hebben op de waarborgen die bij de verkrijging van gegevens in acht zijn genomen in relatie tot de betrouwbaarheid, integriteit en/of herleidbaarheid van die gegevens. Deze plicht tot het onderzoeken van de betrouwbaarheid van de resultaten hangt samen met het op grond van artikel 6 EVRM aan de verdachte toekomende recht om de authenticiteit en de betrouwbaarheid van het bewijs te betwisten en zich tegen het gebruik ervan te verzetten.”

De rechtbank overweegt dat, gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel, er in beginsel vanuit moet worden gegaan dat het onderzoek dat onder verantwoordelijkheid van de Franse autoriteiten is uitgevoerd, op zodanige wijze is verricht dat de door dat onderzoek verkregen resultaten betrouwbaar zijn. De rechtbank is van oordeel dat er geen concrete aanknopingspunten bestaan voor het tegendeel. De raadsman heeft na inzage in de dataset ook niet aangegeven wat niet juist is aan het gepresenteerde bewijsmateriaal in deze zaak. Ook de verdachte heeft niets verklaard over onjuistheden of ontbrekende berichten in het dossier of in de dataset. Concrete aanwijzingen dat de in dit procesdossier opgenomen EncroChat-berichten onbetrouwbaar zouden zijn en dat de dataset onjuist, onvolledig en onbetrouwbaar is, zijn de rechtbank ook overigens niet gebleken. De door de verdediging naar voren gebrachte omstandigheid dat de onderschepte EncroChat-gesprekken in het algemeen onvolledig zijn, maakt op zichzelf nog niet dat getwijfeld moet worden aan de betrouwbaarheid van (de inhoud van) de berichten die wel beschikbaar zijn. Het verweer van de raadsman wordt daarom verworpen.

Voorwaardelijke) verzoeken/onderzoekswensen

De raadsman heeft een groot aantal voorwaardelijke verzoeken gedaan voor het geval de rechtbank niet tot een niet-ontvankelijk verklaring van het Openbaar Ministerie of tot bewijsuitsluiting zou komen.

De maatstaf bij de beoordeling van een verzoek tot voeging van stukken bij de processtukken, en van het horen van nog niet gehoorde getuigen in dit stadium, is of de noodzaak van het verzochte blijkt.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, wijst de rechtbank de verzoeken van de raadsman af, nu het voegen van de betreffende stukken niet noodzakelijk is voor de beantwoording van de vragen genoemd in de artikelen 348 en 350 Sv en de rechtbank zich voldoende voorgelicht acht. De verzoeken van de raadsman tot het horen van de betreffende getuigen wijst de rechtbank eveneens af, omdat de rechtbank zich voldoende ingelicht acht en haar de noodzakelijkheid van de gevraagde verhoren niet is gebleken.

3. Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.

Standpunt van de verdediging

De raadsman mr. A.D. Kloosterman heeft primair vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde feit, omdat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig is dat de verdachte de (exclusieve) gebruiker is geweest van het EncroChat-account [accountnaam A].

Subsidiair heeft de raadsman vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde feit, omdat op basis van de EncroChat-berichten onvoldoende duidelijk is dat de beweerde handelingen betrekking hebben op de handel in cocaïne. De raadsman heeft aangevoerd dat in de EncroChat-berichten wordt gesproken over ketamine en dat uit een deel van deze berichten niet duidelijk wordt over welke middelen het gaat.

Oordeel van de rechtbank

Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de bewijsmiddelen die in bijlage II bij dit vonnis zijn vervat.

Bewijsoverweging

Inleiding

Naar aanleiding van berichten van de gebruiker van het EncroChat-account met de gebruikersnaam [accountnaam A] (hierna: [accountnaam A]) is bij de FIOD de verdenking ontstaan dat [accountnaam A] zich in de periode van 15 maart 2020 tot 12 juni 2020 heeft beziggehouden met onder meer voorbereidings- en bevorderingshandelingen gericht op de handel in cocaïne via de luchthaven Schiphol. In de onderschepte berichten van en aan [accountnaam A] zou onder andere gesproken zijn over het in- en uitvoeren van cocaïne en over de verschillende prijzen. Ook zou [accountnaam A] in contact staan met personen die beschikken over luchthaven gerelateerde informatie, zoals de beschikbare vluchtroutes, mogelijke controles door de douane op de vluchten en scanlijsten. De verdenking is dat de verdachte de gebruiker is geweest van EncroChat-account met de naam [accountnaam A] en zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan de voorgenoemde voorbereidings- en bevorderingshandelingen.

Identificatie

De eerste vraag die de rechtbank bij de beoordeling van het ten laste gelegde feit moet beantwoorden, is of de verdachte de gebruiker is geweest van het EncroChat-account [accountnaam A]. Het dossier bevat een proces-verbaal van identificatie van het EncroChat-account [accountnaam A], waarin de FIOD een aantal aanwijzingen voor de identificatie van de gebruiker ervan op een rij heeft gezet. Uit dit proces-verbaal blijkt, voor zover relevant, het volgende.

Op 25 mei 2020 heeft [accountnaam A] contact gehad met de gebruiker van het EncroChat-account [account B]. In dit gesprek zegt [accountnaam A] dat alles naar de scan gaat en stuurt vervolgens een afbeelding met een scanlijst. Daarna neemt [account B] contact op met de gebruiker van het EncroChat-account [account C]. De afbeelding die [account B] van [accountnaam A] heeft ontvangen, wordt vervolgens doorgestuurd naar [account C]. [account B] vermeldt daarbij dat de afbeelding afkomstig is van “[achternaam verdachte]”. De achternaam van de verdachte is [achternaam verdachte].

Daarnaast heeft het IMEI-nummer van het telefoontoestel waarmee gebruik werd gemaakt van [accountnaam A] in de periode van 6 mei 2020 tot 12 juni 2020 meestal een zendmast aangestraald die is gelegen op het adres [adres B] te Diemen. Het dekkingsgebied van deze zendmast valt binnen de directe omgeving waar de vrouw van de verdachte, [naam vrouw verdachte], in die periode stond ingeschreven ([adres C] in Diemen).

Verder blijkt uit onderzoek dat de nicknames '[naam A]' en '[naam B]', die [accountnaam A] gebruikt, aan de verdachte kunnen worden gekoppeld.

Ook blijkt uit de berichten tussen [accountnaam A] en de gebruiker van het EncroChat-account [account D], dat [accountnaam A] dochters heeft. Dit komt overeen met de BRP-gegevens van de verdachte.

Op1 mei 2020 heeft [accountnaam A] contact gehad met de gebruiker van het EncroChat-account [account E]. In dit gesprek vraagt [account E] aan [accountnaam A]: “Heb je je dingen opgelost broer?” [accountnaam A] reageert dat alles stil ligt. [account E] reageert vervolgens: “Bedoelde je privé broer, je kleine.” [accountnaam A] antwoordt vervolgens: “Ja ze is weer veilig thuis broer.”

Uit onderzoek is gebleken dat de Nationale Politie op 15 maart 2020 een mutatie heeft gemaakt met betrekking tot een huiselijke twist waarbij de situatie is geëscaleerd tussen moeder en dochter [dochter van verdachte], waarbij dochter is weggelopen. Op 5 april 2020 blijkt uit een vervolg mutatie dat dochter na een week weer thuis is gekomen.

Tot slot blijkt dat de nickname ‘[account F 1]’, die [accountnaam A] gebruikte in het gesprek met het EncroChat-account [account F 2], aan de verdachte kan worden gekoppeld. Uit de politiesystemen blijkt namelijk dat de verdachte de gebruiker is geweest van een zwarte [personenauto]

Tussenconclusie: de verdachte is de gebruiker van het EncroChat-account [accountnaam A]

Anders dan de raadsman heeft aangevoerd, is de rechtbank van oordeel dat op grond van de voorgaande omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld dat de verdachte de gebruiker is geweest van het EncroChat-account [accountnaam A]. De rechtbank betrekt daarbij dat de verdachte zich ter terechtzitting consequent op zijn zwijgrecht heeft beroepen, en ondanks herhaaldelijke vragen van de rechtbank, geen aanknopingspunten heeft gegeven die tot de gedachte zouden kunnen leiden dat een ander dan de verdachte de gebruiker is geweest van het EncroChat-account [accountnaam A].

De inhoud van de chats

De tweede vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is of de chatberichten die [accountnaam A] heeft gewisseld met andere EncroChat-gebruikers betrekking hebben op voorbereidings- en bevorderingshandelingen voor de handel in cocaïne. Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat bij de interpretatie en waardering van de berichten terughoudendheid en behoedzaamheid dient te worden betracht, aangezien het bewijs in deze strafzaak vrijwel uitsluitend op de chatberichten rust.

Anders dan de raadsman heeft aangevoerd, is de rechtbank echter van oordeel dat een substantieel deel van de zich in het dossier bevindende chatgesprekken onmiskenbaar betrekking heeft op de internationale handel in cocaïne. Bij dat oordeel betrekt de rechtbank het volgende. In de chatgesprekken wordt gesproken over landen waar vandaan dingen moeten worden verstuurd. Het gaat daarbij vooral om Zuid-Amerikaanse landen, zoals Colombia (een bekend bronland van cocaïne). Er worden foto’s gedeeld van vliegtuigplaten met PMC-nummers en airwaybills en er wordt gesproken over het kloppend maken van papierwerk. Ook wordt er gesproken over “spullen”, “blokken” die gepakt of verstuurd kunnen worden en over “Bogo” en “Colo”. Dit zijn termen die bij de marechaussee ambtshalve bekend zijn als termen die gebruikelijk zijn in het criminele drugsmilieu en kenmerkend zijn voor de (internationale) handel in cocaïne. Ook wordt er in de chatgesprekken gesproken over nieuwe lijnen (smokkelroutes), douanecontrole, en worden er verschillende prijzen genoemd. Daarnaast is in een chatgesprek een afbeelding aangetroffen van een blok wit poeder met daarin de stempel van een dolfijn. Die afbeelding is door de verdachte verstuurd naar een andere gebruiker.

Conclusie

De rechtbank acht op basis van het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, bewezen dat de verdachte zich in de periode van 15 maart 2020 tot en met 12 juni 2020 schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van voorbereidings- en bevorderingshandelingen gericht op het vervoeren van cocaïne en het binnen en buiten het grondgebied van Nederland brengen van cocaïne.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, in die zin dat:

hij in de periode van 15 maart 2020 tot en met 12 juni 2020 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen,

om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk vervoeren en buiten en binnen het grondgebied van Nederland brengen van cocaïne, voor te bereiden en te bevorderen,

- een of meer anderen heeft getracht te bewegen om die feiten te plegen, mede te plegen, en om daarbij behulpzaam te zijn en om daartoe gelegenheid, middelen en inlichtingen te verschaffen,

immers hebben hij, verdachte en/of zijn mededaders, daartoe

- één of meer PGP telefoon voorhanden gehad en

- via de versleutelde communicatiedienst Encrochat gecommuniceerd en afspraken gemaakt over het (laten) verzenden van middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I per vliegtuig en

- inlichtingen gevraagd over het kloppend maken van papierwerk met betrekking tot verzendingen via de luchtvracht en

- inlichtingen gegeven met betrekking tot (Douane)controles in de luchtvracht en

- foto’s van (blokken) cocaïne gedeeld, eigenschappen en kwaliteit beschreven en prijzen genoemd en

- ontmoetingen gehad met en inlichtingen heeft gegeven aan zijn mededaders.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en te bevorderen, een ander tracht te bewegen om dat feit te plegen, mede te plegen, en om daarbij behulpzaam te zijn en om daartoe gelegenheid en inlichtingen te verschaffen.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.

5. Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

6. Motivering van de sanctie

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tweeëndertig maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, en een geldboete van € 50.000,00. Bij de strafeis heeft de officier van justitie rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn en de eis met vier maanden gevangenisstraf verminderd.

Standpunt van de verdediging

De raadsman mr. A.D. Kloosterman heeft bepleit aansluiting te zoeken bij straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd en rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn. Daarnaast heeft hij verzocht een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen gelijk aan de duur van het voorarrest, al dan niet gecombineerd met een voorwaardelijke gevangenisstraf of een taakstraf. Verder heeft de raadsman, gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, verzocht de schorsing van de voorlopige hechtenis niet op te heffen.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de straf die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Ernst van het feit

De verdachte heeft zich gedurende een periode van ruim twee maanden, samen met anderen, schuldig gemaakt aan het treffen van voorbereidings- en bevorderingshandelingen gericht op het vervoeren en het in- en uitvoeren van cocaïne. Uit het dossier blijkt dat de verdachte bij het plegen van het feit een faciliterende en organisatorische rol heeft gehad. Hij had contacten met medewerkers van Schiphol en hield zich bezig met het opzetten van drugstransportlijnen via deze luchthaven.

De verdachte heeft met zijn handelen een bijdrage geleverd aan de internationale drugshandel. De handel in harddrugs, waaronder cocaïne, vormt een ernstige inbreuk op de rechtsorde en heeft een ontwrichtende invloed op de samenleving. Harddrugs bevatten zeer schadelijke stoffen die de gezondheid van gebruikers ernstig bedreigen. Met de verboden handel in harddrugs worden grote winsten behaald. Bovendien gaat de handel in cocaïne gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder ernstige gewelds- en levensdelicten. De rechtbank neemt het de verdachte kwalijk dat hij zich niet heeft bekommerd om de ernstige gevolgen die cocaïne voor anderen kan hebben. Hij was, naar mag worden aangenomen, enkel uit op eigen financieel gewin.

De persoon van de verdachte

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het strafblad van de verdachte van 25 maart 2026. Hieruit blijkt dat de verdachte in 2010 en 2017 is veroordeeld wegens overtreding van de Opiumwet.

Strafoplegging

De rechtbank is van oordeel dat de aard, de ernst en de negatieve maatschappelijke gevolgen van het bewezen verklaarde zonder meer een gevangenisstraf rechtvaardigen. Bij het bepalen van de duur daarvan heeft de rechtbank gekeken naar straffen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare zaken worden opgelegd.

Strafmatigende factoren

In strafmatigende zin weegt de rechtbank bij de strafoplegging allereerst de relatief korte periode van het bewezen verklaarde feit mee. Daarnaast weegt de rechtbank het tijdsverloop in deze zaak mee. In artikel 6, eerste lid, EVRM is het recht van iedere verdachte gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Als uitgangspunt geldt dat de behandeling van een zaak moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De rechtbank stelt vast dat de te beoordelen termijn is aangevangen op 7 juni 2023, de datum waarop de verdachte voor het bewezen verklaarde feit is aangehouden en in verzekering is gesteld. Nu het eindvonnis op 14 april 2026 wordt gewezen, en er geen bijzondere omstandigheden zijn gebleken die het tijdsverloop in deze zaak verklaren, is de redelijke termijn met ruim tien maanden overschreden. De rechtbank betrekt de overschrijding van de redelijke termijn daarom in strafmatigende zin bij de strafoplegging.

Slotsom

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van tweeëntwintig maanden passend en geboden is, met aftrek van het voorarrest. De rechtbank zal echter bepalen dat zes maanden daarvan vooralsnog niet ten uitvoer zullen worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaar, opdat de verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit. Gelet op de straf die aan de verdachte wordt opgelegd, ziet de rechtbank geen aanleiding om daarnaast nog een geldboete op te leggen.

Voorlopige hechtenis

Het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte is door de rechtbank met ingang van 15 januari 2024 onder voorwaarden geschorst tot aan het moment van de einduitspraak. De raadsman heeft verzocht de schorsing van de voorlopige hechtenis niet op te heffen. De rechtbank begrijpt dit verzoek zo dat de raadsman heeft verzocht het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op te heffen.

De rechtbank is van oordeel dat de ernstige bezwaren die tot het verlenen van het bevel tot voorlopige hechtenis hebben geleid, gelet op het bewezen verklaarde feit, nog steeds bestaan. De rechtbank is echter van oordeel dat het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis moet worden opgeheven wegens een gebrek aan gronden. De rechtbank overweegt dat de recidivegrond de dragende grond voor de voorlopige hechtenis van de verdachte is geweest. Nu de verdachte zich – voor zover bekend – na zijn aanhouding voor het onderhavige feit niet meer schuldig heeft gemaakt aan enig strafbaar feit en zich lange tijd aan de schorsingsvoorwaarden heeft gehouden, acht de rechtbank de recidivegrond niet langer aanwezig. De rechtbank zal het verzoek van de raadsman toewijzen en het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opheffen.

7. Beslag

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de onder de verdachte in beslag genomen telefoons te onttrekken aan het verkeer en de geldbedragen terug te geven aan de verdachte.

Standpunt van de verdediging

De raadsman mr. A.D. Kloosterman heeft primair verzocht de onder de verdachte in beslag genomen telefoons en geldbedragen terug te geven aan de verdachte, vanwege de bepleite vrijspraak van het ten laste gelegde feit. Subsidiair heeft de raadsman verzocht de geldbedragen terug te geven aan de verdachte, omdat deze geldbedragen geen betrekking hebben op het ten laste gelegde feit en de verdachte deze geldbedragen heeft gewonnen met het spelen van poker.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de onder de verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen (telefoons), te weten:

STK GSM (Omschrijving: 6070799_224970, zwart, merk: Google Pixel 6a);

1 STK GSM (Omschrijving: 6070799_224976, zwart, merk: Google Pixel 6a);

1 STK GSM (Omschrijving: 6070799_224966, Google);

1 STK GSM (Omschrijving: 6070799_224975, Xiaomi);

1 STK GSM (Omschrijving: 6070799_224974, Xiaomi); en

1 STK GSM (Omschrijving: 6070799_224969, Xiaomi);

moeten worden onttrokken aan het verkeer. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het bewezen verklaarde feit is begaan met behulp van een cryptotelefoon. Dit is een telefoon waarmee versleutelde berichten kunnen worden verzonden. De in beslag genomen telefoons behoren toe aan de verdachte en zijn aangetroffen bij gelegenheid van het onderzoek naar het door hem begane feit, in de woning van de verdachte en in de auto die geparkeerd stond op de bij de woning behorende parkeerplaats. Deze telefoons worden omschreven als geprepareerde cryptotelefoons, omdat op deze telefoons een ander besturingssysteem dan gebruikelijk is geïnstalleerd. Op vier van de zes telefoons zijn foto’s en chatgesprekken gevonden die in verband kunnen worden gebracht met drugshandel. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de in beslag genomen telefoons kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten als het door de verdachte begane feit en dat de opsporing van dergelijke feiten ermee kan worden belemmerd. Het ongecontroleerde bezit van deze telefoons in handen van de verdachte is daarom in strijd met het algemeen belang.

De rechtbank verder is van oordeel dat de onder de verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen (geldbedragen), te weten:

20400 EUR (Omschrijving: 6070799_241041 IBG 07-06-2023); en

37600 EUR (Omschrijving: 6070799_241042 IBG 07-06-2023);

moeten worden teruggegeven aan de verdachte.

De rechtbank merkt volledigheidshalve op dat zij niet beslist over het conservatoir beslag dat op deze geldbedragen rust.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

- 14 a, 14b, 14c, 36b, 36d, 47 en 63 van het Wetboek van Strafrecht; en

- 10 a van de Opiumwet.

9. Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4. weergegeven;

verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij;

bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert;

verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 22 [tweeëntwintig] maanden, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot 6 [zes] maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte voor het einde van de op 2 [twee] jaar bepaalde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

Beslag

onttrekt aan het verkeer:

gelast de teruggave aan de verdachte:

Voorlopige hechtenis

heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.M. Jongkind, voorzitter,

mr. S. Mac Donald en mr. A. Talmricht, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier, mr. D. Koppe,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 14 april 2026.

Bijlage I

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 15 maart 2020 tot en met 12 juni 2020 te Schiphol (gemeente Haarlemmermeer) en/of Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen,

om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of buiten en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van cocaïne, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, althans (een) (onbekende) hoeveelhe(i)d(en) (van) (een) (materia(a)l(en) bevattende) (een) middel(en) genoemd op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen,

- een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of

- zich en/of een of meer anderen gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feiten heeft getracht te verschaffen en/of

- voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstig redenen had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat die feit(en) immers is/zijn dan wel heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededader(s) (daartoe)

- één of meer PGP telefoon(s) aangeschaft en/of voorhanden gehad en/of

- via de versleutelde communicatiedienst Encrochat gecommuniceerd en/of afspraken gemaakt over het (laten) verzenden van middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I per vliegtuig en/of

- inlichtingen gevraagd over het aanpassen/ kloppend maken van papierwerk met betrekking tot verzendingen via de luchtvracht en/of

- inlichtingen gegeven met betrekking tot (Douane)controles in de luchtvracht en/of

- foto’s van (blokken) cocaïne gedeeld, eigenschappen en kwaliteit beschreven en prijzen genoemd en/of

- ontmoetingen gehad met en/of (telefonische) afspraken gemaakt met en/of besprekingen en/of onderhandelingen gevoerd met en/of inlichtingen en/of aanwijzingen en/of opdrachten (door)gegeven aan zijn mededader(s) en/of één of meer anderen, om verdovende middelen te kopen en/of verkopen en/of in ontvangst te nemen en/of omtrent de wijze waarop die verdovende middelen zou(den) worden gekocht en/of geleverd en/of afgenomen en/of vervoerd.

Bijlage II

De bewijsmiddelen

(..)

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand