ECLI:NL:RBNHO:2026:5716

ECLI:NL:RBNHO:2026:5716

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 29-04-2026
Datum publicatie 21-05-2026
Zaaknummer C/15/375283 / JU RK 26-336
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Haarlem

Samenvatting

Verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg en aansluitend in een netwerkpleeggezin voor een periode van twee maanden. Omdat er nog steeds zorgen zijn over het welzijn en de veiligheid van de minderjarige in de thuissituatie en het de afgelopen periode niet is gelukt om met de moeder daarover in contact te komen is de uithuisplaatsing nog steeds noodzakelijk.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Haarlem

Zaaknummer: C/15/375283 / JU RK 26-336

Datum uitspraak: 29 april 2026

Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

de Raad voor de Kinderbescherming

hierna te noemen: de Raad,

gevestigd te Haarlem,

over

[de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,

hierna te noemen [de minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen de moeder,

wonende te [plaats] ,

advocaat: mr. L.T.C.M. Geurts, kantoorhoudende te Den Haag.

De kinderrechter merkt als informanten aan:

De gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Regio Amsterdam,

hierna te noemen: de GI.

[de vader] ,

hierna te noemen: de vader,

wonende te [plaats] .

1. Het verloop van de procedure

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

het verzoekschrift met bijlagen, gedateerd 3 maart 2026, ontvangen op 4 maart 2026;

de onderbouwing van het spoedverzoek van de Raad gedateerd 4 maart 2026;

de raadsbrief van 6 maart 2026;

de brief van advocaat van moeder van 9 april 2026 met bijlagen;

het aanvullende (brief)rapport van de Raad met bijlagen, gedateerd 24 april 2026, ontvangen op 28 april 2026.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 29 april 2026. Daarbij waren aanwezig:

de moeder en haar advocaat, mr. E.H. van de Gein (waarnemend namens mr. L.T.C.M. Geurts);

de vader;

de Raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] ;

de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] .

2. De feiten

De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 3 maart 2026 [de minderjarige]

voorlopig onder toezicht gesteld tot 3 juni 2026.

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 3 maart 2026 tevens

een spoedmachtiging verleend [de minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een

voorziening voor pleegzorg tot 31 maart 2026. Deze machtiging is verlengd en duurt voort tot 3 mei 2026.

[de minderjarige] verblijft op basis van bovengenoemde machtiging in een (crisis)pleeggezin.

3. De verdere beoordeling

beschikking van 11 maart 2026

Bij beschikkingen van de kinderrechter van 3 en 11 maart 2026 is het verzoek van de Raad tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg toegewezen voor de duur van twee maanden (tot 3 mei 2026) en is de beslissing op het overig verzochte aangehouden.

De kinderrechter heeft hierbij overwogen dat een uithuisplaatsing een ingrijpende maatregel is en dat [de minderjarige] nog erg jong is. De kinderrechter hoopt dat met een kortere duur er eerder duidelijkheid komt of, en zo ja op welke manier, het mogelijk is voor [de minderjarige] om weer bij de moeder te wonen. Hiervoor moet zicht komen op de thuissituatie bij de moeder, middels stevige hulpverlening. Ook moet het contact tussen [de minderjarige] en de moeder opgestart worden en moet daarvoor een gedegen veiligheidsplan opgesteld worden. Het is van belang dat de moeder zich gaat inzetten voor de hulpverlening en zich open gaat stellen voor de instanties, zodat zicht komt op de opvoedvaardigheden van de moeder en de veiligheid van [de minderjarige] in de thuissituatie bij de moeder.

nadere informatie en standpunt van De Raad

De Raad verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De Raad heeft het verzoek als volgt toegelicht.

Het is tot op heden (nog) niet gelukt om tot samenwerking met moeder te komen waardoor bij moeder thuis de spoedhulp nog niet is ingezet en het contact tussen [de minderjarige] en moeder nog niet is opgestart. Er is daardoor ook geen zicht op moeders opvoedvaardigheden en de veiligheid van [de minderjarige] in de thuissituatie bij moeder. Om zicht te krijgen op de mogelijkheden voor een terugplaatsing van [de minderjarige] bij de moeder is voor de betrokken instanties daarom meer tijd nodig.

Gebleken is dat [de minderjarige] tot uiterlijk 8 mei 2026 bij het huidige crisispleeggezin kan blijven en de Raad vindt het niet in het belang van [de minderjarige] als hij van crisispleeggezin zou moeten wisselen. Gelet op het feit dat de onderlinge relatie tussen de vader en [de minderjarige] er positief uit ziet en [de minderjarige] de wens heeft uitgesproken dat hij bij de vader wil wonen, is de Raad tot de conclusie gekomen dat er, in samenspraak met de vader en de hulpverlening, toegewerkt wordt naar een plaatsing bij de vader per 8 mei 2026 voor de resterende duur van de ondertoezichtstelling. Het is van belang dat de vader daarbij hulp ontvangt van de opvoedondersteuning.

Ter zitting heeft de Raad hieraan toegevoegd dat er inmiddels een screening van de situatie bij de vader thuis heeft plaatsgevonden en dat daaruit geen bezwaren naar voren zijn gekomen om [de minderjarige] bij hem te plaatsen. Zowel [de minderjarige] als de vader stemmen hiermee in. Het verzoek tot machtiging tot uithuisplaatsing wordt daarom gewijzigd naar een (crisis)plaatsing in een voorziening voor pleegzorg tot en met 7 mei 2026 en daaropvolgend in een plaatsing in een netwerkpleeggezin (bij de vader) tot 3 juni 2026.

Daarnaast heeft de Raad aangegeven dat het nog steeds niet is gelukt om in contact met de moeder te komen. Het is of niet mogelijk om met haar in contact te komen of afspraken worden door haar afgezegd of verplaatst.

nadere informatie van de GI

Namens de GI is ter zitting hieraan toegevoegd dat de zus van [de minderjarige] begeleiding krijgt via de Jeugd- en Gezinsbeschermers en dat deze instantie beter op de hoogte is van de situatie binnen het gezin dan de huidige GI.

Als [de minderjarige] bij de vader wordt geplaatst zal er Intensieve Ambulante Gezinsbegeleiding (IAGB) worden ingezet. De vader heeft momenteel ook begeleiding via een coach.

standpunt van de moeder

Namens en door de moeder is ter zitting naar voren gebracht dat zij het niet eens is met het verzoek van de Raad.

Primair heeft zij verzocht om [de minderjarige] bij haar terug te plaatsen. Zij kan goed voor [de minderjarige] zorgen en zij heeft een ondersteunend netwerk. Er is geen bewijs dat er bij haar thuis sprake is van een bedreigende situatie voor de ontwikkeling van [de minderjarige] . Op school worden leugens verteld en het klopt niet dat [de minderjarige] door haar is geslagen. Daarbij is het onwenselijk dat [de minderjarige] bij de vader wordt geplaatst omdat er nare dingen bij hem zijn gebeurd, waarvoor aangifte is gedaan.

Subsidiair heeft zij verzocht om [de minderjarige] bij een vriendin van haar te plaatsen. Zij kent [de minderjarige] goed en is volledig op de hoogte van zijn (medische) situatie.

Daarnaast heeft de moeder aangegeven dat het niet klopt dat zij niet meewerkt met de Raad en de GI. Ook heeft zij verzocht om een wijziging van jeugdbeschermer en wijziging van het pleeggezin waar [de minderjarige] nu verblijft, omdat daar niet goed voor hem wordt gezorgd.

standpunt van de vader

De vader heeft ter zitting aangegeven dat hij zich kan vinden in het verzoek van de Raad. Hij vindt het goed dat [de minderjarige] tot het einde van de ondertoezichtstelling bij hem verblijft en hij heeft ervoor gezorgd dat hij alles voor hem kan regelen en faciliteren (zoals onder andere school, muziekles, zwemmen en doktersbezoek).

overwegingen kinderrechter

Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding.

De kinderrechter overweegt dat er al langere tijd zorgen bestaan over [de minderjarige] . De school maakt zich zorgen over het welzijn en de thuissituatie van [de minderjarige] en over zijn schoolgang, voeding en gedrag. Communicatie daarover met de moeder is vrijwel onmogelijk gebleken. De school heeft melding gedaan bij Leerplicht en Veilig Thuis maar beide instanties is het niet gelukt om in contact te komen met de moeder. Op 3 maart 2026 heeft [de minderjarige] (opnieuw) op school verteld dat hij geslagen is door de moeder en daarom is besloten om [de minderjarige] onder toezicht te stellen voor een periode van drie maanden en hem uit huis te plaatsen. Omdat [de minderjarige] nog erg jong is en een uithuisplaatsing erg ingrijpend is, is de periode van de uithuisplaatsing op twee maanden bepaald zodat er snel zicht kan komen op de situatie bij de moeder thuis en er een plan kan worden opgesteld om [de minderjarige] weer thuis te laten wonen. Wederom is het de Raad en de GI de afgelopen periode niet gelukt om in contact te komen met de moeder. Ook heeft er nog geen contactmoment tussen de moeder en [de minderjarige] plaatsgevonden, omdat de moeder dit heeft afgezegd.

De moeder heeft ter zitting de zorgen en de kindermishandeling ontkend. Zij stelt

dat de informatie van de Raad onjuist is en dat zij goed voor [de minderjarige] zorgt. Ook ontkent zij dat

zij het contact met de Raad en de GI afhoudt. Dat neemt niet weg dat het tot op heden niet is gelukt om afspraken met de moeder te maken en zicht op de thuissituatie en de omgang met [de minderjarige] te krijgen, ondanks dat de kinderrechter de moeder hierop de vorige zitting nadrukkelijk heeft gewezen. Dit brengt met zich mee dat de langdurig zorgen

over het welzijn en de veiligheid van [de minderjarige] die vanuit diverse kanten worden geuit, nog niet zijn weggenomen.

De kinderrechter is van oordeel dat het noodzakelijk is dat

de acute veiligheid van [de minderjarige] geborgd wordt. Daarvoor zijn het gedwongen kader en de

machtiging tot uithuisplaatsing op dit moment nodig. Nu gebleken is dat het niet mogelijk is dat [de minderjarige] langer in het pleeggezin verblijft, is het voor [de minderjarige] de meest gunstige optie dat hij met ingang van 8 mei 2026 voor de resterende duur van de ondertoezichtstelling bij zijn vader gaat wonen. Er is sprake van een goede onderlinge relatie tussen [de minderjarige] en zijn vader en [de minderjarige] heeft aangegeven dat hij graag bij zijn vader wil wonen. Inmiddels is uit de screening gebleken dat de vader hem een veilige en geschikte plek kan bieden. Om vader te ondersteunen in de zorg voor [de minderjarige] , is door de GI begeleiding (IAGB) ingezet.

De machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] is daarom nog steeds nodig. De

kinderrechter wijst het resterende deel van het verzoek tot machtiging tot uithuisplaatsing toe tot het einde van de ondertoezichtstelling (op 3 juni 2026).

De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

4. De beslissing

De kinderrechter:

verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg en aansluitend in een netwerkpleeggezin (bij zijn biologische vader, [de vader] ) tot 3 juni 2026;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2026 door mr. G.D. de Jong, kinderrechter, in aanwezigheid van B.H.E. Zuidam als griffier, en op schrift gesteld op 12 mei 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand