ECLI:NL:RBNHO:2026:5721

ECLI:NL:RBNHO:2026:5721

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 07-05-2026
Datum publicatie 21-05-2026
Zaaknummer 15/220386-25; 15-006166-26 (gev. ttz); 15/006196-26 (gev. ttz) en 15/254196-24 (tul)
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig

Samenvatting

Vrijspraak voorbereiding ontploffing: DNA op verplaatsbare goederen aangetroffen, maar geen bewijs voor wetenschap/opzet. Bewezenverklaring medeplegen poging tot zware mishandeling, waarbij ook opzet op het steken door mededader bewezen. Ook veroordeling straatroof gepleegd door een groep jongens; het slachtoffer (15-jarig meisje) is achtervolgd, geslagen, bedreigd en bestolen. Verdachte had naar oordeel van de Rb. daarbij leidende rol. BP vorderingen toegewezen. Div. strafverhogende factoren. Straf: GV 17 mnd, wv 5 vw met bijz vw (dut), 38v maatregel (dut). Afwijzing vorderingen gevangenneming in gevoegde zaken.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Alkmaar

Meervoudige strafkamer

Parketnummers: 15/220386-25; 15-006166-26 (gev. ttz); 15/006196-26 (gev. ttz) en 15/254196-24 (tul) (P)

Uitspraakdatum: 7 mei 2026

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 23 april 2026 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2006 te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres 1]

,

nu gedetineerd in [P.I.] .

De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd.

De zaak met parketnummer 15/006196-26 wordt hierna aangeduid als zaak A.

De zaak met parketnummer 15/220386-25 wordt hierna aangeduid als zaak B.

De zaak met parketnummer 15/006166-26 wordt hierna aangeduid als zaak C.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. M. Lenderink en van wat de verdachte en zijn raadsvrouw mr. D.E. de Boer, advocaat te Heerhugowaard, naar voren hebben gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan de verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging (in zaken A en C) ten laste gelegd dat:

zaak A

primair

hij in of omstreeks de periode van 12 april 2025 tot en met 13 april 2025 te Alkmaar tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen

- een of meerdere malen met een mes, althans een scherp voorwerp in zijn been heeft/hebben gestoken en/of

- een of meerdere malen op/tegen zijn hoofd en/of lichaam van die [slachtoffer 1] heeft/hebben geslagen en/of getrapt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair

hij in of omstreeks de periode van 12 april 2025 tot en met 13 april 2025 te Alkmaar op de Laan van Bergama, in elk geval openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer personen, te weten [slachtoffer 1] , welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit

- een of meerdere malen met een mes, althans een scherp voorwerp in zijn been te steken en/of

- het een of meerdere malen op/tegen het hoofd en/of het lichaam te slaan en/of te trappen;

zaak B

hij op of omstreeks 12 mei 2025 te Alkmaar tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een Iphone en/of airpods en/of een of meerdere sieraden en/of een tas met inhoud, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door haar stevig vast te pakken en/of te roepen: "Barkie, sla haar, Barkie sla haar" en/of haar een of meerdere malen op haar hoofd te slaan en/of haar telefoon en/of haar tas af te pakken en/of haar sieraden van haar nek en/of pols af te trekken en/of haar airpods en/of ring uit haar jas te halen en/of dreigend te zeggen: "Als je aangifte doet gooi ik je in de kliko en sla ik je dood";

zaak C

hij op of omstreeks 16 mei 2025 te Alkmaar, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en) ter voorbereiding van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten het medeplegen van het opzettelijk teweeg brengen van een explosie en/of het stichten van brand bij of in de woning gelegen aan de [adres 2] terwijl daar levensgevaar en/of gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel van anderen te duchten is, opzettelijk voorwerpen, te weten

- een baksteen en/of

- een Vuurwerk Brandstof Combinatie (VBC), bestaande uit een fles met benzine, althans een brandbare en/of snel ontvlambare (vloei)stof, met daaraan bevestigd een cobra, althans zwaar vuurwerk, en/of

- gezichtsbedekkende kleding en/of

- een aansteker

heeft/hebben verworven en/of voorhanden heeft/hebben gehad.

2. Voorvragen

De dagvaardingen zijn geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de zaken, de officier van justitie is ontvankelijk en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

3. Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle (primair) ten laste gelegde feiten.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van de verdachte heeft in zaak A integrale vrijspraak bepleit. Volgens de raadsvrouw is er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs dat de verdachte één van de daders is geweest. De raadsvrouw heeft er daarnaast op gewezen dat uit de telefoongegevens van de verdachte blijkt dat hij zich op het moment van de mishandeling niet op de plaats delict bevond en dat deze locatiegegevens steun bieden aan de verklaring van de verdachte dat hij toen ergens anders was. Subsidiair heeft de raadsvrouw betoogd dat de verdachte partieel moet worden vrijgesproken van de steekhandeling, omdat voor deze handeling al een persoon is veroordeeld zonder dat het medeplegen deel uitmaakte van die bewezenverklaring. En voor zover de rechtbank dit anders zou zien, kan het opzet van de tweede dader op deze steekhandeling niet worden bewezen, aldus de raadsvrouw.

Ook in zaak C heeft de raadsvrouw vrijspraak bepleit, omdat niet bewezen kan worden dat de verdachte opzet had op de ten laste gelegde voorbereidingshandelingen. In zaak B heeft de raadsvrouw zich met betrekking tot het bewijs gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

Vrijspraak zaak C

Naar het oordeel van de rechtbank is niet bewezen wat de verdachte in zaak C ten laste is gelegd (voorbereiding van het veroorzaken van een explosie bij een woning), zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken.

Het DNA-materiaal van de verdachte dat in de nabijheid van de woning aan de [adres 2] is aangetroffen op een rugzak, een baksteen en op de tape die om een colafles met benzine was gewikkeld, vormt het enige aanknopingspunt dat de verdachte als dader betrokken zou zijn geweest bij het ten laste gelegde. Hoewel deze DNA-sporen sterke aanwijzingen vormen voor de betrokkenheid van de verdachte bij het voorbereiden van het veroorzaken van een ontploffing, brengen zij niet zonder meer wetenschap bij de verdachte mee van het plan om een explosief bij de desbetreffende woning te plaatsen. De voorwerpen waarop DNA van de verdachte zijn aangetroffen, zijn verplaatsbare objecten. Niet kan worden uitgesloten dat anderen de voorwerpen hebben gebruikt voor de tenlastegelegde voorbereiding van het teweegbrengen van een ontploffing, zonder dat de verdachte wist wat anderen met deze voorwerpen zouden gaan doen. Ook voor het overige bevat het dossier naar het oordeel van de rechtbank geen aanknopingspunten voor deze wetenschap bij de verdachte. De rechtbank kan dan ook niet vaststellen dat de verdachte wist van en opzet had op het veroorzaken van een explosie bij die woning.

Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de in zaak A primair en zaak B ten laste gelegde feiten op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vermeld.

Bewijsmotivering zaak A primair

Feiten en omstandigheden

De aangever [slachtoffer 1] is op 12 april 2025 rond middernacht op straat in Alkmaar door twee personen geslagen en geschopt, en ook heeft één van de daders hem meerdere keren met een mes gestoken. Medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) is bij vonnis van deze rechtbank van 5 februari 2026 (ECLI:NL:RBNHO:2026:3069) veroordeeld, waarbij bewezen is verklaard dat hij degene is geweest die [slachtoffer 1] toen heeft gestoken.

Betrokkenheid verdachte

Over de betrokkenheid van de verdachte stelt de rechtbank op basis van de bewijsmiddelen het volgende vast.

In de telefoon van [medeverdachte] zijn video’s van die bewuste dag aangetroffen waarop hij en een andere persoon te zien zijn. De verbalisant heeft deze andere persoon op onder meer video’s 3 en 6 herkend als de verdachte en heeft beschreven dat hij een grijs vest, een lichtgrijze broek en zwarte schoenen met grijze lijnen draagt. Video 5 toont [medeverdachte] die een scooter bestuurt en een passagier achterop heeft, welke passagier donkere dikke wenkbrauwen heeft en een zwarte bivakmuts, een zwarte helm met omhoog geklapt doorzichtig vizier, grijze muts/capuchon en een zwarte jas draagt. De verdachte heeft verklaard dat hij die dag samen met [medeverdachte] was, ’s avonds bij hem achterop de scooter naar de sportschool is gereden en dat hij zichzelf herkent op de video’s 5 en 6.

Op video 7 is de mishandeling van de aangever te zien en de signalementen van de twee daders zijn in het dossier beschreven. Uit de bewijsmiddelen volgt dat dader ‘NN1’ [medeverdachte] is. Bij het signalement van dader ‘NN2’ staat onder meer: donkere dikke wenkbrauwen, zwarte gezichtsbedekking over onderste helft van gezicht, zwarte helm met omhoog geklapt doorzichtig vizier, zwarte jas, grijs vest/hoodie, lichtgrijze sportbroek en zwarte schoenen met grijze lijnen en een wit label op de hiel.

De rechtbank concludeert allereerst dat de beschrijvingen van de verdachte in de video’s 3, 5 en 6 overeenkomen met de beschrijving van dader NN2 in video 7, waarbij de rechtbank de combinatie van de grijze capuchon/hoodie, de lichtgrijze sportbroek en de zwarte schoenen met grijze lijnen en een wit label op de hiel, kenmerkend en onderscheidend vindt.

Daarnaast vindt de rechtbank redengevend voor de betrokkenheid van de verdachte dat hij voorafgaand aan de mishandeling contact had met [medeverdachte] over – kennelijk – het slachtoffer. Uit onderzoek aan de telefoon van [medeverdachte] is gebleken dat deze telefoon regelmatig contact had met het nummer: [nummer] . Dit nummer is gekoppeld aan de volgende accounts: Snapchat: ‘ [accounts] De verdachte heeft verklaard dat hij de gebruiker is van deze accounts. Uit de chats blijkt dat de verdachte een dag vóór het incident op verzoek van [medeverdachte] aan hem een foto van ‘die [slachtoffer 1]’ heeft gestuurd, dat het adres van de aangever wordt gedeeld en dat [medeverdachte] op 12 april aan de verdachte heeft voorgesteld een video naar ‘ [slachtoffer 1] ’ te sturen met de tekst: ‘soon ga je deze eten kk choller’, waarop de verdachte ‘ja’ antwoordt. Uit onderzoek naar de telefoon van de aangever blijkt dat hij die dag een video heeft ontvangen van ‘ [naam] ’ waarin is te zien dat met een vuurwapen wordt geschoten, met de tekst ‘Deze ga je soon eten kk bledder’. Deze video is ook (zonder de tekst) teruggevonden in de telefoon van [medeverdachte] . Bovendien heeft de aangever direct na te zijn mishandeld, een bericht verstuurd dat ‘die [naam] en die [naam] ’ erachter zitten. De rechtbank begrijpt uit dit laatste dat de aangever weliswaar tegenover de politie niet heeft willen verklaren over de identiteit van de daders, maar dat hij die informatie wel met personen in zijn eigen netwerk heeft gedeeld. De verklaring van de verdachte op de zitting dat hij [slachtoffer 1] niet kent schuift de rechtbank gelet op het voorgaande als volstrekt ongeloofwaardig terzijde.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouw dat de locatiegegevens van de telefoon van de verdachte een contra-indicatie voor zijn betrokkenheid zouden zijn omdat zijn telefoon om 23:42 uur een Cell-ID in Broek op Langedijk heeft aangestraald. Immers, is daarbij een tijdsduur van 4596 seconden (76 minuten en 36 seconden) vermeld, wat (enkel) betekent dat op enig moment tussen 23:42 uur en ruim 76 minuten later, dus 00:59 uur, internetcontact is geweest met die Cell-ID (zie toelichting internetcontacten, dossierpagina 241). Nu niet bekend is vanaf welk moment de telefoon verbinding maakte met de mast, kan op basis van deze gegevens niet worden vastgesteld waar de telefoon zich op het moment van de steekpartij bevond. Dit brengt met zich mee dat het dossier geen steun biedt voor de verklaring van de verdachte dat hij na de sportschool niet meer met [medeverdachte] was. Gelet op al het voorgaande is deze verklaring, die de verdachte overigens pas op de zitting heeft afgelegd, naar het oordeel van de rechtbank dan ook ongeloofwaardig.

Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat de verdachte één van de daders was die de aangever hebben mishandeld door hem te steken, te slaan en te schoppen.

En hoewel het [medeverdachte] is geweest die de aangever heeft gestoken, acht de rechtbank ook het medeplegen van die gedraging bewezen. De rechtbank betrekt hierbij dat de verdachte diverse uitlatingen heeft gedaan, waaruit blijkt dat hij en [medeverdachte] uit waren op een gewapend treffen met aangever. Ook is op een video die is aangetroffen op de telefoon van [medeverdachte] (video 1) te zien dat [medeverdachte] op de bewuste dag in het bijzijn van de verdachte een hoes op zijn rug draagt, met daarin een voorwerp dat gelijkenissen vertoond met messen die te zien zijn in een andere video op zijn telefoon (video 14). Die video 14 was eerder die dag via het account van de verdachte, ‘ [account] ’, aan [medeverdachte] verstuurd. Op grond van de voornoemde omstandigheden waarbij de verdachte voorafgaand contact met de mededader heeft gehad over de aangever, met zijn instemming een ‘dreigvideo’ is verstuurd en de verdachte wist van de aanwezigheid van (een) mes(sen) op de bewuste dag, is de rechtbank van oordeel dat (in ieder geval voorwaardelijk) opzet op de steekhandeling kan worden bewezen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, in die zin dat:

zaak A (primair)

hij in de periode van 12 april 2025 tot en met 13 april 2025 te Alkmaar tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen

meerdere malen met een mes, in zijn been heeft gestoken en meerdere malen tegen zijn hoofd en lichaam van die [slachtoffer 1] heeft geslagen en getrapt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

zaak B

hij op 12 mei 2025 te Alkmaar tezamen en in vereniging met een ander, een Iphone en airpods en sieraden die aan [slachtoffer 2] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door haar stevig vast te pakken en te roepen: "Barkie, sla haar, Barkie sla haar" en haar een of meerdere malen op haar hoofd te slaan en haar telefoon en haar tas af te pakken en haar sieraden van haar nek en pols af te trekken en haar airpods en ring uit haar jas te halen en dreigend te zeggen: "Als je aangifte doet gooi ik je in de kliko en sla ik je dood".

Wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

zaak A: medeplegen van een poging tot zware mishandeling

zaak B: diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.

5. Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

6. Motivering van de sanctie

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Daarbij heeft de officier van justitie gevorderd aan het voorwaardelijk deel de bijzondere voorwaarden te verbinden zoals geadviseerd door de reclassering, aangevuld met een locatieverbod voor de stad Alkmaar en een contactverbod met [medeverdachte] en de slachtoffers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Zij heeft verder gevorderd deze bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd voornoemde locatie- en contactverboden tevens op te leggen als een vrijheidsbeperkende maatregel in de zin van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (Sr) voor de duur van twee jaar. De officier van justitie heeft gevorderd deze maatregel ook dadelijk uitvoerbaar te verklaren en te bepalen dat bij iedere overtreding van deze maatregel telkens vervangende hechtenis voor de duur van zeven dagen wordt toegepast met een maximum van zes maanden. Tot slot heeft de officier van justitie de gevangenneming van de verdachte gevorderd voor de zaken A en C.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht om bij bewezenverklaring de verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf waarbij het onvoorwaardelijke deel gelijk zal zijn aan het totaal van de reeds in voorarrest doorgebrachte tijd en – vooruitlopend op een toewijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging – de eerder voorwaardelijk opgelegde 121 dagen jeugddetentie. In dat geval zou de verdachte ook bij toewijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging op de dag van de uitspraak in vrijheid worden gesteld. De raadsvrouw heeft verzocht om aan het voorwaardelijke deel de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering te verbinden. Ten aanzien van de gevorderde locatie- en contactverboden heeft de raadsvrouw zich gerefereerd.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek op de zitting is gebleken.

Ernst van de feiten

De verdachte heeft zich in een korte periode schuldig gemaakt aan twee ernstige strafbare feiten. In de nacht van 12 april 2025 heeft de verdachte zich samen met de mededader schuldig gemaakt aan de poging tot zware mishandeling van [slachtoffer 1] . De verdachte en de mededader hebben het slachtoffer geslagen en getrapt, waaronder tegen zijn hoofd. De mededader heeft de verdachte ook in zijn been gestoken. Eén van de steekwonden op het been van het slachtoffer was zodanig diep dat de spier was beschadigd. Dat het slachtoffer geen zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen is een gelukkige omstandigheid die niet aan de verdachte te danken is. Het trappen tegen het hoofd en het steken met een mes zijn geweldshandelingen die ernstige consequenties kunnen hebben. Uit de vordering tot schadevergoeding van het slachtoffer blijkt dat het handelen van de verdachte en zijn mededader zeer angstig en bedreigend voor het toen nog minderjarige slachtoffer is geweest. Hij voelt zich sindsdien minder veilig op straat en ervaart spanningsklachten.

Een maand later is een meisje van 15 jaar slachtoffer geworden van een straatroof gepleegd door een groep jongens. Uit het dossier blijkt dat de verdachte hierin een leidende rol heeft gespeeld. Het slachtoffer is door de verdachte en de mededaders achtervolgd, geslagen, bedreigd en bestolen. De verdachte heeft, terwijl het slachtoffer op de fiets met haar vriend belde, haar telefoon uit de houder gepakt en is bij haar achterop de fiets gesprongen. Deze situatie, die ongeveer 45 minuten heeft geduurd, is voor het slachtoffer zeer beangstigend geweest. Uit de toelichting op haar schadevergoedingsvordering blijkt ook welke impact dit op haar heeft gehad.

Met hun handelen hebben de verdachte en de mededaders een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van de slachtoffers en hen ook financiële schade toegebracht. De rechtbank kan niet anders dan concluderen dat de verdachte en de mededaders geen enkel moment hebben stilgestaan bij de mogelijke gevolgen daarvan voor de slachtoffers. De rechtbank rekent dit de verdachte zeer aan. Daar komt bij dat dit soort geweldsdelicten zorgen voor onrust en gevoelens van onveiligheid in de samenleving, te meer omdat deze onderdeel lijken te zijn van gewelddadige acties van twee rivaliserende jeugdige groepen. Het gemak waarmee de verdachte tot gewelddadig gedrag overgaat is verontrustend.

Persoon van de verdachte

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gekeken naar het strafblad van de verdachte (het Uittreksel Justitiële Documentatie van 12 maart 2026). Hieruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor een straatroof en mishandeling en dat de bewezenverklaarde feiten bovendien zijn gepleegd tijdens een lopende proeftijd. Dit weegt de rechtbank in het nadeel van de verdachte mee.

Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport van de reclassering van 14 april 2026. In het rapport komt naar voren dat er risico verhogende factoren kunnen zijn in het sociaal netwerk en psychosociaal functioneren van de verdachte, waarbij bij het laatste moet worden gedacht aan het maken van verkeerde keuzes en het onvoldoende nadenken over zijn handelen en de gevolgen ervan. De verdachte heeft de bewezenverklaarde feiten gepleegd in Alkmaar, ondanks dat hij een locatieverbod had voor Alkmaar. Als beschermende factoren ziet de reclassering de begeleiding vanuit Boba, autisme-zorg, en de betrokkenheid van zijn moeder. Het risico op recidive wordt als gemiddeld ingeschat. Ten aanzien van het risico op onttrekken aan voorwaarden, wordt opgemerkt dat de verdachte zich gedurende de proeftijd dus niet heeft gehouden aan het locatieverbod voor Alkmaar en hij zich ook enige tijd zou hebben onttrokken aan het toezicht bij de jeugdreclassering

Geadviseerd wordt het volwassenenstrafrecht toe te passen en bij een veroordeling een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met de volgende bijzondere voorwaarden:

een meldplicht bij de reclassering;

verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang;

dagbesteding;

en het blijven meewerken aan de begeleiding vanuit de autisme coach van Boba.

Op te leggen straf

De rechtbank is van oordeel dat de ernst van de bewezenverklaarde feiten en de impact daarvan op de slachtoffers, in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur rechtvaardigt. Bij het bepalen van de op te leggen straf gaat de rechtbank uit van de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). De rechtbank neemt in zaak A als vertrekpunt het oriëntatiepunt voor zware mishandeling, in de categorie ‘opzettelijk toebrengen van middelzwaar lichamelijk letsel met behulp van een wapen’, te weten een gevangenisstraf van zeven maanden. Omdat sprake is van een poging wordt uitgegaan van de oplegging van twee derde deel van de straf die bij een voltooid delict wordt opgelegd. In strafverzwarende zin weegt de rechtbank echter mee dat uit het dossier het beeld naar voren komt van een geplande actie en dat sprake is van medeplegen, naast de al genoemde recidive.

In zaak B neemt de rechtbank als uitgangspunt het oriëntatiepunt voor een straatroof met licht geweld of verbale bedreiging, met recidive. Dit komt neer op een gevangenisstraf van acht maanden. De rechtbank weegt als strafverzwarende omstandigheden mee dat sprake was van meerdere daders jegens een zeer jong slachtoffer, waarbij de verdachte een aansturende rol had en dat de situatie bijna 45 minuten heeft geduurd.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat aan de verdachte een gevangenisstraf van zeventien maanden dient te worden opgelegd. De rechtbank zal echter bepalen dat een gedeelte daarvan, vijf maanden, vooralsnog niet ten uitvoer wordt gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaar, zodat de verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit. Aan die voorwaardelijke straf zal de rechtbank de geadviseerde bijzondere voorwaarden verbinden, en ook de gevorderde locatie- en contactverboden.

Dadelijke uitvoerbaarheid

De rechtbank ziet ook aanleiding om de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren. Zonder een beschermend kader van bijzondere voorwaarden moet er ernstig rekening mee worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De rechtbank baseert dit op de omstandigheden dat de verdachte kennelijk deel uitmaakt van een van de rivaliserende jeugdgroepen in Alkmaar, waarbij de verdachte ook het tijdens de proeftijd geldende locatieverbod voor Alkmaar heeft overtreden en in die proeftijd opnieuw ernstige strafbare feiten heeft begaan. Daarom beveelt de rechtbank dat de aan de voorwaardelijke veroordeling te verbinden bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn.

Voorlopige hechtenis: vorderingen tot gevangenneming

De verdachte bevindt zich in voorlopige hechtenis in verband met zaak B. De officier van justitie heeft in aanvulling daarop op de zitting (mondeling) de gevangenneming van de verdachte in de zaken A en C gevorderd. Nu de rechtbank de verdachte bij onderhavig vonnis in zaak C heeft vrijgesproken, is de gevangenneming ten aanzien van die zaak reeds daarom niet aan de orde. Ten aanzien van zaak A zal de rechtbank de vordering tot gevangenneming afwijzen, nu het belang daarvan onvoldoende is gebleken en ook op geen enkele wijze door de officier van justitie is onderbouwd.

7. Vrijheidsbeperkende maatregel: locatie- en contactverboden

De rechtbank zal aan de verdachte gedurende twee jaren een maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid ex artikel 38v Sr opleggen, ter voorkoming van strafbare feiten en ter beveiliging van de maatschappij. Oplegging van deze maatregel is naar het oordeel van de rechtbank ter voorkoming van strafbare feiten passend en geboden.

Deze maatregel houdt in:

- een locatieverbod, inhoudende dat de verdachte zich niet bevindt in de stad Alkmaar;

- contactverbod, inhoudende dat de verdachte op geen enkele wijze – direct of indirect – contact mag opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer 1] , geboren [geboortedatum] te [geboorteplaats] ;

- een contactverbod, inhoudende dat de verdachte op geen enkele wijze – direct of indirect – contact mag opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer 2] , geboren [geboortedatum] te [geboorteplaats] ;

- een contactverbod, inhoudende dat de verdachte op geen enkele wijze – direct of indirect – contact mag opnemen, zoeken of hebben met [medeverdachte] , geboren [geboortedatum] te [geboorteplaats] .

Voor iedere keer dat de verdachte een van deze verboden overtreedt, zal vervangende hechtenis van zeven dagen worden toegepast, tot een maximum van zes maanden.

Dadelijke uitvoerbaarheid maatregel

Gelet op de omstandigheid dat de strafbare feiten waarvoor de verdachte bij onderhavig vonnis is veroordeeld zijn gepleegd in Alkmaar terwijl de verdachte in een proeftijd liep en een locatieverbod voor Alkmaar had, moet er ernstig rekening mee worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen en/of zich belastend zal gedragen jegens een bepaalde persoon of bepaalde personen. Om die reden beveelt de rechtbank, gelet op artikel 38v, vierde lid Sr, dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is.

8. Vorderingen benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregel

Vordering benadeelde partij [slachtoffer 1]

Namens de benadeelde partij [slachtoffer 1] is een vordering tot schadevergoeding van € 4.001,50 ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade (smartengeld) die hij als gevolg van het in zaak A ten laste gelegde feit zou hebben geleden, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag. De materiële schade bestaat uit beschadigde/verloren kledingstukken, te weten een jas (€ 400,00), een pet (€ 25,00) en een broek (€ 76,50). Aan smartengeld is een bedrag van € 3.500,00 gevorderd.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering kan worden toegewezen. Het toe te wijzen bedrag moet worden vermeerderd met de wettelijke rente en ook de schadevergoedingsmaatregel dient te worden opgelegd, waarbij de verdachte en de medeverdachte hoofdelijk aansprakelijk zijn.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft gelet op de bepleite vrijspraak primair verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren. Ook subsidiair heeft de raadsvrouw niet-ontvankelijkheid bepleit, omdat de rechtbank al bij vonnis in de zaak van de medeverdachte op deze vordering heeft beslist zonder oplegging van hoofdelijke aansprakelijkheid. Nu de vordering van de benadeelde partij in die zaak al (gedeeltelijk) is toegewezen, heeft de benadeelde partij geen belang meer bij de onderhavige vordering, aldus de raadsvrouw. Meer subsidiair heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat de vordering met betrekking tot de jas kennelijk inhoudelijk is aangepast, waardoor nu opnieuw vergoeding wordt gevorderd voor een post waarop al is beslist. Reden waarom de raadsvrouw heeft verzocht om bij toewijzing aan te sluiten bij het eerder toegewezen bedrag van (totaal) € 2.601,50.

Oordeel van de rechtbank

Uit de op de zitting gegeven toelichting op de vordering blijkt dat de beslissing van de rechtbank op de vordering van de benadeelde partij in de zaak van de medeverdachte nog niet heeft geleid tot vergoeding van (enige) schade. De benadeelde partij kan daarom in zijn vordering worden ontvangen.

Materiële schade

Ook is op de zitting toegelicht dat de benadeelde partij in de zaak van de medeverdachte in het deel van de vordering met betrekking tot de (door de politie in beslag genomen) jas niet-ontvankelijk was verklaard, omdat de staat daarvan toen niet duidelijk was. In de onderhavige zaak heeft de benadeelde partij foto’s van de jas overgelegd. Hieruit blijkt duidelijk dat de jas beschadigd is. De rechtbank is van oordeel dat daarmee de materiële schade van € 501,50 voldoende is aangetoond en bovendien rechtstreeks voortvloeit uit het bewezen verklaarde feit. De rechtbank zal deze daarom geheel toewijzen.

Immateriële schade

Voor vergoeding van de gestelde immateriële schade bestaat een wettelijke grondslag omdat sprake is van lichamelijk letsel (artikel 6:106 onder b van het Burgerlijk Wetboek (BW)).

Uit de toelichting op de vordering blijkt dat de benadeelde partij een 12 centimeter lange steekwond heeft opgelopen die zo diep was dat zijn weke delen zijn beschadigd. Er is nog een groot en ontsierend litteken zichtbaar, waarbij ook sprake is van gevoelloosheid. Daarnaast zijn door het voorval gevoelens van angst en onveiligheid bij het indertijd nog maar zeventienjarige slachtoffer ontstaan. Gelet op de aard en ernst van het feit en de Rotterdamse schaal, komt de rechtbank een vergoeding van de immateriële schade tot een bedrag van € 2.500,00 billijk voor. De rechtbank verklaart de benadeelde partij voor het overige deel niet-ontvankelijk. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering desgewenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Conclusie

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] zal hoofdelijk worden toegewezen tot een bedrag van € 3.001,50, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 13 april 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.

Ook moet de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: medeplegen van een poging tot zware mishandeling] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f Sr op te leggen.

Vordering benadeelde partij [slachtoffer 2]

Namens de benadeelde partij [slachtoffer 2] is een vordering tot schadevergoeding van € 3.269,00 ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade (smartengeld) die zij als gevolg van het in zaak B ten laste gelegde feit zou hebben geleden, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde schade bestaat uit gestolen airpods (€ 149,00), een bedrag dat met haar pinpas is gepind (€ 10,00), een gestolen gouden ketting (€ 275,00) en gemaakte kosten in verband met EMDR therapie (€ 335,00). Aan smartengeld is een bedrag van € 2.500,00 gevorderd.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering kan worden toegewezen. Het toe te wijzen bedrag moet worden vermeerderd met de wettelijke rente en ook de schadevergoedingsmaatregel dient te worden opgelegd, waarbij de verdachte en de medeverdachte hoofdelijk aansprakelijk zijn.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft de gevorderde materiële schade deels betwist en bepleit dat de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk is. Volgens de raadsvrouw blijkt uit de onderbouwing van de vordering niet welk bedrag daadwerkelijk is betaald voor de airpods, en bovendien zouden deze al zijn teruggegeven. Ten aanzien van de gouden ketting heeft de raadsvrouw verzocht het gevorderde bedrag met de helft te matigen. Tot slot heeft zij verzocht het gevorderde bedrag aan smartengeld te matigen, omdat het gevorderde bedrag mede gegrond is op de stelling dat sprake is van PTSS, terwijl er onvoldoende objectief bewijs is om het bestaan daarvan aan te nemen.

Oordeel van de rechtbank

Materiële schade

Airpods

Ter zitting is toegelicht dat de benadeelde partij niet beschikt over een aankoopbon, maar dat het gevorderde bedrag van € 149,00 in verband met het aanschaffen van nieuwe air pods correct in de vordering is opgenomen. Nu uit het dossier volgt dat de benadeelde partij is bestolen van haar air pods en niet is gebleken dat zij deze zou hebben teruggekregen zal de rechtbank deze post toewijzen.

Gepinde geld

Uit het bij de vordering gevoegde bankafschrift blijkt dat het bedrag van € 10,00 een dag voor het bewezenverklaarde feit is gepind. Deze schade staat dan ook niet in verband met het bewezenverklaarde feit en de rechtbank zal deze post afwijzen.

Gouden ketting

De gestolen ketting is van goud. Nu de goudprijs sinds de beroving juist gestegen is, ziet de rechtbank geen aanleiding het gevorderde bedrag van € 275,00 te matigen.

Kosten EMDR therapie

Ook deze kosten staan in voldoende rechtstreeks verband met het bewezen verklaarde feit en deze zal de rechtbank toewijzen.

Immateriële schade

De rechtbank is verder van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij nadelige lichamelijke en geestelijke gevolgen heeft ondervonden van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte. Voor toekenning van immateriële schade bestaat een wettelijke grondslag omdat sprake is van lichamelijk letsel (artikel 6:106 onder b BW). De benadeelde partij is op vijftienjarige leeftijd door een groep jongens in haar eigen woonomgeving achtervolgd, mishandeld, bedreigd en bestolen. Uit de toelichting op de vordering blijkt dat de straatroof een grote impact op haar leven heeft gehad en nog steeds heeft. De rechtbank komt een vergoeding van de gevorderde immateriële schade van € 2.500,00 daarom billijk voor en zal deze geheel toewijzen.

Conclusie

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] zal hoofdelijk worden toegewezen tot een bedrag van € 3.259,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 12 mei 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.

Ook moet de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: medeplegen van een straatroof met geweld] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f Sr op te leggen.

9. Vordering tot tenuitvoerlegging

Bij vonnis van 30 januari 2025 in de zaak met parketnummer 15/254196-24 heeft de rechtbank Noord-Holland de verdachte veroordeeld tot onder meer voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 121 dagen. De mededeling als bedoeld in artikel 366a Sv is op 19 februari 2025 aan de verdachte verstuurd. De proeftijd van twee jaar ving aan op 14 februari 2025. De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank zal gelasten dat die voorwaardelijke straf alsnog ten uitvoer zal worden gelegd.

De rechtbank is van oordeel dat de vordering moet worden toegewezen, nu uit de overige inhoud van dit vonnis blijkt dat de verdachte de voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit niet heeft nageleefd. Omdat de verdachte inmiddels de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt en in deze zaak het volwassenenrecht van toepassing is, komt de verdachte naar het oordeel van de rechtbank niet meer voor jeugddetentie in aanmerking. De rechtbank zal deze dan ook ex artikel 6:6:29 Sv vervangen door 121 dagen gevangenisstraf.

10. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

14a, 14b, 14c, 36f, 38v, 38w, 45, 47, 57, 302, 312 Sr.

11. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte in zaak C is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 17 (zeventien) maanden.

Beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 5 (vijf) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat:

Meldplicht bij reclassering

De verdachte meldt zich gedurende de proeftijd op afspraken met de reclassering RN Advies & Toezicht unit 14 Zuid-West, Marconistraat 2 te Rotterdam, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal contact met de verdachte opnemen voor de eerste afspraak.

Verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang

De verdachte verblijft gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, in een passende instelling voor begeleid wonen, te bepalen door de reclassering in overleg met de Boba coach. De verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt.

Dagbesteding

De verdachte spant zich in voor het vinden en behouden van passende scholing, met een vaste structuur.

Begeleiding autisme coach

De verdachte blijft gedurende de proeftijd meewerken aan de begeleiding vanuit de autisme-coach van Boba.

Locatieverbod

De verdachte zal zich gedurende de proeftijd niet in de stad Alkmaar bevinden.

Contactverbod

De verdachte zal gedurende de proeftijd geen contact opnemen, zoeken of hebben – in welke vorm dan ook, ook niet via derden – met:

Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.

Voorwaarden daarbij zijn dat de verdachte gedurende de proeftijd ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt en medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, Sr, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.

Beveelt dat de op grond van artikel 14c gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14c, zesde lid, Sr uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vrijheidsbeperkende maatregel

Legt op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid, inhoudende een locatie- en contactverbod.

Het locatieverbod houdt in dat de veroordeelde gedurende twee jaren zich niet bevindt in de stad Alkmaar.

Het contactverbod houdt in dat de veroordeelde gedurende twee jaren zich onthoudt van – direct of indirect – contact met:

Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt ten hoogste 7 (zeven) dagen voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan tot een maximum van 6 (zes) maanden in totaal. Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen op grond van de opgelegde maatregel niet op.

Bepaalt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is.

Benadeelde partij [slachtoffer 1]

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer 1]

geleden schade tot een bedrag van € 3.001,50 (drieduizend een euro en vijftig eurocent), als vergoeding voor materiële en immateriële schade en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 13 april 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer 1] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering ten aanzien van de overige immateriële schade.

Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Schadevergoedingsmaatregel

Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer 1] de verplichting op tot betaling aan de staat van een bedrag van € 3.001,50 (drieduizend een euro en vijftig eurocent), bepaalt dat bij gebreke van betaling en verhaal gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 30 dagen en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 april 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de staat en dat betalingen aan de staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door een medeverdachte is betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Benadeelde partij [slachtoffer 2]

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer 2]

geleden schade tot een bedrag van € 3.259,00 (drieduizend tweehonderdnegenenvijftig euro), als vergoeding voor materiële en immateriële schade en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 12 mei 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer 2] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Wijst de vordering voor het overige af.

Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Schadevergoedingsmaatregel

Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer 2] de verplichting op tot betaling aan de staat van een bedrag van € 3.259,00 (drieduizend tweehonderdnegenenvijftig euro), bepaalt dat bij gebreke van betaling en verhaal gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 32 dagen en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 mei 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de staat en dat betalingen aan de staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door een medeverdachte is betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Vordering tot tenuitvoerlegging

Wijst toe de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 15/254196-24 en gelast de tenuitvoerlegging van de niet ten uitvoer gelegde jeugddetentie voor de duur van 121 dagen, opgelegd bij vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 30 januari 2025, en vervangt deze ex. artikel 6:6:29 van het Wetboek van Strafvordering door 121 dagen gevangenisstraf.

Beslissingen over voorlopige hechtenis

Wijst af de vorderingen tot gevangenneming van de verdachte in de zaken met parketnummers 15-006166-26 en 15-006196-26.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. I.A.M. Tel, voorzitter,

mr. J.O. Rutten en mr. L.M. Nieuwenhuijs, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. M. Bleijendaal,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 7 mei 2026.

Bijlage

De bewijsmiddelen (…)

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. I.A.M. Tel
  • mr. J.O. Rutten
  • mr. L.M. Nieuwenhuijs

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand