RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie en Jeugd
locatie Alkmaar
gezag
zaak-/rekestnr.: C/15/372146 / FA RK 25-6045
Beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken van 6 mei 2026
in de zaak van:
[de moeder] ,
wonende te [plaats] ,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. A. van Westen, kantoorhoudende te Purmerend,
en
[de partner van de moeder] ,
wonende te [plaats] ,
hierna te noemen: [de partner van de moeder] ,
advocaat: mr. A. van Westen, kantoorhoudende te Purmerend.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoek van de moeder, ingekomen op 25 november 2025.
De behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op de zitting van 7 april 2026 in aanwezigheid van de moeder en [de partner van de moeder] , bijgestaan door mr. A. van Westen. Tevens was ter zitting als informant aanwezig [vertegenwoordiger van de raad] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de Raad).
De minderjarigen [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] zijn, gelet op hun leeftijd, in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken. Zij hebben op 3 april 2026 gesproken met de kinderrechter.
2. De feiten
De moeder en [de vader] (hierna te noemen: de vader) zijn op [huwelijksdatum] in [plaats] met elkaar gehuwd. Het huwelijk is op [datum] ontbonden door het overlijden van de vader.
De minderjarige kinderen van de moeder en de vader zijn:
- [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] in de gemeente [gemeente] ;
- [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] in de gemeente [gemeente] .
De moeder is, sinds het overlijden van de vader, alleen belast met het gezag over de minderjarigen.
De minderjarigen verblijven bij de moeder.
De moeder heeft een affectieve relatie met [de partner van de moeder] . Zij wonen samen en staan sinds 1 januari 2025 ingeschreven op hetzelfde adres.
3. Het verzoek
De moeder en [de partner van de moeder] hebben verzocht om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat [de partner van de moeder] mede zal worden belast met het gezag over de minderjarigen.
Door en namens de moeder en [de partner van de moeder] wordt ter onderbouwing van hun verzoek naar voren gebracht dat [de partner van de moeder] sinds bijna twee jaar een vaderrol op zich neemt binnen het gezin. Hij heeft een aandeel in de verzorging en opvoeding van de minderjarigen en hij wordt door de moeder betrokken bij de te nemen gezagsbeslissingen over de minderjarigen. Daarnaast heeft de moeder gezondheidsproblemen en wordt zij met regelmaat opgenomen in het ziekenhuis. Het geeft de moeder een gevoel van veiligheid en zekerheid dat er iemand is die gezagsbeslissingen kan nemen indien de moeder onverhoopt daar niet toe in staat is of niet beschikbaar is. [de partner van de moeder] is al eens tijdens een ziekenhuisopname van de moeder betrokken geweest bij een te nemen gezagsbeslissing, waardoor de moeder zich daar niet druk over hoefde te maken. [de partner van de moeder] heeft een heldere blik op de beslissingen die ten aanzien van de kinderen genomen moeten worden. Het is, gelet op het voorgaande, in het belang van de minderjarigen dat de moeder en [de partner van de moeder] gezamenlijk worden belast met het gezag over de minderjarigen.
4. Het advies van de Raad
De Raad merkt op dat het gezin van de moeder in 2014 in beeld is geweest bij de Raad. De vader was op dat moment ongeneselijk ziek en er waren zorgen over de oudere broer van de minderjarigen, [de oudere broer van de minderjarigen] . Het gezin heeft hulpverlening opgepakt in het vrijwillig kader.
Daarnaast brengt de Raad naar voren dat de twee jongste kinderen van [de partner van de moeder] onder toezicht zijn gesteld, vanwege onveiligheid in de thuissituatie van de ex-partner van [de partner van de moeder] . In het Raadsonderzoek en tijdens de ondertoezichtstelling zijn geen zorgen van gewicht naar voren gekomen over de thuissituatie van [de partner van de moeder] . De Raad achtte het in het belang van zijn twee jongste kinderen dat [de partner van de moeder] mede belast zou worden met het ouderlijk gezag over hen.
De Raad ziet in de onderhavige zaak geen bezwaren om [de partner van de moeder] mede te belasten met het gezag over de minderjarige kinderen van de moeder. [de partner van de moeder] vormt een beschermende factor in het gezin en de minderjarigen hebben in hem een ouderfiguur gevonden. Het is duidelijk dat [de partner van de moeder] bereid is om verantwoordelijkheid te dragen als de moeder daar, vanwege haar gezondheid, niet toe in staat is.
De Raad merkt op dat [de partner van de moeder] nog niet lang in het leven van de minderjarigen is en dat niet duidelijk is hoe bestendig de relatie van de moeder en [de partner van de moeder] is. Gelet op de leeftijd van de minderjarigen (14 en 16), die inmiddels zelf hun mening kunnen geven, ziet de Raad in die beperkte duur van de relatie echter geen beletsel.
5. De beoordeling
Ingevolge artikel 1:253t lid 1 BW kan de rechtbank, indien het gezag over een kind bij één ouder berust, op gezamenlijk verzoek van de met het gezag belaste ouder en een ander dan de ouder die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, hen gezamenlijk met het gezag over het kind belasten.
Artikel 1:253t lid 2 BW bepaalt dat in het geval dat het kind tevens in familierechtelijke betrekking staat tot een andere ouder het verzoek slechts wordt toegewezen, indien:
de ouder en de ander op de dag van het verzoek gedurende ten minste een aaneengesloten periode van een jaar onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek gezamenlijk de zorg voor het kind hebben gehad; en
de ouder die het verzoek doet op de dag van het verzoek gedurende ten minste een aaneengesloten periode van drie jaren alleen met het gezag belast is geweest.
Ingevolge artikel 1:253t lid 3 BW wordt het verzoek afgewezen indien, mede in het licht van de belangen van een andere ouder, gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging de belangen van het kind zouden worden verwaarloosd.
De rechtbank stelt voorop dat is voldaan aan het bepaalde in artikel 1:253t lid 1 BW. De moeder heeft alleen het gezag en het verzoek om gezamenlijk gezag is door de moeder en [de partner van de moeder] samen ingediend. Ook staat vast dat [de partner van de moeder] in een nauwe persoonlijke betrekking tot de minderjarigen staat. Gebleken is dat hij voor hen al ongeveer twee jaar een vaderrol vervult en dat hij een goede en hechte band met hen heeft. Ook leeft hij inmiddels meer dan een jaar in gezinsverband samen met de moeder en de minderjarigen.
Naar het oordeel van de rechtbank is artikel 1:253t lid 2 BW in deze zaak niet van toepassing. Uit de wetsgeschiedenis valt op te maken dat dit artikellid -kort gezegd- beoogt de rechtspositie van de andere ouder tot wie het kind in familierechtelijke betrekking staat, te beschermen. Daarmee ziet dit artikellid enkel op de situatie waarin die andere ouder nog in leven is. Nu de vader is overleden, behoeft de rechtbank niet meer te toetsen of aan de voorwaarden van dit artikellid is voldaan (wat overigens wel het geval lijkt te zijn).
De rechtbank dient nog te toetsen of gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging van het verzoek de belangen van de minderjarigen zouden worden verwaarloosd. De rechtbank is van oordeel dat die vrees er niet is. Zoals al vermeld onder 5.4. vervult [de partner van de moeder] voor de minderjarigen al ongeveer twee jaar een vaderrol en heeft hij een goede en hechte band met hen. De minderjarigen hebben dat ook, ieder voor zich, verteld aan de kinderrechter. Ook leeft [de partner van de moeder] inmiddels meer dan een jaar in gezinsverband samen met de moeder en de minderjarigen. Duidelijk is verder dat de moeder [de partner van de moeder] al geruime tijd betrekt bij de te nemen gezagsbeslissingen door met hem te overleggen. Daarnaast staat vast dat de moeder kampt met gezondheidsproblemen, waardoor zij periodes is opgenomen in het ziekenhuis. Het komt voor dat zij daardoor niet of minder beschikbaar is om gezagsbeslissingen te nemen. [de partner van de moeder] heeft al laten zien in dergelijke situaties bereid en in staat te zijn mee te denken en verantwoordelijkheid te nemen. De rechtbank constateert dat [de partner van de moeder] nog niet heel lang in het leven van de minderjarigen is en dat de relatie met de moeder nog van relatief korte duur is. Duidelijk geworden is echter dat het gezin positief functioneert. De minderjarigen zijn bovendien op een leeftijd dat zij hun eigen mening kunnen en durven te geven en worden daarin ook gehoord door de moeder en [de partner van de moeder] . In navolging van de Raad beschouwt de rechtbank de beperkte duur van de relatie daarom niet als contra-indicatie voor het toewijzen van het verzoek. Ook overigens is niet gebleken van contra-indicaties.
Al het voorgaande in aanmerking nemend zal de rechtbank het verzoek toewijzen.
6. De beslissing
De rechtbank:
belast de moeder en [de partner van de moeder] gezamenlijk met het gezag over de minderjarigen:
- [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] ,
- [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] ;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. A. Warmerdam, rechter, tevens kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. E.J. Thomas als griffier en in het openbaar uitgesproken op 6 mei 2026.
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en/of de zich verwerende partij dient het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen.