ECLI:NL:RBNHO:2026:5767

ECLI:NL:RBNHO:2026:5767

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 16-04-2026
Datum publicatie 22-05-2026
Zaaknummer 15/041627-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig

Samenvatting

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van de opzettelijke invoer van 775 gram cocaïne. Daarnaast heeft de verdachte een wachtmeester eerste klasse van de KMAR beledigd door hem in het gezicht te spugen. De rechtbank ziet in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte aanleiding een andere straf op te leggen dat de officier van justitie heeft gevorderd. De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 240 dagen, waarvan 136 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Aan het voorwaardelijk strafdeel heeft de rechtbank de bijzondere voorwaarden verbonden van een meldplicht, ambulante behandeling, dagbesteding en het meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de toeslagenaffaire via Stichting (Gelijk)waardig Herstel nu zij zich daar reeds heeft aangemeld, dan wel in het kader zoals geformuleerd door de reclassering. Daarnaast legt de rechtbank een taakstraf op voor de duur van 150 uren.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/041627-25 (P)

Uitspraakdatum: 16 april 2026

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 2 april 2026 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1982 te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres]

.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. E.V. Dam en van hetgeen de verdachte en zijn (waarnemend) raadsman, mr. W.G. ten Have, advocaat te Winschoten, naar voren hebben gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

zij op of omstreeks 23 juni 2024 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

zij in of omstreeks de periode van 19 juni 2024 tot en met 23 juni 2024 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet,

voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten

- het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen,

- het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren,

verstrekken en/of vervoeren, en/of

- het opzettelijk vervaardigen

van cocaïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende

lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet

- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te

plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe

gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,

- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van

dat feit heeft getracht te verschaffen,

- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan zij, verdachte en/of haar mededader(s), wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, door:

- meermalen (telefonisch) contact te onderhouden met drugskoerier [medeverdachte] ; en/of

- een of meer afbeeldingen op te slaan en/of te ontvangen van voornoemde [medeverdachte]

en/of diens vliegticket voor de reis naar luchthaven Schiphol; en/of

- aan voornoemde [medeverdachte] instructies te geven omtrent het inpakken van de koffer met verdovende middelen; en/of

- aan voornoemde [medeverdachte] instructies en/of aanwijzingen te geven over hetgeen [medeverdachte] dient te verklaren bij de Douane en/of Koninklijke Marechaussee tijdens

een controle; en/of

- zich naar luchthaven Schiphol te begeven teneinde drugskoerier [medeverdachte] af te halen en/of de cocaïne in ontvangst te nemen met het doel deze verder te laten vervoeren;

2.

zij op of omstreeks 7 februari 2025 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer opzettelijk een ambtenaar, te weten [slachtoffer] , Marechaussee der eerste klasse, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening, in zijn tegenwoordigheid, door feitelijkheden, heeft beledigd, door die [slachtoffer] in/tegen het gezicht te spugen.

2. Voorvragen

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd kennis te nemen van de zaak, de officier van justitie is ontvankelijk en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

3. Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van de onder 1 primair en 1 subsidiair ten laste gelegde feiten. Op het verweer van de raadsman zal hierna, voor zover van belang, worden ingegaan. Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelen

Feit 1 primair

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het onder 1 primair ten laste gelegde feit op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn opgenomen.

Feit 2

Verder komt de rechtbank op grond van de feiten en omstandigheden, die zijn opgenomen in de hierna te noemen bewijsmiddelen, tot een bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde feit. De rechtbank heeft vastgesteld dat ten aanzien van het onder 3.4 bewezenverklaarde feit sprake is van een bekennende verdachte en dat door of namens haar geen vrijspraak is bepleit. Gelet op artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) zal daarom worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen op grond waarvan de rechtbank tot een bewezenverklaring is gekomen, te weten:

(…)

De hiervoor vermelde processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

Nadere bewijsoverweging ten aanzien van feit 1 primair

De rechtbank stelt op grond van de processtukken vast dat [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ), de broer van verdachte, op 23 juni 2024 vanuit Curaçao naar Nederland is gereisd. Bij aankomst op de luchthaven Schiphol is in zijn koffer 775 gram cocaïne aangetroffen. De cocaïne was verborgen in de broeksbanden van een achttal sportbroeken.

In de dagen voorafgaand aan de invoer van cocaïne heeft [medeverdachte] WhatsApp-contact met het tegencontact ‘ [naam 1] ’. De rechtbank stelt vast dat de verdachte de gebruiker is van dat account. De verdachte heeft immers bij de Koninklijke Marechaussee (hierna: KMAR) verklaard de gebruiker te zijn van dat account en ook [medeverdachte] heeft dit verklaard. Daar komt bij dat het telefoonnummer eindigend op * [nummer 1] – waarvan de verdachte bij de KMAR heeft verklaard dat dit haar telefoonnummer is – in combinatie met profielnaam ‘ [naam 1] ’ is aangetroffen in de telefoon (Samsung Galaxy A15) van de verdachte. Aan deze telefoon is ook het telefoonnummer eindigend op * [nummer 2] gekoppeld. Deze telefoon en dit telefoonnummer zijn van de verdachte, zoals zij heeft verklaard tegenover de KMAR en tijdens de zitting. Ook duidt de inhoud van de chatberichten aangetroffen op de telefoon van [medeverdachte] erop dat de verdachte de gebruiker is van het tegencontact ‘ [naam 1] ’. In deze berichten noemt [medeverdachte] ‘ [naam 1] ’ [naam 2] , wat de voornaam van de verdachte is. Daarnaast deelt ‘ [naam 1] ’ haar adres (“Dat is mijn adres [adres] ”) en telefoonnummer (“[nummer 2] ”), wat overeenkomt met het adres en het telefoonnummer van de verdachte. De rechtbank gaat dan ook voorbij aan de later afgelegde ontkennende verklaringen van de verdachte en [medeverdachte] over ‘ [naam 1] ’ en het telefoonnummer eindigend op * [nummer 1] bij de rechter-commissaris, nu dit wordt weerlegd door de inhoud van de bewijsmiddelen.

De verklaring van de verdachte dat zij niet wist dat [medeverdachte] verdovende middelen in zijn koffer vervoerde, acht de rechtbank ongeloofwaardig gelet op de inhoud van de zich in het dossier bevindende chatberichten tussen de verdachte en [medeverdachte] . Die berichten duiden erop dat de verdachte een sturende rol heeft in het organiseren van de reis en [medeverdachte] aanmoedigt te komen. Zo stuurt de verdachte in de dagen voorafgaand aan de invoer aan [medeverdachte] “in geval ze je vragen wat je in Nederland komt doen zeg ze je gaat voor vakantie bij je moeder en je zus. Je moeder is in Nederland. Je gaat en zodat als zij terug gaat dan ga je met haar mee” en “denk er aan haal echt alles uit je telefoon. Alle gesprekken, alles. Als je binnen zit laat je mij weten. Praat normaal, zoals ik je zei. Niks aan de hand” en “Net gingen [naam 3] en ik naar de plek waar de dingen gaan vliegen en hierheen komen landen. Om iemand te gaan halen die gekomen is. Schoon hoor je. Dus zodat je weet. De mensen zijn gekomen net als [naam 3] schoon. (…)”. Met ‘schoon aankomen’ wordt volgens de KMAR bedoeld dat er een geslaagde invoer is geweest. Ook instrueert de verdachte [medeverdachte] over de hoeveelheid kleding die hij mee moet nemen in zijn koffer en wat hij moet aantrekken tijdens de reis. Verder volgt uit de chatberichten dat de verdachte uitvoerig op de hoogte gehouden wil worden van de reis en zij [medeverdachte] zal ophalen bij Schiphol zodra hij is geland.

Gelet op de aard en de strekking van de chatberichten kunnen deze berichten naar het oordeel van de rechtbank niet anders worden uitgelegd dan dat zij zien op de invoer van cocaïne door [medeverdachte] . De rechtbank leidt uit deze berichten ook af dat de verdachte een instruerende en coördinerende rol heeft gehad bij de voorbereiding, de uitvoering en de afhandeling van de invoer van cocaïne door [medeverdachte] . Zij heeft een substantiële bijdrage geleverd aan het gezamenlijke plan om cocaïne binnen het grondgebied van Nederland te brengen. De rechtbank acht dan ook bewezen dat de verdachte in nauwe en bewuste samenwerking met [medeverdachte] heeft gehandeld en dus als medepleger is aan te merken.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat

1.

zij op 23 juni 2024 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne;

2.

zij op 7 februari 2025 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer opzettelijk een ambtenaar, te weten [slachtoffer] , Marechaussee der eerste klasse, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in zijn tegenwoordigheid, door feitelijkheden, heeft beledigd, door die [slachtoffer] in het gezicht te spugen.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Kwalificatie en strafbaarheid de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1 primair: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod.

feit 2: eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dan ook strafbaar.

5. Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dan ook strafbaar.

6. Motivering van de sancties

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte al in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht bij de strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de door de reclassering opgestelde rapportage. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest en daarnaast een voorwaardelijk strafdeel, eventueel in combinatie met een taakstraf acht de raadsman passend. De bijzondere voorwaarden zoals geformuleerd door de reclassering, met uitzondering van het schuldhulpverleningstraject, acht de raadsman eveneens passend.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sancties die aan de verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Ernst van de feiten

De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan de opzettelijke invoer van 775 gram cocaïne. Dit is een voor de gezondheid van mensen zeer schadelijke stof. Tegen de invoer ervan wordt dan ook streng opgetreden. De door de verdachte en haar mededader ingevoerde hoeveelheid was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. Hiermee heeft de verdachte een substantiële bijdrage geleverd aan de instandhouding van het internationale drugscircuit. Deze handel in verdovende middelen gaat de laatste jaren steeds vaker gepaard met ernstige geweldsdelicten, wat een ontwrichtende invloed heeft op de samenleving. De verspreiding van en handel in harddrugs worden daarom krachtig bestreden.

Daarnaast heeft de verdachte een wachtmeester eerste klasse van de KMAR beledigd door hem in het gezicht te spugen. De verdachte heeft hiermee blijk gegeven van gebrek aan respect voor het ambtelijk gezag. Het spugen in het gezicht betreft bovendien een zeer ergerlijk en smerig feit, dat voor de betrokken wachtmeester buitengewoon beledigend en respectloos is.

Persoon van de verdachte

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op het strafblad van de verdachte van 4 maart 2026 waaruit blijkt dat de verdachte al eerder in Nederland onherroepelijk is veroordeeld voor de invoer van cocaïne. De rechtbank weegt deze omstandigheid ten nadele van de verdachte mee bij de straftoemeting.

Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport van de reclassering van 12 december 2025. In het rapport schrijft de reclassering dat zij, hoewel de verdachte de verdenkingen maar gedeeltelijk bekent, bij een veroordeling het recidiverisico als gemiddeld inschatten. De reclassering betrekt hierbij haar houding, psychosociaal functioneren, dagbesteding, financiën en justitieverleden. Het risico op letsel en op het onttrekken aan voorwaarden wordt ingeschat als laag. De reclassering adviseert bij een veroordeling een (deels) voorwaardelijke straf met daaraan verbonden de volgende bijzondere voorwaarden: een meldplicht, ambulante behandeling, dagbesteding en meewerken aan schuldhulpverlening.

Tijdens de zitting heeft de verdachte aangegeven zich aan de voorwaarden te zullen houden.

De op te leggen straf

Bij het bepalen van de hoogte van de straf heeft de rechtbank als uitgangspunt genomen wat doorgaans wordt opgelegd voor het invoeren van harddrugs. De rechtbank rekent het de verdachte zwaar aan dat zij een aansturende en organiserende rol heeft gehad bij het transport. De rechtbank ziet in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder haar financiële situatie, onder meer als gevolg van de toeslagenaffaire, en de zorg voor haar minderjarige kinderen, aanleiding een andere straf op te leggen dan de officier van justitie heeft gevorderd. De rechtbank acht het passend en geboden om aan de verdachte een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen om haar daarmee te stimuleren om in de toekomst andere keuzes te maken om haar financiële situatie te stabiliseren.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 240 dagen moet worden opgelegd waarvan 136 dagen voorwaardelijk, zodat de verdachte het onvoorwaardelijk strafdeel al in voorarrest heeft uitgezeten. De rechtbank zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaren, opdat de verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit. Daarnaast zal de rechtbank aan het voorwaardelijk strafdeel de bijzondere voorwaarden verbinden in de vorm van een meldplicht, ambulante behandeling, dagbesteding en het meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de toeslagenaffaire via Stichting (Gelijk)waardig Herstel nu zij zich daar reeds heeft aangemeld, dan wel in het kader zoals geformuleerd door de reclassering.

Gelet op de ernst van het feit acht de rechtbank daarnaast een onvoorwaardelijke taakstraf voor de duur van 150 uren passend en geboden.

7. Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend ter hoogte van € 650,00 wegens immateriële schade die hij als gevolg van het onder 2 ten laste gelegde zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot toewijzing van de gevorderde schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht het gevorderde bedrag te matigen. Hij heeft daarbij verzocht rekening te houden met de bedragen die worden genoemd in de Rotterdamse Schaal.

Oordeel van de rechtbank

Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW onder meer mogelijk als de benadeelde partij is aangetast in zijn eer en goede naam. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze grondslag is gebaseerd.

De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij als gevolg van het door de verdachte gepleegde strafbare feit is aangetast in zijn eer en goede naam. Uit de toelichting op de vordering volgt dat de benadeelde partij door het handelen van de verdachte spuug in zijn oog, op zijn wang, in zijn nek en op zijn kleding had. Hij voelde zich nog enkele weken vies en was bang om ziek te worden.

Gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde handelen, de onderbouwing van de vordering alsmede de bedragen die in min of meer vergelijkbare gevallen worden toegekend en de bedragen die worden genoemd in de Rotterdamse Schaal, komt de rechtbank een vergoeding van de immateriële schade tot een bedrag van € 500,00 billijk voor. De wettelijke rente over dit bedrag is toewijsbaar vanaf 7 februari 2025 tot aan de dag van algehele voldoening.

De benadeelde partij [slachtoffer] zal voor het overige niet ontvankelijk worden verklaard in de vordering.

Proceskosten Daarnaast dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden begroot op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: eenvoudige belediging van een ambtenaar in functie] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) op te leggen.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 47, 57, 63, 266, 267 Sr

2 en 10 van de Opiumwet.

9. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) dagen.

Beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 136 dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.

Stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat:

- de veroordeelde zich na uitnodiging door de reclassering meldt op de door hen aangegeven dag, tijd en locatie. De veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zo lang de reclassering dat nodig vindt om het reclasseringstoezicht uit te voeren. Binnen het toezicht volgt de veroordeelde de aanwijzingen op die haar door of namens de reclassering gegeven worden, voor zover niet in andere voorwaarden benoemd. Binnen het toezicht worden (sub)doelen geformuleerd waarvoor de veroordeelde zich inzet deze te behalen;

- de veroordeelde meewerkt aan diagnostiek en zich laat, indien dit geïndiceerd is, behandelen door de AFPB, de Waag of een soortgelijke forensische zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling start zodra er plek is en is in ieder geval gericht op het opstellen van een delictanalyse en het aanleren van copingvaardigheden. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling;

- de veroordeelde zich inspant voor het vinden en behouden van een zinvolle dagbesteding, zoals betaald werk, vrijwilligerswerk of het volgen van een opleiding. Het betreft een dagbesteding met een vaste structuur;

- de veroordeelde meewerkt aan het aflossen van haar schulden en het treffen van afbetalingsregelingen in het kader van schuldhulp naar aanleiding van de toeslagenaffaire via Stichting (Gelijk)waardig Herstel, dan wel op een andere door de reclassering te bepalen wijze, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. De veroordeelde geeft de reclassering inzicht in haar financiën en schulden en -indien van toepassing- in de wijze waarop de Stichting (Gelijk)waardig Herstel betrokken is en de schuldhulp wordt vormgegeven.

Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

- ten behoeve van het vaststellen van haar identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.

Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Veroordeelt de verdachte tot het verrichten van 150 (honderdvijftig) uren taakstraf die bestaat uit het verrichten van onbetaalde arbeid, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 75 dagen hechtenis.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer] geleden schade tot een bedrag van € 500,00 (zegge: vijfhonderd euro), bestaande uit immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag aan [slachtoffer] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk in de vordering. De benadeelde partij kan zijn vordering in zoverre aan de civiele rechter voorleggen.

Bepaalt dat het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 februari 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 500,00 (zegge: vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 5 (vijf) dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hiervoor genoemde aanvangsdata tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.M.C. de Haan, voorzitter,

mr. G.M.G. Hink en mr. N.B. Genemans, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. S. Snelder,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 16 april 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. A.M.C. de Haan
  • mr. G.M.G. Hink
  • mr. N.B. Genemans

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand