RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie en Jeugd
Locatie Haarlem
gezag
zaak-/rekestnr.: C/15/352607 / FA RK 24-2513
Beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken van 17 april 2026
in de zaak van:
[de vader] ,
wonende in [plaats] ,
hierna te noemen: de vader,
advocaat mr. D.E. Oud uit Krommenie,
tegen
[de moeder] ,
wonende in [plaats] ,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. J. ’t Hart uit Haarlem,
-- over --
[de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
[de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna samen ook te noemen: de kinderen.
1. De verdere procedure
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
de beschikking van 23 augustus 2024 en de daarin genoemde stukken;
het F9-formulier van de moeder, ontvangen op 11 februari 2025;
het F9-formulier van de vader, ontvangen op 20 maart 2025;
het F9-formulier, met bijlage, van de moeder, ontvangen op 14 augustus 2025;
het F9-formulier van de moeder, ontvangen op 2 december 2025;
het F9-formulier van de vader, ontvangen op 4 december 2025;
het e-mailbericht, met bijlagen, waaronder een rapport van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de Raad), van de moeder, ontvangen op 17 maart 2026.
De behandeling van de zaak is voortgezet op de zitting van 18 maart 2026 in aanwezigheid van partijen en hun advocaten. Vanuit de Raad was [vertegenwoordiger van de raad] aanwezig als informant.
2. De stand van zaken tot nu toe
Bij beschikking van 23 augustus 2024 is de door partijen overeengekomen omgangsregeling en gedetailleerde vakantie- en feestdagenregeling vastgesteld. De beslissing op het verzoek over het gezag is aangehouden, in afwachting van de informatie over de resultaten van het hulpverleningstraject van partijen via FamilySupporters (hierna te noemen: FS).
Bij bericht van 14 augustus 2025 heeft de moeder aangegeven dat het hulpverleningstraject via FS niet loopt en dat het wantrouwen tussen partijen te groot lijkt te zijn om tot een gezamenlijk draagvlak voor hun ouderschap te komen. Daarom is gezamenlijk gezag volgens de moeder nu niet mogelijk. Uit de bijgevoegde brief van FS van 7 augustus 2025 volgt dat de kinderen in een loyaliteitsconflict terechtkomen door de strijd van partijen. Tijdens ruzies vergeten partijen de kinderen te beschermen voor hun strijd en de daarbij komende spanningen. Dit geeft volgens FS veel stress bij alle gezinsleden en in het bijzonder bij de kinderen. Het lukt ook niet om partijen Parallel Solo Ouderschap (hierna te noemen: PSO) aan te bieden. In augustus 2025 wordt de aanvraag van de Beschermingstafel opgestart.
Bij bericht van 4 december 2025 is door de vader aangegeven dat de hulpverlening stagneert.
Bij bericht van 17 maart 2026 heeft de moeder een rapport van de Raad van 20 februari 2026 ingediend. De Raad concludeert daarin dat er geen ondertoezichtstelling nodig is, omdat er 1) geen sprake is van een ernstig bedreigde ontwikkeling van de kinderen, al wordt hun ontwikkeling wel bedreigd, en 2) de moeder op dit moment voldoende bereid/in staat is onder eigen verantwoordelijkheid de bedreiging weg te nemen, nu zij meewerkt aan alle hulpverlening gericht op haar eigen problematiek en op de opvoedsituatie. De Raad verwijst partijen naar vrijwillige hulpverlening van FS en/of 10voorToekomst. De Raad heeft de grootste zorg over het effect van de jarenlange spanningen en strijd tussen partijen op de kinderen. Partijen wantrouwen elkaar en kunnen daardoor niet goed communiceren. Als er niets verandert, kunnen de kinderen onder andere het gevoel krijgen te moeten kiezen tussen partijen. Partijen moeten allebei een individueel hulpverleningstraject volgen en er moet (opnieuw) gestart worden met PSO. Als de zorgen toenemen of als het gezin niet meer meewerkt met de hulpverlening, kan de zaak binnen zes maanden bij de Raad worden teruggemeld.
3. De verdere beoordeling
Het resterende verzoek
De rechtbank moet nu nog beslissen op het verzoek van de vader om hem samen met de moeder te belasten met het gezag over de kinderen.
De vader
De vader en zijn advocaat hebben tijdens de zitting aangegeven dat de situatie sinds de zitting in 2024 weinig is veranderd. Toch moet er worden aangesloten bij het wettelijk uitgangspunt van gezamenlijk gezag, zodat er geen ongelijkwaardigheid meer is tussen partijen. Ook verblijven de kinderen een groot deel van de tijd bij de vader, waardoor de vader over hen moet kunnen meebeslissen. De vader wil aan alle hulpverlening en onderzoeken (blijven) meewerken. Er bestaat geen risico dat de kinderen klem en verloren raken tussen partijen als het verzoek wordt toegewezen. Er is veel hulpverlening ingezet om de communicatie en verhouding tussen partijen te verbeteren, maar dat is niet gelukt. De vader wil dat er ondertoezichtstelling komt, omdat vrijwillige hulpverlening onvoldoende werkt. Bij een ondertoezichtstelling is het goed als er sprake is van gezamenlijk gezag, zodat de vader als volwaardig ouder kan meedoen en partijen schriftelijke aanwijzingen kunnen krijgen als dat nodig is. Als het partijen niet lukt om gezamenlijke gezagsbeslissingen te nemen, kunnen zij deze voorleggen aan de rechtbank of bijvoorbeeld aan FS. De vader kan nu geen informatie opvragen van (bijvoorbeeld) de school van de kinderen en de moeder informeert hem daar ook niet over.
De moeder
De moeder en haar advocaat hebben tijdens de zitting aangegeven dat het verzoek van de vader moet worden afgewezen. Er is tussen partijen geen basis voor gezamenlijk gezag en als het verzoek wordt toegewezen bestaat het risico dat de kinderen klem en verloren raken tussen partijen. Als het verzoek wordt toegewezen, voorziet de moeder ook problemen bij het starten met een ADHD-onderzoek voor [de minderjarige 2] , omdat de vader daar niet mee instemt. De vader heeft een overtuiging dat er sprake is van ongelijkheid tussen partijen. Voor partijen is het nu eerst belangrijk dat zij individuele hulpverlening krijgen, gericht op hun eigen visie op hun relatie. Het gaat namelijk erg snel fout in de communicatie tussen partijen. De vader moet zelf de verantwoordelijkheid gaan nemen tot het krijgen van (school)informatie over de kinderen. De moeder geeft hem daarvoor de mogelijkheid, maar hij neemt bijna geen contact op met school over (bijvoorbeeld) de oudergesprekken van de kinderen.
De Raad
De Raad heeft haar rapport tijdens de zitting toegelicht en aangevuld dat er sinds de zitting in 2024 weinig is veranderd in de ernstig verstoorde verstandverhouding tussen partijen. Daarom vindt de Raad ook nu nog dat partijen onvoldoende in staat zijn om gezamenlijke gezagsbeslissingen te nemen. Het is belangrijk dat er hulpverlening wordt en blijft worden ingezet voor verbetering van de verstandverhouding tussen partijen. Als het verzoek over het gezag wordt toegewezen, verwacht de Raad dat daardoor meer problemen en spanningen zullen ontstaan, in plaats van dat het voor de kinderen positief zal werken. Partijen kunnen niet op een rustige manier met elkaar spreken over de kinderen. De Raad denkt ook dat de onrust in de thuissituatie de oorzaak is van het opvallende gedrag wat de kinderen in de thuissituatie vertonen. De moeder geeft de vader de mogelijkheid om informatie over de kinderen bij (bijvoorbeeld) de school op te vragen. Het is de verantwoordelijkheid van de vader om dat op te pakken.
Gezag
De tot het gezag bevoegde vader van het kind, die nooit het gezag gezamenlijk met de moeder heeft uitgeoefend, kan de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag over het kind te belasten. Daarbij geldt dat als de moeder met het gezamenlijk gezag niet instemt, het verzoek van de vader alleen wordt afgewezen als er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of als afwijzing van het verzoek anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
Gezamenlijk gezag vereist dat de ouders in staat zijn tot enige vorm van communicatie met elkaar en dat zij beslissingen van enig belang over het kind in gezamenlijk overleg kunnen nemen, of tenminste in staat zijn vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond het kind kunnen voordoen.
De rechtbank wijst het verzoek van de vader over het gezag af en legt uit waarom. Uit het dossier waaronder het raadsrapport en de zitting blijkt dat de verstandhouding en communicatie tussen partijen nog steeds ernstig is verstoord. Zoals de Raad en FS aangeven, is er daardoor onrust in de thuissituatie van de kinderen. Partijen vertrouwen elkaar niet en er is veel strijd en spanning tussen hen. Zoals beide partijen tijdens de zitting ook hebben aangegeven, verslechtert hun onderlinge verstandhouding direct als er iets gebeurt wat een van hen tegenstaat. Hoewel de vader meewerkt met de hulpverlening (waarvan de rechtbank hoopt en verwacht dat de vader dat zal blijven doen), moeten er eerst stappen worden gezet om te voorkomen dat de kinderen last krijgen van gezamenlijke gezagsbeslissingen die over hen moeten worden genomen. De rechtbank is het daarom met de Raad eens dat er allereerst (verder) met behulp van de hulpverlening van onder andere FS en/of 10voorToekomst moet worden gewerkt aan het verbeteren van de verstandhouding tussen partijen. Het is daarvoor ook belangrijk dat partijen met individuele hulpverlening starten.
De (advocaat van de) vader heeft tijdens de zitting benadrukt dat er gelijkwaardigheid moet komen tussen partijen. Nu de belangen van de kinderen centraal staan in de beoordeling van de rechtbank over het verzoek over het gezag, is het creëren van (een gevoel van) gelijkwaardigheid in de ouderrelatie geen reden om partijen met het gezamenlijk gezag over de kinderen te belasten. De advocaat van de vader heeft verder aangegeven dat als het verzoek wordt toegewezen en partijen geen overeenstemming kunnen bereiken over gezagsbeslissingen, zij zich (bijvoorbeeld) kunnen richten tot de rechtbank. Dat moet in het belang van de kinderen juist voorkomen worden.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat er een risico bestaat dat de kinderen klem en verloren raken tussen partijen (of mogelijk al zijn geraakt) als partijen worden belast met het gezamenlijk gezag over de kinderen. Het is in het belang van de kinderen dat er meer rust komt in de huidige situatie, zodat de moeder alleen belast moet blijven met het gezag over de kinderen.
4. De beslissing
De rechtbank:
wijst het verzoek van de vader over het gezag af.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.H. Broek, (kinder)rechter, in tegenwoordigheid van mr. F.G. van der Erve als griffier en in het openbaar uitgesproken op 17 april 2026.
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en/of de zich verwerende partij dient het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen.