RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Team Straf, zittingsplaats Haarlem
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/291782-24 (P)
Uitspraakdatum: 7 mei 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 23 april 2026 in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1997 te [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres] .
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,
mr. K. Leyendeckers, en van wat de verdachte en zijn raadsman, mr. S.C. van der Leer, advocaat te Alkmaar, naar voren hebben gebracht.
1. Tenlastelegging
Aan de verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering, ten laste gelegd dat:
feit 1
hij, op of omstreeks 19 april 2023 te Heemskerk, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten één verbrijzelde voet, heeft toegebracht door met een voertuig over de voet van die [slachtoffer] te rijden;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij, op of omstreeks 19 april 2023 te Heemskerk, [slachtoffer] heeft mishandeld door met een voertuig over de voet van die [slachtoffer] te rijden, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten één verbrijzelde voet, ten gevolge heeft gehad;
feit 2
dat hij, als degene door wiens gedraging (al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig) een verkeersongeval was veroorzaakt, welk verkeersongeval had plaatsgevonden in Heemskerk op/aan Van Coevenhovenstraat, op of omstreeks 19 april 2023, de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl daardoor, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, een ander (te weten [slachtoffer] ), letsel en/of schade was toegebracht en/of terwijl daardoor, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, die ander aan wie bij dat ongeval letsel was toegebracht, in hulpeloze toestand werd achtergelaten.
2. Voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
3. Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde feit en tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit 2.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft integrale vrijspraak bepleit van alle ten laste gelegde feiten.
Oordeel van de rechtbank
Redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat.
Bewijsmotivering feit 1
Inleiding
Op 19 april 2023 heeft op de Van Coevenhovenstraat in Heemskerk een verkeersongeval plaatsgevonden. Bij dit ongeval reed de verdachte als bestuurder van een auto over de voet van een voetganger, het slachteroffer [slachtoffer] (hierna het slachtoffer). De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de verdachte - al dan niet in voorwaardelijke vorm - opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij het slachtoffer.
Voor een bewezenverklaring van zware mishandeling is vereist dat sprake is van zwaar lichamelijk letsel bij het slachtoffer en dat sprake is van (voorwaardelijk) opzet op het toebrengen van dat zwaar lichamelijk letsel.
Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of een gedraging deze aanmerkelijke kans in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.
Oordeel van de rechtbank
De verdachte en het slachtoffer hebben beiden een andere verklaring over wat tot het ongeval heeft geleid. De rechtbank zal hieronder uiteenzetten van welke feiten zij uitgaat, of deze passen bij de beide geschetste scenario’s en hoe de gedragingen van de verdachte die op basis van het dossier wel kunnen worden vastgesteld gekwalificeerd moeten worden.
Betrouwbaarheid van getuige [getuige 1]
De raadsman heeft betoogd dat de verklaringen van de getuige [getuige 1] onbetrouwbaar zijn en niet kunnen bijdragen aan het bewijs. De raadsman heeft in dit verband aangevoerd dat deze verklaringen pas langere tijd na het ongeval zijn afgelegd, tegenstrijdig zijn aan andere verklaringen, en feitelijk onjuist zijn over de toedracht. [getuige 1] verklaarde dat het slachtoffer zich op straat bevond terwijl het slachtoffer zelf verklaarde dat hij op de stoep liep. Ook verklaarde [getuige 1] over een Golf terwijl de verdachte reed in een Opel en in zijn eerste verklaring over het been van het slachtoffer en later over de tenen van het slachtoffer.
De rechtbank acht de verklaring van getuige [getuige 1] betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs. De rechtbank stelt vast dat [getuige 1] op 24 oktober 2023 bij de politie een getuigenverklaring heeft afgelegd, welke verklaring in de kern overeen komt met zijn verklaring bij de rechter-commissaris op 28 maart 2025. Zo heeft [getuige 1] beide keren verklaard dat de verdachte op het slachtoffer is afgereden en hem ook daadwerkelijk heeft aangereden. Dat de verklaringen kleine inconsistenties bevatten is begrijpelijk, gelet op het tijdsverloop tussen beide verklaringen. [getuige 1] heeft in zijn verklaring bij de rechter-commissaris aangegeven wat hij zich gelet op zijn medische toestand en het feit dat het bijna twee jaar later was nog kan herinneren.
Feiten en omstandigheden
De rechtbank stelt op basis van het dossier en de behandeling op de terechtzitting het volgende vast. Op 19 april 2023 in de middag parkeerde de verdachte zijn auto in de Van Coevenhovenstraat in Heemskerk op een parkeerterrein. Er is één toegangs-/ontsluitingsweg van dit parkeerterrein. De verdachte was daar met zijn vriendin, [naam] . Op de parkeerplaats heeft een ruzie om parkeerplekken plaatsgevonden tussen de verdachte, [naam] en het slachtoffer. Hierbij zijn over en weer klappen uitgedeeld. De verdachte en [naam] zijn vervolgens weer in de auto gestapt en weggereden over de toegangs-/ontsluitingsweg in de richting van de winkelstraat. De verdachte was de bestuurder van de auto. Het slachtoffer liep in dezelfde richting als de verdachte op de toegangs-/ontsluitingsweg. De verdachte is bij het wegrijden over de linkervoet van het slachtoffer gereden. Het slachtoffer heeft daardoor zwaar lichamelijk letsel opgelopen, namelijk een verbrijzelde linkervoet. Als gevolg hiervan zijn er bij het slachtoffer drie tenen geamputeerd.
De toegangs-/ontsluitingsweg van de Van Coevenhovenstraat is een straat van in totaal, van muur tot muur, ruim negen meter breed. Aan weerszijden van de straat bevindt zich een lage stoep. Op de stoep staan paaltjes, met een onderlinge afstand van ruim zes meter, die de rijbaan afscheidt van de stoep. Van stoeprand tot stoeprand is de Van Coevenhovenstraat vijf meter breed.
Het scenario van het slachtoffer
Het slachtoffer heeft verklaard dat hij op de stoep liep, rechts naast de paaltjes, en van achteren door de auto van de verdachte is geraakt in zijn linkerknieholte, waardoor zijn linkerbeen naar buiten is gedraaid en de auto met de rechtervoorband over zijn linkervoet is gereden.
Het door het slachtoffer geschetste scenario is onderzocht in de ongevallenanalyse van 4 november 2025. De deskundigen hebben geconcludeerd dat de verdachte niet rechts van de paaltjes gelopen kan hebben, nu de auto daar vanwege de paaltjes niet gereden kan hebben. Ook kan het teenletsel van het slachtoffer niet worden verklaard door een aanrijding van achteren in zijn knieholte, aangezien de voet in dit scenario rechtsom draait, van de auto af, in plaats van linksom. De rechtbank concludeert daaruit dat het ongeval niet heeft plaatsgevonden op de exacte wijze zoals geschetst door het slachtoffer.
Het scenario van de verdachte
De verdachte heeft een alternatief scenario geschetst. Volgens de verdachte reed hij recht over de weg en moet het slachtoffer, op het moment dat hij met de auto stapvoets het slachtoffer passeerde, met zijn linkervoet naar voren zijn gestapt, waardoor de verdachte met het rechtervoorwiel van zijn auto over de linkervoet van het slachtoffer is gereden.
In de ongevallenanalyse is geconcludeerd dat het ontstane teenletsel bij het slachtoffer verklaard kan worden door dit scenario. Het door de verdachte geschetste scenario past echter niet bij de verklaringen van meerdere getuigen. Zo heeft getuige [getuige 1] verklaard dat de auto met hoge snelheid richting het slachtoffer reed en hij er bewust op afstuurde. [naam] heeft verklaard dat het slachtoffer door de auto werd geraakt, waardoor de rechterspiegel van de auto inklapte, maar zij heeft niets verklaard over een plotselinge stap naar voren. Ook de verdachte zelf heeft alleen verklaard dat hij denkt dat het slachtoffer naar voren is gestapt als verklaring voor het over diens voet rijden, maar hij heeft niet verklaard een dergelijke stap van het slachtoffer te hebben gezien. De rechtbank concludeert daaruit dat het ongeval evenmin heeft plaatsgevonden op de exacte wijze zoals geschetst door de verdachte.
Wat kan er wel worden vastgesteld?
De rechtbank stelt vast dat de verdachte na de parkeerruzie met het slachtoffer met verhoogde snelheid is weggereden. [getuige 1] zag dat de auto van de verdachte ‘met een gang’ richting het slachtoffer reed en ‘volle bak op trok en al snel 40 of 50 kilometer per uur reed’. De verdachte heeft hierbij richting het slachtoffer gestuurd. Het slachtoffer heeft verklaard dat hij op het moment dat hij doorliep vanuit zijn ooghoek een auto zag naderen, waarna hij werd geraakt door de auto van de verdachte. Vaststaat dat de verdachte daarbij met zijn auto over de linkervoet van het slachtoffer is gereden. Hoewel de exacte wijze van de aanrijding, (net) op de (verlaagde) stoep of (net) op de weg lopen en recht of niet recht over de voet rijden, niet is achterhaald, kan wel worden vastgesteld dat de verdachte in de richting van het slachtoffer heeft gereden. Zowel de verdachte als het slachtoffer hebben namelijk verklaard na de ruzie richting de winkelstraat te zijn gereden respectievelijk te hebben gelopen. Verder heeft de verdachte verklaard dat hij het slachtoffer aan de rechterzijde van zijn auto heeft zien lopen. [naam] heeft verklaard dat het slachtoffer met de rechterkant van de auto is geraakt.
De rechtbank stelt vast dat op basis van deze gedragingen niet kan worden bewezen dat de verdachte vol opzet heeft gehad op het willen toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij het slachtoffer, nu niet kan worden vastgesteld dat het zijn bedoeling was om hem ook daadwerkelijk te raken. Wel concludeert de rechtbank hieruit dat de verdachte, hoewel de weg breed genoeg was om het slachtoffer op veilige afstand te passeren, in elk geval op een zodanige manier en zodanig dicht langs het slachtoffer is gereden, dat een aanrijding kennelijk niet meer te voorkomen was. Door zijn rijgedrag, namelijk door harder dan stapvoets met een auto richting een voetganger (een kwetsbare verkeersdeelnemer) te sturen en zodanig dicht langs hem te rijden dat een aanrijding niet meer te voorkomen was, is naar algemene ervaringsregels, de aanmerkelijke kans in het leven geroepen dat het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Dergelijk letsel heeft zich ook daadwerkelijk gerealiseerd.
Deze gedragingen, naar hun uiterlijke verschijningsvorm, kunnen worden aangemerkt als zo zeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij het slachtoffer, dat het niet anders kan dan dat hij de aanmerkelijke kans op het zwaar lichamelijk letsel ook bewust heeft aanvaard. Het gevaar van zijn handelen moet voor de verdachte op dat moment duidelijk zijn geweest en kennelijk nam de verdachte de kans op zwaar lichamelijk letsel bij het slachtoffer op de koop toe.
De rechtbank is, gelet op het bovenstaande, dan ook van oordeel dat de verdachte het voorwaardelijk opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan het slachtoffer.
Bewijsmotivering feit 2
De rechtbank stelt vast dat de verdachte, als betrokkene bij een verkeersongeval, de plaats van het ongeval heeft verlaten, zonder zijn gegevens bekend te maken aan het slachtoffer. De verdachte heeft zich ook niet uit eigen beweging gemeld bij de politie. De verdachte heeft zich pas bij het politiebureau in Beverwijk gemeld, nadat de politie contact met hem had opgenomen.
De verdachte wist dat het slachtoffer door de auto was geraakt, zodanig hard dat de rechter zijspiegel was ingeklapt. Getuige [getuige 2] spreekt van een harde klap, luid geschreeuw en gescheld. De verdachte is, nadat hij is weggereden van de plaats van het ongeval, gestopt. [naam] heeft toen de laptoptas van het slachtoffer, die in de auto van de verdachte terecht was gekomen, op straat gezet. De verdachte heeft aangegeven te hebben gezien dat het slachtoffer de laptoptas heeft opgepakt. Uit de verklaring van het slachtoffer en getuige [getuige 2] blijkt dat hij dit hinkelend heeft gedaan. Gelet op deze omstandigheden had de verdachte in ieder geval moeten vermoeden dat er sprake was van letsel dan wel schade bij het slachtoffer, doordat hij geraakt was door de zijspiegel van de auto.
Gelet op het bovenstaande acht de rechtbank het ten laste gelegde onder feit 2 wettig en overtuigen bewezen.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat
feit 1 (primair)
hij, op 19 april 2023 te Heemskerk, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten één verbrijzelde voet, heeft toegebracht door met een voertuig over de voet van die [slachtoffer] te rijden;
feit 2
dat hij, als degene door wiens gedraging, als bestuurder van een motorrijtuig, een verkeersongeval was veroorzaakt, welk verkeersongeval had plaatsgevonden in Heemskerk op de Van Coevenhovenstraat, op 19 april 2023, de voornoemde plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl daardoor, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan [slachtoffer] , letsel en/of schade was toegebracht.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.
Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
4. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten
Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1: zware mishandeling.
feit 2: overtreding van artikel 7, eerste lid, onderdeel a en b van de Wegenverkeerswet 1994.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is daarom strafbaar.
5. Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is daarom strafbaar.
6. Motivering van de sanctie
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ten aanzien van feit 2 zal worden veroordeeld tot 80 uren taakstraf.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om in het geval van strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en een taakstraf op te leggen.
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sancties die aan de verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft op 19 april 2023, als bestuurder van een personenauto, opzettelijk het slachtoffer, een voetganger, aangereden. Voorafgaand aan de aanrijding hadden de verdachte en het slachtoffer ruzie gekregen om een parkeerplaats. Deze ruzie is uit de hand gelopen, waarbij over en weer klappen zijn uitgedeeld. De verdachte heeft zich bij het wegrijden kennelijk laten leiden door zijn emoties en heeft een onaanvaardbaar risico genomen, met grote gevolgen voor het slachtoffer. Het slachtoffer heeft door de aanrijding zwaar lichamelijk letsel opgelopen en zal hier de rest van zijn leven hinder van ondervinden. Ter terechtzitting heeft het slachtoffer verder toegelicht dat hij als gevolg van de aanrijding niet meer kan werken, en hij als gevolg daarvan ook zijn huis is kwijtgeraakt. Na de aanrijding is de verdachte weggereden, zonder zich om het slachtoffer te bekommeren. Dit rekent de rechtbank de verdachte zwaar aan.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van de verdachte van 13 maart 2026. Hieruit blijkt dat de verdachte niet eerder met justitie in aanraking is geweest.
Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op het over de verdachte uitgebrachte reclasseringsadvies van 15 april 2026 van Reclassering Nederland. Volgens de reclassering lijkt er op dit moment geen sprake te zijn van risico-verhogende factoren bij de verdachte en lijkt er sprake te zijn van een stabiele levenssituatie. De verdachte heeft een vaste baan, huisvesting en een steunend (familiair) netwerk.
De reclassering schat het risico op recidive in op laag en zij ziet geen meerwaarde en noodzaak voor reclasseringsbemoeienis.
De op te leggen straf
Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met alle hiervoor genoemde omstandigheden, straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd en de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS).
De rechtbank is van oordeel dat met name de ernst van de zware mishandeling en de enorme gevolgen die dit met zich mee hebben gebracht voor het slachtoffer, zonder meer een gevangenisstraf rechtvaardigt. Het LOVS-oriëntatiepunt voor zware mishandeling, waarbij gebruik wordt gemaakt van een wapen (niet zijnde een vuurwapen), is een gevangenisstraf voor de duur van zeven maanden. Een auto kan onder de gegeven omstandigheden gezien worden als een wapen. Voor het verlaten van de plaats van het ongeval wordt over het algemeen een taakstraf opgelegd.
Verder houdt de rechtbank in het voordeel van de verdachte rekening met zijn persoonlijke omstandigheden. De verdachte heeft een blanco strafblad en uit het reclasseringsadvies blijkt dat de verdachte zijn leven op dit moment op orde heeft. Het delict lijkt te zijn gepleegd in een zeer emotionele toestand, na een vechtpartij om een parkeerplek waarbij ook de vriendin van de verdachte betrokken was. De rechtbank heeft oog voor deze bijzondere omstandigheden waaronder het feit is gepleegd en betrekt ook dat de rechtbank ter terechtzitting heeft geconstateerd dat de verdachte het, drie jaar later, nog altijd moeilijk heeft met het ongeval.
Vanwege de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, het tijdsverloop en de bijzondere omstandigheden waaronder het feit is gepleegd, acht de rechtbank het niet (langer) passend om een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. De rechtbank acht daarom in beginsel een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden en een taakstraf van 180 uur passend en geboden.
Overschrijding redelijke termijn
Op grond van artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden dient de verdachte binnen een redelijke termijn te worden berecht. Als uitgangspunt geldt dat de behandeling van een zaak ter terechtzitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Van zodanige omstandigheden is in deze zaak niet gebleken. De termijn is gestart op 15 april 2024, omdat de verdachte toen is gehoord door de politie. Tot aan dit vonnis is een periode van twee jaar en ruim drie weken verstreken. De overschrijding van de redelijke termijn voor deze feiten bedraagt dus ruim drie weken. Omdat het hier gaat om een geringe termijnoverschrijding zal de rechtbank hier volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden en geen strafvermindering toepassen. Daarbij heeft de rechtbank betrokken dat bij de op te leggen straf rekening is gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en het tijdsverloop na het bewezenverklaarde.
9. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
artikelen 9, 14a, 14b, 22c, 22d, 57 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.
artikelen 7 en 176 van de Wegenverkeerswet 1994.
10. Beslissing
De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 (primair) en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat de onder 3.4 bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden, met bevel dat deze straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte voor het einde van de op twee jaren bepaalde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Veroordeelt de verdachte tot het verrichten van 180 (honderdtachtig) uren taakstraf die bestaat uit het verrichten van onbetaalde arbeid, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 90 (negentig) dagen hechtenis.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door:
mr. C.M.A.V. van Kleef, voorzitter,
mr. G.M.G. Hink en mr. P.A. Hesselink, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. S. Snelder
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 7 mei 2026.