RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Haarlem
Zaaknummer: C/15/377058 / JU RK 26-611
Datum uitspraak: 29 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling De William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,
hierna te noemen: de GI,
gevestigd te Amsterdam,
over
[de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] , [land] ,
hierna te noemen [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [plaats] ,
advocaat: mr. R.G.J. van Kerkhof, kantoorhoudende te Gilze.
1. Het verdere verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift binnengekomen op 21 april 2026, inclusief bijlagen;
de beschikking van 21 april 2026 en de daarin genoemde stukken;
het verzoekschrift binnengekomen op 28 april 2026, inclusief bijlagen.
De GI heeft op 21 april 2026 verzocht om een spoedmachtiging te verlenen om [de minderjarige] uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder ( [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] ) voor de duur van vier weken, zonder de belanghebbenden voorafgaand te horen, en in aansluiting daarop een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] te verlenen voor een maand en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Bij voornoemde beschikking van 21 april 2026 heeft de kinderrechter een spoedmachtiging verleend [de minderjarige] uit huis te plaatsen tot 19 mei 2026 in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder ( [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] ) en is de beslissing voor het overige aangehouden. In de beschikking is aangegeven dat op de zitting van 29 april 2026 om 14.40 uur de belanghebbenden in de gelegenheid worden gesteld te worden gehoord door de kinderrechter.
Op 28 april 2026 heeft de GI haar eerdere verzoek gewijzigd en gevraagd om de machtiging uithuisplaatsing te verlenen voor de duur van vier maanden.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 29 april 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] en [vertegenwoordiger van de GI] .
De moeder is ter zitting bijgestaan door een tolk in de [taal] taal.
De kinderrechter heeft [de minderjarige] op 29 april 2026 gesproken en naar haar mening gevraagd. [de minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [de minderjarige] heeft verteld.
2. De feiten
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
[de minderjarige] verblijft sinds 21 april 2026 in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder (crisisopvang bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] ).
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 28 januari 2026
[de minderjarige] onder toezicht gesteld tot 28 januari 2027.
3. Het verzoek
De GI verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van vier maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De GI heeft het verzoek als volgt toegelicht.
[de minderjarige] is op 21 april 2026 met spoed uit huis geplaatst omdat het tussen de moeder en [de minderjarige] zodanig was geëscaleerd dat de moeder haar op straat had gezet en niet meer binnen wilde laten. [de minderjarige] en de moeder hebben al langere tijd geen goede band met elkaar. [de minderjarige] leeft 'los' van de rest van het gezin en wordt buitengesloten door de andere gezinsleden. Doordat [de minderjarige] zich afgewezen voelt door de moeder en het gezin, doet ze opmerkingen over haar jongere broertjes en zusjes dat ze hoopt dat zij doodgaan, zodat de moeder aandacht heeft voor haar. Ze slaat en duwt ook haar jongere broertjes en zusjes en dit zorgt voor veel ruzie en onveiligheid in het gezin. Om de situatie te bekoelen en om te zorgen dat [de minderjarige] een veilige plek heeft, verblijft [de minderjarige] nu op een crisisplek bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] in [plaats] . In de tussentijd zal worden bekeken wat er nodig is om [de minderjarige] weer thuis te laten wonen totdat er een perspectief biedende plek voor haar gevonden is voor begeleid wonen. Daarom is verzocht de machtiging tot uithuisplaatsing in eerste instantie te verlengen met een maand. Na overleg met alle belanghebbenden is gevraagd om de machtiging uithuisplaatsing af te geven voor vier maanden. Binnen deze periode moet er meer duidelijkheid ontstaan over wat de mogelijkheden zijn om een passende plek voor [de minderjarige] te vinden.
De GI heeft hier ter zitting aan toegevoegd dat het goed gaat met [de minderjarige] bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] . Ze vindt aansluiting in de groep en er is mogelijkheid voor haar om daar te blijven totdat ze meerderjarig wordt. Sinds de uithuisplaatsing is de relatie met haar moeder verbeterd. Omdat in het verleden meerdere malen incidenten zijn geweest tussen [de minderjarige] en de andere gezinsleden en er sprake is van een patroon, is het voor [de minderjarige] het beste dat ze bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] blijft totdat ze meerderjarig is. Vandaaruit kan onderzoek worden ingesteld naar de problemen binnen het gezin, passende begeleiding worden gestart en worden uitgezocht waar [de minderjarige] kan wonen nadat zij meerderjarig is geworden.
4. De standpunten
De moeder heeft aangegeven dat ze blij is dat [de minderjarige] ergens anders verblijft en het daar goed heeft. Omdat [de minderjarige] veel problemen heeft met de andere kinderen zijn er veel spanningen en dat is nu weg. Ze hoopt dat [de minderjarige] daar mag blijven totdat ze meerderjarig wordt en dat er daarna voor haar naar een passende woonplek kan worden gezocht. De moeder wil niet dat [de minderjarige] nu weer thuis komt wonen.
Namens de moeder heeft de advocaat naar voren gebracht dat er in het verleden sprake is geweest van vervelende escalaties tussen de moeder en [de minderjarige] en dat moeder en de andere gezinsleden nu meer rust ervaren.
5. De mening van de minderjarige
[de minderjarige] is het eens met de plaatsing bij een accommodatie voor jeugdzorg. Het is nu rustig en er zijn geen ruzies. Ze wil wel graag naar school om haar diploma te halen, maar ze wil nu niet naar huis omdat ze zich daar niet fijn en veilig voelt. Als haar moeder het goed vindt, dan komt ze terug, maar dan moet daar de hele dag begeleiding bij aanwezig zijn.
6. De (verdere) beoordeling
De kinderrechter heeft ter zitting geen aanleiding gezien om het in voormelde beschikking van 21 april 2026 geformuleerde ten aanzien van de machtiging tot uithuisplaatsing te wijzigen. Die beschikking, waarin is bepaald dat [de minderjarige] met ingang van 21 april 2026 tot 19 mei 2026 met spoed in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder moest worden geplaatst, zal daarom worden gehandhaafd.
Over het resterende verzoek van de GI, waarin is verzocht, zo begrijpt de kinderrechter, om [de minderjarige] uit huis te plaatsen bij een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder totdat zij meerderjarig is, overweegt de kinderrechter het volgende.
Uit de overlegde stukken en wat ter zitting naar voren is gebracht, is gebleken dat er grote zorgen zijn over de veiligheid en ontwikkeling van [de minderjarige] bij haar moeder. [de minderjarige] wordt al langere tijd volledig buitengesloten van het gezin. Hierdoor ontstaan spanningen tussen [de minderjarige] en de andere gezinsleden en is er regelmatig sprake van zowel verbale als fysieke agressie. Bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] gaat het beter met [de minderjarige] en vindt ze de aansluiting en veiligheid om zich verder te kunnen ontwikkelen.
De kinderrechter is daarom van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding.
Binnen de komende periode moet er meer duidelijkheid ontstaan over wat er nodig is om het contact tussen [de minderjarige] en de moeder en [de minderjarige] en de andere gezinsleden te herstellen en moet er worden gewerkt aan de gezinsverhoudingen en onderlinge relaties. [de minderjarige] is en blijft onderdeel van het gezin, ook al woont ze op dit moment niet meer thuis.
Daarnaast moet worden uitgezocht waar [de minderjarige] - al dan niet begeleid - kan gaan wonen als zij meerderjarig is geworden.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
7. De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 19 mei 2026 tot [datum] ;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2026 door mr. G.D. de Jong, kinderrechter, in aanwezigheid van B.H.E. Zuidam als griffier, en op schrift gesteld op 12 mei 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.