Rechtbank noord-holland
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 februari 2026 in de zaak tussen
[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser
de heffingsambtenaar van Cocensus, verweerder.
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 25/1615
en
Procesverloop
Verweerder heeft aan eiser een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd.
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de naheffingsaanslag gehandhaafd.
Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 januari 2026 te Haarlem.
Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde [naam] .
Overwegingen
Feiten
1. Bij parkeercontrole op 14 februari 2025, om 10:05 uur, is geconstateerd dat de auto van eiser (kenteken [kenteken] ; hierna: de auto) stilstond aan de [straat] te [gemeente] . Ter plaatse was op genoemde datum en tijdstip parkeerbelasting verschuldigd. Er was voor dit moment geen parkeerbelasting betaald. Vervolgens is de naheffingsaanslag opgelegd naar een bedrag van € 83,10, bestaande uit € 4,30 parkeerbelasting en € 78,80 naheffingskosten.
Geschil 2. In geschil is of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd.
3. Eiser stelt dat de naheffingsaanslag ten onrechte is opgelegd. Hij voert aan dat hij zijn echtgenote kwam ophalen. Hij heeft de auto eerst enkele minuten met draaiende motor stilgezet aan de overkant van de straat, maar omdat de echtgenote nog niet naar buiten kwam heeft hij de auto verplaatst, aangebeld en daarna is de echtgenote ingestapt en zijn ze weggereden. Toen hij aanbelde zag hij de scanauto langsrijden en heeft hij naar de scanauto gezwaaid. Al met al heeft de auto zeer kort stil gestaan, terwijl het twee minuten lopen zou zijn naar de dichtstbijzijnde parkeerautomaat.
4. Verweerder voert aan dat ondanks dat de auto kort heeft stil gestaan, sprake is van parkeren waardoor parkeerbelasting verschuldigd is. De naheffingsaanslag is terecht opgelegd.
Beoordeling van het geschil
5. Op grond van artikel 225, vijfde lid, van de Gemeentewet en artikel 1, sub H van de Verordening op de heffing en invordering van parkeerbelastingen 2025 van de gemeente Haarlem wordt onder ‘parkeren’ verstaan ‘het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van personen, dan wel het onmiddellijk laden of lossen van goederen op binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden’. Het onmiddellijk laten in- of uitstappen van een passagier wordt, gelet op het voorgaande, niet aangemerkt als parkeren; daarvoor is dus geen parkeerbelasting verschuldigd. Onder het begrip ‘onmiddellijk in- of uitstappen’ kunnen volgens vaste jurisprudentie slechts handelingen worden verstaan, die een daadwerkelijk in- of uitstappen uit de auto vormen. Daaronder valt dus niet het gedurende enkele minuten op de parkeerplaats achterlaten van de auto (Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:GHARN:2003:AI1627).
6. De door eiser geschetste gang van zaken betreft niet het onmiddellijk in- en uitstappen zoals bedoeld in de jurisprudentie. Terwijl de auto stil stond is eiser immers ook gaan aanbellen bij het bezoekadres. Dat betekent dat sprake is van parkeren. Dat de auto van eiser slechts gedurende korte tijd heeft stilgestaan, acht de rechtbank niet relevant aangezien volgens vaste rechtspraak ook het kort stilstaan is aan te merken als parkeren waarvoor parkeerbelasting is verschuldigd (Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:GHAMS:2019:2491).Dit betekent dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd.
7. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
Proceskosten
8. Eiser heeft verzocht om vergoeding van verletkosten. Omdat het beroep ongegrond is en de rechtbank ook anderszins geen aanleiding ziet om verweerder in de proceskosten te vergoeden komen deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.E. Kiers, rechter, in aanwezigheid van mr. W.G. van Gastelen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
2 februari 2026.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer).
U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2. het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).