ECLI:NL:RBNHO:2026:592

ECLI:NL:RBNHO:2026:592

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 13-01-2026
Datum publicatie 27-01-2026
Zaaknummer 11909662
Rechtsgebied Civiel recht; Arbeidsrecht
Procedure Beschikking
Zittingsplaats Haarlem

Samenvatting

De werknemer heeft vóór het sluiten van de schriftelijke arbeidsovereenkomst twee proefdagen in het café gewerkt. Deze (betaalde) proefdagen tellen mee bij de keten van arbeidsovereenkomsten. Daarmee is een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd ontstaan. De aanzegging mag niet worden opgevat als een opzegging. Het volharden in een onjuist juridisch standpunt over de aard van de arbeidsovereenkomst (bepaalde tijd of onbepaalde tijd) en het niet (tijdig) betalen van loon leveren in de gegeven omstandigheden geen ernstig verwijtbaar handelen door de werkgever op.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr.: 11909662 \ AO VERZ 25-135

Uitspraakdatum: 13 januari 2026

Beschikking in de zaak van:

[verzoeker]

wonende te [plaats 1]

verzoekende partij

verder te noemen: [verzoeker]

gemachtigde: mr. H.S. Eisenberger

tegen

de besloten vennootschap

Café ’t Hemeltje

gevestigd te Bloemendaal

verwerende partij

verder te noemen: ’t Hemeltje

gemachtigde: mr. D. van den Bergh-Beck

De zaak in het kort

De werknemer heeft vóór het sluiten van de schriftelijke arbeidsovereenkomst twee proefdagen in het café gewerkt. Deze (betaalde) proefdagen tellen mee bij de keten van arbeidsovereenkomsten. Daarmee is een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd ontstaan. De aanzegging mag niet worden opgevat als een opzegging. Het volharden in een onjuist juridisch standpunt over de aard van de arbeidsovereenkomst (bepaalde tijd of onbepaalde tijd) en het niet (tijdig) betalen van loon leveren in de gegeven omstandigheden geen ernstig verwijtbaar handelen door de werkgever op.

1. Het procesverloop

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift van 2 oktober 2025; - het verweerschrift van 5 december 2025;- de aanvullende stukken van [verzoeker] van 8 december 2025;

- de mondelinge behandeling van 16 december 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt; - de pleitnota van [verzoeker];- de pleitnota van ’t Hemeltje.

2. Feiten

[verzoeker] heeft in november 2023 gesolliciteerd naar de functie van medewerker bediening bij ’t Hemeltje.

[betrokkene 1] (eigenaar van ’t Hemeltje in de periode van 12 september 1985 t/m 6 oktober 2024, hierna: [betrokkene 1]) heeft een sollicitatiegesprek met [verzoeker] gevoerd.

[verzoeker] is vervolgens op 10 en 17 december 2023 in totaal negen uur aanwezig geweest bij ’t Hemeltje.

[verzoeker] is op 1 januari 2024 op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van zes maanden in dienst getreden bij ’t Hemeltje.

De arbeidsovereenkomst tussen [verzoeker] en ’t Hemeltje is op 1 juli 2024 stilzwijgend verlengd tot 1 januari 2025.

Op 7 oktober 2024 is ’t Hemeltje overgenomen door [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2]).

In verband met de bedrijfsovername heeft [betrokkene 1] aan alle medewerkers een overzicht gestuurd van de uren die zij tot dat moment (week 40) in 2024 hadden gewerkt. Voor [verzoeker] ging het om 1057 uren ‘inclusief negen proefuren’.

De arbeidsovereenkomst tussen ’t Hemeltje en [verzoeker] is op 1 januari 2025 opnieuw stilzwijgend verlengd.

Op 25 juni 2025 heeft ’t Hemeltje het einde van de arbeidsovereenkomst aangezegd tegen 1 juli 2025:

“Zoals we gisteren hebben besproken, wil ik hierbij ook per e-mail bevestigen dat jouw arbeidsovereenkomst bij Café ’t Hemeltje niet zal worden verlengd. Je huidige contract loopt af op 30 juni 2025, en eindigt daarmee van rechtswege.

Ik wil je alvast bedanken voor je inzet en bijdrage aan ons team in de afgelopen periode. Over de afronding van je dienstverband hebben we nog contact met elkaar. Mocht je behoefte hebben aan een referentie of ergens hulp bij kunnen gebruiken in je volgende stap, laat het me gerust weten.”

[verzoeker] heeft zich bij brief van 11 juli 2025 op het standpunt gesteld dat sprake is van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. [verzoeker] heeft daarbij aanspraak gemaakt op loondoorbetaling en zich beschikbaar gesteld voor werk.

Bij brief van 14 juli 2025 heeft ‘t Hemeltje betwist dat een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is ontstaan.

In een WhatsApp-bericht van 29 juli 2025 heeft [verzoeker] aan ’t Hemeltje gevraagd om haar het geld over te maken dat zij nog tegoed had van de afrekening die haar was gemaild.

Op 4 augustus 2025 heeft [verzoeker] haar arbeidsovereenkomst met ’t Hemeltje met onmiddellijke ingang opgezegd:

“U kunt zich voorstellen dat cliënte door het hele gebeuren zeer teleurgesteld is geraakt in ’t Hemeltje als haar werkgever, zij ziet een terugkeer dan ook niet langer meer voor zich. In het bijzonder het niet betalen van loon maakt dat van cliënte niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst nog te laten voortduren. Gezien het voorgaande zegt cliënte de arbeidsovereenkomst middels deze brief per direct op.

Gevolg van deze opzegging is dat ’t Hemeltje schadeplichtig is geworden omdat de werkgever een ernstig verwijt gemaakt moet worden gezien de oorzaak van de opzegging (…)”

Op 25 november 2025 heeft [betrokkene 1] (onder meer) als volgt verklaard:

“Hierbij verklaar ik, [betrokkene 1], eigenaar Café ’t Hemeltje van 12-09-1985 t/m 06-10-2024 dat: - er in 2023 twee (mee)kijkdagen hebben plaatsgevonden, waarbij door betrokkene geen betaalde werkzaamheden zijn verricht. - de (mee)kijkdagen hebben plaatsgevonden op 10 december 2023: 4 uur 17 december 2023: 4 uur

- er op woensdag 03 januari 2024 door betrokkene 9 proefuren zijn gemaakt tijdens de Nieuwjaarsborrel van Café ’t Hemeltje & de aansluitende Afscheidsborrel van collega [betrokkene 3].

(…)”

3. Het verzoek

[verzoeker] heeft verzocht om toekenning van de transitievergoeding en een billijke vergoeding. Daarnaast wil [verzoeker] dat ’t Hemeltje veroordeeld wordt tot betaling van het achterstallig salaris over de periode 1 juli 2025 tot en met 3 augustus 2025 en de feestdagentoeslag, te vermeerderen met de wettelijke verhoging.

[verzoeker] legt aan haar verzoek ten grondslag dat zij voor onbepaalde tijd bij ’t Hemeltje in dienst was. De proefdagen op 10 en 17 december 2023 tellen mee in de keten van opvolgende arbeidsovereenkomsten. In die keten is [verzoeker] op 1 januari 2025 een vierde arbeidsovereenkomst aangegaan met ’t Hemeltje, welke geldt als te zijn aangegaan voor onbepaalde tijd. Het vasthouden aan het standpunt dat sprake was van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd en het niet betalen van loon levert een dringende reden op, op grond waarvan [verzoeker] de arbeidsovereenkomst per 4 augustus 2025 met onmiddellijke ingang heeft opgezegd. Zij heeft daarom recht op een transitievergoeding en op een billijke vergoeding.

4. Het verweer en het tegenverzoek

t Hemeltje betwist dat een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is ontstaan. [verzoeker] heeft in december 2023 twee dagen meegekeken bij ’t Hemeltje. Deze dagen maakten onderdeel uit van het sollicitatieproces en waren gericht op kennismaking. [verzoeker] heeft toen geen werkzaamheden verricht en (dus) ook niet betaald gekregen. De (derde) arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd is op 1 juli 2025 van rechtswege geëindigd.

Voor zover wel sprake was van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, geldt dat de aanzegging van 25 juni 2025 moet worden aangemerkt als opzegging waardoor de arbeidsovereenkomst op 1 juli 2025 is geëindigd. In dat geval is de vervaltermijn waarbinnen [verzoeker] de vernietiging van deze opzegging kon inroepen ruim vóór de datum van indiening van het verzoekschrift verstreken. De opzegging van 4 augustus 2025 door [verzoeker] heeft geen effect gehad, omdat de arbeidsovereenkomst toen al was geëindigd. Er was daarvoor ook geen dringende reden en [verzoeker] heeft haar opzegging niet onverwijld gedaan. Als een werknemer zelf de arbeidsovereenkomst opzegt, bestaat er geen grondslag voor toekenning van een billijke vergoeding. In die situatie heeft een werknemer alleen aanspraak op de transitievergoeding als sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever, hetgeen hier niet het geval is.

Verder wordt bij wijze van tegenverzoek verzocht om [verzoeker] te veroordelen tot (terug)betaling van € 77,26 bruto aan feestdagentoeslag. Dit bedrag is per abuis tweemaal naar [verzoeker] overgemaakt.

5. De beoordeling

het verzoek

De ketenregeling: bepaalde tijd of onbepaalde tijd?

Tussen partijen is allereerst in geschil of de dagen van 10 en 17 december 2023 kwalificeren als een arbeidsovereenkomst. [verzoeker] heeft in dat verband aangevoerd dat zij op zondag 10 december 2023 een middag achter de bar (vier uren) en op zondag 17 december 2023 een diner (vijf uren) heeft meegedraaid. Dat [verzoeker] op die dagen ook daadwerkelijk tegen betaling werkzaamheden heeft verricht blijkt volgens haar uit de WhatsApp-correspondentie tussen [verzoeker] en [betrokkene 1], de foto’s waarop zij achter de bar te zien is, het urenoverzicht van [betrokkene 1] (2.7) en haar eigen verklaring. ‘t Hemeltje heeft hiertegen aangevoerd dat slechts sprake was van een kennismaking met het team en meekijken, zoals ook blijkt uit de verklaring van [betrokkene 1]. In overleg met [verzoeker] is er na de twee meekijkdagen afgesproken om op 3 januari 2024 (tijdens de nieuwjaarsborrel en de afscheidsborrel van een collega) een proefdag te draaien. Uit het urenoverzicht waarnaar [verzoeker] verwijst (2.7) volgt slechts dat zij op 3 januari 2024 negen proefuren heeft gewerkt. Naar aanleiding van deze proefdag hebben partijen besloten om de getekende arbeidsovereenkomst voort te zetten, aldus ’t Hemeltje.

In de wet is bepaald dat een arbeidsovereenkomst een overeenkomst is waarbij de ene partij, de werknemer, zich verbindt in dienst van de andere partij, de werkgever, tegen loon gedurende zekere tijd arbeid te verrichten. Er zijn aldus drie criteria waaraan voldaan moet zijn: de verplichting tot het persoonlijk verrichten van arbeid, een gezagsverhouding en een verplichting tot het betalen van loon. De kantonrechter is van oordeel dat op 10 en 17 december 2023 aan deze drie criteria is voldaan, gelet op het navolgende. Daarbij geldt als uitgangspunt dat het weliswaar op de weg van [verzoeker] die zich ten aanzien van 10 en 17 december 2023 beroept op het bestaan van een arbeidsovereenkomst, ligt om daartoe de benodigde feiten te stellen (en zonodig bewijs te leveren) maar dat het arbeidsrecht beoogt de werknemer als zwakkere partij te beschermen, zodat onduidelijkheden in beginsel in het voordeel van de werknemer worden uitgelegd. Verder is relevant dat de verklaring [verzoeker] over 10 en 17 december 2023 diametraal tegenover die van [betrokkene 1] staat en dat [betrokkene 2] destijds nog niet bij het bedrijf betrokken was. Gelet hierop zullen bijkomende feiten en omstandigheden de doorslag moeten geven.

[verzoeker] beschikt over circa veertig jaar ervaring in de horeca. Tegen die achtergrond is het aannemelijk dat zij op 10 en 17 december 2023 niet slechts heeft meegekeken, maar ook daadwerkelijk werkzaamheden heeft verricht. Dit wordt bevestigd door het WhatsApp-bericht van 9 december 2023, waarin [betrokkene 1] vraagt of [verzoeker] zenuwachtig is voor de volgende dag, het bericht van 10 december 2023 waarin [betrokkene 1] aangeeft dat het “lekker” ging die dag en door de foto’s van 17 december 2023 waarop te zien is dat [verzoeker] achter de bar een biertje tapt. Het is niet aannemelijk dat [verzoeker] zonder enige instructies werkzaamheden heeft verricht, zodat ook aan het vereiste van gezag is voldaan.

Ten aanzien van de verplichting tot betaling van loon stelt [verzoeker] dat de proefuren van 10 en 17 december 2023 bij de bedrijfsoverdracht in oktober 2024 zijn verrekend met de openstaande min-uren, en op die manier betaald zijn gesteld. Volgens [verzoeker] heeft [betrokkene 1] regelmatig tussen de bedrijven door aangegeven dat hij 'de uren niet was vergeten' en 'dat het goed zou komen', maar heeft zij zelf nooit druk achter de betaling gezet omdat [betrokkene 1] het, mede in verband met zijn ernstig zieke echtgenote, al druk en zwaar genoeg had. Het is weliswaar opvallend dat [verzoeker] gedurende tien maanden geen actie heeft ondernomen om betaling van de door haar gewerkte uren te verkrijgen, als zij meent dat zij daar recht op had, maar daar staat tegenover dat het evenmin aannemelijk is dat na de twee ‘meekijkdagen’ in december 2023, nog een proefdag op 3 januari 2024 is ingepland. De arbeidsovereenkomst was op dat moment immers al ingegaan en daarin is een geldige proeftijd overeengekomen, zodat ’t Hemeltje een maand de tijd had om te beslissen of [verzoeker] de functie naar tevredenheid zou kunnen vervullen. Daarom moet worden aangenomen dat de uren van 3 januari 2024 ‘gewoon’ in het kader van de arbeidsovereenkomst zijn gewerkt en bij de salarisbetaling van januari 2024 zijn afgerekend. Bij die stand van zaken ligt het dan ook meer voor de hand dat met de ‘negen proefuren’ in het urenoverzicht van 2024 wordt gedoeld op de uren van 10 en 17 december 2023. De conclusie is daarom dat voldoende aannemelijk is geworden dat [verzoeker] voor deze uren betaald heeft gekregen.

De kantonrechter gaat voorbij aan bewijsaanbod van ’t Hemeltje om [betrokkene 1] te horen. Gelet op het voorgaande zou ook een bevestiging door [betrokkene 1] van zijn schriftelijke verklaring niet leiden tot een ander oordeel.

Het voorgaande betekent dat de door [verzoeker] verrichte arbeid op 10 en 17 december 2023 moet worden gezien als een eerste arbeidsovereenkomst in de ketenregeling. Vaststaat dat de arbeidsovereenkomst daarna nog drie keer is verlengd (op 1 januari 2024, 1 juli 2024 en 1 januari 2025). Dit heeft tot gevolg dat de vierde arbeidsovereenkomst (met ingang van 1 januari 2025) een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is geworden.

De aanzegging kwalificeert niet (ook) als opzegging

t Hemeltje heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat de aanzegging van 25 juni 2025 (ook) als opzegging heeft te gelden. Dat is niet het geval, gelet op het navolgende.

Blijkens het Constar-arrest kan een aanzegging onder omstandigheden (ook) als een opzegging worden gekwalificeerd. De vraag of dit het geval is moet worden beantwoord aan de hand van de artikelen 3:33 en 3:35 BW (de wilsvertrouwensleer). Bij een opzegging door de werkgever geldt dat ‘de wil en de verklaring van de werkgever gericht moeten zijn op het beëindigen van de arbeidsrelatie en de werknemer dit ook als zodanig heeft mogen opvatten’. Bij de uitleg daarvan zijn alle omstandigheden van het geval van belang, zoals de rechtsgevolgen voor de werknemer die zijn verbonden aan de mededeling van de werkgever. Als immers wordt aangenomen dat de mededeling van de werkgever kwalificeert als een opzegging, geldt voor de werknemer een (relatief korte) vervaltermijn van twee maanden om tegen de opzegging op te komen. Een andere omstandigheid die van belang kan zijn, is of de werkgever in de onjuiste veronderstelling verkeerde dat sprake is van een overeenkomst voor bepaalde tijd die van rechtswege afloopt. Die onjuiste veronderstelling mag niet zonder meer ten nadele van de werknemer werken.

Met de tekst in de aanzeggingsbrief van 25 juni 2025 (zie 2.9) is tot uitdrukking gebracht dat het einde van de arbeidsovereenkomst zou worden bewerkstelligd door de wet (het van rechtswege eindigen door het verstrijken van de overeengekomen duur) en niet door een opzegging. Gelet daarop was de aanzegbrief (dus) niet bedoeld om een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd op te zeggen, maar om een tijdelijke arbeidsovereenkomst aan te zeggen en (daarmee) de verschuldigdheid van een aanzegvergoeding te voorkomen.

De enkele omstandigheid dat ‘t Hemeltje de wil heeft gehad de arbeidsrelatie met [verzoeker] te beëindigen, is onvoldoende om aan te nemen dat [verzoeker] de aanzegging als opzegging had moeten opvatten. Indien het Constar-arrest immers zo (ruim) moet worden uitgelegd, dan zou het gevolg daarvan zijn dat iedere aanzegging waarin een contract voor bepaalde tijd niet wordt verlengd (ook) als opzegging moet worden opgevat. In al die gevallen bestond bij de werkgever immers de wens de arbeidsrelatie met de werknemer niet voort te zetten - en dus te beëindigen. Een dergelijke (ruime) uitleg kan niet in het Constar-arrest worden gelezen. Dat de aanzegging in de Constar-zaak wél als opzegging opgevat moest worden, was omdat de werkgever tot een algehele bedrijfssluiting overging, waardoor de aanzegging niet anders opvat kon worden dan als een opzegging. Dergelijke omstandigheden spelen in het onderhavige geval niet.

Ook uit de omstandigheid dat [verzoeker] op 29 juli 2025 heeft gevraagd of ‘t Hemeltje het geld van de afrekening nog zou overmaken, kan niet de conclusie worden getrokken dat [verzoeker] de aanzegging als opzegging heeft opgevat. De betaling van de eindafrekening vindt immers ook plaats bij de beëindiging van een bepaalde tijdscontract (na aanzegging).

Loonvordering

Nu geen sprake is geweest van een opzegging door ‘t Hemeltje, duurt de arbeidsovereenkomst in beginsel voort en heeft [verzoeker] recht op loon tot het einde van de arbeidsovereenkomst (op 4 augustus 2025). De vordering van [verzoeker] tot loonbetaling zal daarom worden toegewezen. De gevorderde wettelijke verhoging zal ook worden toegewezen, omdat ‘t Hemeltje te laat heeft betaald. Wel is er in de gegeven situatie aanleiding om de wettelijke verhoging te matigen tot 25%.

De verzochte feestdagentoeslag wordt afgewezen, nu [verzoeker] niet heeft weersproken dat ’t Hemeltje deze toeslag reeds (dubbel) aan haar heeft uitbetaald.

Ontslag op staande voet door de werknemer (transitievergoeding en billijke vergoeding)

[verzoeker] heeft zich verder op het standpunt gesteld dat ’t Hemeltje ernstig verwijtbaar heeft gehandeld door ten onrechte vast te houden aan haar standpunt dat sprake zou zijn van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd en door het loon na 1 juli 2025 niet uit te betalen.

5.15.Dat betoog slaagt niet. Hoewel het niet (tijdig) betalen van loon in de wet wordt genoemd als voorbeeld van een dringende reden voor een werknemer om ontslag op staande voet te nemen en dit ook in de jurisprudentie een veelvoorkomende categorie is om ernstige verwijtbaarheid aan te nemen, gaat het in dergelijke gevallen (bijna) nooit om situaties waarbij sprake is van een geschil over de verschuldigdheid van het loon. Dat is in deze zaak wel het geval. Hoewel de kantonrechter hiervoor heeft geoordeeld dat het standpunt van ’t Hemeltje over de aard van de arbeidsovereenkomst rechtens onjuist is en dat [verzoeker] recht heeft op loon tot haar eigen ontslagname, had ’t Hemeltje wel een bepleitbaar standpunt. Van bijkomende omstandigheden waaruit (bijvoorbeeld) volgt dat ’t Hemeltje had moeten begrijpen dat haar stellingen kansloos waren, dan wel dat zij [verzoeker] op andere wijze bewust heeft willen benadelen, is niet gebleken. [verzoeker] had in dit geval ook kunnen kiezen voor het instellen van een loonvordering als minder vergaand middel dan ontslagname.

De door [verzoeker] aangevoerde omstandigheden kunnen dus niet leiden tot de conclusie dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van ‘t Hemeltje als gevolg waarvan [verzoeker] de arbeidsovereenkomst moest opzeggen. De verzoeken van [verzoeker] tot toekenning van de transitievergoeding en een billijke vergoeding komen dan ook niet voor toewijzing in aanmerking.

Overigens kon de verzochte billijke vergoeding hoe dan ook niet worden toegewezen omdat de wet niet voorziet niet in een mogelijkheid daartoe in het geval de arbeidsovereenkomst door een werknemer zelf is opgezegd. [verzoeker] kan dan niet via de omweg van de door haar aangehaalde artikelen 7:611 en 6:74 BW de billijke vergoeding alsnog toegewezen krijgen. Ook daarom wordt de verzochte billijke vergoeding afgewezen.

Buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten

[verzoeker] maakt ten slotte aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. [verzoeker] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. De omvang van de buitengerechtelijke incassokosten moet worden getoetst aan de tarieven zoals vervat in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten is hoger dan het in het Besluit bepaalde tarief dat hoort bij de toewijsbaar geoordeelde hoofdsom. De kantonrechter zal de vergoeding daarom toewijzen tot het wettelijke tarief dat aansluit bij (de omvang van) de toewijsbaar geoordeelde hoofdsom. Dit komt neer op een bedrag van € 447,20.

Nu partijen over en weer op punten in het ongelijk zijn gesteld, is de kantonrechter van oordeel dat het redelijk is dat partijen ieder de eigen proceskosten dragen. Het verzoek van ’t Hemeltje om alle kosten bij [verzoeker] neer te leggen kan niet slagen, omdat [verzoeker] gedeeltelijk gelijk heeft gekregen.

het tegenverzoek

Het verzoek van ’t Hemeltje om [verzoeker] te veroordelen tot (terug)betaling van € 77,26 bruto aan dubbel betaalde feestdagentoeslag, zal als onbetwist worden toegewezen.

De proceskosten komen voor rekening van [verzoeker], omdat zij in het ongelijk wordt gesteld. Daarbij zal het salaris van de gemachtigde van ‘t Hemeltje worden vastgesteld op nihil omdat er geen werkzaamheden zijn verricht naast de zaak van het verzoek die een aparte vergoeding rechtvaardigen.

6. De beslissing

De kantonrechter:

het verzoek

veroordeelt ‘t Hemeltje tot betaling aan [verzoeker] van het achterstallige salaris van € 2.192,00 bruto per maand over de periode van 1 juli 2025 tot en met 3 augustus 2025, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 25%;

veroordeelt ’t Hemeltje tot betaling aan [verzoeker] van € 447,20 aan buitengerechtelijke incassokosten;

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

het tegenverzoek

veroordeelt [verzoeker] om aan ‘t Hemeltje te betalen € 77,26 bruto;

veroordeelt [verzoeker] tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van ‘t Hemeltje tot en met vandaag vaststelt op nihil.

Deze beschikking is gewezen door mr. J.J. Dijk, kantonrechter en op 13 januari 2026 in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. J.J. Dijk

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?