RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Team Straf, zittingsplaats Haarlem
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/353539-24 (P)
Uitspraakdatum: 7 mei 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 23 april 2026 in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1999 te [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres] .
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. J.J. van Bree en van hetgeen de verdachte en haar raadsman, mr. E.G.S. Roethof, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.
1. Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
zij, op of omstreeks 6 november 2024 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer opzettelijk
binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, een hoeveelheid hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
2. Voorvragen
De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd kennis te nemen van de zaak, de officier van justitie is ontvankelijk en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
3. Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van het bewijs.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank komt op grond van de feiten en omstandigheden, die zijn opgenomen in de hierna te noemen bewijsmiddelen, tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.
De rechtbank heeft vastgesteld dat ten aanzien van het hierna onder 3.4 bewezenverklaarde feit sprake is van een bekennende verdachte en dat door of namens haar geen vrijspraak is bepleit. Gelet op artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) zal daarom worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen op grond waarvan de rechtbank tot een bewezenverklaring is gekomen, te weten:
(..)
De hiervoor vermelde processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat
zij op 6 november 2024 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer opzettelijk
binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, een hoeveelheid hennep.
Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
4. Kwalificatie en strafbaarheid van het feit
Het bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dan ook strafbaar.
5. Strafbaarheid van de verdachte
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft namens de verdachte een beroep gedaan op psychische overmacht en heeft verzocht de verdachte daarom te ontslaan van alle rechtsvervolging. Gelet op de door de verdachte ter terechtzitting afgelegde verklaring kon van haar redelijkerwijs niet worden gevergd dat zij tegen de op haar uitgeoefende druk weerstand bood, aldus de raadsman.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte geen beroep op psychische overmacht toekomt, omdat het verweer onvoldoende concreet is onderbouwd en het gestelde scenario daardoor niet aannemelijk is geworden.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt voorop dat aan een beroep op psychische overmacht zeer hoge eisen worden gesteld. Het kan slechts slagen wanneer sprake is van een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijs geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden. Het moet daarbij gaan om een zodanige druk die op de verdachte is uitgeoefend, dat haar wilsvrijheid is aangetast en onder die omstandigheden niet van haar kon worden gevergd dat zij daar weerstand aan kon bieden.
De verdachte heeft – voor het eerst ter terechtzitting – verklaard dat zij onder bedreiging door ene [naam] , die zij tijdens haar vakantie in Thailand had leren kennen, de koffers met hennep naar Nederland heeft meegenomen. Die bedreiging hield in dat hij haar dochter en familie iets zou aandoen als zij de koffers niet mee zou smokkelen naar Nederland.
De rechtbank is van oordeel dat deze door de verdachte naar voren gebrachte omstandigheden niet aannemelijk zijn geworden. De rechtbank kan uit niets afleiden dat de gebeurtenissen zoals door de verdachte zijn geschetst, daadwerkelijk hebben plaatsgevonden. De verdachte heeft niets kunnen vertellen over de identiteit van ‘ [naam] ’, heeft geen foto’s van hem en heeft geen getuigen die haar verhaal kunnen bevestigen, ondanks dat zij heeft verklaard dat zij veel tijd met hem heeft doorgebracht en hem samen met een vriendin, met wie zij naar Thailand op vakantie ging, heeft ontmoet. Daar komt bij dat de verdachte bij de douane, noch tijdens een van haar verhoren bij de Koninklijke Marechaussee (hierna: KMAR) heeft verklaard over de gestelde dreiging, maar juist heeft verklaard dat zij zich veilig zou voelen bij invrijheidstelling. Ook de in de telefoon van de verdachte aangetroffen chatberichten bieden geen steun aan haar verklaring, nu deze chatberichten zijn verzonden nadat zij was geland in Nederland en de invoer dus al had plaatsgevonden. Uit deze berichten kan niet worden afgeleid dat de verdachte voor vertrek naar Nederland onder zodanige psychische druk heeft gestaan dat redelijkerwijs niet van haar gevergd kon worden dat zij anders zou handelen dan zij heeft gedaan.
De rechtbank is van oordeel dat onder deze geschetste omstandigheden niet aannemelijk is geworden dat sprake was van een situatie waarin de verdachte zodanig onder (psychische) druk heeft gestaan of een zodanig van buiten komende dwang heeft ervaren, dat zij, staande voor de keus om de drugs te gaan smokkelen, redelijkerwijs daaraan geen weerstand kon of hoefde te bieden. Het beroep op psychische overmacht wordt daarom verworpen.
Er is ook verder geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dan ook strafbaar.
6. Motivering van de sanctie
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, met aftrek van het voorarrest.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft, voor zover het beroep op psychische overmacht wordt verworpen, verzocht om bij de strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en het gegeven dat zij als ‘first offender’ moet worden aangemerkt. Verder heeft de raadsman aangevoerd dat het gaat om hennep en wereldwijd anders wordt gekeken naar softdrugs. De raadsman heeft verzocht om een voorwaardelijke gevangenisstraf en daarnaast een taakstraf op te leggen.
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft 44.750 gram hennep, verstopt in twee koffers, Nederland ingevoerd. Hennep is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De door de verdachte ingevoerde hoeveelheid was zo groot, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. Hiermee heeft de verdachte een substantiële bijdrage geleverd aan de instandhouding van het internationale drugscircuit. De verspreiding van en handel in hennep gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit. Gezien de ernst van het gepleegde feit is de rechtbank van oordeel dat niet anders kan worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.
Persoon van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het strafblad van de verdachte van 13 maart 2026, waaruit blijkt dat zij niet eerder voor een Opiumwetdelict is veroordeeld. Gelet hierop moet de verdachte als ‘first offender’ worden aangemerkt.
De op te leggen straf
De rechtbank is, gelet op de ernst van het feit, van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van enige duur moet worden opgelegd. Bij het bepalen van de hoogte van de straf heeft de rechtbank als uitgangspunt genomen wat doorgaans wordt opgelegd voor het invoeren van dergelijke hoeveelheden softdrugs in Nederland. Hierbij neemt de rechtbank als uitgangspunt de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) voor het aanwezig hebben van softdrugs, waarbij als oriëntatiepunt voor meer dan 25 kilogram een gevangenisstraf van 12 maanden geldt. De rechtbank ziet in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder de zorg die zij draagt voor haar jonge dochter, aanleiding om in strafmatigende zin af te wijken van dit oriëntatiepunt en de eis van de officier van justitie, in die zin dat de rechtbank een lagere straf zal opleggen dan dat zonder deze persoonlijke omstandigheden zou worden opgelegd. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden moet worden opgelegd, met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in verzekering heeft doorgebracht.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet.
7. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
3 en 11 van de Opiumwet.
8. Beslissing
De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt haar daarvan vrij.
Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) maanden.
Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door:
mr. P.A. Hesselink, voorzitter,
mr. G.M.G. Hink en mr. H.P.H.I. Cleerdin, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. S. Snelder
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 7 mei 2026.