ECLI:NL:RBNHO:2026:5965

ECLI:NL:RBNHO:2026:5965

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 21-05-2026
Datum publicatie 26-05-2026
Zaaknummer 15-025415-26 en 15-128861-25 (TUL)
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Alkmaar

Samenvatting

Winkeldiefstal. Geen ISD wegens onvoldoende noodzaak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Alkmaar

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15-025415-26 en 15-128861-25 (TUL)

Uitspraakdatum: 21 mei 2026

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 7 mei 2026 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

zonder vaste woon- of verblijfplaats,

nu gedetineerd in Justitieel Complex Zaanstad.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,

mr. J.A. Zwinkels, en van wat de verdachte en zijn raadsman, mr. M. Berbee, advocaat te Den Helder, naar voren hebben gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 25 januari 2026 te Den Helder in/uit een winkel (gelegen aan Julianaplein 9) (pakken) kipfilet, althans vlees, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde], in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat er sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek, doordat de politie de verdachte zonder redelijk vermoeden van schuld aan enig misdrijf heeft gecontroleerd. Aan dit vormverzuim dient volgens de raadsman primair de consequentie te worden verbonden dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is. Subsidiair dient het te leiden tot bewijsuitsluiting. Indien de rechtbank niet tot deze conclusie komt, is er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs en dient de verdachte te worden vrijgesproken.

Oordeel van de rechtbank

Vormverzuim

Ten aanzien van het gestelde vormverzuim dient de rechtbank aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval te toetsen of sprake is van een vormverzuim en of dat verzuim onherstelbaar is. Als dat het geval is, moet de rechtbank beoordelen welk van de in artikel 359a Sv genoemde rechtsgevolgen aan dat vormverzuim moet worden verbonden. Daarbij is van belang welk belang het geschonden voorschrift dient, wat de ernst is van het verzuim en welk nadeel is veroorzaakt als gevolg van het schenden van dat vormverzuim.

De rechtbank is, anders dan de raadsman, van oordeel dat geen sprake is van een vormverzuim. De verbalisanten hebben geverbaliseerd dat de verdachte hen opviel doordat hij fietste op een elektrische fiets zonder accu. Zij hebben hem hierop gevolgd, omdat zij de fiets wilden controleren. De verbalisanten zagen dat de verdachte stopte en vervolgens zijn jas openritste en twee pakken met vleesgelijkende producten onder zijn jas vandaan haalde en in zijn schoudertas stopte. Het is de verbalisanten – net als de rechtbank – ambtshalve bekend dat winkeldieven goederen in de winkel in hun jas stoppen om vervolgens de kassa te passeren zonder te betalen. Dit maakt naar het oordeel van de rechtbank dat sprake was van een redelijk vermoeden van schuld (aan diefstal) als bedoeld in artikel 27 Sv. De raadsman heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd die tot een ander oordeel leiden.

De verdachte is daarom rechtmatig staande gehouden en het verweer dat sprake was van een vormverzuim wordt daarom verworpen.

Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn opgenomen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat

hij op 25 januari 2026 te Den Helder uit een winkel (gelegen aan Julianaplein 9) pakken kipfilet, die aan [benadeelde] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

diefstal.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is daarom strafbaar.

5. Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is daarom strafbaar.

6. Motivering van de sanctie

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) voor de duur van twee jaren.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair verzocht om geen ISD-maatregel op te leggen, omdat er niet wordt voldaan aan de ‘zachte criteria’ om een dergelijke maatregel te kunnen opleggen. De verdachte is dakloos en heeft een hulpvraag die primair ziet op huisvesting en is bereid daaraan medewerking te verlenen. De ISD-maatregel biedt daarvoor geen oplossing en mist daarmee zijn doel. De raadsman verzoekt de rechtbank een gevangenisstraf van één maand op te leggen. Subsidiair heeft de raadsman verzocht om de ISD-maatregel op te leggen en daarbij te bepalen dat er na één jaar een tussentijdse toetsing dient plaats te vinden, om ervoor te zorgen dat de verdachte niet weer op straat komt te staan na afloop van de maatregel.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

De ernst van het feit

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan winkeldiefstal. De verdachte heeft twee pakken met kipfilet gestolen uit een supermarkt. Hiermee heeft hij inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van een ander. Winkeldiefstallen zijn ergerlijke feiten die doorgaans veel overlast en financiële schade geven voor betrokkenen.

De persoon van de verdachte

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie van 1 april 2026, waaruit blijkt dat de verdachte de afgelopen vijf jaar éénmaal in 2025 (voor twee feiten), éénmaal in 2024 (voor één feit), driemaal in 2023 (steeds voor meerdere feiten) en éénmaal in 2021 ter zake van vermogensdelicten tot (onvoorwaardelijke) gevangenisstraffen is veroordeeld. Dit werkt in het nadeel van de verdachte mee. Uit deze documentatie blijkt ook dat aan hem reeds tweemaal (in 2005 en 2008) een ISD-maatregel voor de duur van twee jaren is opgelegd.

De rechtbank heeft voorts kennisgenomen van het over de verdachte uitgebrachte reclasseringsadvies van 12 maart 2026. Hieruit komt naar voren dat de verdachte op verschillende leefgebieden, waaronder middelengebruik, problemen heeft en dat het risico op recidive als hoog wordt ingeschat.

De reclassering geeft aan dat het opstellen van een adequaat begeleidingsplan binnen het kader van de onvoorwaardelijke ISD-maatregel, waarin aandacht besteed dient te worden aan alle criminogene factoren, de meeste kans van slagen lijkt te hebben. Binnen de ISD-maatregel zal er diagnostiek kunnen plaatsvinden, zodat er voor de verdachte een passend hulpverleningstraject kan worden ingezet. De reclassering komt tot het advies om aan de verdachte een onvoorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen. Een voorwaardelijk kader is volgens de reclassering onvoldoende toereikend. De verdachte is stellig in het feit dat hij niet wil samenwerken met de reclassering. Daarbij heeft de reclassering niet de indruk dat een voorwaardelijke ISD-maatregel de verdachte zal weerhouden van recidive. Bij de afsluiting van het meest recente toezicht wist de verdachte al dat de ISD-maatregel boven zijn hoofd hing, maar dit lijkt hem niet (extra) te hebben gemotiveerd om zich van delictgedrag te onthouden.

Dit advies heeft [deskundige] als deskundige ter terechtzitting onderschreven en gehandhaafd.

Geen ISD-maatregel

De rechtbank stelt vast dat aan alle voorwaarden wordt voldaan die artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht aan het opleggen van de ISD-maatregel stelt. Immers, het door de verdachte begane feit (diefstal) betreft een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. De verdachte is in de afgelopen vijf jaren meer dan driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk veroordeeld tot vrijheidsbenemende straffen, terwijl het hier bewezen verklaarde feit is begaan na tenuitvoerlegging van die straffen.

De rechtbank ziet echter aanleiding om geen ISD-maatregel op te leggen. De rechtbank stelt voorop dat de ISD-maatregel een uiterste middel (ultimum remedium) is. Ook al wordt voldaan aan de wettelijke vereisten, dan moet nog worden bezien of oplegging van de maatregel onder de gegeven omstandigheden zinvol en doelmatig is.

Dat is hier niet het geval. De verdachte heeft weliswaar een hulpvraag, maar die ziet op huisvesting. Hij is bereid mee te werken aan dat specifieke onderdeel, maar wil voor het overige niet samenwerken met hulpverlening. Dit betekent dat binnen het kader van de ISD-maatregel de verwachting is dat er geen adequaat begeleidingsplan kan worden opgesteld dat aansluit bij zijn situatie en waarvoor de verdachte voldoende gemotiveerd zal zijn om zich in te zetten. De maatregel zou daarmee neerkomen op een langdurige detentie zonder behandeling of concreet plan tot gedragsverbetering.

Dan blijft over dat een op te leggen ISD-maatregel ertoe zal moeten dienen om de maatschappij te beveiligen. De rechtbank ziet onvoldoende noodzaak om de maatregel voor dat doel op te leggen. Uit het strafblad van de verdachte blijkt namelijk dat de meest recente veroordelingen voorafgaand aan onderhavige verdenking dateren van 29 april 2025 en 14 februari 2024. Hieruit blijkt dat de verdachte ook steeds geruime tijd heeft weten te functioneren zonder strafbare feiten te plegen. Verder betrekt de rechtbank hierbij dat de verdachte al twee keer eerder een ISD-maatregel opgelegd heeft gekregen.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat hoewel voldaan wordt aan de wettelijke vereisten, oplegging van de ISD-maatregel in onderhavig geval niet zinvol en doelmatig is.

De op te leggen straf

Gelet op de ernst van het feit en de recente recidive is de rechtbank van oordeel dat aan de verdachte enkel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf kan worden opgelegd. Voor het bepalen van de hoogte van de onvoorwaardelijke gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting. Op een eenvoudige winkeldiefstal staat in het geval van veelvuldige recidive één maand gevangenisstraf.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf voor de duur van één maand moet worden opgelegd.

Omdat de op te leggen straf lager is dan het aantal dagen dat de verdachte in voorarrest heeft gezeten, heft de rechtbank het bevel gevangenhouding op (zie artikel 72 lid 3 Sv).

7. Vordering tot tenuitvoerlegging

Bij vonnis van 29 april 2025 in de zaak met parketnummer 15-128861-25 heeft de rechtbank Noord-Holland verdachte ter zake van diefstal met geweld en lokaalvredebreuk veroordeeld tot onder meer een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier maanden. Ten aanzien van die voorwaardelijke straf is de proeftijd op twee jaren bepaald onder de algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. De mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering is op 19 mei 2025 aan de verdachte toegezonden.

De bij genoemd vonnis vastgestelde proeftijd is ingegaan op 14 mei 2025.

De officier van justitie vordert thans dat de rechtbank zal gelasten dat die voorwaardelijke straf alsnog ten uitvoer zal worden gelegd. In reactie op het verweer van de raadsman, heeft de officier van justitie bepleit dat bij toewijzing van de gevorderde ISD-maatregel, de vordering wordt afgewezen.

De raadsman heeft primair bepleit dat de vordering wordt afgewezen omdat de verdachte al lang in voorarrest zit. Subsidiair, in het geval de ISD-maatregel wordt opgelegd, heeft hij verzocht de vordering af te wijzen.

De rechtbank heeft bij het onderzoek ter terechtzitting bevonden dat zij bevoegd is over de vordering te oordelen en dat de officier van justitie daarin ontvankelijk is.

De rechtbank is van oordeel dat de vordering kan worden toegewezen, nu uit de overige inhoud van dit vonnis blijkt dat de verdachte de voorwaarde niet heeft nageleefd die inhoudt dat hij zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. De rechtbank stelt vast dat de duur van de voorlopige hechtenis door het voornemen van de officier van justitie om de ISD maatregel te vorderen langer is geworden dan als uitsluitend vervolgd was voor de winkeldiefstal. De rechtbank zal de vordering daarom afwijzen maar de proeftijd met een jaar verlengen.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het volgende wetsartikel is van toepassing:

artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht.

9. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van één (1) maand.

Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Heft op het bevel gevangenhouding.

Wijst af de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 15-128861-25, maar verlengt de proeftijd met een jaar tot 14 mei 2027, opgelegd bij vonnis van de rechtbank Noord-Holland d.d. 29 april 2025.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. N. Ćulafić, voorzitter,

mr. C.S. Schoorl en mr. A.K. Korteweg, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. S.D.C. Schoenmaker,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 21 mei 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. C.S. Schoorl
  • mr. A.K. Korteweg

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand