RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Haarlem
raadkamernummer : 26/003165
datum : 21 mei 2026
Beslissing van de meervoudige strafkamer op het verzoek op grond van artikel 6:6:26 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[verzoeker]
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres] [adres] ,
hierna te noemen: de verzoeker.
1. Feiten
Bij vonnis van 22 september 2016 heeft deze rechtbank de verzoeker veroordeeld ter zake van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, aanhef en onder B van de Opiumwet gegeven verbod en diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.
Bij vonnis van 14 maart 2017 heeft deze rechtbank het wederrechtelijk verkregen voordeel, verkregen door middel van of uit baten van deze strafbare feiten, geschat op € 356.030,04. De rechtbank heeft aan de verzoeker de verplichting opgelegd tot betaling aan de staat van dit bedrag. Tegen dit vonnis is door de verzoeker hoger beroep ingesteld.
Het Gerechtshof te Amsterdam heeft bij arrest van 21 november 2018 het vonnis van de rechtbank vernietigd en het wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op € 356.289,64 en aan de verzoeker een ontnemingsmaatregel opgelegd, inhoudende de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag. Deze ontnemingsmaatregel is onherroepelijk geworden.
Volledige betaling van het vastgestelde bedrag is tot op heden uitgebleven. Na aftrek van de maandelijkse betalingen van de verzoeker en de uitwinning van op goederen van de verzoeker gelegd conservatoir beslag bedraagt het verschuldigde bedrag op 1 april 2026, zijnde de datum van het advies van het Centraal Justitieel Incassobureau (hierna: CJIB) in deze zaak, nog € 312.257,86.
2. Procedure
Op 2 januari 2026 heeft de griffie van deze rechtbank een verzoek ontvangen tot kwijtschelding dan wel vermindering van het geldbedrag dat de verzoeker verplicht is te betalen aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel (hierna: het vastgestelde bedrag).
Op 1 april 2026 heeft de rechtbank een reactie op het ingediende verzoekschrift ontvangen van het CJIB.
De rechtbank heeft de verzoeker, de advocaat, mr. M.L. van Gessel, advocaat te Amsterdam en de officier van justitie op de zitting van 7 mei 2026 gehoord.
3. Verzoek
In het verzoekschrift wordt primair verzocht om kwijtschelding van het vastgestelde bedrag en subsidiair om vermindering daarvan tot € 35.000,00, zodat een aflossing van € 700,00 per maand leidt tot een afbetaling van de ontnemingsvordering binnen een redelijke termijn. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat het aflossen van het vastgestelde bedrag binnen een enigszins redelijke termijn onhaalbaar is en dat dit leidt tot onhoudbare financiële en emotionele druk op het gezin van de verzoeker. Deze druk leidt tot ernstige psychische en lichamelijke klachten bij de verzoeker en zijn partner.
Ter zitting heeft de raadsman meer subsidiair verzocht om de zaak aan te houden voor het aanleveren van nadere stukken dan wel voor het laten opmaken van een reclasseringsrapportage over de verzoeker.
4. Advies van het CJIB
Het CJIB heeft geadviseerd het verzoek tot kwijschelding of vermindering van het vastgestelde bedrag af te wijzen. Dit omdat de verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat er nu en in de toekomst geen draagkracht aanwezig zal zijn. Volgens het CJIB heeft de verzoeker geen verifieerbare gegevens overgelegd waaruit dit blijkt. Ook heeft de verzoeker geen onderbouwing gegeven van de manier waarop het wederrechtelijk verkregen vermogen zou zijn opgesoupeerd. De stelling van de verzoeker dat het gezin in voortdurende stress en spanning leeft om te kunnen voldoen aan de financiele verplichtingen bevreemdt het CJIB nu de huidige aflossing aan het CJIB van € 700,00 per maand slechts 10% van het gezinsinkomen omvat. De gestelde stress en spanning heeft de verzoeker bovendien niet met stukken onderbouwd.
5. Standpunt van het openbaar ministerie
De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht het verzoek in zijn geheel af te wijzen. De verzoeker heeft niet onderbouwd dat zijn huidige en toekomstige draagkracht ontoereikend is om aan de betalingsverplichting te kunnen voldoen. Dat er sprake is van een stressvolle situatie is inherent bij een betalingsverplichting van een ontnemingsmaatregel. Dat sprake is van psychische en fysieke klachten als gevolg van deze situatie heeft de verzoeker onvoldoende onderbouwd.
6. Beoordeling
Op grond van artikel 6:6:26 Sv kan de rechtbank op schriftelijk en gemotiveerd verzoek van de veroordeelde het in de opgelegde verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel vastgestelde bedrag verminderen of kwijtschelden.
De rechtbank neemt als uitgangspunt dat het doel van een betalingsverplichting aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel rechtsherstel is. Van een veroordeelde wordt daarom in beginsel het totale door hem wederrechtelijke verkregen voordeel ontnomen, waarmee de veroordeelde wordt gebracht in de vermogenspositie voordat hij dat voordeel verkreeg. Dat neemt niet weg dat zich goede redenen kunnen voordoen op grond waarvan het doel van rechtsherstel geheel of gedeeltelijk moet wijken en slechts een deel van het voordeel wordt ontnomen. Indien er andere rechtens te respecteren belangen zijn, die strijdig zijn met het belang van rechtsherstel, zal de rechtbank daartussen een belangenafweging moeten maken.
De rechtbank heeft bij de beoordeling van het verzoek de volgende omstandigheden in aanmerking genomen. De verzoeker heeft in 2020 een betalingsregeling getroffen met het CJIB, op grond waarvan hij thans € 700,00 per maand betaalt. Na ruim zes jaar afbetalen resteert nog een bedrag van € 312.257,86. Bij het bepalen van de aflossingscapaciteit van de verzoeker is door het CJIB niet alleen het inkomen van de verzoeker, maar ook dat van zijn partner betrokken, die een hoger maandelijks inkomen ontvangt dan de verzoeker.
Ter terechtzitting heeft de verzoeker uitgelegd dat de voortdurende schuldenlast hem en zijn gezin veel stress en hopeloosheid bezorgt. Dit met name vanwege de uitzichtloosheid wegens de vele jaren die nog nodig zijn om het bedrag in zijn geheel te kunnen voldoen. Uitgaande van een betaling van € 700,00 per maand, zou dat om ongeveer 37 jaar gaan. Ook voelt het voor de verzoeker alsof zijn partner en gezin opdraaien voor het afbetalen van zijn schuld, omdat zijn eigen salaris ontoereikend is om, naast de vaste lasten, de maandelijkse betalingen van € 700,00 te kunnen verrichten.
De rechtbank acht het, gelet op de hiervoor weergegeven specifieke omstandigheden, van belang dat de verzoeker en zijn gezin in financieel opzicht toekomstperspectief wordt geboden. Omdat de verzoeker wel over draagkracht beschikt, acht de rechtbank gehele kwijtschelding van het bedrag niet op zijn plaats. Wel zal de rechtbank het totaalbedrag van de ontnemingsmaatregel verminderen tot € 120.000,00. Uitgaande van het tot op heden afgeloste bedrag en een maandelijkse betalingsverplichting van ongeveer € 700,00, zou dit betekenen dat de verzoeker binnen een overzienbare termijn aan de betalingsverplichting zal hebben voldaan. Het verzoek zal dus in zoverre worden toegewezen.
Gelet op het bovenstaande komt de rechtbank niet toe aan behandeling van het door de raadsman gedane meer subsidiaire verzoek.
7. Beslissing
De rechtbank:
wijst het verzoek toe en vermindert het bij arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 21 november 2018 vastgestelde bedrag ter ontneming van het wederrechtelijke verkregen voordeel aan de staat te betalen tot een bedrag van € 120.000,00 (zegge: honderdtwintigduizend euro);
wijst het meer of anders gevorderde af.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Deze beslissing is gewezen door:
mr. S. Mac Donald, voorzitter,
mr. J.C. van den Bos en mr. A. Talmricht, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.L. van der Meij
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 21 mei 2026.