RECHTBANK NOORD-HOLLAND
beslissing
Wrakingskamer
zaaknummer / rekestnummer: C/15/375775 / KG RK 26/214
Beslissing van 18 maart 2026
Op het verzoek tot wraking ingediend door:
[verzoeker] ,
wonende te [plaats] ,
verzoeker.
Het verzoek is gericht tegen:
Mr. C. Maat,
hierna te noemen: de rechter.
1. Procesverloop
Verzoeker heeft op 17 maart 2026 schriftelijk de wraking verzocht van de rechter in de bij deze rechtbank, team F&J Alkmaar aanhangige zaak met als zaaknummer C/15/374568/ JU RK 26-208, hierna te noemen: de hoofdzaak.
De wrakingskamer heeft vervolgens op grond van de hierna opgenomen overwegingen besloten geen datum te bepalen voor een mondelinge behandeling van het verzoek en bepaald dat vandaag uitspraak zal worden gedaan.
2. De uitgangspunten
[naam 1] (hierna: [naam 1] ) en verzoeker zijn de ouders van de minderjarige kinderen [naam 2] en [naam 3] (hierna: [naam 2] en [naam 3] ).
De hoofdzaak betreft een verzoekschriftenprocedure waarbij de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) aan de rechtbank heeft verzocht om [naam 2] en [naam 3] onder toezicht te stellen.
De mondelinge behandeling van het verzoek is bepaald op 20 maart 2026.
3. Het standpunt van verzoeker
Verzoeker heeft ter onderbouwing van het verzoek – sterk samengevat – het volgende aangevoerd. Het verzoek is niet gericht tegen de persoon van de rechter, maar tegen de structurele positie waarin de rechter in deze procedure wordt geplaatst, waardoor bij verzoeker de objectief gerechtvaardigde vrees ontstaat dat de rechter niet volledig onbevangen kan oordelen. Deze vrees ontstaat doordat:* de procedure in de hoofdzaak voortbouwt op een door de RvdK/overheid uitgevoerd onderzoek;
* een inhoudelijke proportionaliteitstoets ontbreekt;* de rechter persoonlijk eindverantwoordelijk is bij afwijking van het overheidsstandpunt;
* ontvankelijkheid van het verzoek reeds de indruk wekt dat het overheidsonderzoek
wordt gelegitimeerd.
4. De beoordeling
Een rechter kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Uitgangspunt daarbij is dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing vormen dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert. Daarnaast kan een partij de indruk krijgen dat de rechter vooringenomen is. Beslissend daarvoor is of de vrees voor partijdigheid objectief gerechtvaardigd is.
De wrakingskamer zal het verzoek afwijzen. De wrakingskamer legt hierna uit waarom.
De bezwaren die verzoeker in zijn verzoekschrift heeft geformuleerd over – onder andere – de inrichting van de procedure in de hoofdzaak, de door verzoeker in de hoofdzaak ervaren machtsongelijkheid en de proportionaliteit van het onderzoek van de RvdK, kan verzoeker naar voren brengen in de hoofdzaak. Deze bezwaren zien niet op (de vrees voor) het ontbreken van onpartijdigheid bij de rechter en kunnen niet met succes aan het wrakingsverzoek ten grondslag worden gelegd.
Wat verzoeker heeft aangevoerd over de ontvankelijkheid van het in de hoofdzaak door de RvdK ingediende verzoek, doet aan het voorgaande niet af. In de eerste plaats heeft de rechter in de hoofdzaak nog geen definitieve beslissing gegeven over de ontvankelijkheid. Ten tweede is een beslissing over de ontvankelijkheid een (proces)-beslissing die niet met succes aan een wrakingsverzoek ten grondslag kan worden gelegd. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen staat daaraan in de weg. Wraking is geen verkapt rechtsmiddel.
De rechtbank ziet voorts aanleiding om toepassing te geven aan het wrakingsverbod van artikel 39, vierde lid, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De wrakingskamer is van oordeel dat verzoeker zijn verzoek lichtvaardig heeft ingediend. Daarbij weegt mee dat de wrakingskamer er ambtshalve mee bekend is dat verzoeker in een eerdere familiezaak ook lichtvaardig meerdere wrakingsverzoeken heeft ingediend en zich kennelijk niet wil verdiepen in de vraag in welke gevallen een rechter wel of niet gewraakt kan worden. Door nu opnieuw lichtvaardig een wrakingsverzoek in te dienen om zijn ongenoegen en/of zorgen over de gang van zaken in rechterlijke procedures te ventileren, maakt verzoeker misbruik van het rechtsmiddel wraking.
5. Beslissing
De rechtbank
wijst het verzoek tot wraking van de rechter af,
bepaalt dat een volgend wrakingsverzoek van verzoeker in de hoofdzaak niet in behandeling wordt genomen,
beveelt de griffier onverwijld aan verzoeker, de rechter en de Raad voor de Kinderbescherming een voor eensluidende gewaarmerkt afschrift van deze beslissing toe te zenden,
beveelt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het verzoek.
Deze beslissing is gegeven door mr. J.H. Gisolf, voorzitter, mr. I.H. Lips en mr. H. Bakker, leden van de wrakingskamer, in tegenwoordigheid van de griffier, en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2026.
griffier voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.