RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Team Straf, zittingsplaats Alkmaar
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/221469-25
Uitspraakdatum: 26 mei 2026 (bij vervroeging)
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 19 mei 2026 in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats],
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres
[adres],
nu gedetineerd in Justitieel Complex Zaanstad.
De rechtbank heeft de vordering van de officier van justitie gelezen.
De rechtbank heeft geluisterd naar wat de officier van justitie, mr. J.A. Zwinkels, en wat de verdachte en haar advocaat, mr. J. Kleiman, op de zitting hebben gezegd.
1. Tenlastelegging
De verdachte wordt ervan beschuldigd dat zij op 7 augustus 2025 in zorginstelling Parnassia in Castricum haar matras in brand heeft gestoken, waardoor gevaar voor de andere spullen in de kamer en het gebouw én gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en levensgevaar voor de andere bewoners en medewerkers van de zorginstelling is ontstaan.
De hele tenlastelegging zit als bijlage achter dit vonnis.
2. Voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd van de zaak kennis te nemen.
De officier van justitie is ontvankelijk.
Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
3. Beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie vindt dat kan worden bewezen dat de verdachte opzettelijk (expres) brand heeft gesticht en dat daardoor gevaar voor goederen en zwaar lichamelijk letsel voor personen is ontstaan.
Het standpunt van de verdediging
De advocaat vraagt vrijspraak, omdat de verdachte niet opzettelijk brand heeft gesticht. Zij is alleen onvoorzichtig geweest en in slaap gevallen met een sigaret. Daardoor is de brand ontstaan. De advocaat laat de rechtbank oordelen over het overige.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank ziet voldoende bewijs voor het opzettelijk brand stichten.
Als dat volgens de wet nodig is, zal de rechtbank later apart opschrijven wat het bewijs is.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, nu
zij op 7 augustus 2025 te Castricum opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met een matras, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten de overige goederen in de kamer en in het pand, en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor personen, te weten voor de medebewoners en medewerkers van de zorginstelling Parnassia te duchten was.
Wat verder in de tenlastelegging staat, is niet bewezen. Daarvan wordt de verdachte vrijgesproken.
4. Kwalificatie en strafbaarheid van het feit
In de wet heet het bewezenverklaarde:
opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is.
Er zijn geen redenen dat de verdachte haar matras in brand mocht steken. Met andere woorden, er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is daarom strafbaar.
5. Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen redenen dat de verdachte hiervoor geen straf zou kunnen krijgen. Met andere woorden, er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
6. Motivering van de sanctie
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft aan de rechtbank gevraagd om de verdachte 380 dagen naar de gevangenis te sturen. De tijd dat de verdachte al vastzit (op de dag van de zitting: 286 dagen) gaat daarvan af. Van die 380 dagen kunnen 60 dagen voorwaardelijk worden opgelegd. Dat betekent dat de verdachte die 60 dagen alleen hoeft uit te zitten als zij zich niet aan de voorwaarden houdt. Een voorwaarde is dat de verdachte zich laat behandelen. Dat moet eerst in een kliniek en kan later buiten een kliniek. Ook moet zij na de kliniek gaan wonen bij een instelling voor begeleid wonen. En zij moet zich melden bij de reclassering. De voorwaarden gelden drie jaar lang.
Het standpunt van de verdediging
De advocaat wenst dat de verdachte niet langer vast hoeft te zitten, maar een behandeling krijgt. De verdachte zegt dat zij wil meewerken aan de voorwaarden.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank kijkt voor de straf onder andere naar
wat de verdachte heeft gedaan en hoe erg dat is;
de persoonlijke situatie van de verdachte en haar strafblad;
de rapporten van de deskundigen;
hoe kan worden voorkomen dat de verdachte nog een keer een strafbaar feit pleegt.
Wat heeft de verdachte gedaan en hoe erg is dat?
De verdachte heeft op 7 augustus 2025 ‘s nachts brandgesticht in haar kamer in zorginstelling Parnassia. Door de brand was de kamer zwart van het roet. Ook ontstond gevaar voor andere bewoners en personeel van Parnassia. Zij hadden ernstig gewond kunnen raken. Voor de veiligheid moest iedereen het gebouw verlaten. Het had veel erger kunnen aflopen. Brandstichting is dus ernstig en gevaarlijk.
Het strafblad van de verdachte
Op het strafblad van de verdachte van 2 oktober 2025 staat alleen deze zaak.
De rapporten van de deskundigen
De rechtbank heeft gekeken naar;
- het Pro Justitia rapport van 13 maart 2026, geschreven door [psychiater], psychiater en [psycholoog], GZ-psycholoog en
- een reclasseringsadvies van 7 mei 2026, geschreven door [reclasseringswerker].
Volgens de deskundigen heeft de verdachte een verstandelijke beperking, kan zij heel moeilijk om gaan met emoties en heeft zij psychose-achtige klachten. Toen zij de brand stichtte, kon zij haar boosheid niet anders regelen dan door haar matras in brand te steken en had zij niet goed door hoe ernstig het is om brand te stichten. De deskundigen adviseren dit de verdachte in sterk verminderde mate toe te rekenen. Haar sturingsmogelijkheden waren op dat moment beperkt. Dit betekent dat de verdachte niet kon bedenken dat haar handelen onrechtmatig (fout) was en zij haar gedrag niet kon aanpassen. De deskundigen denken dat de verdachte nog een keer brand zal stichten, als zij geen steun en behandeling krijgt. Het is nodig dat zij naar een kliniek gaat. Het beste is een SGLVG-instelling.
De reclassering is het eens met de deskundigen. De verdachte is zeer beperkt ontwikkeld in haar sociaal-emotioneel functioneren. Wanneer haar emoties extreem worden handelt zij zonder na te denken. De reclassering adviseert daarom de volgende voorwaarden aan een straf te verbinden:
- meldplicht bij de reclassering;
- opname in een zorginstelling;
- ambulante behandeling met een mogelijk kortdurende opname;
- verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang.
De rapporten zijn zorgvuldig gemaakt. De adviezen over de toerekenbaarheid zijn goed onderbouwd. De rechtbank is het eens met de deskundigen dat de brandstichting in sterk verminderde mate aan de verdachte kan worden toegerekend. Dit betekent dat het haar nauwelijks kan worden kwalijk genomen. De rechtbank houdt hier rekening mee in de straf.
De straf
Al met al vindt de rechtbank dat een gevangenisstraf van 380 dagen, waarvan 60 dagen voorwaardelijk, past bij de ernst van het feit en bij de verdachte. De tijd die de verdachte al in de gevangenis heeft gezeten wordt van de straf afgetrokken. Dit betekent dat de verdachte nog 27 dagen vast moet zitten. De rechtbank zal de bijzondere voorwaarden van de reclassering opleggen. De proeftijd zal drie jaar duren, omdat twee jaar niet genoeg is voor de zorg die nodig is.
Hoe kan worden voorkomen dat de verdachte nog een keer een strafbaar feit pleegt?
Zonder behandeling en begeleiding is de kans op herhaling groot. Het is dus belangrijk dat de verdachte vanuit de gevangenis meteen naar een kliniek of een overbruggingsplek gaat. De rechtbank doet deze uitspraak een week eerder dan normaal, zodat er meer tijd is om die plek te regelen. Ook zijn de voorwaarden dadelijk uitvoerbaar. Dit betekent dat de voorwaarden gelijk ingaan, ook als de verdachte in hoger beroep zou gaan.
7. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
artikel 14a, 14b, 14c en 157 Sr.
8. Beslissing
De rechtbank:
verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven;
verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt haar daarvan vrij;
bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert;
verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 380 [driehonderdtachtig] dagen;
beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 60 [zestig] dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van drie jaren;
bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
stelt als bijzondere voorwaarden dat:
de veroordeelde zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. Wanneer zij opgenomen is in een kliniek zal de reclassering haar daar bezoeken. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal contact met de veroordeelde opnemen voor de eerste afspraak;
de veroordeelde zich tijdens de duur van de proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt, laat opnemen in en behandelen door een kliniek die gespecialiseerd is in de behandeling van mensen met SGLVB (sterk gedragsgestoord licht verstandelijk beperkt) of een soortgelijke zorginstelling, dan wel een soortgelijke instelling ter overbrugging, te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie. De opname start zo spoedig mogelijk nadat de proeftijd is gestart en zodra de plaatsing mogelijk is. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op het ontwikkelen van emotieregulatievaardigheden bij mensen met SGLVB. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen
van de zorginstelling en de behandelaren. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, werkt de veroordeelde mee aan de indicatiestelling en plaatsing;
de veroordeelde zich gedurende de proeftijd laat behandelen door een instelling voor ambulante forensische zorg of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering en aansluitend op de klinische behandeling indien nodig, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken. Indien er sprake is van een zodanige verslechtering van de psychische toestand van de veroordeelde dat een kortdurende klinische opname voor stabilisatie/observatie/diagnostiek/crisisbehandeling noodzakelijk is, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een dergelijke kortdurende klinische opname voor de duur van maximaal zeven weken. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, nadat dit door de rechter is bevolen, laat
de veroordeelde zich opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die
verantwoordelijk is voor plaatsing. De veroordeelde wordt hiervoor aangemeld door de toezichthouder en in overleg met de behandelaar in de kliniek;
de veroordeelde gedurende de proeftijd en aansluitend op de klinische behandeling of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijft in instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start aansluitend op de klinische behandeling. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt. De veroordeelde wordt hiervoor aangemeld door de toezichthouder in overleg met de behandelaar in de kliniek;
geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, Sr toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van haar identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, Sr, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;
beveelt dat de op grond van artikel 14c gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14c, zesde lid, Sr uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van die voorlopige hechtenis gelijk wordt aan de duur van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door:
mr. C.H. de Jonge van Ellemeet, voorzitter,
mr. I.A. Groenendijk en mr. F.H.B. Budde, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. E. Saelens
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 26 mei 2026.
Bijlage I – de tenlastelegging
Zij op of omstreeks 7 augustus 2025 te Castricum opzettelijk brand heeft gesticht en/of een ontploffing teweeg heeft gebracht, door open vuur in aanraking te brengen met een matras, terwijl daarvan gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten de overige goederen in de kamer en/of in het pand, en/of levensgevaar/ gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor personen, te weten voor de medebewoners en medewerkers van de zorginstelling Parnassia te duchten was.