ECLI:NL:RBNHO:2026:5987

ECLI:NL:RBNHO:2026:5987

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 21-05-2026
Datum publicatie 27-05-2026
Zaaknummer 15/370955-24
Rechtsgebied Strafrecht; Strafprocesrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Alkmaar

Samenvatting

Jeugdstrafrecht. Medeplegen gewapende winkeloverval en afpersing. Eendaadse samenloop. Deels voorwaardelijke jeugddetentie en onvoorwaardelijke werkstraf.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie & Jeugd

Locatie Alkmaar

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken

Parketnummer: 15/370955-24 (P)

Uitspraakdatum: 21 mei 2026

Tegenspraak

Vonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting met gesloten deuren van 7 mei 2026 in de zaak tegen:

[de verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [plaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres] .

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, [officier van justitie] , en van wat naar voren is gebracht door de verdachte en zijn raadsman, mr. M.H.H. Meulemeesters, advocaat te Zeist, door [vertegenwoordiger van de raad] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de Raad), door [vertegenwoordiger van de jeugdreclassering] namens de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering (hierna te noemen: de jeugdreclassering) en door de vader van de verdachte.

Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van de vorderingen van de benadeelde partijen [de benadeelde partij 1] en [de benadeelde partij 2] (namens [winkel] ) en hetgeen ter toelichting daarop door hen is aangevoerd.

1. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

Feit 1 primair:

hij op of omstreeks 19 november 2024 te Den Helder tezamen en in vereniging met

een of meer anderen, althans alleen, een of meerdere mobiele telefoon's en/of een

laptop, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [winkel] , in elk

geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n)

heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,

terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of

bedreiging met geweld tegen [de benadeelde partij 3] en/of [de benadeelde partij 4] en/of [de benadeelde partij 5] ,

gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te

maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan

het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te

verzekeren, door een vuurwapen op de in de winkel aanwezige personen te richten

en/of te roepen: "overval, overval, waar is de kluis" en/of tegen die [de benadeelde partij 3] te

roepen: "Ik schiet je in de je been" en/of "Waar is de laptop" en/of de vitrines kapot

te slaan;

Feit 1 subsidiair:

[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] op of omstreeks 19 november 2024 te Den

Helder,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

een of meerdere mobiele telefoon's en/of een laptop, in elk geval enig goed, dat/die

geheel of ten dele aan [winkel] , in elk geval aan een ander dan aan die [medeverdachte 1]

en/of [medeverdachte 2] en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft

weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, welke

diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld of bedreiging met

geweld tegen [de benadeelde partij 3] en/of [de benadeelde partij 4] en/of [de benadeelde partij 5] , gepleegd met het

oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij

betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of andere deelnemers aan dat misdrijf

hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren

door en vuurwapen op de in de winkel aanwezige personen te richten en/of te

roepen: "overval, overval, waar is de kluis" en/of tegen die [de benadeelde partij 3] te roepen:

"Ik schiet je in de je been" en/of "Waar is de laptop" en/of de vitrines kapot te slaan

bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 19 november

2024 te Den Helder opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk

gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door het vervoer van en

naar Den Helder te verzorgen;

Feit 2 primair: hij op of omstreeks 19 november 2024 te Den Helder tezamen en in vereniging met

een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander

wederrechtelijk te bevoordelen

door geweld en/of bedreiging met geweld [de benadeelde partij 3] heeft gedwongen tot de

afgifte van een geldbedrag en/of mobiele telefoon's (merk Samsung Galaxy S22

en/of Iphone 14 pro), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [winkel]

en/of een derde toebehoorde(n)

door een vuurwapen op de in de winkel aanwezige personen te richten en/of te

roepen: "overval, overval, waar is de kluis" en/of tegen die [de benadeelde partij 3] te roepen:

"Ik schiet je in de je been" en/of "Waar is de laptop" en/of de vitrines kapot te slaan;

Feit 2 subsidiair: [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] op of omstreeks 19 november 2024 te Den Helder,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het

oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld

en/of bedreiging met geweld [de benadeelde partij 3] heeft gedwongen tot de afgifte van en

geldbedrag en/of mobiele telefoon's (merk Samsung Galaxy S22 en/of Iphone 14

pro), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [winkel] en/of

een derde toebehoorde(n), door een vuurwapen op de in de winkel aanwezige

personen te richten en/of te roepen: "overval, overval, waar is de kluis" en/of tegen

die [de benadeelde partij 3] te roepen: "Ik schiet je in de je been" en/of "Waar is de laptop"

en/of de vitrines kapot te slaan

bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 19 november

2024 te Den Helder, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk

gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft door het vervoer van en

naar Den Helder te verzorgen.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde feiten, te weten het medeplegen van diefstal met (bedreiging van) geweld en het medeplegen van afpersing.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van wat hem onder de feiten 1 en 2 primair ten laste is gelegd, nu zijn handelen van onvoldoende gewicht is om te kunnen spreken van medeplegen.

De verdediging heeft zich ten aanzien van de bewezenverklaring van de medeplichtigheid van de verdachte onder feit 1 subsidiair en feit 2 subsidiair gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt, anders dan door de verdediging is bepleit, tot bewezenverklaring van de onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde feiten op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat.

Bewijsmotivering

De rechtbank stelt allereerst vast dat de medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] de feitelijke uitvoerders zijn geweest van de overval op [winkel] . De verdachte heeft op de zitting verklaard dat hij bij deze overval betrokken is geweest, maar alleen in die zin dat hij het vervoer en de routes heeft geregeld.

De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is wat precies de betrokkenheid van de verdachte is geweest en of deze zodanig was dat kan worden gesproken van een voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De rechtbank stelt in dit kader het volgende vast.

Uit het dossier en wat op de zitting is besproken volgt dat de vier verdachten op 19 november 2024 in een blauwe [automerk] van [medeverdachte 3] (verder: [medeverdachte 3] ), zijnde de neef van de verdachte, naar [winkel] in Den Helder zijn gereden. De verdachte heeft zijn neef benaderd voor het vervoer, omdat hij een auto en een rijbewijs had. Samen hebben zij op de ochtend van 19 november 2024 de medeverdachten die de overval daadwerkelijk hebben uitgevoerd, [medeverdachte 2] (verder: [medeverdachte 2] ) en [medeverdachte 1] (verder: [medeverdachte 1] ), opgehaald in Purmerend en zijn ze met z’n allen naar Den Helder gereden.

Tijdens de overval op [winkel] droegen de overvallers regenpakken en bivakmutsen. Bij de overval is gebruik gemaakt van een wapen waarmee meerdere personen zijn bedreigd en een hamer om de vitrines kapot te slaan. Na de overval zijn de medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] op een scooter gevlucht en teruggereden naar een door de verdachte bepaalde plek in Den Helder, waar de auto stond te wachten. De tas met de buit is in de auto gegooid waarna de auto, met daarin de verdachte en [medeverdachte 3] , is weggereden. Kort na de overval zijn de verdachte en [medeverdachte 3] samen in de auto, met daarin de tas met een deel van de buit, aangehouden.

De verdachte heeft steeds verklaard niets te weten van de overval. Eerst op de inhoudelijke zitting heeft hij verklaard toch enige betrokkenheid te hebben gehad, slechts bestaande uit het regelen van routes en vervoer door zijn neef. De rechtbank acht de verklaring van de verdachte op dit punt niet geloofwaardig en overweegt daartoe het volgende.

De medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] hebben beide verklaard dat het de verdachte was die hen benaderde om de overval te plegen. Zij verklaren -samengevat- over een Snapchat gesprek waarin dit aan hen is gevraagd en een gesprek in Purmerend, een paar dagen voor de overval, waarin de verdachte aan hen vertelde wat er zou gebeuren en wat hun rol zou zijn.

De ochtend van de overval zijn zij in Purmerend opgehaald door de verdachte en [medeverdachte 3] en naar Den Helder gereden. De scooter en de andere spullen die gebruikt zijn bij de overal en die in de auto lagen, waren geregeld door de verdachte. In de auto, vlak voor de overval, hebben [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] gezegd dat ze het niet meer wilden doen, maar omdat zij door de verdachte onder druk zijn gezet hebben zij het toch gedaan. Zij zouden voor het plegen van de overval ieder 5000 euro krijgen.

Ondanks dat door (met name) medeverdachte [medeverdachte 2] wisselend is verklaard, in die zin dat hij een eerdere bekentenis tot twee keer toe heeft ingetrokken voordat hij uiteindelijk definitief heeft bekend, ziet de rechtbank geen reden om te twijfelen aan de verklaringen. Anders dan de verdachte hebben de medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] hun verklaringen afgelegd voordat zij kennis hadden genomen van het (gehele) dossier. Bovendien verklaren zij in hun laatste verklaringen van mei 2025 gelijkluidend. Ook is de uiteindelijke bekentenis van [medeverdachte 2] op essentiële punten gelijk aan zijn eerdere bekentenissen. De rechtbank acht voor de betrouwbaarheid van de verklaringen van de twee medeverdachten verder van belang dat zij ook belastend verklaren over zichzelf en er dus geen belang bij hebben om over de betrokkenheid van de verdachte niet kloppend te verklaren. Bovendien vinden de verklaringen van de medeverdachten ondersteuning in de overige inhoud van het dossier.

De rechtbank wijst in dit verband op het historisch telefoononderzoek waaruit onder meer blijkt van meerdere belcontacten via Snapchat tussen de verdachte en [medeverdachte 1] in de ochtend voorafgaand aan de overval en een snapchatgesprek van 19 november 2024 om 00.30 uur ‘s nachts tussen hen waarin wordt gesproken over ‘Torie morgen’, een ‘masker’ en een ‘driver’. Ook blijkt uit een Snapchatgesprek van 19 november 2024 rond 07.00 uur in de ochtend dat door [medeverdachte 1] een foto van een vuurwapen is gedeeld waarop [medeverdachte 2] vraagt of “die van [naam] is”. Hieruit blijkt dat zij beide bekend zijn met “ [naam] ”.

Uit de telefoon van de verdachte blijkt verder dat er door hem gezocht is naar [winkel] in Den Helder en er al in de nacht voorafgaand aan de overval printscreens zijn gemaakt van verschillende routes in Den Helder naar en vanaf [winkel] . Deze afbeeldingen zijn door hem nog op de dag van de overval uit zijn telefoon verwijderd.

Tot slot is in de auto een bonnetje van de aankoop van regenpakken aangetroffen en is vastgesteld dat het DNA van de verdachte is aangetroffen op de hamer en de tas die gebruikt zijn bij de overval. De verdachte heeft voor deze belastende omstandigheden geen ontzenuwende verklaring gegeven. Desgevraagd heeft de verdachte op concrete vragen van de rechtbank over (bijvoorbeeld) het verkrijgen van de scooter, welk bedrag hij voor de overval zou krijgen, de inhoud van de Snapchatgesprekken en het hard wegrijden met de auto nadat de medeverdachten de tas met buit hierin hadden gegooid, geen antwoord kunnen of willen geven.

Opvallend is verder dat de verdachte bij zijn aanhouding door de politie zijn telefoon in het water gooit. De verdachte verklaart hierover dat hij zijn telefoon liet vallen, maar uit het proces-verbaal van de politie blijkt anders.

Gelet op alle voornoemde feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte volledige wetenschap had van de overval en de wijze waarop deze plaats zou vinden. De verdachte heeft daarbij niet alleen een faciliterende maar ook een organisatorische rol gehad en de overval (mede) geïnitieerd.

Hoewel de verdachte zelf geen uitvoeringshandelingen heeft verricht tijdens de overval is er gezien de intensiteit van de samenwerking en de rol van de verdachte bij zowel de voorbereiding als de afwikkeling sprake van handelingen van een zodanig gewicht en organisatorisch cruciaal belang dat kan worden gesproken van medeplegen.

Tot slot overweegt de rechtbank dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat het bij de overval gebruikte wapen een vuurwapen betreft. Uit het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant] van 20 november 2024 (dossierpagina’s 174 tot en met 180) blijkt dat het gaat om een imitatievuurwapen wat een sterke gelijkenis heeft met een vuistvuurwapen en voor afdreiging geschikt is. De rechtbank gaat bij de bewezenverklaring daarom uit van een wapen en niet van een vuurwapen. Dit doet niets af aan de mate van afdreiging.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder feit 1 en 2 primair ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat

Feit 1 primair:

hij op 19 november 2024 te Den Helder tezamen en in vereniging met anderen meerdere mobiele telefoons en een laptop, die aan [winkel] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om deze zich wederrechtelijk toe te eigenen,

terwijl deze diefstal werd vergezeld van bedreiging met geweld tegen [de benadeelde partij 1] en [de benadeelde partij 4] en [de benadeelde partij 5] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te

maken door een wapen op de in de winkel aanwezige personen te richten en te roepen: "overval, overval, waar is de kluis" en tegen die [de benadeelde partij 1] te roepen: "Ik schiet je in je been" en "Waar is de laptop" en de vitrines kapot te slaan;

Feit 2 primair: hij op 19 november 2024 te Den Helder tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [de benadeelde partij 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag en mobiele telefoons (merk Samsung Galaxy S22 en Iphone 14 pro), die aan die [winkel] toebehoorden, door een wapen op de in de winkel aanwezige personen te richten en te

roepen: "overval, overval, waar is de kluis" en tegen die [de benadeelde partij 1] te roepen: "Ik schiet je in je been" en "Waar is de laptop" en de vitrines kapot te slaan.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

De eendaadse samenloop van:

Feit 1 primair: diefstal, vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, gepleegd door twee of meer verenigde personen

en

Feit 2 primair: afpersing, gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is daarom strafbaar.

5. Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is daarom strafbaar.

6. Motivering van de sancties

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van twaalf (12) maanden, waarvan vier (4) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee (2) jaren met een contactverbod met de medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] als bijzondere voorwaarde en met aftrek van de tijd die de verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit de verdachte te veroordelen tot een werkstraf, eventueel in combinatie met een jeugddetentie die wat betreft de duur van het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan het voorarrest. Wat betreft de op te leggen bijzondere voorwaarden heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sancties die aan de verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.

De aard en ernst van de feiten De verdachte heeft zich samen met de medeverdachten schuldig gemaakt aan het medeplegen van een gewapende overval op de [winkel] in Den Helder. Tijdens deze overval droegen de uitvoerders gezichtsbedekkende kleding. Eén van de uitvoerders heeft met een hamer de vitrines stukgeslagen om zo goederen te kunnen wegnemen, terwijl de andere uitvoerder met een wapen de personen in de winkel heeft bedreigd en de medewerker van de winkel heeft gedwongen om onder meer het geld uit de kassa aan hem af te geven. De verdachte heeft daarbij niet alleen een faciliterende maar ook een organisatorische rol gehad en de overval (mede) geïnitieerd. Het is algemeen bekend dat een gewapende overval voor slachtoffers een zeer nare ervaring is, waarvan zij nog lang last kunnen hebben. Dit blijkt ook uit de verklaringen van de aanwezige slachtoffers, waaronder een minderjarige stagiair. In de door een van de slachtoffers ingediende vordering tot schadevergoeding wordt onder meer aangegeven dat de overval nog altijd een diepgaande en blijvende impact op zijn dagelijks functioneren heeft. Zijn werkplek, die veilig zou moeten voelen, roept bij hem nu juist structureel spanning en angst op. Overvallen leiden daarnaast ook tot gevoelens van onveiligheid en angst in de samenleving in het algemeen, zeker nu de overval op klaarlichte dag heeft plaatsgevonden. Voorts brengt een feit als het onderhavige overlast met zich mee voor de betrokken winkel. De verdachte heeft op geen enkele wijze rekening gehouden met deze gevolgen en met zijn handelen laten zien slechts oog te hebben gehad voor zijn persoonlijke belangen en financieel gewin. De rechtbank rekent dit de verdachte zwaar aan.

Persoon van de verdachte

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- het op naam van de verdachte staande Uittreksel Justitiële Documentatie van 30 maart 2026, waaruit enerzijds blijkt dat hij niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld maar ook dat hij ten tijde van het begaan van onderhavige feiten in een proeftijd liep van een voorwaardelijk opgelegd sepot, en

- het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport van 13 april 2026, opgesteld door [raadsonderzoeker] , raadsonderzoeker van de Raad, waarin wordt geadviseerd om in geval van een veroordeling de verdachte een deels voorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf op te leggen.

De op te leggen straffen

Gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de door de rechtspraak gehanteerde oriëntatiepunten voor jeugdigen voor dit soort feiten, is de rechtbank van oordeel dat in beginsel geen andere straf op zijn plaats is dan een onvoorwaardelijke jeugddetentie. Echter gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte acht de rechtbank, anders dan door de officier van justitie is gevorderd, oplegging van een onvoorwaardelijke jeugddetentie langer dan de tijd die de verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht niet op zijn plaats. De rechtbank zal daarom de jeugddetentie in een deels voorwaardelijke vorm aan de verdachte opleggen.

De rechtbank overweegt daartoe dat uit de raadsrapportage en wat op de zitting is besproken blijkt dat de verdachte in de schorsingsperiode hard aan zichzelf heeft gewerkt en een positieve en stabiele ontwikkeling heeft laten zien. Gezien wordt dat hij intrinsiek gemotiveerd is om aan een betere toekomst te werken. Zo heeft hij zinvolle dagbesteding in de vorm van opleiding en werk en een positieve vrijetijdsbesteding. Ook beheerst hij voldoende vaardigheden die passend zijn bij zijn leeftijd, waardoor hij in staat is om in moeilijke situaties goede oplossingen te bedenken. Verder is het hem gelukt om afstand te nemen van het antisociale netwerk waarin hij zich bevond en is hij sinds de schorsing niet meer in aanraking gekomen met de politie.

Gelet op deze positieve lijn en het grote belang dat deze ontwikkeling van de verdachte niet wordt doorbroken, is de rechtbank van oordeel dat het onwenselijk is dat hij zou moeten terugkeren naar de jeugdgevangenis. Hierbij heeft de rechtbank ook laten meewegen dat de verdachte 25 dagen in voorarrest heeft gezeten en zich daarna lange tijd aan meerdere ingrijpende schorsingsvoorwaarden, waaronder een locatiegebod en elektronisch toezicht (enkelband), heeft moeten houden. Ook heeft de rechtbank in het voordeel van de verdachte meegenomen dat er inmiddels anderhalf jaar is verstreken sinds het plegen van de winkeloveral en daardoor de redelijke termijn van berechting in zijn strafzaak is overschreden. De rechtbank zal het onvoorwaardelijke gedeelte van de jeugddetentie daarom gelijkstellen aan de tijd die de verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht.

Tot slot ziet de rechtbank in de ernst van de bewezenverklaarde feiten aanleiding om ook een forse onvoorwaardelijke werkstraf op te leggen. De rechtbank overweegt daartoe het van belang te vinden dat de verdachte de directe gevolgen van zijn handelen ondervindt door, naast zijn werk en opleiding, tijd te besteden aan het verrichten van onbetaalde arbeid. Bij het bepalen van de hoogte van deze werkstraf heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de verdachte niet alleen een organisatorische maar ook een initiërende rol bij de gewapende winkeloverval heeft gehad. Ook rekent de rechtbank het de verdachte aan dat hij niet de volledige verantwoordelijkheid voor zijn handelen heeft willen nemen.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een jeugddetentie voor de duur van 180 dagen moet worden opgelegd met aftrek van de tijd die de verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. De rechtbank zal bepalen dat een gedeelte daarvan, groot 155 dagen, vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en daaraan een proeftijd verbinden van twee (2) jaren, om de verdachte te weerhouden zich voor het einde van de proeftijd opnieuw schuldig te maken aan een strafbaar feit. Gezien de verhoudingen tussen de verdachte en medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] voorafgaand, tijdens en ook ruim na de winkeloverval, acht de rechtbank daarbij een contactverbod met hen noodzakelijk. Een dergelijk verbod zal als bijzondere voorwaarde aan het voorwaardelijk deel van de op te leggen straf worden verbonden. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat een werkstraf van 200 uren moet worden opgelegd.

7. Vorderingen benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregel

[de benadeelde partij 1]

De benadeelde partij [de benadeelde partij 1] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 1.500,- ingediend tegen de verdachte wegens immateriële schade die hij als gevolg van de ten laste gelegde feiten zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft het standpunt ingenomen dat de vordering volledig en hoofdelijk kan worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich ten aanzien van deze vordering gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank

Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106, sub b, van het Burgerlijk Wetboek (BW) mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.

Uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon.

In dit geval is naar het oordeel van de rechtbank sprake van zo’n uitzonderlijke situatie, zodat de benadeelde partij recht heeft op vergoeding van immateriële schade. De benadeelde partij heeft tijdens de overval een wapen op zich gericht gekregen waarvan hij dacht dat het een echt wapen was en er werd bovendien gedreigd hem daarmee in zijn been te schieten. Mede gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend, is de rechtbank van oordeel dat de gevraagde vergoeding billijk is.

De vordering zal dan ook worden toegewezen zoals verzocht, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 19 november 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. Daarbij zal de rechtbank bepalen dat indien (een van de) medeverdachten dit bedrag geheel of gedeeltelijk (heeft) hebben betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd. Daarnaast dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder feit 1 primair en feit 2 primair bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: het medeplegen van diefstal met bedreiging van geweld en het medeplegen van afpersing] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

[de benadeelde partij 2] (namens [winkel] )

De benadeelde partij [de benadeelde partij 2] heeft namens [winkel] een vordering tot schadevergoeding ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van de ten laste gelegde feiten zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.

De gestelde materiële schade bestaat uit:

- vitrines à € 3.000,- tot € 5.000,-;- een kassasysteem à € 500,- tot € 1.000,- en- een rolluik à € 3.000,- tot € 5.000,-.

Als immateriële schade is vermeld: schade, reputatieverlies.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft het standpunt ingenomen dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering wegens gebrek aan onderbouwing.

Het standpunt van de verdediging

Ook de verdediging heeft bepleit de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering, nu niet duidelijk is of [de benadeelde partij 2] gemachtigd is om de schade namens [winkel] te vorderen. Daarnaast is de vordering op geen enkele wijze onderbouwd.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank verklaart de benadeelde partij [de benadeelde partij 2] niet-ontvankelijk in de vordering, nu de vordering niet op de door de wet voorgeschreven wijze is ingediend, nu uit de stukken niet is gebleken dat [de benadeelde partij 2] bevoegd was om namens [winkel] een vordering tot schadevergoeding in te dienen. Bovendien is de vordering onvoldoende onderbouwd.

De benadeelde partij kan desgewenst de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikel 36f, 55, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

9. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 180 (honderdtachtig) dagen.

Beveelt dat van deze jeugddetentie een gedeelte, groot 155 (honderdvijfenvijftig) dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van 2 (twee) jaren.

Stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde:

- op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [medeverdachte 2] (geboren op [geboortedatum] ) en [medeverdachte 1] (geboren op [geboortedatum] ), voor de duur van maximaal 1 (een) jaar.

Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Veroordeelt de verdachte tot het verrichten van 200 (tweehonderd) uren taakstraf in de vorm van een werkstraf, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 100 (honderd) dagen jeugddetentie.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [de benadeelde partij 1] geleden schade tot een bedrag van € 1.500,- (vijftienhonderd euro), bestaande uit immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 19 november 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [de benadeelde partij 1] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door (een van) de medeverdachten is betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [de benadeelde partij 1] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.500,- (vijftienhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 19 november 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 0 (nul) dagen gijzeling, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.

Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens (een van) de medeverdachten aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, de verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij [de benadeelde partij 2] (namens [winkel] ) niet-ontvankelijk in de vordering.

Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.M. van Weely, voorzitter, tevens kinderrechter,

mr. N. Cuvelier, kinderrechter, en mr. J.J. Veldheer, rechter,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. E.R. Mol,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 21 mei 2026.

mr. Veldheer is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. M.M. van Weely
  • mr. J.J. Veldheer

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand