ECLI:NL:RBNHO:2026:599

ECLI:NL:RBNHO:2026:599

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 22-01-2026
Datum publicatie 27-01-2026
Zaaknummer C/15/370725 / JU RK 25-1438
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Haarlem

Samenvatting

verlenging OTS; rechtbank onderschrijft perspectiefbesluit

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Haarlem

Zaaknummer: C/15/370725 / JU RK 25-1438

Datum uitspraak: 22 januari 2026

Beschikking van de meervoudige kamer over een verlenging ondertoezichtstelling

in de zaak van

de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Regio Amsterdam,

hierna te noemen: de GI,

gevestigd te Amsterdam,

over

[de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,

hierna te noemen: [de minderjarige] .

De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen: de moeder,

wonende in [plaats] ,

advocaat: mr. A. Vogelaar te Krommenie,

en

[de vader] ,

hierna te noemen: de vader,

wonende in [plaats] ,

hierna tezamen ook te noemen: de ouders.

1. Het verdere verloop van de procedure

De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

de beschikking de kinderrechter van deze rechtbank van 7 november 2025 en de daarin vermelde stukken;

het definitieve perspectiefbesluit met bijlagen van de GI van 28 november 2025, ingekomen bij de rechtbank op 12 december 2025;

de brief van de GI met bijlage van 23 december 2025, ingekomen bij de rechtbank op 24 december 2025.

Op 8 januari 2026 heeft de meervoudige kamer van de rechtbank de zitting met gesloten deuren voortgezet. Hierbij zijn verschenen en gehoord:

- de vader;

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat en ondersteund door twee medewerkers van de gemeente [gemeente] ;

- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] .

[de minderjarige] is in de gelegenheid gesteld om op 7 januari 2026 haar mening over het verzoek van de GI aan de kinderrechter kenbaar te maken. Hier heeft zij geen gebruik van gemaakt.

2. De feiten

[de minderjarige] is erkend door de vader.

De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .

[de minderjarige] verblijft bij haar vader.

Bij beschikking van de kinderrechter van 16 augustus 2024 is [de minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld tot 16 november 2024. Bij beschikking van 16 augustus 2024 is ook een machtiging verleend om [de minderjarige] met spoed uit huis te plaatsen bij de vader zonder gezag voor de duur van vier weken, waarbij het overige gedeelte van het verzoek is aangehouden. Bij beschikking van 29 augustus 2024 is het overige gedeelte van het verzoek toegewezen tot 16 november 2024.

Bij beschikking van de kinderrechter van 14 november 2024 is [de minderjarige] onder toezicht gesteld tot 14 november 2025. Bij diezelfde beschikking is een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] bij de vader zonder gezag verleend met ingang van

16 november 2024 tot 16 mei 2025. De machtiging tot uithuisplaatsing is bij beschikking van 27 mei 2025 verlengd tot 14 november 2025.

Bij beschikking van 7 november 2025 is de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] verlengd tot 14 februari 2026. Het verzoek is voor het overige aangehouden tot de zitting van de meervoudige kamer op 8 januari 2026, zodat deze zich kan buigen over het nog te nemen perspectiefbesluit.

Op 25 november 2025 heeft de GI een perspectiefbesluit genomen, inhoudende dat [de minderjarige] zal opgroeien bij de vader.

3. Het verzoek

De GI verzoekt het resterende deel van het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] toe te wijzen en het door de GI genomen perspectiefbesluit, inhoudende dat [de minderjarige] niet bij de moeder maar bij de vader verder zal opgroeien, te onderschrijven.

4. De standpunten van partijen

De GI

De moeder is gedurende langere periodes niet in staat geweest om [de minderjarige] een stabiele en voorspelbare verzorgingsbasis te bieden. In de periode voorafgaand aan de uithuisplaatsing signaleerden school en hulpverlening een onregelmatige verzorging en een gebrek aan structuur. Ook was sprake van middelengebruik en huiselijk geweld in aanwezigheid van [de minderjarige] . Na de uithuisplaatsing bleven deze zorgen rondom de moeder bestaan. Er bleef sprake van een negatieve sfeer, weinig gezamenlijke activiteiten en een gebrek aan structuur. Ook was het huis tijdens de contactmomenten niet op orde. De moeder reguleerde haar emoties nog altijd onvoldoende, ventileerde haar negatieve gevoelens over de vader in bijzijn van [de minderjarige] en had moeite om grenzen te stellen. Hoewel de moeder goede intenties toont en graag betrokken wil blijven, lukt het haar nog niet om haar ouderrol dusdanig in te vullen dat deze aansluit bij wat [de minderjarige] nodig heeft. Hulpverlening is herhaaldelijk stopgezet en veiligheidsafspraken worden niet nageleefd. [de minderjarige] ervaart geen voorspelbaarheid of een stabiel toekomstbeeld bij haar moeder. De GI vindt het noodzakelijk dat er duidelijkheid komt over waar [de minderjarige] zal opgroeien. De GI is dan ook van mening dat het opvoedperspectief bij moeder niet langer realistisch is. Sinds [de minderjarige] in augustus 2024 bij de vader is gaan wonen, is sprake van een duidelijke verbetering. De vader biedt [de minderjarige] veiligheid, voorspelbaarheid en emotionele beschikbaarheid. De opvoeding en verzorging bij vader zijn stabiel, voorspelbaar en toekomstgericht. Er is sprake van continuïteit, wat [de minderjarige] een helder en veilig toekomstperspectief biedt. De GI verzoekt de rechtbank daarom om het perspectiefbesluit te onderschrijven. Het hoofddoel daarbij is dat rust en duidelijkheid ontstaat, zodat alle partijen zich daarnaar kunnen voegen en de discussies zullen stoppen. Dit neemt niet weg dat een voortzetting van de lopende maatregelen ook bij onderschrijving van het perspectiefbesluit nog nodig is om regie te voeren in het contact tussen de ouders en het nemen van gezagsbeslissingen, het vormgeven en monitoren van het contact tussen de moeder en [de minderjarige] en om ervoor te zorgen dat de nodige hulpverlening wordt ingezet.

De moeder

De moeder vindt dat het perspectiefbesluit is gebaseerd op een onvolledig en onjuist beeld van haar als ouder. [de minderjarige] heeft een gelukkige jeugd bij haar gehad. De problematiek is ontstaan door externe stressfactoren, zoals de terugkeer van haar zoon, haar nieuwe relatie, de verhuizing en het gebrek aan steun van de vader. De moeder ervaart dat haar inzet en hulpvraag onvoldoende zijn erkend, dat zij geen eerlijke kans heeft gekregen om aan de opvoeding te werken en dat het beperkte, begeleide contact de band tussen haar en [de minderjarige] onnodig heeft verstoord. De moeder wil graag een correctie van onjuistheden, erkenning van haar kant van het verhaal en een opbouwend plan voor contactherstel. Volgens de moeder is dit ook de insteek geweest. Er werd immers gewerkt aan een plan van aanpak om toe te werken naar een co-ouderschapsregeling. Het verbaast de moeder dan ook dat de GI plotseling een perspectiefbesluit heeft genomen. De moeder voelt zich niet gehoord door de GI en ervaart dat hun betrokkenheid juist voor meer ruis en spanning zorgt. Ook laat de communicatie vanuit de GI te wensen over. De moeder zou graag zonder tussenkomst en bemoeienis van de GI samen met de vader en met verdere begeleiding van haar begeleiders vanuit de gemeente, waarmee de moeder een zeer goede constructieve samenwerkingsrelatie heeft opgebouwd, verder toewerken naar een co-ouderschapsregeling.

De vader

De vader heeft naar voren gebracht dat het goed gaat met [de minderjarige] in de thuissituatie bij hem en dat grote stappen zijn gezet sinds zij bij hem woont. [de minderjarige] is al aan het puberen, wat de thuissituatie niet altijd even makkelijk maakt. Van het goede contact van de vader met de GI, ervaart de vader in dit kader veel steun. De vader staat achter de verzoeken van de GI, inclusief het genomen perspectiefbesluit. De vader ziet ook dat het contact tussen [de minderjarige] en de moeder, dat reeds weer is opgestart, goed lijkt te verlopen. De vader kan achter een uitbreiding van dit contact staan, mits dit wordt begeleid. Wel heeft de vader het belang van de voortzetting van de ondertoezichtstelling benadrukt. Zowel hij als [de minderjarige] hebben nog steeds ondersteuning nodig in de thuissituatie en het is belangrijk dat de GI daarbij de regie blijft voeren. De vader ervaart daarnaast dat communicatie tussen hem en de moeder bijna niet mogelijk is, wat maakt dat verdere betrokkenheid van de GI ook in dat kader nog noodzakelijk is.

5. De verdere beoordeling

Ten aanzien van de ondertoezichtstelling

De rechtbank stelt voorop dat zij een moeder ziet die op haar manier haar best doet. De moeder voelt zich hierin niet gezien en gehoord. De rechtbank acht dat vervelend voor de moeder. De huidige situatie is echter dat [de minderjarige] ook op dit moment ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd. De concrete ontwikkelingsbedreiging is gelegen in het belaste verleden in de thuissituatie bij de moeder, als gevolg waarvan zij gedragsproblemen heeft ontwikkeld op verschillende leefgebieden. Ook de moeder zelf kampt met (multi-) problematiek, waaronder een belast verleden, middelengebruik, overbelasting en stress door financiën. Sinds de uithuisplaatsing van [de minderjarige] bij de vader, wordt gezien dat het beter gaat met [de minderjarige] . Er zijn diverse vormen van hulpverlening ingezet, waar zij bij gebaat lijkt te zijn. In de thuissituatie bij de moeder wordt echter nog steeds onveiligheid voor [de minderjarige] gezien. Zo houdt de moeder zich niet aan de afspraken tijdens de contactmomenten met [de minderjarige] en wordt [de minderjarige] nog steeds belast met volwassenproblematiek. Het contact tussen de moeder en [de minderjarige] vindt plaats onder begeleiding en kon vanwege de veiligheidszorgen niet uitgebreid worden. Daarnaast heeft als gevolg van een incident in oktober 2025 een periode helemaal geen contact plaatsgevonden tussen de moeder en [de minderjarige] , omdat [de minderjarige] daar zelf niet meer open voor stond. De hulpverlening die nodig is om de ontwikkelingsbedreiging van [de minderjarige] weg te nemen, wordt ook op dit moment onvoldoende door de moeder geaccepteerd. Ook belemmert de moeder beslissingen die rondom het gezag over [de minderjarige] genomen moeten worden. Zo hebben meerdere procedures bij de rechtbank plaatsgevonden in het kader van het verkrijgen van vervangende toestemmingen. Dit maakt dat de rechtbank van oordeel is dat de GI ook de komende periode als regievoerder bij [de minderjarige] betrokken moet blijven om ervoor te zorgen dat de nodige hulpverlening wordt in- en doorgezet. Aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is dan ook voldaan. De kinderrechter zal daarom het resterende deel van het verzoek van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling toewijzen.

De rechtbank ziet aanleiding om de ondertoezichtstelling, zoals ook verzocht door de GI, te verlengen tot 30 augustus 2026, zodat deze maatregel en de eventuele verlengingsverzoeken gelijktijdig lopen met de maatregelen van de broer van [de minderjarige] .

Ten aanzien van het perspectiefbesluit

Uit de uitspraak van de Hoge Raad van 1 september 2023 (ECLI:NL:HR:2023:1148) volgt dat de wet niet voorziet in een zelfstandige rechtsingang waarin een perspectiefbesluit als zodanig aan de rechter ter beoordeling kan worden voorgelegd. In deze uitspraak heeft de Hoge Raad echter ook overwogen dat de rechter een perspectiefbesluit wel zal moeten beoordelen indien dit noodzakelijk is in verband met beslissingen, maatregelen en verzoeken die (mede) voortvloeien uit of samenhangen met het standpunt van de GI over het opgroeiperspectief van de minderjarige. Dit is hier aan de orde bij de beoordeling van het verzoek tot verlenging van de machtiging uithuisplaatsing van [de minderjarige] . Hierna zal dan ook worden overgegaan tot het beoordelen van het perspectiefbesluit in het licht bezien van de door de GI verzochte verlenging van de machtiging uithuisplaatsing.

De verzorging en opvoeding van [de minderjarige] in de thuissituatie bij de moeder schiet al langere tijd tekort op diverse gebieden, zoals structuur, toezicht, hygiëne, emotionele stabiliteit en veiligheid. Met de GI is de verstandhouding ernstig verstoord, waardoor het de moeder niet lukt om met de GI samen te werken. Daardoor is het moeilijk om de benodigde hulpverlening, begeleiding en ondersteuning structureel bij de moeder in te zetten. Daar komt bij dat de moeder sterk wisselend is in haar houding ten opzichte van aangeboden hulp en ondersteuning. In de afgelopen jaren is het dan ook niet gelukt om tot een emotionele en fysieke duurzaam veilige opgroeiomgeving in de thuissituatie bij de moeder te komen. De moeder zet weliswaar stappen, zo heeft zij hulp van haar begeleiders van de gemeente [gemeente] , maar voldoende duidelijk is geworden dat het tijd zal kosten voordat de moeder in staat zal zijn om vanuit rust de juiste opvoedvaardigheden te hanteren en goed aan te sluiten bij de behoeftes van [de minderjarige] . [de minderjarige] woont inmiddels al bijna anderhalf jaar bij haar vader, waar zij het goed doet. De vader is intensief bij haar betrokken en [de minderjarige] zet bij de vader grote positieve stappen vooruit. Tijdens de zitting is duidelijk geworden dat het niet altijd even makkelijk is voor de vader, maar hij doet zijn best en met hulpverlening lukt het de vader om [de minderjarige] een positief en veilig thuis te bieden. Duidelijk is dat [de minderjarige] behoefte heeft aan zekerheid over haar perspectief. Het is dan ook niet in het belang van [de minderjarige] om te wachten op een mogelijke structurele en bestendige verandering bij de moeder.

De rechtbank acht het daarom net als de GI pedagogisch en ontwikkelingsgericht het meest verantwoord dat [de minderjarige] verder zal opgroeien bij haar vader. De rechtbank zal daarom het perspectiefbesluit van de GI onderschrijven.

6. De beslissing

De rechtbank:

verlengt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] tot 30 augustus 2026;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.K. Mireku, mr. C.E. Voskens en mr. M.H. Simons, kinderrechters, en in het openbaar uitgesproken op 22 januari 2026, in aanwezigheid van

mr. J.E. van Veen als griffier.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. A

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?