ECLI:NL:RBNHO:2026:6002

ECLI:NL:RBNHO:2026:6002

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 21-05-2026
Datum publicatie 27-05-2026
Zaaknummer 15/368593-24 (P)
Rechtsgebied Strafrecht; Strafprocesrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Alkmaar

Samenvatting

Medeplichtigheid aan gewapende winkeloverval en afpersing. Eendaadse samenloop. Geen ASR. Deels voorwaardelijke gevangenisstraf en onvoorwaardelijke werkstraf.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie & Jeugd

Locatie Alkmaar

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/368593-24 (P)

Uitspraakdatum: 21 mei 2026

Tegenspraak

Vonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 7 mei 2026 in de zaak tegen:

[de verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [plaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres[adres] .

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, [officier van justitie] , en van wat naar voren is gebracht door de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. D.E. de Boer, advocaat te Heerhugowaard.

Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van de vorderingen van de benadeelde partijen [de benadeelde partij 1] en [de benadeelde partij 2] (namens [winkel] ) en hetgeen ter toelichting daarop door hen is aangevoerd en ter zitting door hen naar voren is gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

Feit 1 primair: hij op of omstreeks 19 november 2024 te Den Helder tezamen en in vereniging met

een of meer anderen, althans alleen, een of meerdere mobiele telefoon's en/of een

laptop, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [winkel] , in elk

geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n)

heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,

terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of

bedreiging met geweld tegen [de benadeelde partij 3] en/of [de benadeelde partij 4] en/of [de benadeelde partij 5] ,

gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te

maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan

het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te

verzekeren, door een vuurwapen op de in de winkel aanwezige personen te richten

en/of te roepen: "overval, overval, waar is de kluis" en/of tegen die [de benadeelde partij 3] te

roepen: "Ik schiet je in de je been" en/of "Waar is de laptop" en/of de vitrines kapot

te slaan;

Feit 1 subsidiair:

[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] op of omstreeks 19 november 2024 te Den

Helder,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een of meerdere

mobiele telefoon's en/of een laptop, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten

dele aan [winkel] , in elk geval aan een ander dan aan die [medeverdachte 1] en/of

[medeverdachte 2] en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met

het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, welke diefstal werd

voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld of bedreiging met geweld tegen

[de benadeelde partij 3] en/of [de benadeelde partij 4] en/of [de benadeelde partij 5] , gepleegd met het oogmerk om

die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping

op heterdaad, aan zichzelf en/of andere deelnemers aan dat misdrijf hetzij de

vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren door en

vuurwapen op de in de winkel aanwezige personen te richten en/of te roepen:

"overval, overval, waar is de kluis" en/of tegen die [de benadeelde partij 3] te roepen: "Ik

schiet je in de je been" en/of "Waar is de laptop" en/of de vitrines kapot te slaan

bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 19 november

2024 te Den Helder opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk

gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door het vervoer van en

naar Den Helder te verzorgen;

Feit 2 primair:

hij op of omstreeks 19 november 2024 te Den Helder tezamen en in vereniging met

een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander

wederrechtelijk te bevoordelen

door geweld en/of bedreiging met geweld [de benadeelde partij 3] heeft gedwongen tot de

afgifte van een geldbedrag en/of mobiele telefoon's (merk Samsung Galaxy S22

en/of Iphone 14 pro), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die Used

Products en/of een derde toebehoorde(n)

door een vuurwapen op de in de winkel aanwezige personen te richten en/of te

roepen: "overval, overval, waar is de kluis" en/of tegen die [de benadeelde partij 3] te roepen:

"Ik schiet je in de je been" en/of "Waar is de laptop" en/of de vitrines kapot te slaan;

Feit 2 subsidiair:

[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] op of omstreeks 19 november 2024 te Den Helder,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het

oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld

en/of bedreiging met geweld [de benadeelde partij 3] heeft gedwongen tot de afgifte van en

geldbedrag en/of mobiele telefoon's (merk Samsung Galaxy S22 en/of Iphone 14

pro), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [winkel] en/of

een derde toebehoorde(n), door een vuurwapen op de in de winkel aanwezige

personen te richten en/of te roepen: "overval, overval, waar is de kluis" en/of tegen

die [de benadeelde partij 3] te roepen: "Ik schiet je in de je been" en/of "Waar is de laptop"

en/of de vitrines kapot te slaan

bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 19 november

2024 te Den Helder, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk

gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft door het vervoer van en

naar Den Helder te verzorgen.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het primair onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde medeplegen en bewezenverklaring van de subsidiair onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde medeplichtigheid aan de diefstal met (bedreiging van) geweld en aan de afpersing.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit dat de verdachte integraal dient te worden vrijgesproken van feit 1 en feit 2, nu de verdachte niet wist en ook niet had moeten vermoeden dat de medeverdachten een overval op [winkel] zouden plegen.

Oordeel van de rechtbank

Vrijspraak van feit 1 primair en feit 2 primair Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen wat de verdachte onder de feiten 1 en 2 primair ten laste is gelegd. De rechtbank gaat daarbij uit van de volgende feiten en omstandigheden.

De rechtbank stelt vast dat de medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] de uitvoerders waren van de overval op [winkel] . De verdachte is benaderd door zijn neef [medeverdachte 3] (verder: [medeverdachte 3] ) om de uitvoerders naar en vanaf Den Helder te vervoeren, omdat hij een rijbewijs en auto heeft. De verdachte heeft samen met zijn neef de medeverdachten in Purmerend opgehaald en naar Den Helder gebracht. Hij heeft hen afgezet op een vooraf bepaalde plek en vervolgens samen met [medeverdachte 3] op een andere, meer afgelegen plek op ze gewacht. Tot slot is de verdachte samen met [medeverdachte 3] na de overval en nadat één van de uitvoerders iets in de kofferbak van zijn auto had gelegd, hard weggereden.

De rechtbank overweegt dat deze bijdrage van de verdachte op zichzelf van onvoldoende gewicht is om van een voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking te spreken. De rechtbank zal de verdachte dan ook vrijspreken van het medeplegen van de diefstal met (bedreiging van) geweld en het medeplegen van afpersing.

Redengevende feiten en omstandigheden ten aanzien van feit 1 subsidiair en feit 2 subsidiair

De rechtbank komt, anders dan door de verdediging is betoogd, wel tot bewezenverklaring van de onder 1 subsidiair en 2 subsidiair ten laste gelegde feiten, op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat.

Bewijsmotivering

De rechtbank acht de hiervoor aangegeven betrokkenheid van de verdachte wel voldoende voor het oordeel dat hij medeplichtig is aan de overval en overweegt daartoe als volgt.

Voor een bewezenverklaring van medeplichtigheid is dubbel opzet vereist: het opzet van de verdachte moet niet alleen gericht zijn geweest op zijn handelingen als bedoeld in artikel 48 van het Wetboek van Strafrecht (de geboden hulp), maar ook op het door de daders gepleegde misdrijf (het gronddelict), in dit geval de overval op [winkel] .

De verklaring van de verdachte dat hij zijn neef vertrouwde en geen enkele wetenschap heeft gehad van de overval acht de rechtbank ongeloofwaardig. Daartoe overweegt de rechtbank dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] beiden hebben verklaard dat de verdachte op de hoogte was van het plan om de overval te plegen. Ondanks dat door (met name) medeverdachte [medeverdachte 2] wisselend is verklaard, in die zin dat hij een eerdere bekentenis tot twee keer toe heeft ingetrokken voordat hij uiteindelijk definitief heeft bekend, ziet de rechtbank geen reden om te twijfelen aan de verklaringen. De medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] hebben hun verklaringen afgelegd voordat zij kennis hadden genomen van het (gehele) dossier. Bovendien verklaren zij in hun laatste verklaringen van mei 2025 gelijkluidend. Ook is de uiteindelijke bekentenis van [medeverdachte 2] op essentiële punten gelijk aan zijn eerdere bekentenissen. De rechtbank acht voor de betrouwbaarheid van de verklaringen van de twee medeverdachten verder van belang dat zij ook belastend verklaren over zichzelf en er dus geen belang bij hebben om over de betrokkenheid van de verdachte niet kloppend te verklaren. Bovendien vinden de verklaringen van de medeverdachten ondersteuning in de overige inhoud van het dossier.

Daar komt bij dat uit het historisch telefoonoverzicht volgt dat de verdachte zowel in de nacht voorafgaand aan de overval als nadat hij door zijn neef [medeverdachte 3] was gevraagd om twee jongens naar Den Helder te brengen, een groot aantal keer op internet heeft gezocht naar “ [winkel] ” en “overval Den Helder”. Ook heeft hij enkele minuten na de gepleegde overval op het internet gezocht naar alarmeringen in Den Helder. Verder blijkt hieruit dat, terwijl de verdachte en [medeverdachte 3] in de auto op de medeverdachten aan het wachten zijn, [medeverdachte 3] die naar zeggen van de verdachte continu bij hem in de buurt is gebleven, kort voorafgaand aan de overval meermalen via Snapchat telefonisch contact heeft gehad met één van de medeverdachten. Vast staat verder dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] de overval met regenpakken en gezichtsbedekkende kleding hebben gepleegd. Deze kleding moet op de heenreis naar Den Helder in dan wel rondom de auto, en dus in aanwezigheid van de verdachte, zijn aangetrokken.

De verdachte heeft voor alle voornoemde feiten en omstandigheden geen concrete en meer of minder verifieerbare verklaring willen geven. Voor zover al sprake zou zijn van een alternatief scenario, zoals door de verdediging is geopperd, schuift de rechtbank dit als onaannemelijk terzijde nu dit verweer onvoldoende is onderbouwd en ook geen ondersteuning vindt in enig ander bewijsmiddel.

Gelet op het voorgaande gaat de rechtbank er dus van uit dat de verdachte op de hoogte was van de overval op [winkel] voordat deze plaatsvond en dat hij desondanks de medeverdachten naar Den Helder heeft vervoerd en is blijven vervoeren. Daarmee staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat de verdachte opzet heeft gehad op zowel het gronddelict als op het daarbij behulpzaam zijn. De rechtbank acht daarmee de medeplichtigheid van de verdachte wettig en overtuigend bewezen.

Tot slot overweegt de rechtbank dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat het bij de overval gebruikte wapen een vuurwapen betreft. Uit het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant] van 20 november 2024 (dossierpagina’s 174 tot en met 180) blijkt dat het gaat om een imitatievuurwapen wat een sterke gelijkenis heeft met een vuistvuurwapen en voor afdreiging geschikt is. De rechtbank gaat bij de bewezenverklaring daarom uit van een wapen en niet van een vuurwapen. Dit doet niets af aan de mate van afdreiging.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 subsidiair en 2 subsidiair ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat

Feit 1 subsidiair:

[medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] op 19 november 2024 te Den Helder tezamen en in vereniging met anderen meerdere mobiele telefoons en een laptop, die aan [winkel] toebehoorden, hebben weggenomen met het oogmerk om deze zich wederrechtelijk toe te eigenen, welke diefstal werd vergezeld van bedreiging met geweld tegen [de benadeelde partij 1] en [de benadeelde partij 4] en [de benadeelde partij 5] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken door een wapen op de in de winkel aanwezige personen te richten en te roepen: "overval, overval, waar is de kluis" en tegen die [de benadeelde partij 1] te roepen: "Ik schiet je in je been" en "Waar is de laptop" en de vitrines kapot te slaan,

bij het plegen van welk misdrijf verdachte op 19 november 2024 te Den Helder opzettelijk behulpzaam is geweest door het vervoer van en naar Den Helder te verzorgen;

Feit 2 subsidiair:

[medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] op 19 november 2024 te Den Helder tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [de benadeelde partij 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag en mobiele telefoons (merk Samsung Galaxy S22 en Iphone 14 pro), die aan die [winkel] toebehoorden, door een wapen op de in de winkel aanwezige personen te richten en te roepen: "overval, overval, waar is de kluis" en tegen die [de benadeelde partij 1] te roepen: "Ik schiet je in je been" en "Waar is de laptop" en de vitrines kapot te slaan,

bij het plegen van welk misdrijf verdachte op 19 november 2024 te Den Helder, opzettelijk behulpzaam is geweest door het vervoer van en naar Den Helder te verzorgen.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

De eendaadse samenloop van:

Feit 1 subsidiair: medeplichtigheid aan diefstal, vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, gepleegd door twee of meer verenigde personen

en

Feit 2 subsidiair: medeplichtigheid aan afpersing, gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is daarom strafbaar.

5. Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is daarom strafbaar.

6. Motivering van de sanctie

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twintig (20) maanden, waarvan tien (10) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee (2) jaren en met aftrek van de tijd die de verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft de rechtbank bij een bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten primair verzocht het adolescentenstrafrecht toe te passen. Ondanks het feit dat de verdachte meerderjarig is, was hij ten tijde van de strafbare feiten nog jong en woont hij nog thuis. Subsidiair heeft de verdediging bepleit bij de strafoplegging aansluiting te zoeken bij de straffen die aan de minderjarige medeverdachten worden opgelegd, gezien de vergelijkbare ontwikkelingsfase van de verdachte en zijn (beperkte) rol.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sancties die aan de verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.

De aard en ernst van de feiten De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan medeplichtigheid aan een gewapende overval op [winkel] . De verdachte heeft de uitvoerende medeverdachten naar Den Helder gereden, terwijl hij wist dat zij een overval zouden plegen. Tijdens deze overval waren de uitvoerders gekleed in gezichtsbedekkende kleding. Eén van de uitvoerders heeft met een hamer de vitrines stukgeslagen om zo goederen te kunnen wegnemen, terwijl de ander met een wapen de personen in de winkel heeft bedreigd en de medewerker van de winkel heeft gedwongen om onder meer het geld uit te kassa aan hem af te geven. Het is algemeen bekend dat een gewapende overval voor slachtoffers een zeer nare ervaring is, waarvan zij nog lang last kunnen hebben. Dit blijkt ook uit de verklaringen van de aanwezige slachtoffers, waaronder een minderjarige stagiair. In de door een van de slachtoffers ingediende vordering tot schadevergoeding wordt onder meer aangegeven dat de overval nog altijd een diepgaande en blijvende impact op zijn dagelijks functioneren heeft. Zijn werkplek, die veilig zou moeten voelen, roept bij hem nu juist structureel spanning en angst op. Overvallen leiden daarnaast ook tot gevoelens van onveiligheid en angst in de samenleving in het algemeen, zeker nu de overval op klaarlichte dag heeft plaatsgevonden. Voorts brengt een feit als het onderhavige overlast met zich mee voor de betrokken winkel. De verdachte heeft op geen manier rekening gehouden met de gevolgen van de winkeloverval. De rechtbank rekent dit de verdachte zwaar aan.

Persoon van de verdachte

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- het op naam van de verdachte staande Uittreksel Justitiële Documentatie van 30 maart 2026, waaruit blijkt dat hij niet eerder door de rechter is veroordeeld maar ook dat hij na het plegen van onderhavige feiten in een andere zaak door het CJIB een strafbeschikking opgelegd heeft gekregen, waardoor artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is, en

- het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport van 28 oktober 2025, opgesteld door [reclasseringsmedewerker] reclasseringsmedewerker van Reclassering Nederland unit Amsterdam Noord-West.

Geen adolescentenstrafrecht

De verdachte was ten tijde van het plegen van de bewezen verklaarde feiten ruim achttien jaar oud en dus meerderjarig. Ten aanzien van een jong volwassen verdachte die ten tijde van het begaan van het strafbare feit meerderjarig is, maar nog niet de leeftijd van drieëntwintig jaar heeft bereikt, kan het adolescentenstrafrecht worden toegepast indien omstandigheden gelegen in de persoon van de verdachte of omstandigheden waaronder het feit is begaan daartoe aanleiding geven.

De reclassering heeft geadviseerd het volwassenenstrafrecht toe te passen, omdat op grond van het Wegingskader Adolescentenstrafrecht geen (doorslaggevende) indicaties voor het toepassen van het jeugdstrafrecht aan de orde zijn. Zo lijkt/is geen sprake van beperkte handelingsvaardigden en staat de noodzaak tot pedagogische beïnvloeding niet op de voorgrond. Er zijn geen vermoedens van een licht verstandelijke beperking, continuering van de schoolgang is niet van toepassing en de verdachte vertoont ook geen kinderlijker gedrag dan men gezien zijn kalenderleeftijd zou verwachten.

Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding om het adolescentenstrafrecht toe te passen. Het enkele feit dat de verdachte nog jong is en thuis woont leidt, gelet op de overige in het advies genoemde factoren, niet tot een ander oordeel.

De op te leggen straffen

Gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de door de rechtspraak gehanteerde oriëntatiepunten voor dit soort feiten, is de rechtbank van oordeel dat in beginsel geen andere straf op zijn plaats is dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur. Echter gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte acht de rechtbank, anders dan door de officier van justitie is gevorderd, oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf langer dan de tijd die hij reeds in voorarrest heeft doorgebracht niet op zijn plaats. De rechtbank zal daarom de gevangenisstraf in een deels voorwaardelijke vorm aan de verdachte opleggen.

De rechtbank overweegt daartoe dat uit de reclasseringsrapportage en wat op de zitting is besproken volgt dat de verdachte zich positief ontwikkelt. Er zijn geen duidelijke risicofactoren ten aanzien van delictgedrag. Wel zijn er nog wat zorgen over zijn sociale netwerk, al lijkt de verdachte een persoon te zijn die niet (meer) ontvankelijk is voor negatieve beïnvloeding door anderen. Dit in combinatie met de diverse beschermende factoren, zoals zijn werk, houding en familie, maakt dat de reclassering de kans op herhaling als laag inschat. Zij geven aan dat de verdachte zich goed aan de schoringsvoorwaarden heeft gehouden en zich meewerkend en leergierig heeft opgesteld. Verder is hij sinds de schorsing niet meer in aanraking gekomen met de politie. De strafzaak heeft grote invloed gehad op het contact en de band met zijn moeder en familie. Verder is hij door de strafzaak zijn toenmalige baan kwijtgeraakt, waardoor zijn strafbare handelen ook financiële gevolgen heeft gehad.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het onwenselijk is dat de verdachte zou moeten terugkeren naar de gevangenis. Hierbij heeft de rechtbank ook laten meewegen dat de verdachte 18 dagen in voorarrest heeft gezeten en zich daarna lange tijd aan intensieve schorsingsvoorwaarden heeft moeten houden. Ook heeft de rechtbank in het voordeel van de verdachte laten meewegen dat hij nog jong is en er inmiddels anderhalf jaar is verstreken sinds het bewezenverklaarde. De rechtbank zal het onvoorwaardelijke gedeelte van de aan de verdachte op te leggen gevangenisstraf daarom gelijkstellen aan het al door hem uitgezeten voorarrest.

Tot slot ziet de rechtbank in de ernst van de bewezenverklaarde feiten aanleiding om ook een forse onvoorwaardelijke werkstraf op te leggen. De rechtbank overweegt daartoe het van belang te vinden dat de verdachte de directe gevolgen van zijn handelen ondervindt door, naast zijn werk en eventuele toekomstige opleiding, tijd te besteden aan het verrichten van onbetaalde arbeid. Bij het bepalen van de hoogte van deze werkstraf heeft de rechtbank enerzijds in aanmerking genomen dat de verdachte als medeplichtige een aanzienlijk kleinere rol in de gewapende winkeloverval heeft gehad dan de medeverdachten maar anderzijds dat hij – in tegenstelling tot de medeverdachten – volgens het volwassenenstrafrecht wordt berecht. Ook heeft de rechtbank meegewogen dat de verdachte niet de volledige verantwoordelijkheid voor zijn handelen heeft willen nemen.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen moet worden opgelegd met aftrek van de tijd die de verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. De rechtbank zal bepalen dat een gedeelte daarvan, groot 162 dagen, vooralsnog niet ten uitvoer wordt gelegd en daaraan een proeftijd verbinden van twee (2) jaren, om de verdachte te weerhouden zich voor het einde van de proeftijd opnieuw schuldig te maken aan een strafbaar feit. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat een werkstraf van 200 uren moet worden opgelegd.

7. Vorderingen benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregel

[de benadeelde partij 1]

De benadeelde partij [de benadeelde partij 1] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 1.500,- ingediend tegen de verdachte wegens immateriële schade die hij als gevolg van de ten laste gelegde feiten zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft het standpunt ingenomen dat de vordering volledig en hoofdelijk kan worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering, nu deze onvoldoende is onderbouwd.

Het oordeel van de rechtbank

Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106, sub b, van het Burgerlijk Wetboek (BW) mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.

Uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon.

In dit geval is naar het oordeel van de rechtbank sprake van zo’n uitzonderlijke situatie, zodat de benadeelde partij recht heeft op vergoeding van immateriële schade. De benadeelde partij heeft tijdens de overval een wapen op zich gericht gekregen waarvan hij dacht dat het een echt wapen was en er werd bovendien gedreigd hem daarmee in zijn been te schieten. Mede gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend, is de rechtbank van oordeel dat de gevraagde vergoeding billijk is.

De vordering zal dan ook worden toegewezen zoals verzocht, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 19 november 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. Daarbij zal de rechtbank bepalen dat indien (een van de) medeverdachten dit bedrag geheel of gedeeltelijk (heeft) hebben betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd. Daarnaast dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder feit 1 subsidiair en feit 2 subsidiair bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: het medeplichtig zijn aan diefstal met bedreiging van geweld en het medeplichtig zijn aan afpersing] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

[de benadeelde partij 2] (namens [winkel] )

De benadeelde partij [de benadeelde partij 2] heeft namens [winkel] een vordering tot schadevergoeding ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van de ten laste gelegde feiten zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.

De gestelde materiële schade bestaat uit:

- vitrines à € 3.000,- tot € 5.000,-;- een kassasysteem à € 500,- tot € 1.000,- en- een rolluik à € 3.000,- tot € 5.000,-.

Als immateriële schade is vermeld: schade, reputatieverlies.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft het standpunt ingenomen dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering wegens gebrek aan onderbouwing.

Het standpunt van de verdediging

Ook de verdediging heeft bepleit de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering, nu ter terechtzitting duidelijk is geworden dat [de benadeelde partij 2] niet bevoegd is om de schade namens [winkel] te vorderen. Daarnaast is de vordering op geen enkele wijze onderbouwd.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank verklaart de benadeelde partij [de benadeelde partij 2] niet-ontvankelijk in de vordering, nu de vordering niet op de door de wet voorgeschreven wijze is ingediend. Door de benadeelde is op de zitting aangegeven dat hij niet bevoegd is om namens [winkel] een vordering tot schadevergoeding in te dienen. Bovendien is de vordering onvoldoende onderbouwd.

De benadeelde partij kan de vordering desgewenst aan de burgerlijke rechter voorleggen.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikel 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 48, 49, 55, 63, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

9. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder feit 1 primair en feit 2 primair is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 subsidiair en 2 subsidiair ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 180 (honderdtachtig) dagen.

Beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 162 (honderdtweeënzestig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van twee (2) jaren.

Stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Veroordeelt de verdachte tot het verrichten van 200 (tweehonderd) uren taakstraf in de vorm van een werkstraf, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 100 (honderd) dagen hechtenis.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [de benadeelde partij 1] geleden schade tot een bedrag van € 1.500,- (vijftienhonderd euro), bestaande uit immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 19 november 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [de benadeelde partij 1] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door (een van) de medeverdachten is betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [de benadeelde partij 1] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.500,- (vijftienhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 19 november 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 15 (vijftien) dagen gijzeling, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.

Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens (een van) de medeverdachten aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, de verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij [de benadeelde partij 2] (namens [winkel] ) niet-ontvankelijk in de vordering.

Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.J. Veldheer, voorzitter,

mr. M.M. van Weely en mr. N. Cuvelier, rechters en tevens kinderrechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. E.R. Mol,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 21 mei 2026.

mr. Veldheer is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. J.J. Veldheer
  • mr. M.M. van Weely
  • mr. N. Cuvelier

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand