ECLI:NL:RBNHO:2026:602

ECLI:NL:RBNHO:2026:602

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 22-01-2026
Datum publicatie 27-01-2026
Zaaknummer C/15/371666 / FA RK 25-5780
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Haarlem

Samenvatting

verzoek om gezagsbeëindiging ouders afgewezen; enkele feit dat het perspectief bij de pleegouders ligt, is onvoldoende om over te gaan tot gezagsbeëindiging, gelet op artikel 8 van het EVRM.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Haarlem

Zaaknummer: C/15/371666 / FA RK 25-5780

Datum uitspraak: 22 januari 2026

Beschikking van de meervoudige kamer over de gezagsbeëindiging

in de zaak van

de Raad voor de Kinderbescherming,

hierna te noemen: de Raad,

gevestigd te Haarlem,

over

[de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,

hierna te noemen: [de minderjarige] .

De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen: de moeder,

wonende in [plaats] ,

en

[de vader] ,

hierna te noemen: de vader,

wonende in [plaats] ,

hierna tezamen ook te noemen: de ouders,

advocaat van de ouders: mr. J.M. Kers, kantoorhoudende te Haarlem,

[de pleegouders] ,

hierna te noemen: de pleegouders,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

De gecertificeerde instelling de William Schrikker Stichting, Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,

hierna te noemen: de GI,

gevestigd te Amsterdam.

1. Het verloop van de procedure

De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

het verzoekschrift met bijlagen van de Raad van 12 november 2025, ingekomen bij de rechtbank op 13 november 2025;

de bereidverklaring tot aanneming van de voogdij van de GI van 8 mei 2025;

het verweerschrift van de zijde van de ouders van 5 januari 2026.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 8 januari 2026. Hierbij zijn verschenen en gehoord:

de ouders, bijgestaan door hun advocaat;

de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] ;

de Raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] .

De pleegouders zijn – met bericht van afwezigheid – niet ter zitting verschenen.

2. De feiten

De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .

[de minderjarige] verblijft in een perspectiefbiedend pleeggezin.

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 11 april 2022 [de minderjarige] onder toezicht gesteld, welke ondertoezichtstelling nadien telkens is verlengd en nu nog voortduurt tot 11 april 2026.

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 12 mei 2022 een (spoed) machtiging verleend om [de minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg, welke machtiging nadien telkens is verlengd en nu nog voortduurt tot 11 april 2026.

Op 23 juni 2023 heeft de GI een perspectiefbesluit genomen, inhoudende dat [de minderjarige] niet zal opgroeien bij zijn ouders. Dit besluit is in de beschikking van 10 april 2024 door de rechtbank onderschreven.

De GI heeft zich bij brief van 8 mei 2025 bereid verklaard om de voogdij te aanvaarden.

3. Het verzoek van de Raad

De Raad verzoekt het gezag van de ouders te beëindigen, de GI tot voogd over [de minderjarige] te benoemen en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De Raad heeft het verzoek als volgt gemotiveerd.

[de minderjarige] woont sinds augustus 2022 bij de pleegouders, omdat het de moeder niet lukte om in de basisbehoeften van [de minderjarige] te voorzien. Hoewel de moeder in de periode na de uithuisplaatsing van [de minderjarige] diverse hulpverleningstrajecten is aangegaan en een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt, is dit onvoldoende gebleken om de zorg voor [de minderjarige] te dragen. Op 10 april 2024 heeft de rechtbank het perspectiefbesluit van de GI, inhoudende dat [de minderjarige] verder zal opgroeien bij zijn huidige pleeggezin, onderschreven. [de minderjarige] laat inmiddels een goede interactie en hechting zien met de pleegouders. De pleegouders bieden [de minderjarige] structuur en sluiten, met de nodige ondersteuning, aan bij wat [de minderjarige] nodig heeft in zijn ontwikkeling. [de minderjarige] en de ouders zien elkaar eens in de twee weken middels een begeleide bezoekregeling. De ouders komen deze afspraak altijd na en zien, hoe lastig ook voor hen, dat de pleegouders goed zijn voor [de minderjarige] en dat [de minderjarige] het daar fijn heeft.

Ondanks deze positieve krachten, overheersen de zorgen rondom [de minderjarige] . [de minderjarige] heeft extra zorg nodig, waarvoor regelmatig toestemming van de ouders nodig is. Zij lijken echter moeite te hebben met de inhoud van de verstrekte informatie en begrijpen mogelijk niet altijd waar zij precies hun toestemming voor geven. Daardoor lopen processen vertraging open kan de nodige hulpverlening pas later starten. De grootste zorg is dat de ouders beperkt inzicht hebben in de gevolgen van de chromosoomafwijking en de kwetsbaarheden van [de minderjarige] . Het lukt de ouders onvoldoende om op passende wijze bij hem aan te sluiten. Ook blijven zij zoeken naar verruiming van de frequentie en duur van de bezoekregeling en blijven zij de wens uiten dat [de minderjarige] bij hen thuis komt wonen. Op deze manier geven zij [de minderjarige] niet de (emotionele) toestemming om verder op te groeien in het pleeggezin. Die toestemming heeft [de minderjarige] , mede gelet op zijn hechtingsproblematiek, juist nodig om zich fijn te kunnen hechten aan het pleeggezin. De betrokken instanties geven daarbij ook aan dat ieder jaar de spanning en hoop toeneemt op de momenten dat de verzoeken tot verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing bij de rechtbank behandeld worden. [de minderjarige] voelt deze spanningen en hoe ouder [de minderjarige] wordt, hoe meer hij zich hiervan bewust gaat zijn. Dit kan voor [de minderjarige] onrust en stress veroorzaken, wat hij op dit moment ook al laat zien na de begeleide bezoeken. De verwachting is niet dat hier binnen een voor [de minderjarige] aanvaardbare termijn verandering in komt. Ook hoopt de Raad dat de ouders meer zullen berusten in het vormgeven van hun ouderrol op afstand indien zij niet langer met het gezag zijn belast, wat het contact tussen [de minderjarige] en de ouders ten goede zal komen. Dit maakt dat de Raad de rechtbank verzoekt het ouderlijk gezag van de ouders te beëindigen en de GI tot voogd te benoemen. De GI kan vanuit neutraliteit de belangen van [de minderjarige] centraal stellen en waarborgen.

4. De standpunten van de GI en de ouders

De GI

De GI heeft aanvullend naar voren gebracht dat de GI hoopt dat een gezagsbeëindigende maatregel zal zorgen voor meer rust bij [de minderjarige] en de ouders. Het benoemen van de GI tot voogd is ook in het belang van [de minderjarige] , omdat de GI goed op de hoogte is van wat [de minderjarige] nodig heeft en daardoor sneller beslissingen zal kunnen nemen

De ouders

Door en namens de ouders is het volgende naar voren gebracht. De ouders erkennen dat [de minderjarige] in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. De opvoeding van [de minderjarige] vraagt mede vanwege een genetisch bepaalde ontwikkelingsbedreiging meer dan gemiddelde opvoedvaardigheden, waarbij diverse vormen van hulpverlening noodzakelijk zijn. De ouders stemmen echter in met het verblijf van [de minderjarige] bij pleegouders en begrijpen dat dit het beste voor hem is. Diep in hun hart willen de ouders [de minderjarige] het liefst bij zich hebben, maar zij weten dat dit niet (meer) mogelijk is. Daarnaast confirmeren de ouders zich aan de zorgregeling. Zo zijn zij altijd op tijd, genieten van het contact met [de minderjarige] en groeien steeds meer in hun rol als ouders op afstand. Het is daarom belangrijk dat ouders alsnog zo veel als mogelijk worden betrokken in het leven van [de minderjarige] en beëindiging van het gezag past daar niet bij. Van problemen in de uitoefening van het gezag over [de minderjarige] is daarbij niet gebleken. De ouders zijn zeer betrokken en in het bijzonder de moeder zet zich enorm in, werkt mee aan hulpverlening en de ouders geven waar nodig hun toestemming ten aanzien van gezagsbeslissingen. Ouders hebben met zowel de GI als de pleegouders goed contact. Wel erkennen de ouders dat het soms langer duurt voordat zij goed begrijpen waar de hulpverlening voor [de minderjarige] op ziet en hun toestemming daardoor iets langer op zich laat wachten. Het moet de ouders echter ook gegund worden om deze tijd te nemen om zich te laten informeren om een weloverwogen instemming te geven. De ouders hebben nog een nooit een toestemming geweigerd. Ook ondervindt [de minderjarige] op dit moment geen last of hinder van de jaarlijkse verlengingszittingen ten aanzien van de ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing. Niet gezegd kan worden dat dit in de toekomst wel het geval zal zijn. Dat jaarlijkse verlengingszittingen bij de moeder mogelijk spanning en onrust opleveren, rechtvaardigt beëindiging van het gezag evenmin. De ouders concluderen dat de Raad onvoldoende heeft onderbouwd dat de gezondheid en ontwikkeling van [de minderjarige] op dit moment wordt geschaad indien ouders het gezag behouden. Door en namens de ouders wordt dan ook verzocht het verzoek van de Raad tot beëindiging van hun ouderlijk gezag over [de minderjarige] af te wijzen.

5. De beoordeling door de rechtbank

Op grond van artikel 1:266 lid 1 onder a van het Burgerlijk Wetboek kan de rechtbank het gezag van de ouders beëindigen indien een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd en de verwachting niet gerechtvaardigd is dat de ouders in staat zullen zijn om binnen een gelet op de persoon en ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn de verantwoordelijkheid voor zijn verzorging en opvoeding te dragen. Het doel van deze kinderbeschermingsmaatregel is het wegnemen van de ontwikkelingsbedreiging van de minderjarige als de ouders daartoe niet in staat zijn.

Het beëindigen van het gezag van een ouder dient ook in overeenstemming te zijn met de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit zoals dit voortvloeit uit artikel 8 van het EVRM. Naar het oordeel van de rechtbank is daar in dit geval geen sprake van, omdat de noodzaak ontbreekt om tot de beëindiging van het gezag van de ouders over te gaan. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

[de minderjarige] is een kwetsbaar jongetje met een verzwaarde opvoedbehoefte. Hij zit goed bij zijn pleegouders en vast staat dat het perspectief van [de minderjarige] is bepaald bij de pleegouders. De ouders hebben naar voren gebracht dat zij het liefst zouden willen dat [de minderjarige] bij hen komt wonen, maar dat zij berusten in zijn plaatsing bij de pleegouders. De ouders zien in dat zij niet in staat zijn om te voldoen aan de verzwaarde opvoedbehoefte van [de minderjarige] en dat het in zijn belang is om verder bij de pleegouders op te groeien.

Dat het perspectief bij de pleegouders ligt, is echter onvoldoende om over te gaan tot gezagsbeëindiging, gelet op artikel 8 van het EVRM. Een situatie waarin een kind uit huis is geplaatst en niet meer wordt gewerkt aan terugplaatsing, betekent niet dat altijd een gezagsbeëindiging nodig is

Uit het dossier blijkt dat tussen de pleegvader en ouders constructief contact is. Naast de pleegzorgmedewerker is ook de pleegvader bij de bezoeken van de ouders en [de minderjarige] aanwezig en dat werkt goed. Ouders komen de omgangsregeling na, werken mee en de samenwerking met de GI is goed. De moeder heeft een goede werkrelatie opgebouwd met Philadelphia, die de moeder bijvoorbeeld ondersteunt bij evaluatiegesprekken over [de minderjarige] . De moeder heeft vertrouwen in haar hulpverleners en is leerbaar in praktische opvoedvragen. De rechtbank ziet ouders, en met name een moeder, die het belang van [de minderjarige] voorop stelt en in zijn belang goed samenwerkt met alle betrokken partijen en hulpverleners. De rechtbank ziet hierin dan ook geen reden om het gezag van de ouders te beëindigen.

Volgens de GI en de Raad delen de ouders de zorgen over de medische situatie van [de minderjarige] niet en lijken zij niet altijd goed te begrijpen waar zij medische toestemming voor geven. Vast staat dat de ouders altijd en consequent hun toestemming verlenen voor hulpverlening voor [de minderjarige] . Dat voor de ouders kennelijk langer de tijd moet worden genomen om ze goed uit te leggen waarvoor precies hun (medische) toestemming wordt gevraagd, is naar het oordeel van de rechtbank geen ongewone omstandigheid. [de minderjarige] heeft nu eenmaal een niet alledaagse aandoening, dus dat ouders niet altijd even snel begrijpen wat precies aan de hand is en voor welk onderzoek precies hun (medische) toestemming wordt gevraagd, kan hen ook om die reden niet worden verweten. Dat de ouders de zorgen over de chromosoom afwijking van [de minderjarige] niet zouden delen kan, wat daar ook van zij, in dit geval evenmin een reden zijn om tot de verregaande conclusie te komen om het ouderlijk gezag te beëindigen. Het is aan de GI om een manier te vinden om dit op een bij de ouders passende manier uit te (blijven) leggen.

Dat de ouders graag willen dat de omgangsregeling wordt uitgebreid, is voorstelbaar. Er ligt echter een duidelijke beschikking en de ouders dienen zich daar vanzelfsprekend aan te houden. Uit het dossier blijkt ook dat de ouders dat doen, maar dat de ouders kennelijk telkens blijven vragen om meer omgang, met zowel hen als met de overige familieleden van [de minderjarige] . Uit het dossier blijkt voldoende duidelijk dat de huidige – beperkte – omgangsregeling passend en in het belang van [de minderjarige] is. Als de ouders dat onvoldoende inzien – maar zich niettemin blijven houden aan de omgangsafspraken – is het aan de GI om het gesprek hierover met de ouders te blijven voeren. Een gezagsbeëindiging is daarvoor niet de geëigende weg.

De ouders geven volgens de GI en de Raad [de minderjarige] geen emotionele toestemming om verder op te groeien bij zijn pleegouders, wat de hechting van [de minderjarige] bij zijn pleegouders kan schaden. De rechtbank overweegt dat het perspectiefbesluit nog geen twee jaar geleden is genomen. Ter zitting hebben de ouders naar voren gebracht dat, hoewel zij dat moeilijk vinden, zij zich erbij hebben neergelegd dat [de minderjarige] niet bij hen zal opgroeien. Met [de minderjarige] gaat het naar omstandigheden redelijk goed. Zolang het belang van [de minderjarige] zich daartegen niet verzet, moet aan deze ouders dan ook tijd en ruimte worden gegeven om te groeien in hun rol als ouders op afstand.

Voor zover de verlengingszittingen bij de ouders ook onrust veroorzaken, overweegt de rechtbank dat het enkele feit dat de ouders geen gezagsbeslissingen meer zouden kunnen nemen, er niet zonder meer toe leidt dat de onrust bij de ouders zou verdwijnen. Het ligt dan ook op de weg van de GI om te onderzoeken of er mogelijkheden zijn om de verlengingsverzoeken zodanig vorm te geven dat de spanningen bij de ouders (gedeeltelijk) worden weggenomen, wat tevens ten goede kan komen aan het contact tussen de ouders en [de minderjarige] . Daarbij lijkt [de minderjarige] op dit moment geen onaanvaardbare mate van spanning en onduidelijkheid te ervaren als de verlengingsverzoeken bij de rechtbank worden behandeld. Een dergelijk ingrijpende maatregel als gezagsbeëindiging is geen middel om vooruit te lopen op de mogelijke omstandigheid dat dit in de toekomst anders zal zijn.

Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat geen noodzaak bestaat om het gezag te beëindigen. Op grond van het dossier en wat ter zitting naar voren is gebracht is de rechtbank van oordeel dat de maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing voor nu passend zijn, in lijn met artikel 8 EVRM. De rechtbank zal daarom het verzoek van de Raad tot het beëindigen van het gezag van de ouders en het belasten van de GI met de voogdij afwijzen.

6. De beslissing

De rechtbank:

wijst af het verzoek van de Raad.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.K. Mireku, mr. C.E. Voskens en mr. M.H. Simons, kinderrechters, en in het openbaar uitgesproken op 22 januari 2026, in aanwezigheid van

mr. J.E. van Veen als griffier.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. A

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?