RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Haarlem
Zaaknummer: C/15/377355 / JU RK 26-640
Datum uitspraak: 19 mei 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,
hierna te noemen: de GI,
gevestigd te Haarlem,
over
[de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats] ,
advocaat: mr. B.J. de Groot uit Haarlem.
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift van 13 april 2026 met bijlagen, ontvangen op 17 april 2026;
het bericht van de GI met bijlagen, ontvangen op 15 mei 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 19 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder met haar advocaat;
[vertegenwoordiger van de GI] , namens de GI;
[systeemtherapeut] , systeemtherapeut betrokken bij het gezin.
2. De feiten
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
[de minderjarige] verblijft in een pleeggezin.
Bij beschikking van 28 juni 2022 is [de minderjarige] met ingang van 27 juni 2022 voorlopig onder toezicht gesteld. De ondertoezichtstelling is daarna definitief uitgesproken en steeds verlengd, laatstelijk bij beschikking van 28 juni 2023, tot 7 januari 2024. Bij beschikking van 16 mei 2024 heeft de kinderrechter [de minderjarige] opnieuw voorlopig onder toezicht gesteld van de GI. De ondertoezichtstelling is daarna definitief uitgesproken en steeds verlengd, laatstelijk bij beschikking van 24 april 2025, tot 24 mei 2026.
Bij beschikking van 19 februari 2024 heeft de kinderrechter de GI belast met de voorlopige voogdij over [de minderjarige] voor de duur van drie maanden, te weten tot 19 mei 2024.
Bij voornoemde beschikking van 28 juni 2022 is ook met ingang van 27 juni 2022 een machtiging verleend om [de minderjarige] met spoed uit huis te plaatsen, welke machtiging bij beschikking van 7 juli 2022 verlengd tot 27 september 2022. [de minderjarige] is in juli 2022 teruggeplaatst bij de moeder. Bij beschikking van 16 mei 2024 heeft de kinderrechter ook opnieuw een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing verleend, welke machtiging bij beschikking van 24 mei 2024 is verlengd tot 31 juli 2024. Op 2 juli 2024 is [de minderjarige] teruggeplaatst bij de moeder. Bij beschikking van 4 maart 2025 heeft de kinderrechter opnieuw een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing verleend, welke machtiging bij beschikking van 17 maart 2025 is verlengd tot 29 april 2025. [de minderjarige] is op 2 april 2025 weer bij de moeder teruggeplaatst. Bij beschikking van 26 maart 2026 heeft de kinderrechter opnieuw een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing verleend, welke machtiging bij beschikking van 1 april 2026 is verlengd tot 24 mei 2026.
3. Het verzoek
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg, gezinshuis of accommodatie jeugdhulp te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling.
De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De GI heeft het verzoek – samengevat – als volgt onderbouwd. De moeder heeft een bipolaire stoornis en daarnaast heeft de GI zorgen over huiselijk geweld tussen de moeder en haar partner, de vader van de (half-)zusjes van [de minderjarige] . Het lukt de moeder onvoldoende om een stabiele en veilige opvoedsituatie te creëren voor [de minderjarige] en haar zusjes, wat in de afgelopen jaren heeft geleid tot terugkerende uithuisplaatsingen. Als gevolg van de aanhoudende stabiliteit en vele wisselingen in de opvoedsituatie vertoont [de minderjarige] in toenemende mate zelfbepalend gedrag. Vanuit de thuissituatie is hulpverlening en het ontlasten van de moeder ingezet om de patronen te doorbreken, maar dit heeft niet het gewenste resultaat gehad. De GI is van mening dat nu door middel van een gezinsopname onderzocht moet worden of [de minderjarige] en haar zusjes thuis kunnen wonen. De GI is daarnaast op zoek naar een verblijfplek waar [de minderjarige] voor langere tijd kan verblijven, bij voorkeur met (één van) haar zussen.
De GI heeft het verzoek ter zitting als volgt verder toegelicht. Er is nog geen vervolgplek voor [de minderjarige] gevonden. De GI is in gesprek met een gezinshuis in Noord-Holland waar mogelijk alle drie de zussen kunnen verblijven maar het is nog onduidelijk of dit mogelijk is. De GI blijft bij haar standpunt dat een gezinsopname nodig is. De GI heeft meerdere gezinsopnames en ook de mogelijkheden van een gezinsbehandeling aan huis met 24-uurs toezicht onderzocht. Vanwege het gebrek aan beschikbaarheid om dit uit te voeren lukt een behandeling/beoordeling aan huis niet. Ook diverse andere gezinsopnames zijn niet mogelijk gebleken. De gezinsopname bij GGZ Drenthe blijft daarom als enige mogelijkheid over. De GI heeft dit al eerder naar de moeder gecommuniceerd. Op dit moment kan de omgang (van één uur per week) tussen moeder en [de minderjarige] niet uitgebreid worden omdat er geen omgangsbegeleiding beschikbaar is. De GI is op zoek naar omgangsbegeleiders en begeleidt de omgang op dit moment zelf. De GI deelt de zorgen over de schoolgang van [de minderjarige] . De reistijd tussen het pleeggezin van [de minderjarige] en haar eigen school is te ver voor [de minderjarige] . Omdat de plaatsing van [de minderjarige] tijdelijk is, is de afweging gemaakt om voor haar niet een – tijdelijke – nieuwe school te zoeken. [de minderjarige] is rustiger geworden in haar gedrag sinds zij bij het pleeggezin verblijft. Wel vindt de GI dat op den duur behandeling voor [de minderjarige] nodig is. De GI had [de minderjarige] eind 2025 aangemeld voor creatieve vaktherapie van Levvel. Dit kwam echter in de thuissituatie van de moeder niet goed van de grond.
4. De standpunten
De moeder heeft zich niet verzet tegen de ondertoezichtstelling, maar wel tegen de uithuisplaatsing van [de minderjarige] . De advocaat heeft naar voren gebracht dat het gezin uit elkaar is getrokken. [de minderjarige] en haar zusjes verblijven alle drie op een andere plek en het gezin is niet meer samen geweest sinds vóór de geboorte van het jongste zusje. [de minderjarige] mag de moeder en haar partner slechts één uur per week zien en zij gaat daarnaast vanuit haar huidige pleeggezin niet naar school. Het is dan ook niet gek dat [de minderjarige] steeds zelfbepalender wordt in haar gedrag. De GI heeft aangegeven meerdere mogelijkheden voor een gezinsopname en ambulante hulpverlening te hebben onderzocht maar heeft de ouders niet meegenomen in dit proces. Ook is er vandaag nog geen duidelijkheid over waar [de minderjarige] kan verblijven na 22 mei 2026. Met zoveel onduidelijkheid is het niet in het belang van [de minderjarige] om een machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen voor de duur van een jaar met drie verschillende categorieën, zoals de GI verzoekt. De advocaat heeft daarom verzocht de machtiging tot uithuisplaatsing slechts te verlenen tot de zitting van het jongste zusje van [de minderjarige] op [datum] , met aanhouding van het overige, zodat dan meer duidelijkheid is over de mogelijke vervolgplek voor [de minderjarige] en haar zusjes. Daarbij moet de GI worden verplicht meer duidelijkheid te geven over waarom en op welke gronden de verschillende gezinsopnames dan wel de intensieve ambulante hulpverlening niet mogelijk is.
De moeder heeft aangegeven dat [de minderjarige] weer thuis kan wonen. Volgens haar is geen sprake van een terugkerend patroon maar hangen haar ontregelingen samen met de bevallingen van de zusjes van [de minderjarige] en is zij op dit moment stabiel. De moeder ontkent niet dat haar ontregelingen schadelijk kunnen zijn voor de kinderen, maar zij doet haar best om deze onder controle te houden. Zij slikt medicatie en laat zich controleren middels bloedprikken. Ook zijn de ouders aangemeld voor relatietherapie. De moeder accepteert geen huiselijk geweld en wil alles doen om daaraan te werken. De moeder, en ook haar partner, zal meewerken aan de gezinsopname als dat nodig is. Wel heeft zij moeite met de duur van het voortraject van (gemiddeld) negen maanden. De moeder ziet [de minderjarige] op dit moment slechts één uur per week onder begeleiding en wil haar in de tussentijd graag meer zien en er is ook geen omgang tussen de kinderen onderling. Tot slot heeft moeder naar voren gebracht dat zij veel vraagtekens heeft bij het verzoek van de GI. Er is nog veel onduidelijkheid en met vragen van de moeder en mogelijkheden die zij aandraagt, wordt niks gedaan door de GI. Daarnaast zijn sommige dingen die de GI vertelt niet waar. Zo klopt het niet dat huiselijk geweld heeft plaatsgevonden in het bijzijn van [de minderjarige] en klopt het ook niet dat de behandeling van [de minderjarige] niet van de grond is gekomen omdat de moeder haar niet zou hebben kunnen brengen.
De systeemtherapeut heeft aangegeven dat zij sinds oktober 2025 betrokken is. Vanwege de zwangerschap van de moeder was het lastig om aan de doelen te werken maar zij is wel altijd in contact met de moeder gebleven. Er is nog niet gestart met vaktherapie voor [de minderjarige] omdat zij nog op de wachtlijst staat.
5. De beoordeling
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
De ontwikkeling van [de minderjarige] wordt nog steeds ernstig bedreigd. [de minderjarige] heeft in haar leven al veel instabiliteit meegemaakt vanwege de psychiatrische problematiek van de moeder. Op rustige momenten lukt het de moeder goed om voor [de minderjarige] en haar zusjes te zorgen en staat zij in goed contact met de hulpverlening. Op momenten van onrust is de moeder echter minder beschikbaar voor [de minderjarige] , kan zij onvoorspelbaar zijn en houdt zij zich niet altijd aan de (veiligheids)afspraken. Recent, na de geboorte van het zusje van [de minderjarige] , is de moeder opnieuw ontregeld en moest zij gedwongen opgenomen worden. De oma (moederszijde) heeft toen de zorg voor [de minderjarige] op zich genomen. Vanwege de overbelasting van de oma is [de minderjarige] op 26 maart 2026 opnieuw met een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing in een (crisis)pleeggezin geplaatst, waar zij tot op heden verblijft. Daarnaast bestaan er zorgen over huiselijk geweld tussen de moeder en haar partner, waar de kinderen mee geconfronteerd worden. Zeer recent zijn ook nog twee zorgelijke Veilig Thuis meldingen gedaan door de politie, waarbij de politie ’s nachts naar bij de woning van de moeder moest komen.
Er zijn zorgen over de sociaal-emotionele ontwikkeling van [de minderjarige] . Zij laat in toenemende mate zelfbepalend gedrag zien en heeft moeite met het aansluiten bij leeftijdsgenootjes. Ook bestaan er zorgen over de schoolgang van [de minderjarige] ; zij is sinds haar plaatsing bij het pleeggezin vanwege de reisafstand niet naar school geweest.
[de minderjarige] is aangemeld voor creatieve vaktherapie om haar te helpen met haar emotieregulatie. De GI heeft daarnaast aangegeven middels een gezinsopname de opvoedvaardigheden van de moeder en haar partner te willen onderzoeken. De kinderrechter is van oordeel dat de GI voldoende duidelijk heeft gemaakt dat het niet haalbaar is om deze beoordeling thuis te laten uitvoeren. Volgens de GI is daarvoor 24-uurs begeleiding in de thuissituatie nodig en de GI heeft voldoende toegelicht dat dat in verband met de beschikbaarheid van de verschillende instanties niet haalbaar is. Een gezinsopname is een passend middel om de opvoedvaardigheden van de (stief-)ouders te beoordelen en tegelijkertijd de veiligheid van de kinderen te waarborgen en de kinderrechter is van oordeel dat de gezinsopname zo snel mogelijk moet plaatsvinden. De kinderrechter roept zowel de GI als de moeder en haar partner op zich voor een spoedige aanmelding en start van het traject in te zetten.
Het is noodzakelijk dat de GI betrokken blijft om regie te voeren op de nodige hulpverlening en zicht te houden op de ontwikkeling van [de minderjarige] . De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] daarom voor de verzochte duur van een jaar.
Vanwege de zorgen over de veiligheid van [de minderjarige] in de thuissituatie bij de moeder en haar partner is het naar het oordeel van de kinderrechter nodig dat de uithuisplaatsing van [de minderjarige] langer voortduurt. Wel verleent de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] voor kortere duur dan verzocht, namelijk voor de duur van één maand, en houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan tot de zitting op [datum] . De kinderrechter overweegt hiertoe als volgt.
[de minderjarige] heeft twee zusjes die allebei ook uit huis zijn geplaatst, op verschillende plekken. De kinderrechter acht het in het belang van zowel de moeder als de kinderen om de zaken van de drie zussen gezamenlijk te behandelen. De GI heeft een gezinshuis op het oog waar [de minderjarige] mogelijk binnenkort terecht kan, samen met haar zusjes. Deze plaatsing is echter nog niet rond en het gezinshuis heeft twijfels geuit over de haalbaarheid van de plaatsing van alle drie de zusjes. De GI heeft aangegeven dat [de minderjarige] nog enkele dagen, tot 22 mei 2026, bij haar huidige pleeggezin kan blijven. Daarnaast zal het gezin aangemeld worden voor een gezinsopname bij GGZ Drenthe. Het voortraject duurt gemiddeld negen maanden en er zijn nog veel stappen te nemen door de ouders voordat hiermee gestart kan worden, aldus de GI. Ter zitting bestond dus nog veel onduidelijkheid over de huidige plaatsing van [de minderjarige] en de mogelijke vervolgplekken. Daarnaast heeft de moeder op dit moment één uur per week begeleide omgang met [de minderjarige] en heeft [de minderjarige] haar jongste zusje nog nooit ontmoet. Hoewel de kinderrechter de praktische moeilijkheden vanuit de GI begrijpt, is het van belang van (de hechting van) [de minderjarige] dat de omgang uitgebreid wordt en dat ook aandacht is voor het contact van [de minderjarige] met haar zusjes, zeker gezien de beoogde gezinsopname.
De kinderrechter vindt het gelet op bovenstaande van belang dat zicht wordt gehouden op de verblijfplek van [de minderjarige] (pleeggezin of gezinshuis), de aanmelding voor de gezinsopname en de mogelijkheden van uitbreiding van het contact met de ouders en zusjes. De kinderrechter verleent daarom de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg dan wel in een gezinsgerichte voorziening voor de duur van één maand, te weten tot 24 juni 2026, en houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan tot de zitting op [datum] .
De beslissing tot de verlenging van de ondertoezichtstelling wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6. De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] tot 24 mei 2027;
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg, dan wel een gezinsgerichte voorziening tot 24 juni 2026;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
houdt de behandeling van het verzoek tot de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] voor het overige aan;
vraagt de griffier de moeder, mr. B.J. de Groot en de GI op te roepen op voor de zitting van mr. R.M. van Diepen op [datum] in het gerechtsgebouw van deze rechtbank aan de Kruseman Eltenweg 2 in Alkmaar;
vraagt de griffie om de Raad aan te merken als informant in deze procedure, haar de stukken te sturen en haar op te roepen voor bovengenoemde zitting.
Deze beschikking is gegeven door mr. E.M. ten Bos, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2026, in aanwezigheid van mr. E.E. ten Kate als griffier, en vastgesteld en ondertekend op 22 mei 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.