ECLI:NL:RBNHO:2026:6186

ECLI:NL:RBNHO:2026:6186

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 22-05-2026
Datum publicatie 29-05-2026
Zaaknummer 12209692 / KG EXPL 26-74
Rechtsgebied Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Alkmaar

Samenvatting

Kort geding. Ex-partners. Gebruik huurwoning. Vorderingen worden over en weer afgewezen. Belangen van beide partijen wegen even zwaar.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Alkmaar

Zaaknummer: 12209692 \ KG EXPL 26-74

Vonnis in kort geding van 22 mei 2026 (bij vervroeging)

in de zaak van

[eiser] ,

te [plaats 1] , [gemeente] ,

eisende partij in conventie,

verwerende partij in reconventie,

hierna te noemen: de vrouw,

gemachtigde: mr. R.J.A. Verhoeven,

tegen

[gedaagde] ,

te [plaats 1] , [gemeente] ,

gedaagde partij in conventie,

eisende partij in reconventie,

hierna te noemen: de man,

gemachtigde: mr. M.S. Kempe.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 9 april 2026, met producties 1-5;

- de conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie, met producties 1-15;- de mondelinge behandeling van 7 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. Mr. Verhoeven heeft daarbij gebruik gemaakt van spreekaantekeningen.

2. De uitgangspunten

Partijen hadden vanaf 2020 een affectieve relatie, zonder samenlevingscontract. De relatie is in juli 2025 beëindigd.

Met ingang van 13 mei 2024 huren partijen de sociale huurwoning aan [adres] te ( [postcode] ) [plaats 1] (hierna: de woning) tegen een huurprijs van € 894,- per maand.

De man heeft de woning in januari 2026 verlaten, maar maakt zo nu en dan gebruik van de woning om - onder meer - zijn kleding te wassen.

3. Het geschil

in conventie

De vrouw vordert dat de kantonrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. bepaalt dat de vrouw met uitsluiting van de man gerechtigd is tot het gebruik van de woning;

II. de man veroordeelt om de woning binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis te verlaten en deze niet meer te betreden, onder afgifte van de sleutels aan de vrouw.

De man voert verweer.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

De man vordert dat de kantonrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. bepaalt dat de man met uitsluiting van de vrouw gerechtigd is tot het gebruik van de woning;

II. de vrouw veroordeelt om de woning binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis te verlaten en niet meer te betreden, onder afgifte van de sleutels aan de man;

III. de vrouw veroordeelt in de proceskosten.

De vrouw voert verweer.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

in conventie en in reconventie

Gezien de samenhang van de vorderingen in conventie en reconventie, worden deze hierna gezamenlijk behandeld.

Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing van de vorderingen in conventie of in reconventie is nodig dat partijen daarbij een spoedeisend belang hebben. De kantonrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.

Spoedeisend belang

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de spoedeisendheid volgt uit de aard van de vorderingen in conventie en in reconventie. De vorderingen van partijen zullen hierna dan ook besproken worden.

Toetsingskader

Voor toewijzing van de vordering in kort geding is vereist dat de aan die vordering ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden voldoende aannemelijk zijn en dat het ook in voldoende mate waarschijnlijk is dat de vordering in de nog te voeren bodemprocedure zal worden toegewezen. Voor nader onderzoek naar bepaalde feiten en omstandigheden of voor bewijslevering is in dit kort geding in beginsel geen plaats. Dat moet gebeuren in de bodemprocedure. De beoordeling in dit kort geding is dan ook niet meer dan een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen.

Op grond van artikel 7:267 lid 7 Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen huurders en medehuurders vorderen dat de rechter zal bepalen dat een of meer van deze personen de huur met ingang van een in het vonnis te bepalen tijdstip niet langer zullen voortzetten. De vordering wordt alleen toegewezen als dit naar billijkheid, met inachtneming van de omstandigheden van het geval, geboden is. Strikt genomen betreft artikel 7:267 lid 7 BW een conflictenregeling tussen contractuele huurders enerzijds en hun wettelijke medehuurders anderzijds en niet tussen louter contractuele huurders, zoals bij de vrouw en de man het geval is. De bepaling kan echter naar analogie worden toegepast als sprake is van contractuele medehuurders die niet gehuwd noch geregistreerd partner zijn.

De belangen van partijen wegen even zwaar

Beide partijen pretenderen een zwaarwegender belang te hebben bij het gebruiksrecht van de woning dan de ander.

De vrouw stelt het volgende ten aanzien van haar belang. De man heeft de woning op 16 januari 2026 vrijwillig verlaten en heeft sindsdien niet meer gecommuniceerd met de vrouw, ondanks haar pogingen daartoe. Zij is in staat de huur van de woning zelfstandig voort te zetten gelet op haar inkomen; de hoogte van haar inkomen belet haar om een duurdere woning dan de huidige te huren in de vrije sector. Verder heeft zij geen alternatieve woning om in te verblijven en kan zij niet meer bij haar ouders inwonen, heeft de vrouw binding met [plaats 1] omdat zij daar als leerling-audicien werkt en een baangarantie heeft voor tenminste zes jaar, en heeft de vrouw altijd in de regio ( [plaats 2] ) gewoond.

De man voert ten aanzien van zijn belang aan dat hij na de relatiebreuk graag wilde blijven samenwonen in de woning, maar dat de situatie door toedoen van de vrouw onhoudbaar is geworden voor de man. De man heeft geen vaste woon- en verblijfplaats. De man verblijft niet (permanent) bij zijn ouders en kan daar ook niet wonen, nu zijn moeder ziek is en zijn vader een hartinfarct heeft gehad. Hij heeft altijd meer bijgedragen aan de vaste lasten van de woning dan de vrouw, hij heeft veel geld uitgegeven aan de inboedel van partijen en de man kan gezien zijn inkomen de huur zelfstandig betalen. Verder is de woning meer geschikt voor de man, aangezien hij een gezin wil stichten en de woning een eengezinswoning betreft. De man heeft ook binding met de woonplaats, doordat zijn werk dichtbij is en ook zijn familie en vrienden in de buurt wonen. Inmiddels heeft de man bovendien advies gezocht bij de gemeente, gereageerd op sociale huurwoningen en bezichtigingen gehad bij koopwoningen.

Gelet op hetgeen partijen ter onderbouwing van hun belang bij het exclusieve gebruik van de woning hebben aangevoerd ziet de kantonrechter op dit moment echter geen aanwijzingen om aan te kunnen nemen dat het belang van de een zwaarder weegt dan dat van de ander. Na het beëindigen van de relatie in juli 2025 hebben partijen nog een half jaar - kennelijk zonder noemenswaardige problemen - samen in de woning verbleven. Voor de vrouw was het een raadsel waarom de man voor haar plotseling in januari 2026 de woning verliet. De Whats-Appberichten die de man heeft overgelegd uit - naar de kantonrechter begrijpt - januari 2026 leiden er niet toe dat daaruit kan worden geconcludeerd dat de vrouw een bedreiging vormt voor de man die zou moeten meebrengen dat de vrouw de woning zou moeten verlaten. Het enkele feit dat de man de woning heeft verlaten is ook onvoldoende om daaruit de conclusie te kunnen trekken dat de man afstand heeft gedaan van zijn huurderschap en de vrouw aanspraak geeft op het exclusieve gebruik. Ook de stelling van de man dat hij mogelijk meer heeft bijgedragen aan de kosten voor de inboedel dan de vrouw, is niet doorslaggevend.

Al met al is de kantonrechter van oordeel dat beide partijen, nu zij naar eigen zeggen geen alternatieve woonruimte hebben, nog het recht hebben om gebruik te maken van de woning. De kantonrechter geeft partijen in overweging daar afspraken over te maken. Naar de kantonrechter begrijpt zal het tijdelijk zijn nu beide partijen ter zitting hebben aangeven naar andere woonruimte uit te kijken.

Omdat niet goed is vast te stellen wiens belang zwaarder weegt, wijst de kantonrechter de vorderingen in conventie en in reconventie af.

Proceskosten

Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5. De beslissing

De kantonrechter

in conventie en in reconventie

wijst de vorderingen over en weer af,

compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Blokland en bij vervroeging in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2026.

AFS/JB

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand