RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Bewind
locatie Alkmaar
Zaaknummer : 11953613 \ WM VERZ 25-2817
CJIB-nummer : [nummer]
Uitspraakdatum : 27 mei 2026
Uitspraak op een beroep tegen een boete op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) en proces-verbaal van de zitting
in de zaak van
[betrokkene]
gemachtigde : mr. M. Lagas ( [gemachtigde] )
De verkeersboete en het beroep
Aan betrokkene is een boete opgelegd voor een verkeersovertreding (als bestuurder handelen in strijd met een geslotenverklaring in beide richtingen). Betrokkene heeft beroep ingesteld tegen de boete.
Het beroep is behandeld op een zitting van 9 februari 2026. In een tussenuitspraak van 9 februari 2026 zijn vragen gesteld aan de officier van justitie. Die vragen zijn beantwoord met een e-mail van 13 maart 2026, waarbij nadere stukken zijn toegestuurd. Het beroep is vervolgens opnieuw behandeld op de zitting van 13 mei 2026. Op de zitting is de vertegenwoordiger van de officier van justitie verschenen. De gemachtigde van betrokkene is ook verschenen.
De gemachtigde heeft het beroep op de zitting toegelicht en gevraagd om het beroep gegrond te verklaren. Volgens de gemachtigde blijkt uit de schouwrapporten niet dat er vooraankondigings-borden aanwezig zijn en is niet gebleken dat er een schouw heeft plaatsgevonden. Door het ontbreken van vooraankondigingsborden was ook sprake van een fuik. Nu de vooraankondiging niet of niet op de juiste wijze aanwezig is, had de boete niet mogen worden opgelegd. Verder voert de gemachtigde van betrokkene aan dat de gemeente zonder aankondiging van beleid is gewijzigd. Voorheen was de weg namelijk open voor verkeer als de beweegbare paal naar beneden was.
De vertegenwoordiger van de officier van justitie heeft op de zitting meegedeeld de beslissing en het standpunt te handhaven en heeft de kantonrechter verzocht om het beroep ongegrond te verklaren. Daarbij heeft de officier van justitie onder verwijzing naar een uitspraak van het hof gesteld dat er geen sprake is van een fuik en dat uit een algemeen proces-verbaal blijkt dat er wel vooraankondigingsborden zijn geplaatst. Het is niet verplicht die borden ook te schouwen, aldus de officier van justitie.
Op de zitting van 13 mei 2026 zijn twee getuigen gehoord, die door de officier van justitie zijn meegebracht, te weten [getuigen] , beiden beleidsmedewerker verkeer van de gemeente Alkmaar. De getuigen hebben verklaringen afgelegd die hierna, voor zover van belang, worden weergegeven.
De kantonrechter heeft na de zitting uitspraak gedaan.
De beoordeling
Betrokkene heeft een boete gekregen van € 120,00 voor een overtreding van de geslotenverklaring van de Herenweg in Alkmaar.
de boete is terecht opgelegd
Naar het oordeel van de kantonrechter is de boete terecht opgelegd. Dat oordeel wordt hierna toegelicht.
er is voldoende bewijs voor de overtreding
Bij de stukken bevindt zich een foto van de overtreding. In het zaakoverzicht verklaart de verbalisant dat op basis daarvan is vastgesteld dat betrokkene de geslotenverklaring heeft overtreden. Die gegevens leveren voldoende bewijs op van de overtreding. Daaruit blijkt dat betrokkene de geslotenverklaring heeft genegeerd. Betrokkene passeert namelijk de geslotenverklaring op een tijdstip waarop dat niet is toegestaan, aangegeven door de bebording ter plaatse (door een bord C1, met onderbord met tijdstippen). Dat is een overtreding van artikel 62 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990). Daarin staat dat weggebruikers verplicht zijn gevolg te geven aan de verkeerstekens die een gebod of verbod inhouden.
de officier van justitie heeft ingestemd met digitale handhaving
De geslotenverklaring van de Herenweg in Alkmaar wordt sinds 4 november 2024 digitaal gehandhaafd, dat wil zeggen door een foto-opname met camera’s.
Uit het zogeheten Beoordelingskader Parket CVOM voor digitale handhaving bij geslotenverklaringen en voetgangersgebieden (van 1 augustus 2024) en de Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar, volgt dat digitaal handhaven slechts mogelijk is na instemming van het Parket Centrale Verwerking Openbaar Ministerie.
Uit de door de officier van justitie overgelegde stukken blijkt dat het Parket Centrale Verwerking Openbaar Ministerie heeft ingestemd met digitale handhaving van de geslotenverklaring. Die instemming is gegeven met een brief van 3 oktober 2024 en nogmaals met een e-mail van 31 oktober 2024.
de bebording is voldoende gecontroleerd
Volgens eerdergenoemd Beoordelingskader moet periodiek een schouw van de borden plaatsvinden, als de bebording niet of niet goed zichtbaar is op de foto-opname van de gedraging, zoals in dit geval.
Bij de stukken van de zaak bevinden zich twee schouwrapporten, waaruit blijkt dat de bebording ter plaatse is gecontroleerd door middel van een schouw, zowel (een maand) vóór als na de datum van de overtreding. Daarmee is voldaan aan de eis van het Beoordelingskader dat de bebording periodiek moet worden gecontroleerd.
de boete is niet in strijd met de waarschuwingsperiode
In het Beoordelingskader is als uitgangspunt genoemd dat eerst een waarschuwingsperiode plaatsvindt van minimaal een maand, voordat wordt gestart met handhaving. In die periode krijgen overtreders geen boete, maar alleen een waarschuwing, in de vorm van een waarschuwingsbrief. Pas na de waarschuwingsperiode kan volgens het Beoordelingskader een boete worden opgelegd.
In een door de officier van justitie overgelegd algemeen proces-verbaal van 7 november 2024 staat dat de geslotenverklaring van de Herenweg door middel van camera’s operationeel is geworden op 16 oktober 2024, dat er na 16 oktober 2024 een waarschuwingsperiode van twee weken is gehanteerd, en dat per 4 november 2024 is begonnen met daadwerkelijke handhaving.
Gelet op het algemeen proces-verbaal is dus geen waarschuwingsperiode van minimaal een maand in acht genomen, maar een periode van ruim twee weken. Dat is echter geen reden om te oordelen dat de boete onterecht is opgelegd. Uitgaande van een waarschuwingsperiode van een maand, zou die periode zijn geëindigd op 16 november 2024. Na die waarschuwingsperiode kon dus een boete worden opgelegd, zoals ook het Beoordelingskader vermeldt. In dit geval is de boete opgelegd voor een overtreding van de geslotenverklaring ruim na 16 november 2024. Ook als een waarschuwingsperiode van een maand in acht was genomen, was die periode ten tijde van de overtreding dus al voorbij. Er was in dit geval daarom geen waarschuwing meer vereist.
Overigens merkt de kantonrechter op dat in het Beoordelingskader een waarschuwingsperiode van minimaal een maand als uitgangspunt is geformuleerd, niet als ‘harde’ voorwaarde. Gelet op wat hierna wordt overwogen over de communicatie over de geslotenverklaring, kon in dit geval ook worden volstaan met een kortere waarschuwingsperiode. Verder heeft de officier van justitie terecht opgemerkt dat uit rechtspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden volgt dat de officier van justitie ook mag instemmen met digitale handhaving van een geslotenverklaring als niet aan de in Beoordelingskader opgenomen randvoorwaarde van een waarschuwingsperiode is voldaan.
de geslotenverklaring is voldoende gecommuniceerd
Volgens het Beoordelingskader moet voldoende worden gecommuniceerd naar omwonenden, om in de beginperiode een opeenstapeling van boetes per kenteken te voorkomen.
Uit een door de officier van justitie overgelegde e-mail van 25 februari 2026 van de gemeente Alkmaar blijkt dat de over de digitale handhaving van de geslotenverklaring in de loop van 2024 met de omwonenden en de buurt is gecommuniceerd via sociale media, in lokale kranten en in buurtoverleg. Op de zitting heeft getuige [getuige] verklaard dat de buurt en omwonenden via de genoemde kanalen uitvoerig door de gemeente zijn geïnformeerd over de handhaving. Daarbij heeft [getuige] ook verklaard dat de geslotenverklaring ter plaatse al twintig jaar bestaat en dus bekend is bij de omwonenden. Die geslotenverklaring werd voorheen gehandhaafd door middel van een zogenoemde ‘poller’, een beweegbare paal. Gelet op deze informatie is naar het oordeel van de kantonrechter voldoende gecommuniceerd over de geslotenverklaring.
er is geen sprake van een ‘fuik’
In het Beoordelingskader is ook als uitgangspunt vermeld dat voorkomen moet worden dat bestuurders een fuik inrijden en daardoor bijna gedwongen worden de geslotenverklaring te negeren. Om dit te vermijden, moet in dergelijke gevallen een vooraankondiging van de geslotenverklaring worden geplaatst, waardoor een bestuurder nog de mogelijkheid heeft te keren of een andere route te kiezen. In dat geval moeten die vooraankondigingsborden ook periodiek geschouwd worden.
De officier van justitie heeft terecht gesteld dat er geen sprake is van een fuik en dat overigens uit het algemeen proces-verbaal blijkt dat er vooraankondigingsborden zijn geplaatst.
Blijkens eerdergenoemde schouwrapporten is ter plaatse sprake van een situatie waarin vóór de geslotenverklaring eenvoudig kan worden gekeerd. De kantonrechter heeft partijen op de zitting meegedeeld dat hij op de ochtend vóór de zitting de situatie ter plaatse heeft bekeken, zowel vanuit de noord- als zuidzijde, en heeft geconstateerd dat het voor een gemiddelde weggebruiker goed mogelijk is om te keren, ook vlak vóór de geslotenverklaring. Daarbij is door de kantonrechter vastgesteld dat de aangetroffen situatie niet anders is dan die welke blijkt uit de verschillende schouwrapporten.
Daaruit volgt dat geen sprake is van een fuik en geen vooraankondigingsborden zijn vereist.
Ten overvloede overweegt de kantonrechter dat uit een kaart bij het algemene proces-verbaal blijkt dat er verschillende vooraankondigingsborden zijn geplaatst, te weten aan de noord- en zuidzijde telkens één opvallend geel bord met een waarschuwing en twee waarschuwingsborden met de aankondiging van de geslotenverklaring op 50, 150 en 450 meter van die geslotenverklaring. Dat wordt bevestigd in een aanvullend proces-verbaal van 25 februari 2026, waarin staat dat de vooraankondigingsborden op 16 oktober 2024 zijn geplaatst. Verder merkt de kantonrechter ook hier op dat hij de aanwezigheid van de vooraankondigingsborden heeft vastgesteld op de ochtend voor de zitting.
de geslotenverklaring is voldoende duidelijk en kenbaar
De kantonrechter ziet geen reden om te oordelen dat de geslotenverklaring onduidelijk is of dat de weginrichting en het straatbeeld voor verwarring zorgen. Zoals hiervoor is overwogen, is de geslotenverklaring duidelijk aangegeven door de bebording en de waarschuwings- en vooraankondigingsborden. Het komt voor rekening en risico van betrokkene als onvoldoende op die borden is gelet. Dat geldt ook voor het geval de navigatie van het voertuig van betrokkene niet zou aangeven dat sprake is van een geslotenverklaring.
De geslotenverklaring werd voorheen gehandhaafd door middel van een beweegbare paal. Die paal kwam omhoog op de tijden dat de geslotenverklaring gold en blokkeerde dan feitelijk de toegang. Dat heeft er bij sommige verkeersdeelnemers kennelijk toe geleid dat ervan werd uitgegaan dat de geslotenverklaring niet (meer) zou gelden als de paal naar beneden stond. Die onjuiste aanname komt eveneens voor rekening en risico van de verkeersdeelnemer, gelet op wat hiervoor is overwogen over de bebording en de communicatie daarover vanuit de gemeente.
er is geen reden voor matiging van de boete
De kantonrechter ziet ook geen reden om de boete te matigen. Er zijn door betrokkene geen omstandigheden aangevoerd of aannemelijk gemaakt die daartoe aanleiding geven.
Voor zover sprake is van een opeenstapeling van boetes, te weten meerdere boetes voor het overtreden van deze geslotenverklaring, overweegt de kantonrechter dat door deze rechtbank al eerder is geoordeeld dat volgens het Beoordelingskader dat hier van toepassing is, niet meer de regel geldt dat de eerste boete aan betrokkene moet zijn verzonden voordat voor eenzelfde overtreding van de geslotenverklaring een volgende boete kan worden opgelegd. Er geldt ook geen beleid (meer) dat bij een opeenstapeling van boetes de tweede en volgende boetes steeds worden vernietigd of gematigd. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de officier van justitie op de zitting heeft toegelicht dat de gemeente Alkmaar geen gebruik heeft gemaakt van een recidiveregeling, zoals bedoeld in het Beoordelingskader.
Dat betekent dat matiging vanwege een opeenstapeling van boetes alleen aan de orde kan zijn als betrokken omstandigheden naar voren brengt en zo nodig aannemelijk maakt die reden kunnen zijn om de boete te matigen. Daarvan is niet gebleken, zoals hiervoor al is overwogen. De enkele stelling dat sprake is van een opeenstapeling van boetes is daarvoor niet genoeg.
Conclusie
De conclusie van het voorgaande is dat de boete terecht is opgelegd en het beroep ongegrond is. Er is daarom ook geen aanleiding voor een vergoeding van proceskosten.
De uitspraak
De kantonrechter:
‒ verklaart het beroep ongegrond;
‒ wijst het verzoek om een vergoeding van proceskosten af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Jansen, kantonrechter, bijgestaan door de griffier, en in het openbaar uitgesproken.
de griffier de kantonrechter
Tegen deze uitspraak kan op grond van artikel 14 Wahv hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, binnen 6 weken na de hieronder vermelde dag van toezending. Hoger beroep is in beginsel alleen mogelijk als de boete in de uitspraak is bepaald op een bedrag van meer dan € 110,00. Het beroepschrift moet worden verzonden aan de afdeling Kanton van de rechtbank Noord-Holland, Postbus 251, 1800 BG Alkmaar. De wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure in hoger beroep, tenzij door u bij het beroepschrift uitdrukkelijk om een mondelinge behandeling van de zaak is verzocht. Het instellen van hoger beroep per e-mail is niet mogelijk.
Datum toezending: