RECHTBANK NOORD-HOLLAND
uitspraak van de voorzieningenrechter van 28 januari 2026 in de zaak tussen
[verzoekster 1] en [verzoeker] , [adres 1] in [plaats] , en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Opmeer,
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 25/5457
[verzoeker 2] , [verzoeker 3] , [verzoekster 2] en [verzoeker 4], [adres 2] in [plaats] ,
hierna: verzoekers
en
(gemachtigde: M. Suyl).
Procesverloop
Op 29 september 2025, aangevuld op 31 oktober 2025 en 5 november 2025, hebben verzoekers het college verzocht handhavend op te treden tegen alle soorten van tuinbouw, waaronder bollenteelt, binnen 250 meter vanaf hun percelen. Het verzoek ziet specifiek op de percelen Opmeer [perceelnummer 1] , Opmeer [perceelnummer 2] en Opmeer [perceelnummer 3] .
Met het bestreden besluit van 21 november 2025 heeft het college het handhavingsverzoek van verzoekers afgewezen, omdat tijdens een controle op 4 november 2025 bij de betreffende percelen geen overtreding is geconstateerd. Op 24 november 2025, aangevuld op 11 december 2025 en 30 december 2025, hebben verzoekers bezwaar gemaakt tegen het bestreden besluit en op 28 november 2025 de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 14 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens verzoekers [verzoekster 1] en [verzoekster 2] en de gemachtigde van het college.
Wettelijk kader
Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Nu de verzoeken om handhaving dateren van na 1 januari 2024 is de nieuwe Omgevingswet van toepassing. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet heeft elke gemeente direct een omgevingsplan van rechtswege dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. Dat omgevingsplan bestaat voor nu uit een tijdelijk deel, waarin onder meer alle bestemmingsplannen zijn opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden. Ook bestaat het tijdelijke deel van het omgevingsplan uit enkele gemeentelijke verordeningen en de bruidsschat. De bruidsschat bevat regels die eerst op Rijksniveau geregeld waren, maar nu (in ieder geval tijdelijk) onderdeel uitmaken van het omgevingsplan.
Voor het perceel was voor 1 januari 2024 het bestemmingsplan “Landelijk gebied Opmeer 2014” (hierna: het bestemmingsplan) van kracht. Het bestemmingsplan maakt onderdeel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Opmeer. Voor zover hier van belang geldt op de betreffende percelen de bestemming ‘Agrarisch’ met de gebiedsaanduiding ‘overige zone – weidevogelgebied’.
Op grond van artikel 1.10 van het bestemmingsplan is een akkerbouwbedrijf een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van akkerbouwgewassen.
Op grond van artikel 1.82 van het bestemmingsplan is een tuinbouwbedrijf een bedrijf dat overwegend of uitsluitend is gericht op het telen van tuinbouwgewassen in de volle grond.
Op grond van artikel 3.1 van het bestemmingsplan zijn – voor zover het van belang – de voor ‘Agrarisch’ aangewezen gronden bestemd voor:
a. de uitoefening van akkerbouwbedrijven met een grondgebonden agrarische bedrijfsvoering, niet zijnde permanente bollenteelt, of een champignon- of witlofkwekerij;
tuinbouwbedrijf, ter plaatse van de aanduiding ‘tuinbouw’.
Op grond van artikel 41.2 dienen gronden ter plaatse van de gebiedsaanduiding ‘overige zone – weidevogelgebied’, met uitzondering van agrarische bouwvlakken en niet-agrarische bestemmingsvlakken, tevens ter bescherming en voor de instandhouding van het weidevogelgebied.
In paragraaf 2.3.1 van de Toelichting bij het bestemmingsplan staat – voor zover hier van belang – dat de landbouw belangrijk is voor de Noord-Hollandse economie en voor de leefbaarheid in de landelijke gebieden. Er wordt een ontwikkelingsstrategie gehanteerd. Deze strategie heeft als doel dat de kwaliteit van het gebied toeneemt op plekken waar nieuwe economische activiteiten worden ontwikkeld. De glastuinbouw en de bollenteelt moeten voldoende ruimte krijgen om een goede internationale concurrentiepositie te behouden. De overige agrarische bedrijven, zoals de melkveehouderijen in de weide-gebieden en de reizende bollenkraam in West-Friesland hebben een landschapsbepalende functie die behouden moet blijven.
In paragraaf 5.4.1 van de Toelichting bij het bestemmingsplan staat – voor zover hier van belang – dat de gronden binnen de agrarische bestemming in hoofdzaak bedoeld zijn voor grondgebonden akkerbouwbedrijven niet zijnde permanente bollenteelt, of een champignon- of witlofkwekerij. Een bekend fenomeen bij de bollenteelt is de ‘reizende bollenkraam’. Hieronder wordt verstaan dat een agrarisch perceel voor een korte periode wordt gebruikt ten behoeve van de bollenteelt en vervolgens weer zijn oorspronkelijke gebruik krijgt (ook wel ‘niet-permanente bollenteelt’ genoemd). De reden voor het reizen is dat bollen gezonde, maagdelijke grond nodig hebben. In het landelijk gebied van Opmeer is het gebruik ten behoeve van de reizende bollenkraam nagenoeg overal toegestaan. Alleen in gebieden met archeologische waarden (monumenten) en een zeer waardevol verkavelingspatroon (de polders Westerveer en Lagehoek) is het gebruik ten behoeve van de reizende bollenkraam niet toegestaan.
Standpunt van het college
Op 4 november 2025 heeft een toezichthouder een controle uitgevoerd op het perceel Opmeer [perceelnummer 1] en geen vergunningsplichtige handelingen geconstateerd. De toezichthouder heeft op luchtfoto’s teruggekeken en de afgelopen 3 jaar is er alleen grasland op de foto’s zichtbaar. Vooralsnog is er daarom geen bewijs of reden om aan te nemen dat er sprake is van permanente bollenteelt. De toezichthouder concludeert dat het gebruik van het perceel Opmeer [perceelnummer 1] voldoet aan de gestelde eisen uit het bestemmingsplan.
Het college heeft het verzoek om handhaving afgewezen. Uit het controlerapport volgt dat de gronden inderdaad zijn voorbereid voor bollenteelt. Vaak wordt het telen van bloembollen gezien als tuinbouw. Echter wijst de zinsnede “niet zijnde permanente bollenteelt” in artikel 3.1, aanhef en onder a, van het bestemmingplan erop dat bollenteelt onder dit bestemmingsplan gezien wordt als akkerbouw. Bollenteelt is op basis van het bestemmingplan op de betreffende percelen toegestaan, maar wordt wel beperkt in tijd. Er mag namelijk geen sprake zijn van permanente bollenteelt. Daarbij verwijst het college ook naar paragraaf 5.4.1. van de Toelichting bij het bestemmingsplan over het bekende fenomeen de ‘reizende bollenkraam’. Omdat op dit moment geen sprake is van permanente bollenteelt, is er op de betreffende percelen momenteel geen overtreding geconstateerd. Het college heeft een brief gestuurd naar de eigenaren van de omliggende percelen om hen mede te delen dat zij op de gronden niet permanent bollen mogen telen. Na het oogstseizoen zal de grond dus weer zijn oorspronkelijke gebruik moeten krijgen. Gebeurt dit niet, dan zal het college op dat moment alsnog handhavend optreden.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Spoedeisend belang
4. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist. De voorzieningenrechter is van oordeel dat spoedeisend belang aanwezig is, omdat de bollen inmiddels zijn gepland en niet in geschil is dat deze vanaf januari/februari 2026 zullen worden bespoten met gewasbeschermingsmiddelen, waaronder PFAS-pesticiden.
Is er aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen?
Verzoekers hebben het college verzocht om handhavend op te treden tegen alle soorten van tuinbouw, waaronder bollenteelt, binnen 250 meter vanaf hun percelen. Volgens verzoekers is het gebruiken van de percelen voor tuinbouw op basis van het bestemmingsplan niet toegestaan. Ook is het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in weidevogelleefgebieden in strijd met het bestemmingsplan. Het strijdige gebruik heeft directe gevolgen voor de gezondheid van verzoekers, die van hun dieren en de aanwezige natuur.
De voorzieningenrechter stelt vast dat het in de bezwaarfase aan het college is om te beslissen op de bezwaren die verzoekers tegen de afwijzing van het handhavingsverzoek hebben ingediend. Voor het treffen van een voorlopige voorziening in de bezwaarfase is in beginsel alleen aanleiding als het besluit zodanig gebrekkig is dat het in de heroverweging in bezwaar naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet (volledig) in stand kan blijven. Daarbij is in dit geval ter zitting besproken dat de voorzieningenrechter zich zal beperken tot een beoordeling op de punten zoals in het verzoek om een voorlopige voorziening is vermeld. Daarbij zal zij in het licht van haar voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit, afwegen of de belangen van verzoekers om te handhaven al dan niet zwaarder wegen dan de belangen van het college bij het in stand laten van het besluit. Daarbij geldt dat, hoe zekerder de voorzieningenrechter is over de rechtmatigheid van het besluit, hoe minder ruimte er is voor de belangen van verzoekers. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een eventuele bodemprocedure niet.
Is er sprake van een overtreding?
Het belangrijkste geschilpunt is de beantwoording van de vraag of bollenteelt gelet op het onderhavige bestemmingsplan valt onder ‘akkerbouw’ of ‘tuinbouw’. De voorzieningenrechter komt tot het voorlopige oordeel dat bollenteelt gezien moet worden als akkerbouw gelet op de zinsnede “niet zijnde permanente bollenteelt” in artikel 3, aanhef en onder a, van het bestemmingplan. Deze zinsnede staat niet in artikel 3, aanhef en onder d, van het bestemmingplan dat betrekking heeft op tuinbouw. Dat betekent dat de bestemmingsplanwetgever er in dit geval voor heeft gekozen om niet-permanente bollenteelt onder akkerbouw te laten vallen en niet onder tuinbouw. Ter zitting hebben verzoekers aangegeven dat het voor hen voelt alsof er sprake is van permanente bollenteelt, omdat de bollenteelt elk jaar plaatsvindt op een van de omliggende percelen. Het standpunt van het college dat op dit moment geen sprake is van permanente bollenteelt in de zin van het bestemmingsplan is echter niet in geschil, omdat dit wisselende percelen betreft.
Het tweede punt dat in het verzoek aan de orde is gesteld is dat verzoekers stellen dat het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in weidevogelleefgebieden in strijd is met het bestemmingsplan. Op grond van artikel 41.2 van het bestemmingsplan dienen gronden ter plaatse van de gebiedsaanduiding ‘overige zone – weidevogelgebied’, tevens ter bescherming en voor de instandhouding van het weidevogelgebied. Het college heeft ter zitting uitgelegd dat het woord ‘tevens’ erop wijst dat deze gebiedsaanduiding niet de gebruiksmogelijkheden van de primaire bestemming ‘Agrarisch’ beperkt. De voorzieningenrechter kan het college hierin volgen.
Omdat op grond van artikel 3, aanhef en onder a, van het bestemmingsplan niet-permanente bollenteelt is toegestaan op gronden met de bestemming ‘Agrarisch’ en de gebiedsaanduiding ‘overige zone – weidevogelgebied’ dit gebruik niet beperkt, komt de voorzieningenrechter tot het voorlopige oordeel dat in dit geval geen sprake is van strijd met het bestemmingsplan en dat daarom ook geen sprake is van een overtreding.
De belangen van verzoekers
Verzoekers voeren aan dat zij vrezen voor ernstige gezondheids- en natuurschade als zij, hun dieren en de aanwezige natuur komend teeltseizoen wederom worden blootgesteld aan gewasbeschermingsmiddelen.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) heeft in rechtspraak waarbij het ging om het vaststellen van een bestemmingsplan, overwogen dat er geen wettelijke bepalingen bestaan over de minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen worden geteeld en nabijgelegen woningen. De Afdeling overweegt daarnaast dat in het algemeen een afstand van 50 meter als spuitvrije zone tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid, waarbij gewasbeschermings-middelen worden gebruikt, niet onredelijk wordt geacht. Dit brengt echter niet met zich mee dat een kortere afstand in een bepaalde situatie niet redelijk zou kunnen zijn, indien aan die afstand een deugdelijke motivering ten grondslag is gelegd. Het onderhavige bestemmingsplan is echter onherroepelijk, en in het landelijk gebied van Opmeer is het gebruik ten behoeve van de niet-permanente bollenteelt nagenoeg overal toegestaan. Dat betekent dat de bestemmingsplanwetgever de overlast die hierdoor kan ontstaan voor omwonenden, zoals verzoekers, tijdens de vaststelling daarvan acceptabel heeft geacht.
De voorzieningenrechter vindt het heel begrijpelijk dat verzoekers moeite hebben met het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in de nabijheid van hun woningen en tuinen. Het college begrijpt dit ook, en heeft ter zitting uitgelegd dat hij bezig is met de voorbereiding van een omgevingsvisie en dat dit de plek is om dergelijke zorgen te bespreken. Hij raadt verzoekers aan gebruik te maken van hun recht op inspraak. Hierbij merkt de voorzieningenrechter op dat verzoekers in deze procedure geen feiten naar voren hebben gebracht waaruit valt af te leiden dat de situatie rondom hun percelen in strijd is met voornoemde rechtspraak, nog daargelaten dat deze rechtspraak ziet op het vaststellen van een bestemmingsplan, terwijl het onderhavige bestemmingsplan onherroepelijk is.
De precieze afstanden, waarbij de tuin ook een rol kan spelen, zijn door verzoekers niet in kaart gebracht. Wel is ter zitting besproken dat de afstand van de woningen van verzoekers tot de percelen Opmeer [perceelnummer 1] en Opmeer [perceelnummer 2] ruim meer is dan 50 meter en dat de afstand tot perceel Opmeer [perceelnummer 3] voor het overgrootste deel meer is dan 50 meter.
Gelet op het vorenstaande heeft de voorzieningenrechter geen twijfel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit en ziet zij in dat licht geen aanleiding om tot het oordeel te komen dat de belangen van verzoekers om tot handhaving over te gaan zwaarder wegen dan de belangen van het college bij het in stand laten van het bestreden besluit.
Conclusie en gevolgen
8. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. van Keken, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van drs. A.F. Hermus-Zoetmulder, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: