RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Team Straf, zittingsplaats Alkmaar
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/338773-23 (P)
Uitspraakdatum: 2 juni 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 12 mei 2026 (inhoudelijke behandeling) en 26 mei 2026 (sluiting onderzoek ter terechtzitting) in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum 1] te [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres] .
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.G.T. Kramer en van wat de verdachte en zijn raadslieden, mr. G.J. van Oosten en mr. L.J. Moerdijk, advocaten te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.
1. Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
Feit 1 hij op of omstreeks 18 februari 2022 te Schellinkhout, gemeente Drechterland, althans in Nederland, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid [benadeelde] (geboren op [geboortedatum 2] ) heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [benadeelde] , te weten het en/of meermalen:- brengen van zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [benadeelde] en/of geslachtsgemeenschap hebben met die [benadeelde] en/of- betasten van de/het (boven)benen en/of de billen en/of de buik en/of de borsten en/of de rug van die [benadeelde] , en bestaande dat geweld of die andere feitelijkheid en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkheid uit het:- naar de kamer van die [benadeelde] toe gaan (terwijl zij lag te slapen) en/of- trekken aan het dekbed van die [benadeelde] (waardoor het dekbed van haar af ging) en/of- (onverhoeds) naar beneden trekken en/of uittrekken van de legging en/of de (onder)broek van die [benadeelde] en/of- (onverhoeds) naar beneden duwen en/of uit elkaar duwen van de benen van die [benadeelde] en/of- (onverhoeds) zijn, verdachtes, knieën tussen de benen van die [benadeelde] zetten en/of houden (waardoor zij haar benen niet meer bij elkaar kon doen) en/of- (onverhoeds) brengen van zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [benadeelde] en/of hebben van geslachtsgemeenschap met die [benadeelde] en/of- (onverhoeds) liggen op het lichaam van die [benadeelde] en/of toepassen van geweld op de rib(ben) en/of de romp van die [benadeelde] en/of (stevig) vastpakken van de romp en/of het lichaam van die [benadeelde] en/of- (onverhoeds) betasten van de/het (boven)benen en/of de billen en/of de buik en/of de borsten en/of de rug van die [benadeelde] en/of- doorgaan met voornoemde handeling(en) terwijl die [benadeelde] zijn, verdachtes, hand(en) weghaalde en/of haar benen optrok en/of tegenstribbelde en/of huilde en/of hem, verdachte, de woorden toevoegde: "Ik wil het niet" en/of "Je moet stoppen", althans telkens woorden van gelijke aard en/of strekking en/of- hebben van een uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht op die [benadeelde] , gelet op het fysieke overwicht en/of het leeftijdsverschil en/of het feit dat verdachte de vader was van die [benadeelde] en/of- (aldus) voor die [benadeelde] (telkens) een zodanig bedreigende en/of overweldigende situatie heeft doen ontstaan waarbij zij zich niet aan de seksuele handeling(en) met verdachte kon onttrekken en/of durfde te onttrekken;( art 242 Wetboek van Strafrecht )
Feit 2 hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 10 december 2010 tot en met 09 december 2020 te Schellinkhout, gemeente Drechterland en/of te Hoorn en/of te Terschelling, althans in Nederland, ontucht heeft gepleegd met zijn minderjarig kind, genaamd [benadeelde] , geboren op [geboortedatum 2] , bestaande die ontucht hierin dat hij een en/of meermalen:- zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [benadeelde] heeft gebracht en/of geslachtsgemeenschap met haar haar heeft gehad en/of- de vagina en/of de (boven)benen en/of de heupen en/of de buik en/of de borstkas en/of de borsten en/of de billen en/of de rug en/of de armen van die [benadeelde] heeft betast en/of- die [benadeelde] heeft gezoend op de mond en/of in de nek.
2. Voorvragen
De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd om van de zaak kennis te nemen, de officier van justitie is ontvankelijk en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
3. Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten. De bewezenverklaring van feit 2 dient te worden beperkt tot de periode van 10 december 2012 tot en met 9 december 2020.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft bepleit dat de verdachte moet worden vrijgesproken bij gebrek aan wettig en overtuigend bewijs. De verklaringen van de aangeefster zijn niet betrouwbaar. Naast haar verklaringen is er geen relevant en objectief steunbewijs. De verklaringen van anderen vinden hun oorsprong in wat de aangeefster hen heeft verteld en kennen dus dezelfde bron: de aangeefster. Uit de DNA-sporen op de twee onderbroeken van [benadeelde] kan niet worden geconcludeerd dat de verdachte de donor is van het sperma. Tenslotte is relevant dat er geen DNA van de verdachte is gevonden in de bij [benadeelde] afgenomen zedenkit.
Oordeel van de rechtbank
Bewijsoverwegingen
Inleiding
De verdachte wordt ervan beschuldigd dat hij in de periode van 10 december 2010 tot en met 9 december 2020 ontucht heeft gepleegd met zijn dochter, [benadeelde] (hierna: [benadeelde] ). Zij is geboren op [geboortedatum 2] . Daarnaast wordt hij ervan verdacht dat hij haar op 18 februari 2022 heeft verkracht. [benadeelde] was, in verband met een eetstoornis, kort voor laatstgenoemde datum voor de tweede keer opgenomen in Triversum, nu geheten GGZ Noord-Holland Noord jeugd & gezin. [benadeelde] was in de avond van 17 februari 2022 samen met haar zus naar dans- en theaterles geweest. Zij ging niet terug naar Triversum, maar bleef die avond thuis slapen. Aan het einde van de ochtend op 18 februari 2022 werd [benadeelde] thuis opgehaald en naar Triversum gebracht. Bij terugkomst in Triversum klaagde [benadeelde] over pijn in haar ribben. Zij werd op 20 februari 2022 onderzocht door de huisarts, die een kneuzing van de ribbenkast diagnosticeerde.
Mede in verband met al langer bestaande vermoedens bij de behandelaars van Triversum van huiselijk geweld en/of seksueel misbruik werd er contact gezocht met Veilig Thuis, waarna op 21 februari 2022 Veilig Thuis een melding deed bij de afdeling zeden Noord-Holland. Daarop volgde een informatief gesprek in het Centrum Seksueel Geweld te Hoofddorp. Tijdens dat gesprek schreef [benadeelde] op een briefje dat haar vader in de nacht van 17 op 18 februari 2022 haar slaapkamer binnenkwam, het dekbed van haar aftrok en haar broek naar beneden deed. Zij stribbelde nog wat tegen, maar hij stopte niet en hij had geslachtsgemeenschap met haar. In de daaropvolgende aangifte en aanvullende verklaringen herhaalde zij dit meer in detail en gaf [benadeelde] ook aan dat zij vaker geslachtsgemeenschap had met haar vader. Dat was vanaf haar tiende levensjaar, aldus [benadeelde] .
Bij [benadeelde] werd op 21 februari 2022 een zogenoemde zedenkit afgenomen en ook werden die dag twee onderbroeken (een grijze en een blauwkleurige) van haar in beslag genomen. Deze onderbroeken werden onderzocht op sporen door zowel The Maastricht Forensic Institute (TMFI) als het Nederlands Forensisch Instituut (NFI).
Diverse getuigen werden gehoord en door de politie werd ook onderzoek verricht aan een door [benadeelde] beschikbaar gesteld dagboek en berichten aan haar begeleidster. [benadeelde] overleed op 1 december 2023, als gevolg van euthanasie.
De verdachte heeft de beschuldigingen ontkend.
Wettelijk kader
Als de verdachte in een zedenzaak ontkent, is er vaak niet veel bewijs. Er zijn in veel gevallen geen ooggetuigen die het verhaal van het vermeende slachtoffer of het verhaal van de verdachte kunnen bevestigen. Vaak draait de beschuldiging om handelingen waarbij alleen het vermeende slachtoffer en de verdachte aanwezig waren. De verklaring van het vermeende slachtoffer staat in zo’n geval tegenover die van de verdachte, net als in deze zaak. Bij de beoordeling van het bewijs in dat soort zaken moet de rechtbank allereerst de betrouwbaarheid van de verklaring van het vermeende slachtoffer beoordelen. Daarbij betrekt de rechtbank onder meer of de verklaringen van het vermeende slachtoffer concreet, gedetailleerd, authentiek, plausibel en consistent zijn.
Als die verklaring betrouwbaar wordt geacht, beoordeelt de rechtbank of er ander bewijs is dat die verklaring ondersteunt (steunbewijs).
De beschuldiging kan namelijk niet alleen op grond van de verklaring van één getuige (in dit geval de verklaringen van de aangeefster) worden bewezen. Ook niet als de rechtbank deze verklaringen betrouwbaar vindt. Er moet altijd ander bewijs (steunbewijs) in het dossier zitten. Of in een concrete zaak sprake is van voldoende steunbewijs is afhankelijk van de omstandigheden van het geval.
Volgens de Hoge Raad moet deze bewijsminimumregel in zedenzaken niet zo uitgelegd worden dat vereist is dat alle handelingen waarvan de verdachte wordt beschuldigd als zodanig bevestiging vinden in ander bewijsmateriaal. Het is voldoende wanneer de verklaring van de aangeefster op bepaalde punten bevestiging vindt in andere bewijsmiddelen. Die andere bewijsmiddelen moeten afkomstig zijn van een andere bron dan de aangeefster. Het kunnen daarom geen bewijsmiddelen zijn die bestaan uit ‘de auditu’-verklaringen (‘van horen zeggen’). Bijvoorbeeld een getuige die verklaart dat hij de aangeefster iets heeft horen zeggen of dat de aangeefster iets aan de getuige heeft verteld. Daarnaast moet het steunbewijs op een voor de beschuldiging relevante wijze in verband staan met de verklaring van aangeefster.
De rechtbank zal hierna eerst ingaan op de betrouwbaarheid van de verklaringen van [benadeelde] . Daarna zal de rechtbank de vraag beantwoorden of haar verklaringen in voldoende mate worden ondersteund door ander bewijs.
Betrouwbaarheid van de verklaringen van [benadeelde]
De verdediging heeft betoogd dat de verklaringen van [benadeelde] onvoldoende betrouwbaar zijn en heeft daartoe aangedragen dat zij niet consistent, niet volledig en niet gedetailleerd heeft verklaard. [benadeelde] had psychische/psychiatrische klachten en gebruikte een antipsychoticum dat
kan leiden tot abnormale dromen, nachtmerries en hallucinaties. Vanwege haar overlijden kan zij niet meer bevraagd worden en niet meer worden geconfronteerd met tegenstrijdigheden of onwaarschijnlijkheden. Daarom moet extra behoedzaam met haar verklaringen worden omgegaan. Ook zou [benadeelde] in haar verklaringen zijn gestuurd en beïnvloed. Haar verklaringen kwamen moeizaam en pas na concrete en sturende (want gesloten) vragen (van behandelaren, docenten en de politie) tot stand.
Feit 1
Kijkend naar de inhoud van de aangifte en de aanvullende verklaringen van [benadeelde] over de verschillende handelingen die de verdachte zou hebben verricht, en waar en wanneer die zouden hebben plaatsgevonden, is de rechtbank van oordeel dat haar verklaringen met betrekking tot feit 1 concreet zijn. Daarnaast zijn de verklaringen van [benadeelde] consistent: er is geen sprake van significante verschillen tussen de door haar op verschillende momenten afgelegde verklaringen ten aanzien van de verkrachting op 18 februari 2022. Haar woordgebruik komt authentiek over. Ook geeft zij het duidelijk aan als zij bepaalde dingen niet weet of als zij ergens geen gedetailleerde herinnering aan heeft. Van beïnvloeding en/of sturing, zoals de verdediging heeft aangevoerd, geeft het dossier geen blijk. Vragen gesteld door de politie aan [benadeelde] zoals: ‘Tegen wie wil je aangifte doen?’, ‘Het gaat om de aangifte van seksueel misbruik door je vader, wat kun je daarover verklaren?’, ‘Wat kun je hier nog meer over vertellen?’, ‘Wat gebeurde er toen?’ zijn algemeen en open van aard en kunnen niet als sturend worden aangemerkt. Dat [benadeelde] voorafgaand aan de verklaringen die zij heeft afgelegd bij de politie, gesprekken heeft gevoerd met haar hulpverleners of behandelaars over het misbruik, maakt nog niet dat er sprake is geweest van beïnvloeding. Ook de omstandigheden dat [benadeelde] worstelde met psychische problemen (een eetstoornis) en aan haar vanwege haar overlijden (bijna twee jaar na de aangifte) geen vragen meer kunnen worden gesteld, maken niet dat de rechtbank aan haar verklaringen twijfelt. Er zijn voorts geen concrete aanwijzingen dat het medicijngebruik van [benadeelde] haar verklaringen heeft beïnvloed. Dat het gebruik van dit specifieke medicijn in sommige gevallen dergelijke bijwerkingen kent, betekent nog niet dat dit ook bij [benadeelde] het geval was en dat daardoor haar verklaringen onjuist zijn.
De rechtbank ziet dan ook geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van [benadeelde] .
Steunbewijs
Naar aanleiding van de verdenking zijn meerdere getuigen gehoord. De rechtbank is van oordeel dat de getuigenverklaringen niet kunnen worden gebruikt als steunbewijs, nu zij enkel weergeven wat deze getuigen van [benadeelde] zelf zouden hebben gehoord. Deze getuigen hebben niet verklaard over emoties of een gedragsverandering die zij zelf bij [benadeelde] hebben gezien, kort na 18 februari 2022.
Ook de app-berichten en het dagboek van [benadeelde] leveren geen steunbewijs op, omdat het hier wederom gaat om informatie uit dezelfde bron, te weten [benadeelde] .
Er heeft echter ook uitgebreid forensisch DNA-onderzoek plaatsgevonden. Zowel het TMFI als het NFI hebben onderzoek verricht aan twee onderbroeken van [benadeelde] en daarover gerapporteerd.
Niet ter discussie staat dat er in de bemonsteringen AAID2514NL#05 en AAID2514NL#06 (binnen- en buitenzijde kruis van de grijze onderbroek van [benadeelde] ) het DNA van de verdachte is aangetroffen. De verdediging heeft, kort gezegd, betoogd dat het aantreffen van DNA van de verdachte in een spermaspoor nog niet wil zeggen dat hij dus ook de donor van het sperma is geweest. De verdediging ziet bevestiging van deze stelling in het feit dat in het spermaspoor ook DNA van [benadeelde] en (aanwijzingen van) een DNA-spoor van een andere man zijn aangetroffen en verwijst daarbij naar de toelichtingen 4 en 5 van het NFI-rapport.
De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt.
Rapporten van het TMFI
In de bemonsteringen AAID2514NL#05 (binnenzijde kruis van de grijze onderbroek) en AAID2514NL#06 (buitenzijde kruis van de grijze onderbroek) zijn spermafracties aangetroffen. Volgens het rapport Forensisch DNA-onderzoek van het TMFI van 1 april 2022 is wat betreft spermafractie AAID2514NL#06 (buitenzijde kruis) sprake van een DNA-mengprofiel afkomstig van celmateriaal van minimaal twee donoren, van wie zeker één man. Vervolgens is het DNA-profiel van de verdachte vergeleken met dit DNA-mengprofiel. Het TMFI rapporteerde op 26 juli 2022 dat de mogelijke donoren van het celmateriaal in spermafractie AAID2514NL#06 (buitenzijde kruis) (in ieder geval) [benadeelde] en de verdachte zijn., en dat het DNA uit deze bemonstering extreem veel waarschijnlijker (de hoogste gradatie van waarschijnlijkheidstermen) is, wanneer de verdachte en een onbekende niet verwante persoon donor zijn.
De rechtbank stelt derhalve vast dat er DNA-materiaal van de verdachte is aangetroffen in het DNA-spoor aan de buitenzijde van deze onderbroek.
In laatstgenoemd rapport van het TMFI staat verder dat “indien wordt aangenomen dat de bemonstering DNA van de verdachte bevat dan is zijn DNA afkomstig is van spermacellen”.
Gelet hierop, in samenhang bezien met de voormelde vaststelling dat het DNA-spoor DNA van de verdachte bevat, is de rechtbank van oordeel het DNA van de verdachte aan de buitenzijde van de grijze onderbroek van [benadeelde] , afkomstig is spermacellen van de verdachte.
Het NFI
Het vorenstaande wordt versterkt door het NFI-rapport van 26 januari 2023.
Het NFI rapporteert dat uit beide spermafracties (AAID2514NL#05 en #06) autosomale DNA-mengprofielen zijn verkregen van minimaal twee personen, te weten [benadeelde] en de verdachte (sperma). Over de bewijskracht staat in het NFI-rapport (p. 132):
Het DNA-profiel uit de bemonstering AAID2514NL#05 is ten minste 7 miljoen keer waarschijnlijker wanneer, kort gezegd, de verdachte en één of geen willekeurige, niet aan [benadeelde] of de verdachte verwante onbekende persoon de donor is dan wanneer één of twee willekeurige niet aan [benadeelde] en verdachte verwante onbekende personen de donor zouden zijn.
Het DNA-profiel uit de bemonstering AAID2514NL#06 is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer, kort gezegd, de verdachte en één of geen willekeurige, niet aan [benadeelde] of de verdachte verwante onbekende persoon de donor is dan wanneer één of twee willekeurige niet verwante onbekende personen de donor zouden zijn.
Op p. 133 van het NFI-rapport staat voorts vermeld:
Samenvattende conclusie:
Onderbroek AAID2514NL van slachtoffer [benadeelde]
De bemonsteringen van de binnenzijde (#05) en buitenzijde (#06) van het kruis
bevatten sperma dat afkomstig kan zijn van verdachte [verdachte] .
Gelet op deze bevindingen stelt de rechtbank vast dat niet alleen aan de buitenzijde van de onderbroek van [benadeelde] sperma van de verdachte is aangetroffen, maar dat ook de binnenzijde, ter hoogte van het kruis, sperma van de verdachte bevat.
Dat uit de toelichting onder punt 4 van dit rapport (p. 132) blijkt dat in beide autosomale DNA-mengprofielen (AAID2514NL#05 en #06) een aanwijzing is verkregen voor de mogelijke aanwezigheid van een relatief zeer geringe hoeveelheid DNA van een andere persoon/man, laat de vaststelling dat het aangetroffen DNA van de verdachte sperma is, onverlet.
De verdediging heeft nog gewezen op hetgeen onder toelichting 5 staat vermeld, namelijk dat de bemonstering sperma bevat dat afkomstig kan zijn van de verdachte, of van een in de mannelijke lijn aan hem verwante man, en minimaal één onbekende man. Maar deze toelichting 5 is door het NFI uitdrukkelijk gekoppeld aan een spoor dat is gevonden op de blauwkleurige onderbroek (AAID2515NL#05), en niet aan de spermafracties gevonden op de grijze onderbroek (AAID2514NL). Dit doet dus geen afbreuk aan de hiervoor getrokken conclusies met betrekking tot de DNA-sporen op de grijze onderbroek.
Tussenconclusie
De rechtbank is op basis van de bevindingen van de deskundigen van het TMFI en het NFI van oordeel dat uit de resultaten van de DNA-onderzoeken volgt dat het aangetroffen DNA-spoor van de verdachte op zowel de binnen- als de buitenzijde van het kruis van de grijze onderbroek van [benadeelde] , afkomstig is van zijn sperma. Dat in bemonsteringen van/in het lichaam van [benadeelde] (de zogenoemde zedenkit), die drie dagen later bij [benadeelde] is afgenomen, geen of geen voor vergelijkend DNA-onderzoek geschikte Y-chromosomale DNA-profielen zijn gevonden en derhalve geen DNA van de verdachte is aangetroffen, maakt dit niet anders.
De verdachte heeft geen enkele (plausibele) verklaring gegeven voor het aantreffen van zijn sperma op zowel de binnen- als de buitenzijde van het kruis van de onderbroek van [benadeelde] .
De rechtbank is dan ook van oordeel dat de verklaringen van [benadeelde] , voor zover die zien op de onder 1. ten laste gelegde verkrachting op 18 februari 2022, in voldoende mate bevestiging vinden in ander bewijs (namelijk: het DNA-bewijs) en dat tussen de verklaringen van [benadeelde] en dat andere bewijs niet een te ver verwijderd verband bestaat.
Dwang
Voor een bewezenverklaring van verkrachting (artikel 242 oud Sr) is vereist dat sprake was van dwang. Dat houdt in dat vast moet komen te staan dat de verdachte opzettelijk heeft veroorzaakt dat [benadeelde] het seksueel binnendringen tegen haar wil heeft ondergaan als gevolg van (bedreiging met) geweld of een andere feitelijkheid. In deze zaak is sprake van dergelijk geweld en feitelijkheden. Uit de verklaringen van [benadeelde] volgt namelijk dat de verdachte, nadat hij het dekbed had weggetrokken en de legging van [benadeelde] had uitgetrokken, haar benen naar beneden of uit elkaar geduwd en zijn knieën tussen haar benen gezet. Vervolgens heeft de verdachte zijn penis in de vagina van [benadeelde] gebracht. Dit terwijl [benadeelde] tegenstribbelde. De verdachte heeft daarmee, als vader, zijn eigen kind overrompeld en [benadeelde] kon in redelijkheid geen weerstand bieden tegen haar vaders seksuele handelingen. Daarmee heeft de verdachte [benadeelde] dus gedwongen tot het ondergaan van die handelingen. Naar uiterlijke verschijningsvorm bezien, moet zijn opzet daarop ook gericht zijn geweest.
Conclusie ten aanzien van feit 1
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte [benadeelde] op 18 februari 2022 heeft verkracht (feit 1). De bewijsmiddelen waarop dit oordeel is gegrond zijn in de bijlage bij dit vonnis opgenomen.
Feit 2
Ten aanzien van feit 2 is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende steunbewijs is voor de verklaringen van [benadeelde] over de vermeende ontuchtige handelingen in de periode van 10 december 2010 tot en met 9 december 2020. De rechtbank zal de verdachte daarom van feit 2 vrijspreken.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan, in die zin dat
hij op 18 februari 2022 te Schellinkhout, gemeente Drechterland, door geweld of een andere feitelijkheid [benadeelde] (geboren op [geboortedatum 2] ) heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [benadeelde] , te weten het:- brengen van zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [benadeelde] en - betasten van de buik en/of de borsten van die [benadeelde] ,
en bestaande dat geweld of die andere feitelijkheid uit het:- naar de kamer van die [benadeelde] toe gaan en - trekken aan het dekbed van die [benadeelde] waardoor het dekbed van haar af ging en - uittrekken van de legging van die [benadeelde] en - naar beneden duwen en uit elkaar duwen van de benen van die [benadeelde] en - zijn, verdachtes, knieën tussen de benen van die [benadeelde] zetten en - brengen van zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [benadeelde] en - betasten van de buik en/of de borsten en - doorgaan met voornoemde handelingen terwijl die [benadeelde] zijn, verdachtes, handen weghaalde en/of haar benen optrok en/of huilde en - hebben van een uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht op die [benadeelde] , gelet op het feit dat verdachte de vader was van die [benadeelde] en - aldus voor die [benadeelde] een zodanig overweldigende situatie heeft doen ontstaan waarbij zij zich niet aan de seksuele handelingen met verdachte kon onttrekken.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.
Wat aan de verdachte onder 1 meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
4. Kwalificatie en strafbaarheid van het feit
Het bewezenverklaarde levert op:
verkrachting.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.
5. Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
6. Motivering van de sanctie
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte voor het begaan van de feiten 1 en 2 zal worden veroordeeld tot gevangenisstraf voor de duur van 54 maanden.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft geen standpunt ingenomen over een eventuele sanctie.
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de straf die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan verkrachting van zijn, toen 19-jarige, dochter. [benadeelde] was kort voor de verkrachting voor een tweede keer opgenomen in een kliniek in verband met haar eetstoornis. Na een dans- en theaterles bleef zij een nachtje thuis slapen voordat zij weer naar de kliniek zou gaan voor haar behandeling. In die nacht is de verdachte haar slaapkamer binnengegaan, heeft haar legging uitgedaan, heeft haar benen uit elkaar gedaan en zijn knieën daartussen geplaatst. Hoewel [benadeelde] tegenstribbelde heeft de verdachte haar vervolgens betast en verkracht.
De verkrachting heeft plaatsgevonden in de woning van het gezin, in de slaapkamer van [benadeelde] . Dat is bij uitstek een plek waar zij veilig zou moeten zijn. Haar eetstoornis en de recente opname in een GGZ instelling maakten haar extra kwetsbaar. De verdachte heeft op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van [benadeelde] . Bovendien heeft de verdachte de verkrachting van meet af aan ontkend en gesuggereerd dat [benadeelde] is beïnvloed door haar begeleiders en behandelaars en door hen in een richting is geleid die zij zelf niet heeft kunnen bedenken. Hoewel ter terechtzitting genuanceerd, heeft de verdachte bij de politie gesuggereerd dat [benadeelde] iets uit de wasmand heeft gepakt en dat heeft afgeveegd aan haar onderbroek, nadat de verdachte die avond seks had met zijn partner. De verdachte heeft daarmee geen enkele verantwoordelijkheid genomen voor zijn gedrag en [benadeelde] daarmee veel extra leed toegebracht. De ervaring leert dat het niet geloofd worden extra schade berokkent aan slachtoffers. [benadeelde] is na haar nachtje thuis logeren, nooit meer thuis geweest en is vlak voor haar 21e verjaardag overleden. Zij is niet alleen slachtoffer van verkrachting geworden maar is ook het gezin waarvan zij deel uitmaakte verloren.
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op
het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport gedateerd van 27 januari 2025 en het aanvullend rapport van 30 maart 2026 van [reclasseringswerker] , als reclasseringswerkster verbonden aan Reclassering Nederland. De reclassering adviseert in beide rapportages om aan de verdachte een straf op te leggen zonder bijzondere voorwaarden. Er wordt geen noodzaak gezien om met interventies of toezicht de risico’s – die als laag worden gezien – te beperken of het gedrag te veranderen.
Gelet op het voorgaande, alsmede de ernst van het bewezenverklaarde feit kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich meebrengt. Dat een dergelijke vrijheidsbeneming grote impact op het leven van de verdachte en zijn naasten zal hebben, wordt door de rechtbank onderkent maar maakt niet dat van een gevangenisstraf wordt afgezien.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden in beginsel een passende straf zou zijn.
Redelijke termijn
De rechtbank neemt bij de straftoemeting in aanmerking dat de redelijke termijn is overschreden. In artikel 6, eerste lid, EVRM is het recht van iedere verdachte gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Als uitgangspunt geldt dat de behandeling van een zaak ter terechtzitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaren nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden.
Nadat de resultaten van het DNA-onderzoek door TFMI bekend waren, is de verdachte op 3 oktober 2022 met die resultaten geconfronteerd en nogmaals gehoord. Naar het oordeel van de rechtbank is dat het moment geweest waarop de redelijke termijn in deze zaak is aangevangen. Van bijzondere omstandigheden is in deze zaak geen sprake. De rechtbank wijst vonnis op 2 juni 2026. Daarmee is de redelijke termijn overschreden met twintig maanden. De rechtbank is van oordeel dat deze forse overschrijding matiging van de op te leggen straf tot gevolg moet hebben.
De rechtbank zal daarom de hierboven genoemde straf met vier maanden verminderen en legt dus een gevangenisstraf op voor de duur van 38 maanden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
7. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
artikel 242 van het Wetboek van Strafrecht.
Dit voorschrift is toegepast, zoals het gold op het moment van het bewezenverklaarde.
8. Beslissing
De rechtbank:
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder 2 is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder 1 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat het onder 1 bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 38 (achtendertig) MAANDEN.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door:
mr. J.F. van Halderen, voorzitter,
mr. J.M. Jongkind en mr. I.A. Groenendijk, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. L. Verheul,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 2 juni 2026.
Bijlage
De bewijsmiddelen
(…)