ECLI:NL:RBNHO:2026:6390

ECLI:NL:RBNHO:2026:6390

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 02-06-2026
Datum publicatie 02-06-2026
Zaaknummer 15/043024-26, 15/327609-25 (gev ttz) en 15/025814-26 (gev ttz)
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Alkmaar

Samenvatting

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling tegen een politieagent, lokaalvredebreuk en vernielingen. Oplegging ISD-maatregel.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Alkmaar

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/043024-26, 15/327609-25 (gev ttz) en 15/025814-26 (gev ttz) (P)

Uitspraakdatum: 2 juni 2026

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 12 mei 2026 en 26 mei 2026 (sluiting onderzoek ter terechtzitting) in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

opgegeven postadres [adres 1],

nu gedetineerd in Justitieel Complex Zaanstad.

De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd.

De zaak met parketnummer 15/043024-26 wordt hierna aangeduid als zaak A.

De zaak met parketnummer 15/327609-25 wordt hierna aangeduid als zaak B.

De zaak met parketnummer 15/025814-26 wordt hierna aangeduid als zaak C.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. K. Leyendeckers en van wat de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. J.C. Engels, advocaat te Heerhugowaard, naar voren hebben gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

Zaak A

primair

hij op of omstreeks 10 februari 2026 te Den Helder, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde 1] (brigadier van eenheid Noord-Holland), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen:-één of meermalen (met een bierflesje) tegen het hoofd van die [benadeelde 1] heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair

hij op of omstreeks 10 februari 2026 te Den Helder, [benadeelde 1] (brigadier van de eenheid Noord-Holland), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, heeft mishandeld door: -één of meermalen (met een bierflesje) tegen het hoofd van die [benadeelde 1] te slaan;

Zaak B

feit 1 hij op of omstreeks 2 december 2025 te Den Helder in het besloten lokaal bij de [benadeelde 2], gelegen aan de [adres 2], althans bij een ander of anderen dan bij verdachte, in gebruik wederrechtelijk is binnengedrongen immers was hem, verdachte, met ingang van 10 september 2025 schriftelijk de toegang tot alle filialen van de [benadeelde 2] ontzegd voor de duur van 12 maanden;

feit 2 hij op of omstreeks 2 december 2025 te Den Helder opzettelijk en wederrechtelijk een politiecel en/of een matras en/of een kussen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan de Politie, toebehoorde heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

Zaak C hij op of omstreeks 31 augustus 2025 te Heerhugowaard, gemeente Dijk en Waard, althans in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk een treinstel en/of een brandblusser, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan de Nederlandse Spoorwegen, toebehoorde heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.

2. Voorvragen

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd om van de zaak kennis te nemen, de officier van justitie is ontvankelijk en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

3. Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit in zaak A, beide feiten in zaak B en het feit in zaak C.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van de ten laste gelegde feiten in zaak B en zaak C gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van zaak A heeft de raadsvrouw erop gewezen dat de verdachte weliswaar heeft erkend te hebben geslagen, maar heeft ontkend daarbij een bierflesje in de hand te hebben gehad, terwijl uit de bewijsmiddelen evenmin valt af te leiden dat het de verdachte is geweest die met een bierflesje op het hoofd van de aangever heeft geslagen.

Oordeel van de rechtbank

Redengevende feiten en omstandigheden

Zaken B en C

De verdachte heeft de ten laste gelegde feiten in zaak B en zaak C bekend tijdens de zitting van 12 mei 2026 en door of namens hem is geen vrijspraak hiervoor bepleit. Gelet op artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) zal ten aanzien van deze zaken daarom worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen, opgenomen in bijlage I, op grond waarvan de rechtbank tot een bewezenverklaring is gekomen.

Zaak A

De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit in zaak A. Hieronder zal de rechtbank uitleggen hoe zij tot een bewezenverklaring is gekomen.

Bewijsoverweging zaak A

Feiten en omstandigheden

De rechtbank stelt op basis van het dossier de volgende feiten en omstandigheden vast.

De aangever, [benadeelde 1] (hierna: de aangever), werkzaam als brigadier van de politie, wordt op 10 februari 2026 opgeroepen om naar een winkelcentrum in Den Helder te gaan vanwege een melding van overlast. Ter plaatse gekomen ziet de aangever de verdachte met een geopend bierflesje in zijn handen staan. Het is de aangever ambtshalve bekend dat de verdachte veelvuldig met de politie in aanraking komt vanwege overlast gevend gedrag en winkeldiefstal. De aangever spreekt de verdachte aan dat is gezien dat hij in het winkelcentrum heeft geplast en mensen lastigvalt. Wanneer de aangever probeert het bierflesje van de verdachte af te pakken, slaat de verdachte hem meerdere keren op het hoofd. Twee getuigen zien de aangever op enig moment op de grond belanden. De aangever heeft onder andere een lichte hersenschudding opgelopen.

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de verdachte de aangever meerdere keren op het hoofd heeft geslagen met een bierflesje. De verdachte heeft namelijk verklaard dat hij geen bierflesje in zijn hand had, omdat hij deze op de grond stuk had gegooid. Dit door de verdachte geschetste scenario is niet aannemelijk en wordt door de bewijsmiddelen weerlegd. Allereerst heeft de aangever verklaard dat hij door de verdachte driemaal met het flesje op zijn hoofd is geslagen. Daarnaast hebben twee getuigen waargenomen dat de aangever op de grond lag en de verdachte met een bierfles in zijn hand zwaaide/gooide. Verder kan de verklaring van de verdachte over het stuk gooien van het bierflesje niet kloppen, gelet op de foto in het dossier van het intacte bierflesje. De rechtbank stelt daarom vast dat de verdachte meermalen op het hoofd van de verdachte heeft geslagen met het bierflesje. De aangever is met kracht op het hoofd geslagen, wat blijkt uit het feit dat hij daardoor op de grond terecht is gekomen, welk gevolg de verdachte ter terechtzitting ook heeft erkend. Dat het de verdachte is geweest en niet iemand anders, blijkt – anders dan de raadsvrouw heeft aangevoerd – genoegzaam uit de bewijsmiddelen.

De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden is of het handelen van de verdachte gekwalificeerd moet worden als een poging tot zware mishandeling of als mishandeling.

Poging tot zware mishandeling

Voor een bewezenverklaring van een poging tot zware mishandeling is vereist dat de verdachte minst genomen voorwaardelijk opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Door met een bierflesje, meerdere malen, met kracht op het hoofd van de aangever te slaan is sprake geweest van een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel. Als de fles door de impact van het slaan stuk was gegaan, dan had de aangever (ernstige) snijwonden van het gebroken glas in zijn gezicht kunnen hebben. Daarnaast bevinden zich in het hoofd de hersenen en het gezicht bevat kwetsbare delen, zoals de ogen. Met een (breekbaar) voorwerp tegen het hoofd slaan kan ernstige lichamelijke gevolgen hebben. De kans dat door het handelen van de verdachte zwaar lichamelijk letsel zou worden toegebracht, moet naar algemene ervaringsregels als aanmerkelijk worden aangemerkt. Eenieder – en dus ook de verdachte – heeft daarom weet van het bestaan van deze aanmerkelijke kans. Verder kunnen de gedragingen van de verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, dat het niet anders kan zijn dat hij de aanmerkelijke kans op het zwaar lichamelijk letsel bewust heeft aanvaard. De verdachte heeft immers meermalen met kracht met het bierflesje op het hoofd van de aangever geslagen. De rechtbank is dus van oordeel dat de verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan de aangever en zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot zware mishandeling.

Conclusie

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair ten laste gelegde feit.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, in die zin dat

Zaak A

hij op 10 februari 2026 te Den Helder, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde 1] (brigadier van eenheid Noord-Holland), gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door: meermalen met een bierflesje tegen het hoofd van die [benadeelde 1] te slaan, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Zaak B

feit 1 hij op 2 december 2025 te Den Helder in het besloten lokaal [benadeelde 2], gelegen aan de [adres 2], wederrechtelijk is binnengedrongen, immers was hem, verdachte, met ingang van 10 september 2025 schriftelijk de toegang tot alle filialen van [benadeelde 2] ontzegd voor de duur van 12 maanden;

feit 2 hij op 2 december 2025 te Den Helder opzettelijk en wederrechtelijk een politiecel, die aan een ander toebehoorde, heeft onbruikbaar gemaakt;

Zaak C

hij op 31 augustus 2025 te Heerhugowaard, gemeente Dijk en Waard opzettelijk en wederrechtelijk een treinstel en een brandblusser, die aan de Nederlandse Spoorwegen toebehoorde, heeft onbruikbaar gemaakt.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

zaak A

poging tot zware mishandeling, gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;

zaak B (feit 1)

in het besloten lokaal bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen;

zaak B (feit 2) en zaak C

telkens: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, onbruikbaar maken.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.

5. Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

6. Motivering van de sanctie

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) voor de duur van twee jaren, zonder aftrek van voorarrest.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft primair bepleit geen ISD-maatregel op te leggen. De raadsvrouw heeft verzocht om een gevangenisstraf op te leggen. Zij heeft naar voren gebracht dat onderzocht moet worden of de verdachte in aanmerking kan komen voor een zorgmachtiging in een civielrechtelijk kader. Subsidiair heeft zij verzocht om de ISD-maatregel op te leggen met een tussentijdse toetsing.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Ernst van de feiten

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van een politieagent door met een bierflesje meerdere keren op het hoofd van het slachtoffer te slaan. Het slachtoffer heeft hierbij meerdere wondjes in het gezicht, bulten op zijn hoofd en een lichte hersenschudding opgelopen. Uit de vordering tot schadevergoeding komt naar voren dat het slachtoffer zich heeft afgevraagd waar de plotselinge agressie van de verdachte vandaan kwam, aangezien het fysieke geweld voor hem volstrekt onverwacht kwam. De rechtbank rekent het de verdachte zwaar aan dat hij het geweld heeft gepleegd tegen een politieagent die op dat moment zijn werk deed.

Verder heeft de verdachte met de vernielingen een gebrek aan respect getoond voor de eigendommen van anderen en materiële schade en overlast veroorzaakt. Met de lokaalvredebreuk heeft de verdachte de uitdrukkelijke wens van de [benadeelde 2], dat hij zich niet meer in de filialen van de [benadeelde 2] begeeft, bewust genegeerd.

Persoon van de verdachte

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank onder meer gelet op het strafblad van de verdachte van 4 november 2025, waaruit blijkt dat de verdachte meermalen is veroordeeld voor soortgelijke feiten.

Verder heeft de rechtbank gekeken naar het reclasseringsadvies van 23 april 2026 van GGZ VNN Assen. Uit dit advies blijkt dat de verdachte een kwetsbare man is die onvoldoende in staat is om zichzelf, zonder begeleiding, staande te houden in de maatschappij. Tussen 2024 en 2025 is hij dusdanig afgegleden dat hij zijn woning is kwijtgeraakt, zijn psychisch functioneren verslechterde en zijn verslavingsproblematiek is toegenomen. De verdachte heeft geen zinvolle dagbesteding en pleegt delicten wegens een gebrek aan voldoende financiële middelen. Uitgaven aan zijn alcohol- en drugsverslaving lijken hieraan ten grondslag te liggen. Daarbij is er sprake van psychische problematiek in de vorm van schizofrenie en een licht verstandelijke beperking. Deze problematiek in combinatie met zijn forse middelengebruik maakt dat het risico op psychische ontregeling hoog is.

Sinds 2007 was er sprake van intensieve zorg, maar de verdachte stelt geen hulp meer te willen. Hij wil niet samenwerken met de reclassering en hulp van andere organisaties wijst hij ook af. Zijn niet meewerkende houding, de afwezigheid van motivatie alsmede de ernstige verslavingsproblematiek en het gebrek aan beschermende factoren zijn grote risicofactoren. Het risico op recidive, letsel en het onttrekken aan voorwaarden wordt als hoog ingeschat.

Gelet op het uitblijven van gedragsverandering, ziet de reclassering geen andere mogelijkheid ziet dan het adviseren van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel voor de duur van twee jaren. Er kan middels het langdurige, gesloten en gestructureerde kader worden gewerkt aan recidivevermindering en stabiliteit en kan de verdachte worden toegeleid naar een woonplek waar hij ook na de ISD-maatregel kan verblijven met zijn WLZ indicatie. Daarnaast is bij een overtreding directe terugplaatsing in detentie mogelijk, waardoor de maatregel bijdraagt aan bescherming van de maatschappij.

De rechtbank heeft reclasseringswerker [deskundige] op zitting als deskundige gehoord. Zij heeft het advies om een onvoorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen, gemotiveerd gehandhaafd.

Op te leggen maatregel

De rechtbank stelt vast dat aan alle voorwaarden is voldaan die artikel 38m, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) aan het opleggen van de ISD-maatregel stelt. Het strafbare feit in zaak A, feit 2 in zaak B en het feit in zaak C betreffen misdrijven waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Uit het strafblad van de verdachte blijkt dat hij in de afgelopen vijf jaar ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot vrijheidsbenemende straffen, terwijl de onderhavige feiten zijn begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen. Gelet op de inhoud van het hiervoor genoemde reclasseringsrapport en het strafblad van de verdachte, moet er ernstig rekening mee worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan. De veiligheid van personen en goederen vereist daarom het opleggen van een ISD-maatregel. Aan de zogenoemde ‘harde’ criteria voor oplegging van de ISD-maatregel is dus voldaan.

Op grond van het strafblad is ook voldaan aan de eisen die de “Richtlijn voor Strafvordering bij meerderjarige veelplegers” van het Openbaar Ministerie stelt: de verdachte is een zeer actieve veelpleger, die over een periode van vijf jaren processen-verbaal tegen zich zag opgemaakt worden voor meer dan tien misdrijven, waarvan ten minste één in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde feit.

Ook aan de ‘zachte’ criteria voor oplegging van de ISD-maatregel is voldaan. Dat wil zeggen dat de rechtbank geen reëel, minder ingrijpend alternatief ziet voor de oplegging van een ISD-maatregel. Uit het strafblad van de verdachte blijkt dat hij meerdere gevangenisstraffen heeft gekregen. Daarnaast heeft de reclassering meerdere malen met de verdachte gesproken en heeft hij telkens aangegeven dat hij niet open staat voor begeleiding. Ter zitting heeft de verdachte dit nogmaals bevestigd. De mogelijkheden van een andersoortige interventie lijken te zijn uitgeput. De mogelijkheid van een zorgmachtiging is wel verkend, maar niet haalbaar gebleken gelet op de houding en het gedrag van de verdachte. Een gevangenisstraf, zoals door de raadsvrouw bepleit, doet daarnaast geen recht aan het herhaaldelijk plegen van feiten en miskent het belang van bescherming van de maatschappij.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank, overeenkomstig de eis van de officier van justitie en het reclasseringsadvies, een onvoorwaardelijke ISD-maatregel voor de duur van twee jaren opleggen. De rechtbank ziet op dit moment geen aanleiding voor het bepalen van een tussentijdse beoordeling van de maatregel, nu de problematiek van de verdachte zodanig lijkt te zijn dat voor de behandeling daarvan geruime tijd nodig zal zijn.

De rechtbank ziet geen aanleiding om het voorarrest af te trekken en daarmee de duur van de ISD-maatregel te bekorten. De ISD-maatregel wordt doorgaans opgelegd voor de duur van twee jaar in verband met een effectief verloop van de maatregel. Om beëindiging van de recidive van de verdachte de best mogelijke kans te geven en meer stabiliteit op verschillende leefgebieden te kunnen bereiken, dient de gehele duur van de maatregel ten uitvoer te worden gelegd. De rechtbank zal de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht dus niet in mindering brengen op de duur van de maatregel.

Schuldigverklaring zonder oplegging van straf of maatregel ten aanzien van feit 1, zaak B

Feit 1 van zaak B is een misdrijf waarvoor geen voorlopige hechtenis is toegelaten. Dit feit kan daarom niet mede ten grondslag liggen aan de oplegging van de ISD-maatregel. Een afzonderlijke strafoplegging voor dit feit naast de ISD-maatregel is wettelijk niet mogelijk (vgl. HR 21 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV1161). De rechtbank ziet daarom aanleiding om ten aanzien van dit feit toepassing te geven aan artikel 9a Sr en de verdachte schuldig te verklaring zonder oplegging van een straf of maatregel.

7. Vorderingen benadeelde partijen

Vordering van [benadeelde 1] (zaak A)

Namens de benadeelde partij [benadeelde 1] heeft [gemachtigde 1] een vordering tot schadevergoeding van € 675,- ingediend tegen de verdachte wegens immateriële schade die hij als gevolg van het feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de immateriële schade kan worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering kan worden toegewezen.

Oordeel van de rechtbank

Vergoeding van immateriële schade is op grond van artikel 6:106, sub b, van het Burgerlijk Wetboek onder meer mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen. In dit geval staat vast dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van het door de verdachte gepleegde strafbare feit. Gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken worden toegekend als schadevergoeding en de Rotterdamse schaal, is de rechtbank van oordeel dat de gevraagde vergoeding van € 675,- billijk is.

De vordering zal dus in zijn geheel worden toegewezen. De rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente toe vanaf 10 februari 2026 tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.

Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de vordering tot schadevergoeding wordt toegewezen, moet de verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vast staat dat de benadeelde partij kosten heeft gemaakt voor het indienen en toelichten van de vordering en begroot de kosten daarom op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor hem doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van € 675,- aan de Staat moet betalen. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 februari 2026 tot de dag dat de verdachte het volledige bedrag heeft betaald. Als de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast voor de duur van zes dagen. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen.

Vordering van NS Groep N.V. (zaak C)

Namens de benadeelde partij NS Groep N.V. heeft [gemachtigde 2] een vordering tot schadevergoeding van € 1.906,36 ingediend tegen de verdachte wegens materiële schade die het bedrijf als gevolg van het feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde materiële schade bestaat uit reinigingskosten en een brandblusser (€ 1.575,24), en expertisekosten (€ 331,12).

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de materiële schade kan worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

De vordering is voldoende onderbouwd en door de verdediging niet betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezen verklaarde feit, voor het gevorderde bedrag. De rechtbank wijst de vordering daarom geheel toe.

De rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente toe vanaf 31 augustus 2025 tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.

Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de vordering tot schadevergoeding wordt toegewezen, moet de verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vast staat dat de benadeelde partij kosten heeft gemaakt voor het indienen en toelichten van de vordering en begroot de kosten daarom op nihil.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij wordt in staat geacht om zelf de incasso van de toegewezen vordering ter hand te nemen.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikel 36f, 38m, 38n, 45, 57, 63, 138, 302, 304, 350 van het Wetboek van Strafrecht.

9. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op ten aanzien van zaak A, zaak B, feit 2, en zaak C de maatregel tot plaatsing van de verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 (twee) jaren.

Bepaalt dat ten aanzien van zaak B, feit 1, geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Vordering benadeelde partij [benadeelde 1]

Wijst de vordering van geheel toe tot een bedrag van € 675,- (zegge: zeshonderdvijfenzeventig euro), en veroordeelt de verdachte tot betaling aan [benadeelde 1] van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 februari 2026 tot de dag van volledige betaling, aan [benadeelde 1], voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Schadevergoedingsmaatregel

Legt aan de verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde 1] aan de Staat € 675,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 februari 2026 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met zes dagen gijzeling. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Vordering benadeelde partij NS Groep N.V.

Wijst de vordering van NS Groep N.V. geheel toe tot een bedrag van € 1.906,36 (zegge: éénduizend negenhonderdzes euro en zesendertig eurocent).

Veroordeelt de verdachte tot betaling aan NS Groep N.V. van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 augustus 2025 tot de dag van volledige betaling aan de NS Groep N.V., voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.M. Jongkind, voorzitter,

mr. I.A. Groenendijk en mr. J.F. van Halderen, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. L. Verheul,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 2 juni 2026.

Bijlage

De bewijsmiddelen

(…)

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. J.M. Jongkind
  • mr. I.A. Groenendijk
  • mr. J.F. van Halderen

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand