RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Team Straf, zittingsplaats Alkmaar
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/099845-25
Uitspraakdatum: 2 juni 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 19 mei 2026 in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats],
Ter zitting opgegeven adres
C. Fuente del Alamillo 7 3 P02 1, 23006 Jaén, Spanje.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. R. Funke Küpper en van wat door de verdachte en zijn raadsman, mr. G.W.M. de Leest, advocaat te Tilburg, naar voren is gebracht.
1. Tenlastelegging
De verdachte wordt vervolgd voor zijn betrokkenheid bij een verkeersongeval op 25 maart 2025 op de Provincialeweg te Noord-Scharwoude.
Aan de verdachte is, kort gezegd, onder feit 1 primair ten laste gelegd dat hij zich als bestuurder van een personenauto zo heeft gedragen, dat het verkeersongeval aan zijn schuld te wijten is (overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, hierna: WVW) en als gevolg daarvan [benadeelde] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Dit terwijl de verdachte meer THC in zijn bloed had dan toegestaan. Subsidiair is dit ten laste gelegd als dat de verdachte gevaar op de weg heeft veroorzaakt (overtreding van artikel 5 WVW).
Dat de verdachte die dag als bestuurder van een auto heeft gereden met meer THC in zijn bloed dan toegestaan is ook apart ten laste gelegd onder feit 2.
De volledige tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht en maakt daarvan deel uit.
2. Voorvragen
De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd van de zaak kennis te nemen, de officier van justitie is ontvankelijk en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
3. Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van feit 1 primair, met dien verstande dat de gedragingen van de verdachte als aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend moeten worden aangemerkt. De officier van justitie heeft ook gerekwireerd tot bewezenverklaring van feit 2.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft integrale vrijspraak bepleit. Daartoe heeft hij aangevoerd dat de strikte waarborgen die gelden voor het bloedonderzoek niet zijn nageleefd. Een verdachte moet namelijk schriftelijk in kennis worden gesteld van de uitslag van het bloedonderzoek en het recht op tegenonderzoek. Nu de politie de brief naar het verkeerde adres heeft gestuurd, heeft de verdachte zijn recht op tegenonderzoek niet kunnen effectueren. Daarnaast heeft de raadsman aangevoerd dat een enkele verkeersovertreding onvoldoende is om te kunnen spreken van schuld in de zin van artikel 6 WVW. Tenslotte is geen sprake geweest van zodanige gedragingen dat daardoor gevaar en/of hinder is of kon ontstaan op de weg.
Oordeel van de rechtbank
Redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van feit 1 primair en feit 2 op grond van de bewijsmiddelen die in bijlage II bij dit vonnis zijn opgenomen.
Bewijsmotivering
Toedracht van het ongeval
Op 25 maart 2025 omstreeks 21:35 uur reed de verdachte in een auto over de Provincialeweg in Noord-Scharwoude, in de richting van Waarddijk Noord. Op die weg geldt een maximale snelheid van 60 kilometer per uur. De rijstroken voor verkeer in tegenovergestelde richtingen zijn niet fysiek of met een asmarkering van elkaar gescheiden. [benadeelde] (hierna: het slachtoffer) reed op een bromfiets op de Provincialeweg, komende uit de richting van Waarddijk Noord. Vanuit de rijrichting van de verdachte bezien helt de weg licht en maakt die een flauwe bocht naar links. Net na deze bocht heeft een frontale botsing plaatsgevonden tussen de auto die de verdachte bestuurde en de uit tegengestelde richting komende bromfiets met daarop het slachtoffer. Die liep hierbij een schedelbasisfractuur met bloed tussen de schedel en hersenen op.
De rechtbank stelt op basis van het forensisch onderzoek vast dat de verdachte komende uit de bocht niet zoveel mogelijk rechts heeft gehouden, (deels) op het voor het tegemoetkomend verkeer bestemde weggedeelte terecht is gekomen en vervolgens tegen de bromfiets is gebotst. De verdachte heeft ter zitting ook bevestigd dat hij in het midden van de weg reed en niet zoveel mogelijk rechts heeft gehouden.
Uit onderzoek aan het bloed dat bij de verdachte is afgenomen is gebleken dat sprake was van een THC-gehalte van 7 microgram per liter bloed. De grenswaarde bij enkelvoudig drugsgebruik ligt bij THC bij 3 microgram per liter bloed.
Onderzoek in zin van artikel 8, vijfde lid, WVW
De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman dat niet is voldaan aan de strikte waarborgen als bedoeld in artikel 17 van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer (hierna: Besluit).
Om tot een bewezenverklaring te komen van een tenlastelegging die is toegesneden op artikel 8, vijfde lid, WVW (kort gezegd: rijden onder invloed) moet kunnen worden vastgesteld dat sprake is geweest van een ‘onderzoek’ als bedoeld in dat artikel. Van een dergelijk onderzoek is slechts sprake indien de waarborgen zijn nageleefd waarmee de wetgever dat onderzoek met het oog op de betrouwbaarheid van de resultaten daarvan heeft omringd. Deze waarborgen worden ook wel aangeduid als de strikte waarborgen. Tot de strikte waarborgen behoort het voorschrift van artikel 17 Besluit dat de verdachte schriftelijk in kennis wordt gesteld van het resultaat van het bloedonderzoek en van het recht op tegenonderzoek.
Uit het dossier blijkt dat de verdachte in het verhoor op 26 maart 2026 desgevraagd heeft aangegeven dat hij in Oudkarspel in een bungalow woont. In datzelfde verhoor is hij gewezen op het recht van tegenonderzoek. Vervolgens zijn op 2 mei 2025 de resultaten van het bloedonderzoek met de kennisgeving van het recht op tegenonderzoek naar het adres in Oudkarspel verzonden, inclusief Spaanse vertaling. Op de zitting van 28 augustus 2025 heeft de verdachte aangegeven dat hij nadere correspondentie met betrekking tot deze zaak graag blijft ontvangen op het adres in Oudkarspel. Tijdens het verhoor van 29 augustus 2025 heeft hij verklaard nog steeds in Oudkarspel te wonen, dat hij een postadres in Nederland heeft en dat hij van plan is om over twee of drie dagen terug te gaan naar Spanje. Gevraagd naar het adres in Spanje waar hij zijn post wenst te ontvangen, geeft hij het adres in Jaén op.
De raadsman heeft – verwijzend naar de op naam van de verdachte gestelde Informatiestaat SKDB-persoon (hierna: SKDB) – aangevoerd dat, indien de verbalisanten ten tijde van het verzenden van voormelde kennisgeving op 2 mei 2025 het BRP-adres van de verdachte hadden gecontroleerd, zij zouden hebben gezien dat de verdachte sinds 26 maart 2025 niet langer in Nederland stond ingeschreven, maar op het [adres]
De rechtbank volgt de raadsman hierin niet en overweegt daartoe als volgt. Uit de SKDB blijkt dat op 26 maart 2026 het adres in Oudkarspel is geregistreerd als laatst opgegeven woon- of verblijfplaats van de verdachte. Uit hetzelfde overzicht volgt weliswaar als BRP-adres het [adres], maar daarbij staat expliciet vermeld dat de status ‘niet-ingezetene’ is. De registratie ‘niet-ingezetene’ houdt in dat de verdachte niet in Spanje woont. Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat juist uit de SKDB blijkt dat sinds 26 maart 2025 het adres in Oudkarspel als enige bruikbare adres resteerde. De politie heeft dan ook kunnen volstaan met het op 2 mei 2025 verzenden van het resultaat van het bloedonderzoek en het recht op tegenonderzoek naar het door de verdachte opgegeven adres in Oudkarspel. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de verdachte desgevraagd ook nadien het adres in Oudkarspel heeft opgegeven.
Toetsingskader artikel 6 WVW
Bij de vraag of een verdachte schuld in de zin van artikel 6 WVW heeft gehad aan een verkeersongeval gaat het om het geheel van zijn gedragingen, de aard en de ernst van de verkeersovertreding en de overige omstandigheden van het geval. Vastgesteld moet worden dat de verdachte verwijtbaar heeft gehandeld. Het gedrag van de verdachte moet daarvoor worden vergeleken met wat van een bestuurder van een motorrijtuig in het algemeen en gemiddeld genomen mag worden verwacht.
Toepassing toetsingskader artikel 6 WVW
Het besturen van een auto vereist een voortdurende voorzichtigheid en oplettendheid van de bestuurder. Provinciale wegen en zeker die waarbij de rijstroken voor het elkaar tegemoetkomende verkeer niet (fysiek) van elkaar gescheiden zijn, zoals de Provincialeweg te Noord-Scharwoude, vragen uit verkeerstechnisch oogpunt bijzondere oplettendheid en voorzichtigheid. Dit geldt in nog sterkere mate voor de plaats van het ongeval, aangezien de weg daar een flauwe bocht maakt en licht helt.
Door op deze weg onder deze omstandigheden als bestuurder niet zoveel mogelijk rechts te houden is de auto van de verdachte bijna volledig op het voor het tegemoetkomend verkeer bestemde weggedeelte terecht gekomen. Gelet op de afstand die de verdachte heeft afgelegd vanaf het insteken van de bocht tot de frontale botsing, is hij langer dan enkel een kort moment onoplettend geweest. Daarbij komt dat hij zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was zijn auto tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was. Bovendien verkeerde de verdachte op het moment van het ongeval onder invloed van minimaal twee keer de toegestane hoeveelheid THC.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de verdachte schuld heeft gehad aan het verkeersongeval en dat zijn verkeersgedrag als aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend is aan te merken.
Zwaar lichamelijk letsel
Bij de beoordeling of juridisch gezien sprake is van zwaar lichamelijk letsel zijn de ernst, de noodzaak en aard van (eventueel) medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel gezichtspunten die van belang zijn. Ook kan lichamelijk letsel als zwaar worden beschouwd als dat volgens algemeen spraakgebruik zo kan worden genoemd.
De rechtbank komt tot het oordeel dat het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen op basis van het volgende. Op 26 maart 2025 is bij het slachtoffer een schedelbasisfractuur met ook bloed tussen de schedel en de hersenen vastgesteld. Hij is vanwege zijn verwondingen opgenomen geweest in het ziekenhuis. Op 29 maart 2025 heeft de politie het slachtoffer thuis bezocht. Hij was net ontslagen uit het ziekenhuis en lag op een bed in de woonkamer. Zijn ouders gaven aan dat hij veel moest spugen, zijn geheugen hem in de steek liet en het te vroeg was om te zeggen of hij iets aan het ongeval zou overhouden. Op 24 april 2025 kon de behandelend arts de geschatte genezingsduur nog niet met zekerheid vaststellen. Tijdens het verhoor van 4 juli 2025 heeft het slachtoffer verklaard dat hij nog steeds last had van duizeligheid en dat zijn evenwichtsorganen niet volledig werken. Hij heeft hiervoor gespecialiseerde fysiotherapie nodig en de genezingsduur was (nog steeds) onbekend.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat
Feit 1 primair
hij op 25 maart 2025 te Noord-Scharwoude, gemeente Dijk en Waard, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, de Provincialeweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend,
- uit een bocht komend niet zoveel mogelijk rechts te houden en
- ( deels) terecht te komen op het weggedeelte bestemd voor het tegemoetkomende verkeer en
- zijn snelheid niet zodanig te regelen dat hij in staat zou zijn om zijn motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en
- met grote impact op te botsen tegen een hem tegemoet rijdende bromfietser, waardoor aan die bromfietser (genaamd [benadeelde]) zwaar lichamelijk letsel, te weten een schedelbasisfractuur met bloed tussen schedel en hersenen is ontstaan, terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, vijfde lid, van
de Wegenverkeerswet 1994;
Feit 2
hij op 25 maart 2025 te Noord-Scharwoude, gemeente Dijk en Waard, een voertuig, te weten een personenauto, heeft bestuurd na gebruik van een in artikel 2, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stof als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten THC, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van genoemde Wet, het gehalte in zijn bloed van de bij die stof vermelde meetbare stof 7,0 microgram THC per liter bloed bedroeg, in elk geval een gehalte hoger dan de in artikel 3 van het genoemd Besluit, bij die stof vermelde grenswaarde.
Wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
4. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten
Het bewezenverklaarde levert op:
de eendaadse samenloop van
Feit 1 primair
overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, vijfde lid, van deze wet;
en
Feit 2
overtreding van artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is daarom strafbaar.
5. Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
6. Motivering van de sanctie
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 160 uren te vervangen door 80 dagen hechtenis. Daarnaast heeft de officier van justitie een ontzegging van de rijbevoegdheid gevorderd voor de duur van 450 dagen, waarvan 177 dagen voorwaardelijk met aftrek van de tijd dat het rijbewijs van verdachte al ingevorderd is geweest.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht rekening te houden met de omstandigheid dat het eerder ingevorderde rijbewijs van de verdachte bij de teruggave via de postbezorgingsdienst zoek is geraakt, waardoor de verdachte nog steeds niet over zijn rijbewijs beschikt. Verder heeft de raadsman verzocht rekening te houden met het blanco strafblad van de verdachte en de omstandigheden dat het verkeersongeluk ook voor hem een traumatische ervaring is geweest, hij open stond en staat voor mediation met het slachtoffer en hij zijn opleiding en professionele training zal moeten onderbreken indien hij terug moet naar Nederland voor een straf.
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sancties die aan de verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
De ernst van de feiten
De verdachte heeft op 25 maart 2025 een verkeersongeval veroorzaakt door aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend te rijden. Hij is - onder invloed van twee keer de toegestane hoeveelheid cannabis - een bocht uitgekomen zonder dat hij zoveel mogelijk rechts heeft gehouden en zonder zijn snelheid voldoende aan te passen. De verdachte is vervolgens (deels) terechtgekomen op het weggedeelte bestemd voor het tegemoetkomende verkeer en is daar frontaal gebotst tegen een 17-jarige bromfietser. Het slachtoffer heeft hierdoor zwaar lichamelijk letsel opgelopen en uit het spreekrecht dat hij ter zitting heeft uitgeoefend is gebleken hoe zijn leven door het ongeluk van het ene op het andere moment ingrijpend is veranderd. Ook ruim een jaar na het ongeluk wordt hij nog geconfronteerd met de gevolgen.
De persoon van de verdachte
De rechtbank heeft gekeken naar het strafblad van de verdachte van 8 april 2026, waaruit blijkt dat de verdachte in Nederland niet eerder voor een strafbaar feit is veroordeeld.
De rechtbank heeft op de terechtzitting gezien dat het ongeval impact heeft gehad op de verdachte en indruk op hem heeft gemaakt. Ook is gebleken dat de verdachte na het ongeval zijn excuses heeft willen aanbieden aan het slachtoffer. Verder is ter zitting gebleken dat bij teruggave zijn rijbewijs in het ongerede is geraakt. Daardoor heeft hij langere tijd niet over zijn rijbewijs kunnen beschikken en dient hij opnieuw een rijbewijs aan te vragen.
De op te leggen straf
Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank acht geslagen op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) en op straffen die in vergelijkbare zaken zijn opgelegd. In deze zaak is sprake geweest van aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend rijgedrag; dat is de lichtste vorm van schuld als bedoeld in de WVW.
Alles afwegende acht de rechtbank een taakstraf van 160 uur passend en geboden. Er bestaan mogelijkheden voor de verdachte om de taakstraf in Spanje te verrichten. Daarnaast zal de rechtbank de verdachte een ontzegging van de rijbevoegdheid opleggen voor de duur van 450 dagen, waarvan 177 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar met aftrek van de tijd dat het rijbewijs van de verdachte ingevorderd en ingehouden is geweest. Deze voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid is bedoeld om de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw in de fout te gaan. De rechtbank volgt dus de eis van de officier van justitie.
7. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 55 van het Wetboek van Strafrecht en
6, 8, 175, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.
8. Beslissing
De rechtbank:
verklaart bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde onder feit 1 en het ten laste gelegde onder feit 2 heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven;
verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij;
bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren;
verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot het verrichten van 160 [honderdzestig] uren taakstraf die bestaat uit het verrichten van onbetaalde arbeid, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 80 [tachtig] dagen hechtenis;
veroordeelt de verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 450 [vierhonderdvijftig] dagen met aftrek overeenkomstig artikel 179, zesde lid, van de Wegenverkeerswet 1994;
beveelt dat een gedeelte van deze bijkomende straf, groot 177 [honderdzevenenzeventig] dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte voor het einde van de op twee jaren bepaalde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door:
mr. F.H.B. Budde, voorzitter,
mr. C.H. de Jonge van Ellemeet en mr. I.A. Groenendijk, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. E. Saelens
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 2 juni 2026.
Bijlage I – de tenlastelegging
Feit 1
hij op of omstreeks 25 maart 2025 te Noord-Scharwoude, gemeente Dijk en Waard, in elk geval in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, de Provincialeweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,
- uit een bocht komend niet zoveel mogelijk rechts te houden en/of
- ( deels) terecht te komen op het weggedeelte bestemd voor het tegemoetkomende verkeer en/of
- zijn snelheid niet zodanig te regelen dat hij in staat zou zijn om zijn motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of
- met grote impact op te botsen tegen een hem tegemoet rijdende bromfietser, waardoor aan die bromfietser (genaamd [benadeelde]) zwaar lichamelijk letsel, te weten een schedelbasisfractuur met bloed tussen schedel en hersenen, of zodanig
lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste, tweede, derde, vierde of vijfde lid van
de Wegenverkeerswet 1994, dan wel na het feit niet heeft voldaan aan een bevel gegeven krachtens artikel 163, tweede, zesde, zevende of negende lid van genoemde wet;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 25 maart 2025 te Noord-Scharwoude, gemeente Dijk en Waard als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de Provincialeweg,
- uit een bocht komend niet zoveel mogelijk rechts heeft gehouden en/of
- ( deels) terecht is gekomen op het weggedeelte bestemd voor het tegemoetkomende verkeer en/of
- zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of
- is opgebotst tegen een hem tegemoet rijdende bromfietser, waarbij letsel aan die persoon is ontstaan of schade aan goederen is toegebracht, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;
Feit 2
hij op of omstreeks 25 maart 2025 te Noord-Scharwoude, gemeente Dijk en Waard een voertuig, te weten een personenauto, heeft bestuurd of als bestuurder heeft doen besturen na gebruik van een in artikel 2, van het Besluit alcohol, drugs en
geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stof als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten THC, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van genoemde Wet, het gehalte in zijn bloed van de bij die stof vermelde meetbare stof 7,0 microgram THC per liter bloed bedroeg, in elk geval een gehalte hoger dan de in artikel 3 van het genoemd Besluit, bij die stof vermelde grenswaarde.