RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie & Jeugd
Locatie Alkmaar
Meervoudige kamer jeugdstrafzaken
Parketnummers:
15.055793.25 (P) & 13-028354-25 (ttz.gev.) & 05-029180-25 (ttz.gev.)
& 10-129662-23 (TUL)
Uitspraakdatum: 4 juni 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting met gesloten deuren van 21 mei 2026 in de zaak tegen:
[de verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] te [plaats] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres] .
De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd.
De rechtbank heeft kennisgenomen van:
- de vordering van de officieren van justitie [officier van justitie] en [officier van justitie] ;
- wat verdachte en zijn raadsman, mr. H. Plantenga, advocaat te Zaandam, naar voren hebben gebracht;
- het advies van [vertegenwoordiger van de raad] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad)
- het advies van [vertegenwoordiger van de jeugdreclassering] , namens de jeugdreclassering Rotterdam Rijnmond;
- de vorderingen en slachtofferverklaringen van de benadeelde partijen [de benadeelde partij 1] ,
[de benadeelde partij 2] en [de benadeelde partij 3] en de toelichting hierop door hun raadsvrouw mr. S.N. de Jager;
- de vorderingen en slachtofferverklaringen van de benadeelde partijen [de benadeelde partij 4] , [de benadeelde partij 5] en [de benadeelde partij 6] ;
- de vordering van de benadeelde partij [de benadeelde partij 9] ;
- wat [begeleider] , als begeleider werkzaam bij [verblijfplaats] , naar voren heeft gebracht.
1. Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
Parketnummer 15.055793.25:
Feit 1:
hij op of omstreeks 15 december 2024 te Purmerend tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [de benadeelde partij 1] en/of [de benadeelde partij 3] en/of [de benadeelde partij 2] van het leven te beroven, een of meerdere cobra's in combinatie met een of meerdere brandversnellende middelen voor de voordeur van een woning aan [adres] , waar die [de benadeelde partij 1] , [de benadeelde partij 3] en [de benadeelde partij 2] op
dat moment verbleven, te plaatsen en/of die cobra's in combinatie met een of meerdere brandversnellende middelen, aan te steken en/of tot ontploffing te brengen,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Feit 2:
hij op of omstreeks 15 december 2024 te Purmerend tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht bij een woning aan [adres] , door een of meerdere cobra’s in combinatie met een of meerdere brandversnellende middelen voor de voordeur van die woning te plaatsen en/of die cobra’s in combinatie met een of meerdere brandversnellende middelen aan te steken en/of tot ontploffing te brengen, terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten de genoemde woning en/of (een) naastgelegen
woning(en) en/of
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten voor (een)
bewoner(s) van genoemde woning en naastgelegen woning(en) te duchten was.
Parketnummer 13-028354-25:
Feit 1:
hij op of omstreeks 26 januari 2025 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [de benadeelde partij 7] en/of [de benadeelde partij 8] te dwingen tot de afgifte van een of meerdere telefoons, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [de benadeelde partij 7] en/of [de benadeelde partij 8] , en/of een derde toebehoorde(n):
- Tegen voornoemde [de benadeelde partij 7] en/of [de benadeelde partij 8] heeft gezegd dat ze moeten blijven staan
en/of
- Tegen voornoemde [de benadeelde partij 7] en/of [de benadeelde partij 8] heeft gezegd: "laat je telefoon zien" en/of
"Geef je telefoon en ontgrendel hem en log dan uit" en/of
- Hierbij af heeft geteld van zeven naar nul en daarbij op dreigde toon heeft gezegd:
"weet jij wel wie ik ben" en/of "moet je klappen hebben"
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Feit 2:
hij op of omstreeks 26 januari 2025 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [de benadeelde partij 7] heeft gedwongen tot de afgifte van een pakje sigaretten, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [de benadeelde partij 7] en/of een derde toebehoorde(n)
door:
- Tegen voornoemde [de benadeelde partij 7] te zeggen dat ze moet blijven staan en/of
- Tegen voornoemde [de benadeelde partij 7] te zeggen: "Heb je nog iets anders bij je?" en/of "geef je
sigaretten" en/of
- Af te tellen van zeven naar nul en daarbij op dreigde toon te zeggen: "weet jij wel
wie ik ben" en/of "moet je klappen hebben".
Parketnummer 05-029180-25:
hij op of omstreeks 4 oktober 2024 te Lievelde, gemeente Oost Gelre, terwijl hij deleeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt, een wapen van categorie IV, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een Machete voorhanden heeft gehad.
2. Voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaardingen geldig zijn, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaken, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
3. Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
Parketnummer: 15.063078.25:
Volgens de officier van justitie hebben de verdachte en de medeverdachte [de medeverdachte 1] de opdracht gekregen en aangenomen om een vuurwerkpakket voor de woning aan [adres] te Purmerend neer te leggen. Samen hebben ze het pakket in de nacht daar neergelegd, één van hen heeft het afgestoken en daarna zijn ze samen weggerend. Het bewijs hiervoor volgt uit de verklaring van de verdachte. Zijn verklaring wordt ondersteund door camerabeelden van die nacht en de volgende dag, alsmede de Snapchat- en Whatsapberichten die in zijn telefoon zijn gevonden. De officier van justitie heeft dan ook gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, te weten het medeplegen van een poging moord en het medeplegen van het teweegbrengen van een explosie, met gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor een ander tot gevolg. De officier van justitie heeft hiertoe het volgende naar voren gebracht.
Feit 1:
Volgens de officier van justitie hebben de verdachte en de medeverdachte bij hun handelen voorwaardelijke opzet gehad op de dood van het slachtoffer [de benadeelde partij 2] en haar zoons
[de benadeelde partij 1] en [de benadeelde partij 3] , althans op de dood van de bewoners van [adres] in Purmerend. De officier van justitie acht hierbij het volgende van belang.
Uit het dossier blijkt dat bij de explosie een vuurwerkbrandstofcombinatie (hierna: VBC)
van aanzienlijke omvang is gebruikt, bestaande uit zes cobra’s en zes flessen wasbenzine.
Door een dergelijk bompakket midden in de nacht in een rijtjeswoning te laten exploderen, hebben de verdachte en de medeverdachte de aanmerkelijke kans aanvaard dat hierdoor de bewoners zouden komen te overlijden. De verdachte en de medeverdachte waren zich ook bewust van deze aanmerkelijke kans. De VBC moet – gelet op de zes flessen wasbenzine – minstens zes kilo hebben gewogen, zwaarder dan een enkele cobra. De verdachte heeft verklaard dat in de woning aan [adres] , waar de VBC werd klaargemaakt, mensen aan het “klussen” waren en dat hij twee cobra’s in een kamer vol vuilniszakken heeft gezien. Hij heeft daarna een pakket meegekregen en dat gedragen toen hij en de medeverdachte naar [adres] liepen. Dat de verdachte en de medeverdachte over dit pakket en de zwaarte daarvan verder niet hebben nagedacht en er niet bij hebben stilgestaan, volgt de officier van justitie niet. Daarnaast hebben de verdachte en de medeverdachte de gevolgen van hun handelen op de koop toegenomen. Zij wisten hoe gevaarlijk hun plan was en hebben dat plan toch doorgezet. Hun handelen is daarmee naar de uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het intreden van het gevolg – namelijk de dood van de bewoners aan [adres] – dat geen andere conclusie mogelijk is dan dat zij die aanmerkelijke kans bewust hebben aanvaard. De officier van justitie heeft ter onderbouwing van dit standpunt gewezen op een vonnis van de rechtbank Oost Brabant.
De officier van justitie acht verder wettig en overtuigend bewezen dat sprake is van ‘voorbedachte raad’. Hiervoor moet vast komen te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en moet worden vastgesteld dat van deze tijd en gelegenheid gebruik is gemaakt. Aan deze voorwaarden is volgens de officier van justitie voldaan. De verdachte en de medeverdachte hebben ruim de tijd en gelegenheid gehad om zich te beraden op hun besluit om de VBC bij de voordeur van [adres] te leggen, tijdens hun reis naar Purmerend, in het tijdsbestek van ruim vier uur dat zij in de woning aan [adres] waren en tijdens het lopen van [adres] naar [adres] . Zij hebben er met elkaar ook over gesproken. Van een ogenblikkelijke gemoedsopwelling is geen sprake.
Feit 2:
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat uit het forensisch onderzoek blijkt
dat een VBC een zelfgemaakte explosieve constructie betreft, waarbij het vuurwerk het verspreiden en ontsteken van de brandbare vloeistof faciliteert. Door het bewust toevoegen van brandstof aan de explosieve constructie, ontstaat een aanmerkelijke kans op schade en de dood. Gelet op de reeds geschetste omstandigheden waaronder de verdachten de VBC bij de woning aan [adres] hebben neergelegd en waarbij niets erop wees dat in die woning geen mensen woonden of aanwezig waren, acht de officier van justitie wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de tenlastegelegde brandstichting zoals voornoemd.
Parketnummer 13-028354-25:
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van de onder 1 ten laste gelegde afpersing in vereniging en de onder 2 ten laste gelegde poging tot afpersing in vereniging.
Parketnummer 05-029180-25:
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het voorhanden hebben van een machete.
Standpunt van de verdediging
Parketnummer 15.055793.25:
De verdediging heeft integrale vrijspraak bepleit van beide feiten.
Wat betreft de poging moord dan wel doodslag is bepleit dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat sprake is van (voorwaardelijke) opzet op de dood van de slachtoffers, noch van voorbedachte raad.
De verdediging heeft wat betreft het teweegbrengen van een explosie bepleit om de verdachte deels vrij te spreken, omdat als gevolg van de explosie geen levensgevaar
voor personen te duchten was als bedoeld in artikel 157 Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr).
Om te kunnen concluderen dat sprake was van levensgevaar voor personen, is het brandverloop in deze zaak van belang. Deze is bijzonder en specifiek te noemen. Het is
niet zo dat sprake is van een situatie waarbij, na de explosie, de brand rechtstreeks en vanzelfsprekend naar binnen is overgeslagen. Uit het forensisch onderzoek blijkt dat sprake is van een bijzonder mechanisme waarbij de drukgolf eerst toegang tot de woning heeft verschaft en vervolgens een brandbaar mengsel de hal heeft binnen kunnen dringen. Dat de brand zich vervolgens naar de bovenverdiepingen heeft verplaatst, kan blijkens het forensisch onderzoek te maken hebben met zogenaamde schoorsteenwerking. Ook kan de bekleding op de trap zeer waarschijnlijk een rol hebben gespeeld bij de heftigheid waarmee de brand zich heeft ontwikkeld. Opvallend is daarbij dat op de benedenverdieping nauwelijks brandontwikkeling is geweest, terwijl het explosief bij de voordeur van de woning is geplaatst.
Gelet op het specifieke brandverloop in deze zaak is geen sprake van een situatie
waarbij het naar algemene ervaringsregels voorzienbaar moet zijn geweest - en zeker
niet voor minderjarigen - dat door het teweegbrengen van een explosie bij de voordeur
van een woning, levensgevaar zou ontstaan voor personen. Het enkele feit dat een brand
is ontstaan met achteraf ernstige gevolgen, is hiervoor niet voldoende. Het gaat om de voorzienbaarheid vooraf en niet om de kennis achteraf.
Voor zover de rechtbank wel aanneemt dat levensgevaar voor personen te duchten
was door de explosie, is door de verdediging aangevoerd dat de verdachte hierop geen (voorwaardelijke) opzet heeft gehad.
Parketnummer 13-028354-25:
De verdediging heeft integrale vrijspraak bepleit van beide feiten.
Parketnummer 05-029180-25 :
De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde voorhanden hebben van
een machete vanwege een ondeugdelijke tenlastelegging, omdat het aangehaalde wetsartikel niet ziet op een wapen dat valt onder categorie IV onder 1 van de Wet wapens en munitie.
Oordeel van de rechtbank
Vrijspraak feit 1 onder parketnummer 15-055793-25
Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen wat de verdachte als feit 1 ten laste is gelegd, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
De verdachte heeft een bekennende verklaring afgelegd. De verdachte heeft verklaard dat hij samen met de medeverdachte de uitvoerder is geweest en de VBC met hem bij de woning heeft neergelegd. Zijn bekennende verklaring vindt op belangrijke punten steun in het dossier, waaronder een chatgesprek tussen de verdachte en de medeverdachte en de camerabeelden van [adres] en [adres] . De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat het de verdachte is geweest die samen met de medeverdachte de explosie aan [adres] teweeg heeft gebracht.
De vraag die de rechtbank vervolgens dient te beantwoorden is of het handelen van
de verdachte kan worden gekwalificeerd als het medeplegen van de impliciet primair tenlastegelegde poging moord of als het medeplegen aan de impliciet subsidiair tenlastegelegde poging doodslag.
Om te kunnen komen tot een bewezenverklaring van het medeplegen van zowel poging moord als poging doodslag moet in elk geval sprake zijn van vol of voorwaardelijk opzet op de dood van de slachtoffers. De vraag die de rechtbank dan ook dient te beantwoorden is of de verdachte opzet, al dan niet in voorwaardelijke vorm, heeft gehad op de dood van de bewoners aan [adres] . Van vol opzet is sprake in het geval van willens en wetens handelen. Voor voorwaardelijk opzet is vereist dat de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zijn handelen de dood van de bewoners aan [adres] tot gevolg had kunnen hebben. Bepaalde gedragingen kunnen daarnaast naar hun uiterlijke verschijningsvormen worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het gevolg, in dit geval de dood van de bewoners aan [adres] , bewust heeft aanvaard.
Dat de verdachte en de medeverdachte ‘vol’ opzet hebben gehad op de dood van de bewoners, wordt door de officier van justitie niet geconcludeerd en volgt naar het oordeel van de rechtbank ook niet uit de verklaring van de verdachte of de overige inhoud van het dossier. Voor de vraag of in dit geval sprake is geweest van voorwaardelijk opzet op hun dood, acht de rechtbank van belang dat niet vastgesteld kan worden dat de verdachte en/of de medeverdachte wetenschap hadden van de exacte samenstelling van de VBC. De brand als gevolg van de explosie is groot geweest, en uit het forensisch onderzoek is gebleken dat dat met name is veroorzaakt door het toevoegen van zes flessen wasbenzine aan de VBC, oftewel zogenaamde brandversnellende middelen. Uit het dossier is echter niet gebleken dat de verdachte en/of de medeverdachte op enig moment in de tas hebben gekeken, anderszins de VBC zelf hebben gezien of dat aan hen is verteld waar de VBC uit bestond. In de woning heeft de verdachte twee cobra’s zien liggen en mensen die “aan het klussen” waren. Wat ze precies aan het doen waren, heeft hij niet gezien, althans dat kan niet worden vastgesteld. Dat “klussen” gebeurde naar de verdachte heeft verklaard in een andere kamer, waar hij geen zicht op had. Dat de tas met daarin de VBC zwaarder moet zijn geweest dan een tas waarin een enkele cobra zit, kan zo zijn, maar uit dat enkele gegeven kan niet worden geconcludeerd dat de verdachte en/of medeverdachte hadden moeten beseffen dat zij met een VBC van dergelijke omvang te maken hadden en dat zij met het aansteken daarvan bewust de aanmerkelijke kans op de dood van de bewoners (moeten) hebben aanvaard. Door de opdrachtgever is aan de verdachte verteld dat het ging om het geven van “een kleine waarschuwing” dan wel “afschrikken”. Ook op basis daarvan had de verdachte niet hoeven te vermoeden dat zij een explosie teweeg zouden (moeten) gaan brengen van de omvang en met de gevolgen zoals die uiteindelijk heeft plaatsgevonden.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte en de medeverdachte door hun handelen willens en wetens een aanmerkelijke
kans op de dood van de slachtoffers hebben aanvaard.
Nu (voorwaardelijk) opzet op de dood van de slachtoffers niet wettig en overtuigend
kan worden bewezen, komt de rechtbank niet toe aan de beoordeling van het bestanddeel ‘voorbedachte rade’, uit de tenlastelegging.
De rechtbank zal de verdachte daarom vrijspreken van het onder feit 1 tenlastegelegd.
Vrijspraak parketnummer 13-028354-25 feit 1 en 2 Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen wat verdachte onder feit 1 en feit 2 ten laste is gelegd, namelijk een afpersing en een poging tot afpersing, in verenging, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken.
De verdachte heeft verklaard dat hij op de betreffende dag op het station Zuid in Amsterdam aanwezig was met twee andere jongens, maar dat hij geen rol heeft gespeeld bij de ten laste gelegde feiten en ook niet heeft gezien wat er is gebeurd. De rechtbank stelt vast dat het dossier summier is. Op grond van de bewijsmiddelen die zich in het dossier bevinden, kan niet worden vastgesteld wie ‘NN2’ en ‘NN3’ zijn, oftewel wie van hen de verdachte zou moeten zijn. Hierdoor kan de rechtbank niet vaststellen of de verdachte een rol heeft gespeeld bij de ten laste gelegde afpersing en poging tot afpersing. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de verdachte vrijspreken van beide ten laste gelegde feiten.
Parketnummer 05-029180-25:
De rechtbank is van oordeel dat van een ondeugdelijke tenlastelegging, zoals door de raadsvrouw is bepleit, geen sprake is. De rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte een machete voorhanden heeft gehad, terwijl hij de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, zoals strafbaar is gesteld in artikel 26 vijfde lid van de Wet wapens en munitie.
Redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank komt in parketnummer 15-055793-25 onder 2 en in parketnummer
05-029180-25 tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten op grond van
de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat.
Dit betekent dat de rechtbank in parketnummer 15-055793-25 onder 2 wettig en overtuigend bewezen acht dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het teweegbrengen van een explosie met gemeen gevaar voor goederen, en levensgevaar en/ of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor personen.
Nadere bewijsoverweging parketnummer 15-055793-25 feit 2
Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad (HR 17 februari 2009, BG 1653) dient de
opzet van de verdachte en de medeverdachte bij het teweegbrengen van een explosie
met - kort gezegd - gemeen gevaar voor goederen en personen, slechts te zijn gericht op
het teweegbrengen van de explosie en niet op de gevolgen hiervan. Dit betekent dat het
gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en levensgevaar ten tijde van de explosie naar algemene ervaringsregels voorzienbaar moet zijn geweest. Dat de verdachte en de medeverdachte dit gevaar wellicht zelf niet hebben voorzien, is in dit verband niet van belang.
Dat de verdachte en de medeverdachte opzet hebben gehad op het teweegbrengen van
een explosie kan naar het oordeel van de rechtbank wettig en overtuigend worden bewezen. Dit volgt uit de verklaring van de verdachte, die heeft verklaard dat aan hen de opdracht was gegeven om een cobra tot ontploffing te brengen en dat hebben zij gedaan. Uit het forensisch onderzoek, dat voldoende specifiek en concreet is, volgt dat het aannemelijk is dat de VBC een zelfgemaakte explosieve constructie betreft, waarbij tenminste zes flessen wasbenzine en tenminste zes (super) cobra’s met tape aan elkaar zijn bevestigd. Hierdoor is een grote brand ontstaan.
Naar algemene ervaringsregels moet voorzienbaar zijn geweest dat door het plaatsen
van een VBC, direct bij een woning waar de bewoners liggen te slapen, brand en een (levens)gevaarlijke situatie kan ontstaan.
Die gevaarzetting wordt duidelijk en concreet omschreven in het proces-verbaal
van het forensisch onderzoek, zoals in de bijlage bij dit vonnis is opgenomen. In het forensisch onderzoek wordt geconcludeerd dat door de explosie en de daaropvolgende brand gemeen gevaar voor goederen, gevaar voor lichamelijk letsel en levensgevaar voor personen te duchten is geweest. Voor nader onderzoek naar de concrete gevaarzetting, zoals de verdediging heeft bepleit, ziet de rechtbank geen aanleiding. De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de expertise van de forensische experts van de politie.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het teweegbrengen van een explosie, met gemeen gevaar voor goederen, gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en levensgevaar voor personen.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:
Parketnummer: 15-055793-25:
Feit 2
hij op 15 december 2024 te Purmerend tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk
een ontploffing teweeg heeft gebracht bij een woning aan [adres] , door meerdere cobra’s in combinatie met brandversnellende middelen voor de voordeur van die woning te plaatsen en die cobra’s in combinatie met brandversnellende middelen aan te steken en tot ontploffing te brengen, terwijl daarvan:
- gemeen gevaar voor goederen, te weten de genoemde woning en naastgelegen
woningen en
- levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten voor
bewoners van genoemde woning en naastgelegen woningen, te duchten was.
Parketnummer 05-029180-25:
hij op 4 oktober 2024 te Lievelde, gemeente Oost Gelre, terwijl hij de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt, een wapen van categorie IV, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een Machete voorhanden heeft gehad.
Wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
4. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten
Het bewezenverklaarde levert op:
Parketnummer 15-055793-25:
Feit 2
Opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen
te duchten is en terwijl daarvan levensgevaar/gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is, gepleegd door twee of meer verenigde personen.
Parketnummer 05-029180-25:
Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.
5. Strafbaarheid van verdachte
De rechtbank heeft kennis genomen van het psychologisch rapport van 16 juli 2025, opgesteld door [GZ-psycholoog] , GZ-psycholoog. Hieruit blijkt onder meer - kort samengevat - het volgende.
Er is bij de verdachte sprake van een andere gespecificeerde disruptieve impulsbeheersings- of andere gedragsstoornis, aan een stoornis in cannabisgebruik en zwakbegaafdheid. Deze problematiek was aanwezig ten tijde van het ten laste gelegde feit (het teweegbrengen van een explosie). De indruk bestaat dat de verdachte zich vanuit de behoefte aan geld en status, waarbij hij onvoldoende de gevolgen van zijn gedrag kon overzien, heeft laten verleiden
om in te gaan op het voorstel van de opdrachtgever om voor hem een opdracht uit te voeren.
Daarbij lijkt ook een rol te hebben gespeeld dat de verdachte onvoldoende werd geremd vanuit de grote spanningsbehoefte. Hij lijkt de ernst van de situatie te hebben onderschat, waarbij de indruk bestaat dat zijn zwakbegaafdheid een rol heeft gespeeld, omdat hij moeite heeft om oorzaak en gevolg goed in te schatten. De indruk bestaat dat de psychopathologie van invloed is geweest op de gedragskeuzes en gedragingen van de verdachte, ten tijde van het ten laste gelegde feit (het teweegbrengen van een explosie). Geadviseerd wordt daarom om dit feit in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen.
De rechtbank sluit zich aan bij de conclusies van de psycholoog, neemt deze over en gaat er daarom vanuit dat de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar is. Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar.
6. Motivering van de sancties
Standpunt van De officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd om de verdachte te veroordelen tot 368 dagen jeugddetentie, waarvan 180 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar, en daaraan verbonden de door de Raad geadviseerde en ter zitting gewijzigde bijzondere voorwaarden.
Ook is gevorderd om de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren.
Gelet op de gelijke rolverdeling eist de officier van justitie een even groot onvoorwaardelijk deel jeugddetentie als bij de minderjarige medeverdachte.
De officier van justitie acht het niet in het belang van de ontwikkeling van de verdachte dat hij teruggaat naar de jeugdgevangenis, omdat hij behandeling nodig heeft voor zijn problematiek. Hij heeft daarbij al aanzienlijk lang in voorarrest gezeten en maakt een positieve ontwikkeling door.
Een aanvullende werkstraf acht de officier van justitie gelet op de aard en ernst van de feiten niet passend.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft bepleit om aan de verdachte jeugddetentie op te leggen die qua duur gelijk is aan de duur van zijn voorarrest en, indien de rechtbank dit passend acht, aanvullend voorwaardelijke jeugddetentie dan wel voorwaardelijke werkstraf op te leggen.
Ter onderbouwing is hiertoe aangevoerd dat de verdediging (gedeeltelijke) vrijspraak
heeft bepleit van een aantal feiten. Daarnaast dient rekening te worden gehouden met de jonge leeftijd van de verdachte en het feit dat hij - in de visie van de verdediging - het slachtoffer is geworden van criminele uitbuiting, waarvoor de meerderjarige medeverdachte ook wordt vervolgd. De verdachte ontkent hiermee zijn rol niet, maar er moet wel rekening mee worden gehouden dat hij in zekere zin ook slachtoffer is geweest van de situatie waarin hij is beland. Verder dient rekening te worden gehouden met het feit dat de verdachte lange tijd in voorarrest heeft doorgebracht, hij sinds zijn schorsing een positieve ontwikkeling doormaakt, zich aan alle schorsingsvoorwaarden heeft gehouden en gemotiveerd is om iets van zijn toekomst te maken. De verdachte heeft afstand genomen van zijn oude leven.
Bovendien heeft de verdachte verantwoordelijkheid genomen voor zijn gedrag door oprecht spijt te betuigen aan een aantal van de slachtoffers tijdens een mediationtraject.
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sancties die aan verdachte moeten worden opgelegd, heeft
de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals uit
het onderzoek op de zitting en de hieronder te noemen persoons- en adviesrapportages
is gebleken.
De ernst van de feiten
De verdachte heeft zich samen met de minderjarige medeverdachte, in opdracht, schuldig gemaakt aan het teweegbrengen van een explosie door een VBC bestaande uit zes cobra’s en zes flessen wasbenzine aan te steken bij de voordeur van een woning aan [adres] in Purmerend. De explosie vond rond 04:00 uur in de nacht plaats, een tijdstip waarop mensen doorgaans liggen te slapen, zo ook de slachtoffers in deze zaak als de bewoners in de naastgelegen woningen. De explosie heeft een hevige brand veroorzaakt die zich snel verspreidde, waarbij de slachtoffers uit hun woningen moesten vluchten. De getroffen woningen, met daarin ook persoonlijke bezittingen van emotionele waarde, zijn grotendeels verwoest dan wel zeer ernstig beschadigd. De beoogde woning op nummer [nummer] is compleet verwoest en ook de naastgelegen woningen hebben grote (bouwkundige) schade opgelopen.
Daarnaast is bij de brand het minderjarige slachtoffer [de benadeelde partij 1] ( [de benadeelde partij 1] ) levensgevaarlijk gewond geraakt. Zijn broer [de benadeelde partij 3] heeft hem uit de brandende woning gered, waarna hij bij buren onder de douche is gezet om zijn ernstige brandwonden te koelen. Zijn moeder en omwonenden zijn hiervan getuige geweest.
[de benadeelde partij 1] heeft als gevolg van brandwonden ruim twee weken in coma gelegen. 55% van zijn lichaam is verbrand. Hij heeft meerdere operaties en een intensief revalidatieproces moeten ondergaan.
Vasstaat dat [de benadeelde partij 1] en zijn gezin de rest van hun leven geconfronteerd zullen worden met de gevolgen van de explosie. [de benadeelde partij 1] is niet helemaal hersteld. Mogelijk zal hij nog meer hersteloperaties moeten ondergaan, aangezien hij nog jong is en nog niet is uitgegroeid. Wat dit voor gevolgen gaat hebben voor zijn toekomst is nog niet duidelijk. Hoe dan ook zal [de benadeelde partij 1] de rest van zijn leven worden herinnerd aan de explosie. Ook geestelijk heeft de explosie grote gevolgen voor [de benadeelde partij 1] gehad als ook voor zijn moeder en broer, zoals is gebleken uit de op zitting voorgedragen slachtofferverklaringen. De moeder van [de benadeelde partij 1] heeft lange tijd in de overlevingsstand geleefd, omdat zij er voor haar zoons wilde en moest zijn. Mede hierdoor heeft zij nog geen behandeling kunnen ondergaan voor de psychische impact van de gebeurtenissen. Ook [de benadeelde partij 3] , die het leven van zijn broertje heeft gered, functioneert tot op de dag van vandaag niet zoals voor de explosie.
Op de directe buren, een gezin bestaande uit een moeder en twee (puber)kinderen, heeft
de explosie ook grote impact gehad. Ook hun woning is verwoest geraakt en zij zijn getuige geweest van het feit dat [de benadeelde partij 1] door zijn broer brandend uit de woning werd getrokken. Uit de op zitting voorgedragen slachtofferverklaringen blijkt dat deze gebeurtenissen tot op de dag van vandaag grote impact hebben op het gezin. Ook in de maatschappij leiden dergelijke explosies vaak tot gevoelens van onrust en onveiligheid, te meer nu dit feit midden in de nacht heeft plaatsgevonden.
De verdachte en de medeverdachte zouden voor de opdracht een bedrag van € 3.500,00 krijgen, een bedrag dat in het niet valt bij de schade die is ontstaan en de gevolgen voor
de slachtoffers. De verdachte kende de slachtoffers niet. Hij heeft zich enkel laten leiden door geld, zonder stil te staan bij de ernstige gevolgen die zijn handelen had kunnen hebben en ook daadwerkelijk heeft gehad.
Positief is dat de verdachte oprechte spijt heeft betuigd en een mediationtraject is aangegaan met een aantal slachtoffers. Dit vergt moed. Op de zitting is daarnaast gebleken dat dit voor de slachtoffers zeer helpend is in het verwerkingsproces.
De verdachte heeft zich ook schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een
machete. Dergelijke wapens worden vaak gebruikt bij het plegen van strafbare feiten en het bezit daarvan is daarom strafbaar gesteld.
Persoonlijke omstandigheden
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie van 3 april 2026 waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor verboden wapenbezit. Bij de strafoplegging ligt het zwaartepunt voor de rechtbank echter bij de explosie en de gevolgen hiervan.
Het eerder genoemde psychologische rapport van 16 juli 2025, houdt onder meer - kort samengevat - het volgende in:
Het risico op recidive is hoog, omdat een grote hoeveelheid risicofactoren en weinig beschermende factoren bestaan. De verdachte heeft extern opgelegde structuur, toezicht, begeleiding en behandeling nodig om tot verandering te komen. Essentieel is dat hij wordt behandeld voor middelengebruik en het versterken van zijn copingvaardigheden. Ook moet aandacht zijn voor zijn vriendenkeuzes, het leren stilstaan bij de gevolgen van zijn gedrag en dient de gewetensontwikkeling te worden gestimuleerd. De verdachte lijkt 24/7 toezicht nodig te hebben, om vanuit daar om te leren omgaan met meer vrijheden. Bij [verblijfplaats] kan aan de verdachte de nodige begeleiding worden geboden. Daarnaast wordt behandeling bij een forensische polikliniek zoals Kairos noodzakelijk geacht.
Verder heeft de rechtbank kennis genomen van de adviesrapportage van de Raad van
13 mei 2026, waaruit onder meer - kort samengevat - het volgende blijkt:
De Raad ziet een kwetsbare jongen met een belast verleden. Sinds zijn schorsing op
5 september 2025, verblijft hij bij [verblijfplaats] in [plaats] . Hij heeft baat bij de intensieve begeleiding die hem wordt geboden. Er wordt aan de verdachte door
Rubixzorg een forensisch dagprogramma geboden en ambulante behandeling vanuit Kairos.
De verdachte zet positieve stappen en is bezig om zijn leven op de rit te krijgen. Hij wil niets meer met criminaliteit te maken hebben en laat dit ook zien in zijn houding en gedrag. De verdachte houdt zich aan alle afspraken en regels en heeft ook zijn elektronische monitoring niet geschonden. Daarnaast is hij mediation met een aantal slachtoffers aangegaan en is hij bereid mee te werken aan een preventieprogramma dat de slachtoffers willen maken.
De Raad heeft hierop op de zitting aangevuld dat het recidive risico van hoog naar midden is gegaan door de positieve ontwikkeling van de verdachte. Dat het recidive risico nog niet laag is, heeft vooral te maken met feit dat hij nog behandeling nodig heeft voor zijn problematiek. De Raad heeft er echter vertrouwen in dat de verdachte met hulp in staat is om zijn positieve ontwikkeling voort te zetten.
De Raad adviseert om aan de verdachte op te leggen een onvoorwaardelijk jeugddetentie gelijk aan zijn voorarrest. De Raad acht het niet passend als de verdachte terug moet naar de jeugdgevangenis, omdat dit zijn positieve ontwikkeling kan doorkruisen. Verder adviseert de Raad om nog een onvoorwaardelijke werkstraf op te leggen, zodat de verdachte ook nu nog consequenties ervaart van zijn gedrag. De eerder door de psycholoog gegeven adviezen, zoals ITB Harde Kern, elektronisch toezicht en een gedragsbeïnvloedende maatregel, acht de Raad niet langer passend gelet op de positieve stappen die de verdachte heeft gezet. Er worden voldoende beschermende factoren gezien in het leven van de verdachte die vertrouwen geven voor de toekomst. De inzet van jeugdreclassering is voorliggend, omdat aan de verdachte op die manier duidelijke kaders geboden kunnen worden en ingezet kan worden op het verder terugbrengen van het risico op recidive.
Als bijzondere voorwaarden heeft de Raad geadviseerd om te bepalen dat:
- de verdachte bij [verblijfplaats] in [plaats] of een soortgelijke instelling verblijft;
- de verdachte zich aan de regels houdt van [verblijfplaats] of de soortgelijke instelling;
- de verdachte meewerkt aan het vinden en behouden van een passende dagbesteding in de vorm van werk en/of school;
- de verdachte meewerkt aan behandeling vanuit Kairos of een soortgelijke instelling, gericht op emotieregulatie en het versterken van zijn vaardigheden;
- de verdachte zal op geen enkele wijze – direct of indirect – contact hebben met de medeverdachten;
- de verdachte zich houdt aan de aanwijzingen van de Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond.
De Raad voor de Kinderbescherming adviseert de rechtbank te bevelen dat de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn.
De straf
Gelet op de ernst van de feiten is de enige passende straf naar het oordeel van de rechtbank jeugddetentie.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf voor de
duur van 220 dagen moet worden opgelegd. De rechtbank zal echter bepalen dat een gedeelte daarvan, te weten 35 dagen, vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaren, opdat verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit. De rechtbank zal aan het voorwaardelijk gedeelte de bijzondere voorwaarden verbinden, zoals reeds zijn vermeld.
De straf is lager dan de eis van de officier van justitie, omdat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring van poging moord dan wel doodslag komt.
Dadelijke uitvoerbaarheid voorwaarden
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een misdrijf dat is gericht tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van meerdere personen, te weten het teweegbrengen
van een explosie met onder meer gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en levensgevaar tot gevolg. Gelet op het risico op recidive, dat op ‘midden’ wordt ingeschat, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan. Daarom zal de rechtbank bevelen dat de hierna te stellen voorwaarden en het uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.
7. Vorderingen benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregel
Vorderingen
Benadeelde partij [de benadeelde partij 1]
[de benadeelde partij 2] heeft namens haar zoon, de benadeelde partij [de benadeelde partij 1] , een vordering tot schadevergoeding van € 303.480,55 ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van de ten laste gelegde feiten zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente.
De gestelde materiële schade bestaat uit medische kosten, kosten voor verblijf in
het ziekenhuis en revalidatiecentrum en kosten in verband met studievertraging.
De gestelde immateriële schade bestaat uit schade door lichamelijk en geestelijk letsel. Een bedrag van € 50.000,00 betreft toekomstige (materiële en immateriële) schade.
Benadeelde partij [de benadeelde partij 2]
De benadeelde partij [de benadeelde partij 2] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 140.527,77 ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die zij als gevolg van
de ten laste gelegde feiten zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente.
De gestelde materiële schade heeft betrekking op de inboedel, kosten voor alternatief verblijf, kosten voor verblijf in het Ronald McDonald huis, kosten in verband met de nieuwe woning, kosten voor medicatie en reiskosten. De gestelde immateriële schade bestaat uit schade als gevolg van geestelijk letsel, shockschade en affectieschade.
Benadeelde partij [de benadeelde partij 3]
De benadeelde partij [de benadeelde partij 3] heeft een vordering tot schadevergoeding van
€ 60.010,00 ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van de ten laste gelegde feiten zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente.
De gestelde materiële schade bestaat uit vergane kleding. De gestelde immateriële schade bestaat uit schade als gevolg van geestelijk letsel, shockschade en affectieschade.
Benadeelde partij [de benadeelde partij 9]
De benadeelde partij [de benadeelde partij 9] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 5.000,00 ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die zij als gevolg van de ten laste gelegde feiten zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente.
De gestelde materiële schade bestaat uit kosten voor de inboedel. De gestelde immateriële schade bestaat uit kosten in verband met verblijf in een noodwoning.
Benadeelde partij [de benadeelde partij 4]
De benadeelde partij [de benadeelde partij 4] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 5.849,00 ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die zij als gevolg van de ten laste gelegde feiten zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente.
De gestelde materiële schade bestaat uit kosten voor aanschaf van een fatbike. De gestelde immateriële schade bestaat uit schade als gevolg van geestelijk letsel.
Benadeelde partij [de benadeelde partij 5]
De benadeelde partij [de benadeelde partij 5] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 5.613,29 ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die zij als gevolg van de ten laste gelegde feiten zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente.
De gestelde materiële schade bestaat uit kosten voor medische behandelingen. De gestelde immateriële schade bestaat uit schade als gevolg van geestelijk letsel.
Benadeelde partij [de benadeelde partij 6]
De benadeelde partij [de benadeelde partij 6] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 5.000,00 ingediend tegen de verdachte wegens immateriële schade die hij als gevolg van de ten laste gelegde feiten zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente.
De gestelde schade bestaat uit schade als gevolg van geestelijk letsel.
Standpunt officier van justitie
Benadeelde partij [de benadeelde partij 1]
Materiële schade
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering wat betreft de materiële schade kan worden toegewezen tot een bedrag van € 5.730,55.
Medische kosten, ziekenhuis en revalidatievergoeding:
Deze posten betreffen schade die het rechtstreekse gevolg zijn van de ten laste gelegde feiten. De posten zijn door de benadeelde partij voldoende onderbouwd en daarom voor toewijzing vatbaar.
Studievertraging:
Dat de benadeelde partij studievertraging heeft opgelopen als gevolg van de ten laste gelegde feiten is voldoende onderbouwd. De vordering tot vergoeding van schade wegens studievertraging kan worden toegewezen.
Immateriële schade
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering wat betreft de immateriële schade kan worden toegewezen voor het bedrag van € 230.000,00.
De vordering is op dit punt voldoende onderbouwd. Het geestelijk en lichamelijk
letsel dat bij de benadeelde partij is ontstaan, is het rechtstreekse gevolg van de ten laste gelegde feiten. Uit de aard en de ernst van de normschending volgt dat de benadeelde partij ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast.
Toekomstige schade
Deze schade is gevorderd met het oog op een eventuele hoger beroep procedure en bestaat daarom feitelijk nog niet. De benadeelde partij dient hierin niet-ontvankelijk te worden verklaard.
Benadeelde partij [de benadeelde partij 2]
Materiële schade
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering wat betreft de materiële schade kan worden toegewezen tot een bedrag van € 18.310,75.
Kosten alternatief verblijf, verblijf Ronald McDonaldshuis en medicatie:
Deze posten betreffen schade die het rechtstreekse gevolg is van de ten laste gelegde feiten. De posten zijn door de benadeelde partij voldoende onderbouwd en daarom voor toewijzing vatbaar.
Kosten inboedel:
Deze schadepost is onvoldoende onderbouwd en daarom niet voor toewijzing vatbaar.
Op de lijst van de inboedel staan gangbare en voorzienbare goederen genoemd, maar ook minder gangbare goederen, waaronder bijvoorbeeld tassen ter waarde van € 2.500 euro. Dit vraagt om een nadere onderbouwing. Daarnaast is niet inzichtelijk gemaakt hoe het bedrag zich verhoudt de schade die reeds de verzekering is vergoed.
Kosten vloer, muren en bank nieuwe woning:
Deze post is toewijsbaar tot een gedrag van € 11.843,01.
De schade aan de vloer en de muren is het rechtstreekse gevolg van de ten laste gelegde
feiten. Wat betreft de vloer en het stucwerk kan op basis van de overgelegde offertes
door de rechtbank gebruik worden gemaakt van de schattingsbevoegdheid.
Wat betreft de kosten voor de zitbank dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te
worden verklaard. Door de verzekeraar is reeds een bedrag uitgekeerd voor de inboedel en niet kan worden vastgesteld of er, bij toewijzing van deze post, al dan niet sprake is van een dubbele vergoeding.
Reiskosten voor bezoek aan zoon (slachtoffer):
Op grond van jurisprudentie van de Hoge Raad (2025:853) bestaat er wat betreft deze post zowel een vorderingsrecht voor het slachtoffer als voor degene die de schade maakt. De vordering is daarbij voldoende onderbouwd en daarom voor toewijzing vatbaar.
Immateriële schade
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering wat betreft de immateriële schade kan worden toegewezen tot een bedrag van € 20.000,00.
Geestelijk letsel:
Deze post betreft schade die het rechtstreekse gevolg is van de ten laste gelegde feiten,
is voldoende onderbouwd en daarom voor toewijzing vatbaar. Uit de aard en ernst van de normschending, volgt dat de benadeelde partij ‘op andere wijze’ in haar persoon is aangetast.
Schokschade:
De benadeelde partij dient wat betreft deze post niet-ontvankelijk te worden verklaard.
In de vordering wordt verwezen naar een screenshot waaruit enkel volgt dat sprake is van een vermoeden van PTSS-achtige klachten. Dat sprake is van een (objectief vastgesteld) in de psychiatrie erkend ziektebeeld, is niet onderbouwd.
Affectieschade:
De benadeelde partij dient wat betreft deze post niet-ontvankelijk te worden verklaard.
Om affectieschade te kunnen toewijzen moet sprake zijn van blijvend en ernstig letsel bij
de getroffen naaste. In de rechtspraak wordt hierbij het criterium gehanteerd dat in beginsel sprake moet zijn van 70% of meer blijvende functiestoornis. Dit is geen hard criterium. Bijkomende omstandigheden, zoals de invloed van het blijvende letsel bij de naaste op
het dagelijks leven, wegen ook mee.
Vasstaat dat het slachtoffer ernstig letsel heeft opgelopen en dat dit (deels) ook blijvend zal zijn. Uit de vordering volgt echter niet in welke mate sprake is van blijvend letsel bij het slachtoffer en welke impact dit heeft en zal gaan hebben op het leven van de benadeelde partij.
Benadeelde partij [de benadeelde partij 3]
Materiële schade
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de benadeelde partij wat betreft de materiële schade niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat de vordering op dit punt onvoldoende is onderbouwd.
Immateriële schade
De vordering kan wat betreft de immateriële schade volgens De officier van justitie worden toegewezen tot een bedrag van € 40.000,00.
Geestelijk letsel:
Deze post betreft schade die het rechtstreekse gevolg is van de ten laste gelegde feiten, is voldoende onderbouwd en is daarom voor toewijzing vatbaar. Uit de aard en ernst van de normschending, volgt dat de benadeelde partij ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast.
Shockschade:
In de rechtspraak is met betrekking tot shockschade overwogen dat dit in het algemeen slechts kan worden toegekend indien sprake is van een (objectief vastgesteld) in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Uit de stukken volgt dat er bij de benadeelde partij PTSS is vastgesteld. De benadeelde partij heeft deze post hiermee voldoende onderbouwd. Daarom kan de shockschade worden toegewezen tot het gevorderde.
Affectieschade:
De benadeelde partij dient wat betreft deze post niet-ontvankelijk te worden verklaard, omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd.
Om affectieschade te kunnen toewijzen moet sprake zijn van blijvend en ernstig letsel bij
de getroffen naaste. In de rechtspraak wordt het criterium gesteld dat in beginsel sprake
moet zijn van 70% of meer blijvende functiestoornis. Dit is geen hard criterium. Bijkomende omstandigheden, zoals de invloed van het blijvende letsel bij de naaste op het dagelijks leven weegt ook mee. Daarbij kunnen broers en zussen in beginsel geen aanspraak maken op affectieschade, tenzij is onderbouwd dat sprake is van een speciale band en de impact van de blijvende invaliditeit van de naaste, ook impact heeft op het leven van, in dit geval, de broer.
Vasstaat dat het slachtoffer ernstig letsel heeft opgelopen en dat dit (deels) ook blijvend zal zijn. Uit de vordering volgt echter niet in welke mate sprake is van blijvend letsel bij het slachtoffer en welke impact dit heeft en zal gaan hebben op het leven van de benadeelde partij. Ook is, anders dan dat sprake was van een hecht gezin, niet onderbouwd welke speciale band de benadeelde met het slachtoffer heeft en welke impact de invaliditeit heeft en zal gaan hebben op het leven van de benadeelde partij.
Benadeelde partij [de benadeelde partij 9]
Materiële schade
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering wat betreft de materiële schade geheel kan worden toegewezen, met gebruikmaking van de schattingsbevoegdheid tot het gevorderde bedrag van € 2.000,00.
Immateriële schade
De benadeelde partij dient wat betreft de immateriële schade volgens De officier van justitie niet-ontvankelijk te worden verklaard, omdat de vordering op dit punt onvoldoende
is onderbouwd.
Benadeelde partij [de benadeelde partij 4]
Materiële schade
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de benadeelde partij wat betreft de materiële schade niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat de kosten voor aanschaf van een fatbike niet kunnen worden gezien als rechtstreekse schade als gevolg van de ten laste gelegde feiten.
Immateriële schade
De vordering kan wat betreft de materiële schade volgens De officier van justitie worden toegewezen voor het geheel gevorderde bedrag van € 5.000,00.
Uit de aard en ernst van de normschending, volgt dat de benadeelde partij op andere wijze in haar persoon is aangetast. De benadeelde partij heeft dit voldoende onderbouwd en daarom kan de vordering op dit punt worden toegewezen.
Benadeelde partij [de benadeelde partij 5]
Materiële schade
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering wat betreft de materiële schade geheel kan worden toegewezen tot het gevorderde bedrag van € 613,29.
Immateriële schade
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering wat betreft de immateriële schade geheel kan worden toegewezen tot het gevorderde bedrag van € 5.000,00.
Uit de onderbouwing volgt dat bij de benadeelde partij PTSS is vastgesteld als gevolg
van de explosie. Ook is onderbouwd op welke wijze de persoon van de benadeelde partij
‘op andere wijze’ is aangetast.
Benadeelde partij [de benadeelde partij 6]
Immateriële schade
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering geheel kan worden toegewezen tot het gevorderde bedrag van € 5.000,00.
Uit de onderbouwing volgt dat gelet op de aard en de ernst van de normschending de benadeelde partij ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast.
Verdeling, hoofdelijkheid en schadevergoedingsmaatregel
De verdachte en de minderjarige medeverdachte zijn de uitvoerders van de ten laste
gelegde feiten en de meerderjarige medeverdachte is de vermeende opdrachtgever. Gelet
op het verschil in rollen ziet de officier van justitie aanleiding om een andere verdeling voor te stellen dan een hoofdelijke toewijzing van de toe te wijzen schade. Hierbij speelt ook een rol dat de meerderjarige medeverdachte mogelijk voor langere duur dan de minderjarigen gedetineerd zal blijven. Hierdoor zullen de minderjarige verdachten als eerste voor het geheel aan schade moeten opdraaien. De officier van justitie acht dit onwenselijk.
Het voorstel is om elke schade voor 25% toe te wijzen aan de verdachte en de minderjarige medeverdachte, en daarbij de hoofdelijkheid te bepalen. Voor de overige 75% dienen de benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk te worden verklaard.
Verder wordt ten aanzien van alle vorderingen gevorderd dat deze zullen worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 december 2024.
Daarnaast wordt ten aanzien van alle vorderingen oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd, telkens ter hoogte van 25% van het totale schadebedrag, te vervangen door 0 dagen hechtenis.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft primair bepleit dat alle benadeelde partijen niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in de vorderingen, wegens een onevenredige belasting van het strafproces.
Gelet op de uitzonderlijke ernst en gevolgen van de situatie en hiermee de omvang van de gevorderde bedragen, is een zorgvuldige en met meer juridische waarborgen omgeven civielrechtelijke beoordeling van de vorderingen noodzakelijk. Subsidiair is door de verdediging per benadeelde partij verwezen naar het standpunt van de officier van justitie en voorts het volgende aangevoerd, zonder hiermee af te willen doen aan het leed van de benadeelde partijen.
Benadeelde partij [de benadeelde partij 1]
De verdediging heeft matiging bepleit van de gevorderde immateriële schade. De brandwonden die de benadeelde partij heeft opgelopen op 55% van zijn lichaam,
zijn zonder meer ernstig te noemen. In vergelijkbare strafzaken, met daarin nog ernstiger gevolgen, zijn echter lagere bedragen toegekend dan door de benadeelde partij is gevorderd.
Wat betreft de toekomstige schade heeft de verdediging bepleit om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren nu deze schade nog niet is geleden.
Benadeelde partij [de benadeelde partij 2]
Geestelijk letsel en shockschade
De verdediging heeft bepleit deze beide schades in onderlinge samenhang te beoordelen en de benadeelde partij op dit punt niet-ontvankelijk te verklaren. Er is weliswaar sprake van een vermoeden van PTSS-achtige klachten, maar deze diagnose is niet officieel vastgesteld, zodat het bestaan van geestelijk letsel niet kan worden aangenomen.
Affectieschade
De verdediging heeft bepleit om de vordering op dit punt af te wijzen dan wel het bedrag te matigen. Of een naaste aanspraak kan maken op affectieschade wegens ernstig en blijvend letsel bij het primaire slachtoffer, is in belangrijke mate afhankelijk van de mate van blijvende functiestoornis. Uit de onderbouwing van de vordering blijkt niet in welke mate het letsel bij het primaire slachtoffer blijvend is en welke gevolgen dit heeft voor zijn dagelijks functioneren en het leven van de benadeelde partij.
Benadeelde partij [de benadeelde partij 3]
Geestelijk letsel en shockschade
De aanwezigheid van geestelijk letsel bij de benadeelde partij wordt gelet op de gestelde diagnose PTSS door de verdediging niet betwist. Wel is bepleit om de hoogte van het bedrag te matigen, omdat onvoldoende is onderbouwd welke concrete gevolgen de gestelde diagnose heeft voor de benadeelde partij. Ook dient rekening te worden gehouden met bedragen die in vergelijkbare zaken zijn opgelegd.
Affectieschade
Gelet op de limitatieve opsomming van de kring van gerechtigden in het Besluit vergoeding affectieschade komt de broer van het primaire slachtoffer in beginsel niet in aanmerking voor vergoeding van affectieschade. Indien de rechtbank een ander oordeel heeft, heeft de benadeelde partij onvoldoende onderbouwd in welke mate sprake is van blijvend letsel bij het primaire slachtoffer en welke gevolgen dit heeft voor het leven van de benadeelde partij.
Gelet hierop dient de benadeelde partij op dit punt niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering.
Benadeelde partij [de benadeelde partij 9]
De verdediging heeft bepleit om de vorderingen van de benadeelde partij af te wijzen, omdat niet is onderbouwd dat sprake is van geestelijk letsel (immateriële schade) en ook de gevorderde materiële schade mist onderbouwing. Niet duidelijk is of de materiële schade al (deels) is vergoede door een verzekering.
Benadeelde partij [de benadeelde partij 5]
Deze vordering wordt niet betwist.
Benadeelde partijen [de benadeelde partij 4] en [de benadeelde partij 6]
Door de verdediging is bepleit om deze vorderingen af te wijzen, omdat onvoldoende
is onderbouw dat sprake is van geestelijk letsel. Er zijn geen diagnoses gesteld dat
sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld en onduidelijk is of behandeling heeft plaatsgevonden.
Verdeling van de schade
Tot slot heeft de verdediging bepleit om bij (gedeeltelijke) toewijzing van de vorderingen explicit te bepalen dat iedere verdachte wordt veroordeeld voor zijn eigen aandeel in de schade.
Omdat in deze zaak een sterk vermoeden bestaat van criminele uitbuiting van kwetsbare minderjarigen door een meerderjarige medeverdachte, doet een gelijke verdeling van de schade onvoldoende recht aan de feitelijke verhoudingen. In de visie van de verdediging,
ligt er een grotere verantwoordelijkheid bij de meerderjarige medeverdachte, de vermoedelijke opdrachtgever in deze zaak, dan bij de minderjarige verdachten.
De verdediging heeft bepleit om een verdeling te bepalen waarbij de minderjarige verdachten ieder voor 10 of 12,5% van de toe te wijzen schade verantwoordelijk worden gehouden en de meerderjarige medeverdachte voor of 75%.
Oordeel van de rechtbank
Onevenredige belasting van het strafproces?
De mogelijkheid voor slachtoffers van strafbare feiten om in het strafproces een civiele vordering tot schadevergoeding in te dienen, is in het leven geroepen om het voor slachtoffers mogelijk te maken om op een eenvoudige en relatief snelle manier hun schade op de dader(s) van het strafbare feit te verhalen. Een civiele procedure duurt doorgaans lang en is in de meeste gevallen kostbaar. Gelet op het voorgaande dient de conclusie dat de beoordeling van een civiele vordering tot schadevergoeding een onevenredige belasting vormt voor het strafproces, niet lichtvaardig te worden getrokken. De aard en omvang van een vordering tot schadevergoeding, brengen niet zonder meer met zich dat sprake is van een onevenredige belasting van het strafproces. Dit hangt ook mede af van de onderbouwing van een vordering en in hoeverre een vordering wordt betwist.
De rechtbank is in deze zaak van oordeel dat ten aanzien van alle vorderingen een beslissing kan worden genomen en gaat daarom voorbij aan het primaire standpunt van de verdediging dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard wegens een onevenredige belasting van het strafproces.
Hoofdelijkheid/verdeling en matiging
Anders dan de officier van justitie en de verdediging hebben betoogd, zal de rechtbank niet afwijken van het wettelijke uitgangspunt om de vorderingen die hierna zullen worden toegewezen, hoofdelijk toe te wijzen voor het geheel aan schade.
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich als medepleger schuldig heeft gemaakt aan een onrechtmatige daad, namelijk het teweegbrengen van een explosie met gemeen gevaar voor goederen, gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en levensgevaar voor personen. De benadeelde partij die rechtstreekse schade heeft geleden als gevolg van de onrechtmatige gedragingen van de verdachte en zijn mededaders(s), kan aanspraak maken op vergoeding van die schade. Op grond van artikel 6:102 van het Burgerlijk Wetboek zijn alle daders hoofdelijk verbonden tot het betalen van de gehele schade. De rechtbank ziet geen wettelijke grondslag om van dit uitgangspunt af te wijken. Het is juist ook de bedoeling van de wetgever geweest indien er sprake is van twee of meer medeplegers, dat niet het slachtoffer achter de daders aan hoeft te gaan om ieders deel van de schade te innen, maar dat hij de totale schade kan verhalen bij ieder van hen. Het is dan aan de mededaders om onderling een regeling te treffen over de verdeling van de schade. Dat, in dit geval, de verdachte niet in contact mag of wil komen met zijn mededader(s), maakt dat niet anders.
De rechtbank ziet overigens ook geen aanleiding om bij de toe te wijzen bedragen vanwege de jeugdige leeftijd van de verdachten dan wel om andere redenen, tot een algehele matiging van de schadebedragen te komen.
Rechtstreekse schade
Bij de beoordeling van de hierna te noemen vorderingen gaat de rechtbank er telkens
vanuit dat de gevorderde schade rechtstreeks voortvloeit uit het bewezenverklaarde feit, tenzij expliciet wordt benoemd dat geen rechtstreekse schade wordt aangenomen.
Benadeelde partij [de benadeelde partij 1]
Materiële schade
De gevorderde materiële schade voor medische kosten die niet zijn vergoed (€ 1.094,55) en daggeldvergoeding voor het ziekenhuis en revalidatie (€ 4.636,00) is voldoende onderbouwd en wordt niet betwist, zodat deze posten zullen worden toegewezen.
Wat betreft de kosten in verband met studievertraging is de rechtbank van oordeel dat de vordering onvoldoende is onderbouwd. Bovendien is de vordering op dit punt voldoende gemotiveerd betwist door de verdediging. Niet is komen vast te staan dat of in welke mate de gestelde studievertraging rechtstreeks gevolg zou zijn van het bewezenverklaarde feit. Uit de stukken blijkt dat de benadeelde partij al vóór het bewezenverklaarde feit feitelijk niet of nauwelijks naar school ging en dat de leerplichtambtenaar betrokken was. Dat de benadeelde partij wel stond ingeschreven op een school doet hieraan niet af.
De benadeelde partij zal wat betreft de gevorderde kosten voor studievertraging niet-ontvankelijk worden verklaard.
Immateriële schade
Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW aan de orde als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast.
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan.
In dit geval is voldoende onderbouwd met stukken dat de benadeelde als gevolg van het bewezen verklaarde feit geestelijk letsel (trauma) heeft opgelopen. Overigens volgt dat ook uit de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan, hetgeen de verdediging ook niet betwist. Het gevorderde bedrag van € 30.000,00 komt de rechtbank billijk voor, gelet op de onderbouwing en het verhandelde ter terechtzitting, en zal worden toegewezen.
Met betrekking tot de gevorderde immateriële schadevergoeding voor opgelopen lichamelijk letsel, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij ernstig lichamelijk letsel heeft opgelopen in de vorm van tweede- en derdegraads brandwonden over 55% van zijn lichaam.
Hij is daardoor blijvend getekend door littekens en beperkt in zijn fysieke mogelijkheden, hetgeen niet wordt betwist. De rechtbank zoekt voor wat betreft de hoogte van de schadevergoeding voor het opgelopen lichamelijk letsel aansluiting bij de bedragen die daarvoor zijn opgenomen in de Rotterdamse schaal en neemt voorts in aanmerking de reeds toegekende vergoeding voor geestelijk letsel, en stelt het bedrag dat kan worden toegekend voor de lichamelijks schade naar billijkheid vast op € 100.000,00 Voor het overige zal de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard nu ernstiger lichamelijke gevolgen die een hoger bedrag rechtvaardigen, vooralsnog onvoldoende zijn onderbouwd en deze procedure geen ruimte biedt voor een uitgebreider debat aan de hand van (nieuwe) onderbouwende stukken.
Toekomstige schade
De benadeelde partij heeft toekomstige schade gevorderd met het oog op een eventuele hoger beroep procedure. Nu deze schade feitelijk nog niet is geleden, zal de rechtbank de benadeelde partij wat betreft deze post niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
Conclusie
De vordering zal voor wat betreft de materiële schade worden toegewezen tot een bedrag van € 5.730,55 en wat betreft de immateriële schade tot een bedrag van € 130.000,00.
Dit betekent dat de vordering zal worden toegewezen tot een totaalbedrag van € 135.730,55, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 15 december 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.
Daarbij zal de rechtbank bepalen dat indien een medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.
Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.
Vordering benadeelde partij [de benadeelde partij 2]
Materiële schade
De rechtbank is van oordeel dat de kosten voor alternatief verblijf (€ 3.862,16), het verblijf in het Ronald McDonald huis (€ 1.785,00), de kosten voor niet vergoede medische behandelingen (€ 820,58), de kosten voor de muren (€ 10.073,56) en de vloer (€ 1.769,45) en de reiskosten (€ 518,56) kunnen worden toegewezen nu ze voldoende zijn onderbouwd en niet zijn betwist. De gevorderde reiskosten zijn eveneens voldoende onderbouwd en kunnen als zogenaamde verplaatste schade worden toegewezen aan de benadeelde partij [de benadeelde partij 2] , die deze kosten heeft gemaakt.
Wat betreft de kosten voor de inboedel is de rechtbank van oordeel dat deze, gelet op de gemotiveerde betwisting, onvoldoende zijn onderbouwd. Duidelijk is geworden dat door de verzekeraar een bedrag is uitgekeerd voor de inboedel. Hoe dit bedrag tot stand is gekomen en of er meer schade is geleden dan door de verzekeraar is vergoed, wordt op grond van de overlegde stukken niet duidelijk. De vordering van de benadeelde partij zal wat betreft deze post daarom niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit geldt ook voor de gevorderde kosten voor de zitbank. De zitbank valt onder de inboedel, zodat niet valt uit te sluiten of bij toewijzing van deze post, al dan niet sprake is van een dubbele vergoeding.
Immateriële schade
Vergoeding van immateriële schade komt op grond van art. 6:106 sub b BW voor vergoeding in aanmerking als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.
Uit de onderbouwing bij de vordering volgt dat de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Er bestaat een sterk vermoeden van PTSS-achtige klachten, maar deze diagnose is nog niet officieel gesteld. De aard en ernst van de normschending brengen in dit geval echter mee de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvoor voor de benadeelde zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. De benadeelde is in de nacht terwijl zij lagen te slapen in haar eigen woning overdonderd door een vernietigende vuurwerkbom. De brand die als gevolg daarvan is ontstaan, heeft haar woning onbewoonbaar gemaakt en haar jongste zoon ernstig verwond. De benadeelde is direct en ook nu nog geconfronteerd met de angstige en ernstige gevolgen die de explosie heeft gehad voor haar en de rest van haar gezin. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de schadevergoeding wegens opgelopen geestelijk letsel toewijzen tot het gevorderde bedrag
€ 20.000,00. De rechtbank heeft daarbij gelet op de bedragen die in vergelijkbare zaken worden toegewezen.
Shockschade
Shockschade komt voor toewijzing in aanmerking als de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van een hevige emotionele schok door het waarnemen van het door de verdachte gepleegde strafbare feit, of door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan. Vaststelling van de omvang van het smartengeld na confrontatie met een schokkende gebeurtenis zal in beginsel moeten plaatsvinden aan de hand van de rapportage van een deskundige die het geestelijk letsel heeft vastgesteld. Echter hier geldt dat algemene ervaringsregels kunnen leren dat de ‘shockgevolgen’ van de confrontatie met het primaire slachtoffer zodanig voor de hand liggen dat ze zonder onderbouwing met een deskundigenbericht kunnen worden aangenomen. In dit geval is de benadeelde geconfronteerd met haar jongste zoon die zwartgeblakerd, ernstig gewond en met brandend haar door zijn broer uit de brandende woning is gered. De jongen heeft daarna nog zo’n twee weken in coma gelegen. Gelet op deze omstandigheden en het feit dat door de praktijkondersteuner (ggz) van de huisarts van de benadeelde partij is vastgesteld dat er sprake is van een sterk vermoeden van PTSS-achtige klachten, is de rechtbank van oordeel dat shockschade kan worden toegewezen.
De rechtbank acht het gevorderde bedrag van € 20.000,00 passend, zodat de vordering op dit punt geheel zal worden toegewezen.
Affectieschade
Op grond van de artikelen 6:107 en 6:108 BW hebben naasten van slachtoffers recht op vergoeding van affectieschade (voor pijn en verdriet) die zij lijden doordat het slachtoffer
als gevolg van het strafbare feit ernstig en blijvend letsel heeft opgelopen. Een beperkte
kring van personen kan voor vergoeding van affectieschade in aanmerking komen.
Voor de vraag of sprake is van ernstig en blijvend letsel bij het primaire slachtoffer wordt in de rechtspraak het criterium gehanteerd dat er in beginsel sprake moet zin van 70% of meer blijvende functiestoornis. Ook bijkomende omstandigheden, zoals de invloed van het blijvende letsel op de naaste en het dagelijks leven van de benadeelde wegen mee.
Vasstaat dat de jongste zoon van de benadeelde ernstig en deels blijvend letsel heeft opgelopen als gevolg van brandwonden. Echter, dat sprake is van dermate grote, ingrijpende en blijvende beperkingen in het leven van de jongste zoon die maken dat aanspraak gemaakt kan worden op affectieschade, volgt niet zonder meer uit de onderbouwing van de vordering en wordt door de verdediging betwist.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de benadeelde partij voor wat betreft de gevorderde affectieschade niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
Conclusie
De rechtbank zal de vordering wat betreft de materiële schade toewijzen tot een bedrag van
€ 18.829,21 en wat betreft de immateriële schade tot een bedrag van € 40.000,00.
Dit betekent dat de vordering zal worden toegewezen tot een totaalbedrag van € 58.829,31, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 15 december 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.
Daarbij zal de rechtbank bepalen dat indien een medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.
Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.
Vordering benadeelde partij [de benadeelde partij 3]
Materiële schade
De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat deze post door de benadeelde partij onvoldoende is onderbouwd. Niet vastgesteld kan worden of de opgevoerde goederen van de benadeelde partij - die niet permanent op het getroffen adres woonachtig was en hier ook niet stond ingeschreven - op dat moment van de brand aanwezig waren in de woning.
De benadeelde partij zal op dit punt daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in de
vordering.
Immateriële schade
Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam
of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.
Uit de onderbouwing bij de vordering volgt dat de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen. Hij is door de huisarts doorverwezen voor psychologische behandeling van PTSS klachten als gevolg van het bewezen verklaarde feit. Overigens brengen de aard en ernst van de normschending in dit geval reeds mee dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. De benadeelde is in de nacht terwijl hij lag te slapen in de woning bij zijn moeder en jongste broertje, geconfronteerd met een vernietigende vuurwerkbom. Als gevolg daarvan is een brand ontstaan in de woning en heeft benadeelde, kort samengevat, eerst zijn moeder met een ladder via het balkon uit het huis gered waarna hij het leven van zijn jongere broer heeft gered door hem uit de brandende woning te redden, terwijl het haar van zijn broertje nog in brand stond. Hij heeft het vuur gedoofd en zijn broertje bij de buren onder de douche gezet om de ernstige brandwonden te koelen.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de schadevergoeding wegens opgelopen geestelijk letsel toewijzen tot het gevorderde bedrag van € 20.000,00. De rechtbank heeft daarbij gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend.
Shockschade
Onder verwijzing naar hetgeen hiervoor onder 7.4.5. is overwogen met betrekking tot de grondslag voor de toekenning van shockschade en de vaststelling van de omvang van die schade, overweegt de rechtbank dat (ook) ten aanzien van deze benadeelde shockschade kan worden toegewezen. De benadeelde is geconfronteerd met zijn jongere broertje dat hij zwartgeblakerd, ernstig gewond en met brandend haar uit de bandende woning heeft gered en bij de buren onder de douche heeft gezet. De benadeelde heeft (mede) als gevolg hiervan PTSS klachten opgelopen waarvoor de huisarts hem heeft doorgestuurd naar een psycholoog. De rechtbank acht het gevorderde bedrag van € 20.000,00 passend, zodat de vordering tot dat bedrag ook zal worden toegewezen.
Affectieschade
Op grond van de artikelen 6:107 en 6:108 BW hebben naasten van slachtoffers recht op vergoeding van affectieschade (voor pijn en verdriet) die zij lijden doordat het slachtoffer
als gevolg van het strafbare feit ernstig en blijvend letsel heeft opgelopen. Een beperkte
kring van personen kan voor vergoeding van affectieschade in aanmerking komen.
Broers kunnen volgens de wet in beginsel geen aanspraak maken op affectieschade. Dat kan anders zijn als wordt onderbouwd dat sprake is van een speciale band en de impact van het blijvende letsel bij de naaste ook impact heeft op het leven van de benadeelde partij. Die onderbouwing ontbreekt. Nu de schadevergoedingsvordering op dit punt bovendien wordt betwist, zal de rechtbank de benadeelde partij wat betreft de affectieschade niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
Conclusie
De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij toewijzen tot een totaalbedrag van
€ 40.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 15 december 2024
tot aan de dag der algehele voldoening.
Daarbij zal de rechtbank bepalen dat indien een medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.
Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.
Vordering benadeelde partij [de benadeelde partij 9]
De rechtbank is van oordeel dat de vordering, die door de verdediging voldoende gemotiveerd wordt betwist, onvoldoende is onderbouwd.
Wat betreft de materiële schade zijn enkel foto’s als onderbouwing toegevoegd, waarmee de schade niet kan worden vastgesteld en ook geen gebruik kan worden gemaakt van de schattingsbevoegdheid. Hiervoor zijn meer feitelijke gegevens nodig.
Wat betreft de immateriële schade is niet voldaan aan de wettelijke criteria die gelden voor
het aannemen van geestelijk letsel Het verblijf in een noodwoning onder primitieve omstandigheden, zoals als onderbouwing is gegeven, is onvoldoende voor het aannemen van geestelijk letsel.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de benadeelde partij voor wat betreft de gehele vordering niet-ontvankelijk verklaren.
Vordering benadeelde partij [de benadeelde partij 5]
Deze vordering is, zowel voor het materiële (€ 613,19) als voor het immateriële deel
(€ 5.000,00), voldoende onderbouwd en wordt niet betwist. De vordering zal in zijn geheel worden toegewezen tot het gevorderde bedrag.
Daarbij zal de rechtbank bepalen dat indien een medeverdachte deze bedragen geheel of gedeeltelijk heeft betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.
Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.
Vorderingen benadeelde partijen [de benadeelde partij 4] en [de benadeelde partij 6]
Materiële schade
De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij [de benadeelde partij 4] wat betreft de materiële schade (kosten voor aanschaf van een fatbike) afwijzen, nu er geen rechtstreeks verband bestaat tussen het bewezenverklaarde feit en deze schade.
Immateriële schade
De rechtbank zal de beide vorderingen tot vergoeding van immateriële schade geheel toewijzen. De vorderingen zijn voldoende onderbouwd met stukken en met de enkele stelling dat de doorverwijzing naar een psycholoog slechts lijkt te zijn gevraagd in een poging de vordering van een (onterechte?) onderbouwing te kunnen voorzien, onvoldoende betwist door de verdediging.
Conclusie
De vorderingen van de benadeelde partijen [de benadeelde partij 4] en [de benadeelde partij 6] zullen wat betreft
de immateriële schade dan ook worden toegewezen tot het gevorderde bedrag van € 5.000,00 per persoon, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 15 december 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.
Daarbij zal de rechtbank bepalen dat indien een medeverdachte deze bedragen geheel of gedeeltelijk heeft betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.
Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen hebben gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moeten maken.
Schadevergoedingsmaatregel ten aanzien van alle vorderingen
De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen
(kort gezegd: het teweegbrengen van een explosie) aanleiding ter zake van alle hiervoor genoemde vorderingen van de benadeelde partijen de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.
8. Vordering tot tenuitvoerlegging
Bij vonnis van 18 augustus 2023 in de zaak met parketnummer 10-129662-23 heeft de kantonrechter te Rotterdam de verdachte veroordeeld voor verboden wapenbezit, tot een geheel voorwaardelijke werkstraf voor de duur van 30 uur. Ten aanzien van die voorwaardelijke straf is de proeftijd op twee jaren bepaald onder de algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering is op
6 september 2023 aan de verdachte toegezonden.
De bij genoemd vonnis vastgestelde proeftijd is ingegaan op 2 september 2023 en was ten tijde van het indienen van De officier van justitie nog geen drie maanden geëindigd.
Standpunt van De officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank zal gelasten dat de voorwaardelijke straf alsnog ten uitvoer zal worden gelegd.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft bepleit om de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen, omdat dit gelet op de positieve ontwikkeling van de verdachte en een mogelijk forse voorwaardelijke straf, geen meerwaarde meer heeft.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft bij het onderzoek ter terechtzitting bevonden dat zij bevoegd is over de vordering te oordelen en dat de officier van justitie daarin ontvankelijk is.
De rechtbank is van oordeel dat de vordering tot tenuitvoerlegging dient te worden toegewezen. De verdachte is binnen zijn proeftijd opnieuw de fout in gegaan, terwijl hij gewaarschuwd had moeten zijn gelet op de voorwaardelijk straf die nog boven zijn hoofd hing. Dit heeft hem er echter niet van weerhouden om opnieuw een strafbaar en in dit geval ernstig feit te begaan. Aan de verdachte moet daarom een duidelijk signaal worden gegeven. De rechtbank ziet geen contra-indicaties voor het toewijzen van de vordering.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de vordering tot tenuitvoerlegging toewijzen.
Dit betekent dat de verdachte de eerder opgelegde werkstraf van 30 uur alsnog zal moeten uitvoeren.
10. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
artikel 36f, 47, 77a, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 157 van het Wetboek van Strafrecht.
artikel 26, 54 van de Wet wapens en munitie.
11. Beslissing
De rechtbank:
Verklaart bewezen dat verdachte de in parketnummer 15-055793-25 onder 2 en in parketnummer 05-029180-25 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.5 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4 vermelde strafbare feiten opleveren.
Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 220 dagen (zegge: twee honderd en twintig dagen).
Beveelt dat van deze jeugddetentie een gedeelte, groot 35 dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.
Stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
* verblijft bij [verblijfplaats] in [plaats] of een soortgelijke instelling;
* zich houdt aan de regels van [verblijfplaats] of de soortgelijke instelling;
* meewerkt aan het vinden en behouden van een passende dagbesteding in de vorm van werk en/of school;
* meewerkt aan behandeling vanuit Kairos of een soortgelijke instelling, gericht op emotieregulatie en het versterken van zijn vaardigheden;
* op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal hebben met de medeverdachten [de medeverdachte 1] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] en
[de medeverdachte 2] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] ;
* zich houdt aan de aanwijzingen van de Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond.
Geeft opdracht aan de Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond, gevestigd te Rotterdam, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Stelt verder als voorwaarden dat de veroordeelde is gehouden om, ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking te verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aan te bieden en medewerking te verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht.
Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Dadelijke uitvoerbaarheid
Beveelt dat de op grond van artikel 77z Sr gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 77aa Sr uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.
Gedeeltelijke toewijzing vordering benadeelde partij [de benadeelde partij 1]
Wijst gedeeltelijk toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij
[de benadeelde partij 1] geleden schade tot een bedrag van € 135.730,35, bestaande uit € 5730,55 voor de materiële en € 130.000,00 voor de immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 15 december 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk tot betaling aan de benadeelde partij van de toegewezen bedragen, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door ander(en) (gedeeltelijk) aan de benadeelde is betaald, de verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd.
Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de civiele rechter.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [de benadeelde partij 1] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 135.730,55, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 15 december 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 0 dagen jeugddetentie.
Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een medeverdachte aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Gedeeltelijke toewijzing vordering benadeelde partij [de benadeelde partij 2]
Wijst gedeeltelijk toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade tot een bedrag van € 58.829,31, bestaande uit € 18.829,21 voor de materiële en € 40.000,00 voor de immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 15 december 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk tot betaling aan de benadeelde partij van de toegewezen bedragen, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door ander(en) (gedeeltelijk) aan de benadeelde is betaald, de verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd.
Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de civiele rechter.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [de benadeelde partij 2] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 58.829,31, vermeerderd met
de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 15 december 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 0 dagen jeugddetentie, met dien verstande dat toepassing van de vervangende jeugddetentie de betalingsverplichting niet opheft.
Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een medeverdachte aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Gedeeltelijke toewijzing vordering benadeelde partij [de benadeelde partij 3]
Wijst gedeeltelijk toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij
[de benadeelde partij 3] geleden schade tot een bedrag van € 40.000,00, bestaande uit immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 15 december 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk tot betaling aan de benadeelde partij van de toegewezen bedragen, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door ander(en) (gedeeltelijk) aan de benadeelde is betaald, de verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd.
Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de civiele rechter.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [de benadeelde partij 3] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 40.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 15 december 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 0 dagen jeugddetentie.
Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een medeverdachte aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Vordering benadeelde partij [de benadeelde partij 9]
Verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering.
Gedeeltelijke toewijzing vordering benadeelde partij [de benadeelde partij 4]
Wijst gedeeltelijk toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade tot een bedrag van € 5000,00, bestaande uit immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 15 december 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk tot betaling aan de benadeelde partij van de toegewezen bedragen, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door ander(en) (gedeeltelijk) aan de benadeelde is betaald, de verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd.
Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Wijst de vordering wat betreft de materiële schade af.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de civiele rechter.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [de benadeelde partij 4] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 5000,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 15 december 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 0 dagen jeugddetentie.
Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een medeverdachte aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Gehele toewijzing vordering benadeelde partij [de benadeelde partij 5]
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade tot een bedrag van € 5613,29, bestaande uit € 613,29 voor de materiële en € 5000,00 voor de immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 15 december 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk tot betaling aan de benadeelde partij van de toegewezen bedragen, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door ander(en) (gedeeltelijk) aan de benadeelde is betaald, de verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd.
Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de civiele rechter.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [de benadeelde partij 5] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 5613,29, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 15 december 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 0 dagen jeugddetentie.
Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een medeverdachte aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Gedeeltelijke toewijzing vordering benadeelde partij [de benadeelde partij 6]
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade tot een bedrag van € 5000,00, bestaande uit immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 15 december 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk tot betaling aan de benadeelde partij van de toegewezen bedragen, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door ander(en) (gedeeltelijk) aan de benadeelde is betaald, de verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd.
Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de civiele rechter.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [de benadeelde partij 6] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 5000,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 15 december 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 0 dagen jeugddetentie.
Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een medeverdachte aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Vordering tot tenuitvoerlegging:
Wijst toe de vordering tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 10-129662-23.
Voorlopige hechtenis:
Heft op de reeds geschorste bevelen tot voorlopige hechtenis van verdachte.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. A.K. Mireku, voorzitter, tevens kinderrechter,
mrs. E.C.M. van Mierlo en M.H. Simons, rechters, allen tevens kinderrechter,
in tegenwoordigheid van de griffier S. Rebel,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 4 juni 2026.
Mr. M.H. Simons is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.