RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie & Jeugd
Locatie Alkmaar
Meervoudige kamer jeugdstrafzaken
Parketnummers: 15.063078.25 (P) & 09-352327-25 (ttz.gev.)
Uitspraakdatum: 4 juni 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting met gesloten deuren van 21 mei 2026 in de zaak tegen:
[de verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] te [plaats] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres]
.
De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd.
De rechtbank heeft kennisgenomen van:
- de vordering van de officieren van justitie [officier van justitie] en [officier van justitie] ;
- wat verdachte en zijn advocaten, mr. J. Klein Molekamp en mr. T.W. van Gessel, advocaten te Den Haag, naar voren hebben gebracht;
- het advies van [vertegenwoordiger van de raad] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad)
- het advies van [vertegenwoordiger van de jeugdreclassering] en [vertegenwoordiger van de jeugdreclassering] , namens de Jeugdreclassering en Jeugdbescherming West;
- de vorderingen en slachtofferverklaringen van de benadeelde partijen [de benadeelde partij 1] ,
[de benadeelde partij 2] en [de benadeelde partij 3] en de toelichting hierop door hun raadsvrouw mr. S.N. de Jager;
- de vorderingen en slachtofferverklaringen van de benadeelde partijen [de benadeelde partij 4] , [de benadeelde partij 5] en [de benadeelde partij 6] en de toelichting hierop door hun raadsvrouw mr. S.N. de Jager;
- de vordering van de benadeelde partij [de benadeelde partij 7] ;
- wat [begeleider] , als begeleider van de verdachte werkzaam bij de [verbijfplaats] , naar voren heeft gebracht.
1. Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
Parketnummer 15-063078-25:
Feit 1:
hij op of omstreeks 15 december 2024 te Purmerend tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [de benadeelde partij 1] en/of [de benadeelde partij 3] en/of [de benadeelde partij 2] van het leven te beroven, een of meerdere cobra's in combinatie met een of meerdere brandversnellende middelen voor de voordeur van een woning aan [adres] , waar die [de benadeelde partij 1] , [de benadeelde partij 3] en [de benadeelde partij 2] op
dat moment verbleven, te plaatsen en/of die cobra's in combinatie met een of meerdere brandversnellende middelen, aan te steken en/of tot ontploffing te brengen,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Feit 2:
hij op of omstreeks 15 december 2024 te Purmerend tezamen en in vereniging met een
of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht bij een woning aan [adres] , door een of meerdere cobra’s in combinatie met een of meerdere brandversnellende middelen voor de voordeur van die woning te plaatsen en/of die cobra’s in combinatie met een of meerdere brandversnellende middelen aan te steken en/of tot ontploffing te brengen, terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten de genoemde woning en/of (een) naastgelegen
woning(en) en/of
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten voor (een)
bewoner(s) van genoemde woning en naastgelegen woning(en) te duchten was.
Parketnummer 09-352327-25:
hij op of omstreeks 28 december 2025 te 's-Gravenhage, een wapen van categorie III, onder 4 van de Wet wapens en munitie, te weten een alarmpistool, voorhanden heeft gehad.
2. Voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaardingen geldig zijn, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaken, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
3. Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
Parketnummer: 15.063078.25:
Volgens de officier van justitie hebben de verdachte en de medeverdachte [de medeverdachte 1]
de opdracht gekregen en aangenomen om een vuurwerkpakket voor de woning aan [adres] te Purmerend neer te leggen. Samen hebben ze het pakket in de nacht daar neergelegd, één van hen heeft het afgestoken en daarna zijn ze samen weggerend. Het bewijs hiervoor volgt uit de verklaring van de medeverdachte. Die verklaring wordt ondersteund door camerabeelden van die nacht en de volgende dag, alsmede de Snapchat- en Whatsapberichten die in de telefoon van de medeverdachte zijn gevonden.
De officier van justitie heeft dan ook gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, te weten het medeplegen van een poging moord en het medeplegen van het teweegbrengen van een explosie, met gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor een ander tot gevolg. De officier van justitie heeft hiertoe het volgende naar voren gebracht.
Feit 1:
Volgens de officier van justitie hebben de verdachte en de medeverdachte bij hun handelen voorwaardelijke opzet gehad op de dood van het slachtoffer [de benadeelde partij 2] en haar zoons
[de benadeelde partij 1] en [de benadeelde partij 3] , althans op de dood van de bewoners van [adres] in Purmerend. De officier van justitie acht hierbij het volgende van belang.
Uit het dossier blijkt dat bij de explosie een vuurwerkbrandstofcombinatie (hierna: VBC)
van aanzienlijke omvang is gebruikt, bestaande uit zes cobra’s en zes flessen wasbenzine.
Door een dergelijk bompakket midden in de nacht in een rijtjeswoning te laten exploderen, hebben de verdachte en de medeverdachte de aanmerkelijke kans aanvaard dat hierdoor de bewoners zouden komen te overlijden. De verdachte en de medeverdachte waren zich ook bewust van deze aanmerkelijke kans. De VBC moet – gelet op de zes flessen wasbenzine – minstens zes kilo hebben gewogen, zwaarder dan een enkele cobra. De medeverdachte heeft verklaard dat in de woning aan [adres] , waar de VBC werd klaargemaakt, mensen aan het ‘klussen’ waren en dat hij twee cobra’s in een kamer vol vuilniszakken heeft gezien, daarna een pakket heeft meegekregen en dat heeft gedragen. Ook de verdachte moet bekend zijn geweest met de omvang van het bompakket. Volgens de medeverdachte heeft de verdachte namelijk het bompakket aangestoken. Als wordt uitgegaan van de camerabeelden, dan is de verdachte bovendien degene geweest die de tas (ook) heeft gedragen. Ook in dat geval moet de verdachte bekend zijn geweest met de omvang van de VBC. Dat de verdachte en de medeverdachte hier verder niet over hebben nagedacht en niet bij hebben stilgestaan, volgt de officier van justitie niet. Daarnaast hebben de verdachte en de medeverdachte de gevolgen van hun handelen op de koop toegenomen. Zij wisten hoe gevaarlijk
hun plan was en hebben dat plan toch doorgezet. Hun handelen is daarmee naar de uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het intreden van het gevolg – namelijk de dood van de bewoners aan [adres] – dat geen andere conclusie mogelijk is dan dat zij die aanmerkelijke kans bewust hebben aanvaard. De officier van justitie heeft ter onderbouwing van dit standpunt gewezen op een vonnis van de rechtbank Oost Brabant.
De officier van justitie acht verder wettig en overtuigend bewezen dat sprake is van ‘voorbedachte raad’. Hiervoor moet vast komen te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en moet worden vastgesteld dat van deze tijd en gelegenheid gebruik is gemaakt. Aan deze voorwaarden is volgens de officier van justitie voldaan. De verdachte en de medeverdachte hebben ruim de tijd en gelegenheid gehad om zich te beraden op hun besluit om de VBC bij de voordeur van [adres] te leggen, tijdens hun reis naar Purmerend, in het tijdsbestek van ruim vier uur dat zij in de woning aan [adres] waren en tijdens het lopen van [adres] naar [adres] . Zij hebben er met elkaar ook over gesproken. Van een ogenblikkelijke gemoedsopwelling is geen sprake.
Feit 2:
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat uit het forensisch onderzoek blijkt
dat een VBC een zelfgemaakte explosieve constructie betreft, waarbij het vuurwerk het verspreiden en ontsteken van de brandbare vloeistof faciliteert. Door het bewust toevoegen van brandstof aan de explosieve constructie, ontstaat een aanmerkelijke kans op schade en de dood. Gelet op de reeds geschetste omstandigheden waaronder de verdachten de VBC bij de woning aan [adres] hebben neergelegd en waarbij niets erop wees dat in die woning geen mensen woonden of aanwezig waren, acht de officier van justitie wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de tenlastegelegde brandstichting zoals voornoemd.
Parketnummer 09-352327-25:
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit, te weten het voorhanden hebben van een alarmpistool.
Standpunt van de verdediging
Parketnummer: 15-063078-25:
De verdediging heeft integrale vrijspraak bepleit van beide feiten.
Allereerst is hiertoe aangevoerd dat niet bewezen kan worden dat de verdachte één van
de uitvoerders is geweest van de explosie. De bewijsmiddelen in het dossier, zowel ieder afzonderlijk als in onderlinge samenhang bezien, hebben onvoldoende bewijskracht om de verdachte aan de ten laste gelegde feiten te kunnen koppelen. De gegevens met betrekking tot en uit de onderzochte telefoon, de camerabeelden, de kleding/schoenen/accessoires die
de uitvoerder zou hebben gedragen en de verklaring van medeverdachte [de medeverdachte 1] , geven hooguit reden tot speculatie, maar kunnen niet tot dragende conclusies leiden met betrekking tot de betrokkenheid van de verdachte.
Met de verklaring van de medeverdachte [de medeverdachte 1] dient bovendien terughoudend te worden omgegaan. De medeverdachte heeft belastend verklaard over de verdachte, waarbij opvalt dat hij zijn eigen rol bij de explosie kleiner lijkt te willen maken. Zijn verklaring volgde bovendien pas nadat hij kennis had kunnen nemen van een groot deel van het dossier en
op het moment dat hij wilde dat zijn voorlopige hechtenis zou worden geschorst, omdat
hij binnen de jeugdgevangenis werd bedreigd. Er dienen dan ook vraagtekens bij de betrouwbaarheid van zijn verklaring te worden geplaatst.
Daarnaast heeft de verdediging bepleit dat op basis van het forensisch onderzoek,
de camerabeelden en andere bewijsmiddelen in het dossier, de exacte samenstelling van
de VBC niet voldoende concreet kan worden vastgesteld. Het enkele feit dat er een heftige explosie is geweest en een heftige brand is uitgebroken, is hiervoor niet voldoende.
Ook de concrete gevaarzetting van een explosie door een cobra 6 valt niet te reconstrueren. Hiervoor is, zoals het NFI stelt in de vakbijlagen, meer onderzoek nodig aangezien diverse factoren van invloed kunnen zijn op de concrete gevaarzetting. Volgens de verdediging ontbreekt het in het door de politie uitgevoerde forensisch onderzoek aan de noodzakelijke expertise op het gebied van explosies/brand. Niet onderbouwde stellingen uit het forensisch onderzoek, staan haaks op de informatie en stellingen van het NFI.
Als dit verweer niet wordt gevolgd, dan acht de verdediging nader onderzoek dan wel benoeming van een deskundige (NFI) noodzakelijk om zo de concrete gevaarzetting nader
te onderzoeken ten aanzien van de vraag of sprake is geweest van een aanmerkelijke kans
op de dood van de slachtoffers (feit 1) en of door de explosie al dan niet sprake is geweest van levensgevaar (feit 2).
Parketnummer 09-352327-25:
Wat betreft het ten laste gelegde voorhanden hebben van een alarmpistool, heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
Vrijspraak feit 1 onder parketnummer 15-063078-25
Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen wat de verdachte als feit 1 ten laste is gelegd, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Op basis van het dossier en het onderzoek op de terechtzitting, stelt de rechtbank het volgende vast.
In de nacht van 15 december 2024 is bij de woning aan [adres] te Purmerend een VBC tot ontploffing gebracht. Op camerabeelden is te zien dat rond 4.10 uur twee personen bij de woning aankomen. Deze jongens verdwijnen uit beeld, rennen vervolgens door het beeld weg en vlak daarna vindt de explosie plaats. Bij de explosie raakt één van de bewoners levensgevaarlijk gewond en er ontstaat forse schade aan die woning en naastgelegen panden.
De eerste vraag is of het de verdachte is geweest die samen met de medeverdachte de VBC daar heeft geplaatst en tot ontploffing heeft gebracht. De verdachte heeft zich consequent op zijn zwijgrecht beroepen. De medeverdachte heeft verklaard dat hij samen met de verdachte de uitvoerder is geweest en de VBC met hem bij de woning heeft neergelegd. Anders dan de verdediging acht de rechtbank de verklaring van de medeverdachte betrouwbaar. De medeverdachte heeft in twee politieverhoren uitgebreid en gedetailleerd verklaard en zijn verklaring vindt op belangrijke punten steun in het dossier, waaronder een chatgesprek tussen de verdachte en de medeverdachte en de camerabeelden van [adres] en [adres] . De medeverdachte heeft verklaard dat hij de verdachte heeft benaderd voor een klus nadat hij zelf hiervoor door de opdrachtgever was benaderd. Het chatgesprek tussen de verdachte en de medeverdachte, dat een dag voor de explosie op 14 december 2024 is gevoerd, is gevonden in de telefoon van de medeverdachte. Verder heeft de medeverdachte verklaard dat hij de verdachte op 14 december 2024 heeft opgehaald uit Den Haag en dat hij, aangekomen in Purmerend, samen met de verdachte naar [adres] is gegaan, het adres dat de medeverdachte van de opdrachtgever had doorgekregen. Ze zijn hier samen enkele uren binnen geweest, waarna zij kort voor de explosie samen zijn vertrokken, waarbij één van hen een tas met daarin de VBC in zijn hand had. De medeverdachte heeft de tas met daarin de VBC naar de woning meegenomen en de verdachte heeft de VBC bij de woning aangestoken. Direct daarna zijn zij weggerend naar het appartement aan [adres] . Pas in de middag zijn de verdachte en de medeverdachte hier weer vertrokken, nadat duidelijk werd dat zij het beloofde geld voor de uitgevoerde opdracht niet zouden krijgen. Deze gang van zaken en het door de medeverdachte geschetste (tijds)verloop voor, tijdens en na de explosie komt overeen met de genoemde camerabeelden.
Dat de medeverdachte pas in zijn vierde en vijfde verhoor een bekennende verklaring
heeft afgelegd, doet voor de rechtbank niets af aan de betrouwbaarheid van zijn verklaring. De medeverdachte heeft hierover in zijn vierde verhoor aangegeven dat hij lang de tijd heeft gehad om na te denken en dat het voor hem tijd was om te bekennen. Dat de medeverdachte zijn rol kleiner lijkt te maken, zoals de verdediging heeft bepleit, ziet de rechtbank niet. De medeverdachte heeft juist ook over zichzelf belastend verklaard.
Gelet op het voorgaande gaat de rechtbank ervan uit dat het de verdachte is geweest die samen met de medeverdachte de explosie aan [adres] teweeg heeft gebracht.
De vraag die de rechtbank vervolgens dient te beantwoorden is of het handelen van
de verdachte kan worden gekwalificeerd als het medeplegen van de impliciet primair tenlastegelegde poging moord of als het medeplegen aan de impliciet subsidiair tenlastegelegde poging doodslag.
Om te kunnen komen tot een bewezenverklaring van het medeplegen van zowel poging moord als poging doodslag moet in elk geval sprake zijn van vol of voorwaardelijk opzet op de dood van de slachtoffers. De vraag die de rechtbank dan ook dient te beantwoorden is of de verdachte opzet, al dan niet in voorwaardelijke vorm, heeft gehad op de dood van de bewoners aan [adres] . Van vol opzet is sprake in het geval van willens en wetens handelen. Voor voorwaardelijk opzet is vereist dat de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zijn handelen de dood van de bewoners aan [adres] tot gevolg had kunnen hebben. Bepaalde gedragingen kunnen daarnaast naar hun uiterlijke verschijningsvormen worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het gevolg, in dit geval de dood van de bewoners aan [adres] , bewust heeft aanvaard.
Dat de verdachte en de medeverdachte ‘vol’ opzet hebben gehad op de dood van de bewoners, wordt door de officier van justitie niet geconcludeerd en volgt naar het oordeel van de rechtbank ook niet uit de verklaring van de medeverdachte of de overige inhoud van het dossier. Voor de vraag of in dit geval sprake is geweest van voorwaardelijk opzet op hun dood, acht de rechtbank van belang dat niet vastgesteld kan worden dat de verdachte en/of de medeverdachte wetenschap hadden van de exacte samenstelling van de VBC. De brand als gevolg van de explosie is groot geweest en uit het forensisch onderzoek is gebleken dat dat met name is veroorzaakt door het toevoegen van zes flessen wasbenzine aan de VBC, oftewel zogenaamde brandversnellende middelen. Uit het dossier is echter niet gebleken dat de verdachte en/of de medeverdachte op enig moment in de tas hebben gekeken, anderszins de VBC zelf hebben gezien of dat aan hen is verteld waar de VBC uit bestond. In de woning heeft de medeverdachte twee cobra’s zien liggen en mensen die “aan het klussen” waren. Wat ze precies aan het doen waren, hebben de verdachte en de medeverdachte niet gezien, althans dat kan niet worden vastgesteld. Dat “klussen” gebeurde naar de medeverdachte heeft verklaard in een andere kamer, waar zij geen zicht op hadden. Dat de tas met daarin de VBC zwaarder moet zijn geweest dan een tas waarin een enkele cobra zit, kan zo zijn, maar uit dat enkele gegeven kan niet worden geconcludeerd dat de verdachte en/of medeverdachte hadden moeten beseffen dat zij met een VBC van dergelijke omvang te maken hadden en
dat zij met het aansteken daarvan bewust de aanmerkelijke kans op de dood van de bewoners (moeten) hebben aanvaard. Door de opdrachtgever is aan de medeverdachte verteld dat het ging om het geven van “een kleine waarschuwing” dan wel “afschrikken”. Ook op basis daarvan hadden de verdachte en de medeverdachte niet hoeven te vermoeden dat zij een explosie teweeg zouden (moeten) gaan brengen van de omvang en met de gevolgen zoals
die uiteindelijk heeft plaatsgevonden.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte en de medeverdachte door hun handelen willens en wetens een aanmerkelijke
kans op de dood van de slachtoffers hebben aanvaard.
Nu (voorwaardelijk) opzet op de dood van de slachtoffers niet wettig en overtuigend
kan worden bewezen, komt de rechtbank niet toe aan de beoordeling van het bestanddeel ‘voorbedachte rade’, uit de tenlastelegging.
De rechtbank zal de verdachte daarom vrijspreken van het onder feit 1 tenlastegelegd.
Redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank komt in parketnummer 15-063078-25 onder feit 2 en in parketnummer
09-352327-25 tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat. Dit betekent dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen acht dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het teweegbrengen van een explosie met gemeen gevaar voor goederen, levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor personen. Ook acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte een alarmpistool voorhanden heeft gehad.
Nadere bewijsoverweging feit 2 onder parketnummer 15-0630078-25
Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad (HR 17 februari 2009, BG 1653) dient de
opzet van de verdachte en de medeverdachte bij het teweegbrengen van een explosie
met - kort gezegd - gemeen gevaar voor goederen en personen, slechts te zijn gericht op
het teweegbrengen van de explosie en niet op de gevolgen hiervan. Dit betekent dat het
gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en levensgevaar ten tijde van de explosie naar algemene ervaringsregels voorzienbaar moet zijn geweest. Dat de verdachte en de medeverdachte dit gevaar wellicht zelf niet hebben voorzien, is in dit verband niet van belang.
Dat de verdachte en de medeverdachte opzet hebben gehad op het teweegbrengen van
een explosie kan naar het oordeel van de rechtbank wettig en overtuigend worden bewezen. Dit volgt uit de verklaring van de medeverdachte, die heeft verklaard dat aan hen de opdracht was gegeven om een cobra tot ontploffing te brengen en dat hebben zij gedaan. Uit het forensisch onderzoek, dat voldoende specifiek en concreet is, volgt dat het aannemelijk is dat de VBC een zelfgemaakte explosieve constructie betreft, waarbij tenminste zes flessen wasbenzine en tenminste zes (super) cobra’s met tape aan elkaar zijn bevestigd. Hierdoor is een grote brand ontstaan.
Naar algemene ervaringsregels moet voorzienbaar zijn geweest dat door het plaatsen
van een VBC, direct bij een woning waar de bewoners liggen te slapen, brand en een (levens)gevaarlijke situatie kan ontstaan.
Die gevaarzetting wordt duidelijk en concreet omschreven in het proces-verbaal
van het forensisch onderzoek, zoals in de bijlage bij dit vonnis is opgenomen. In het forensisch onderzoek wordt geconcludeerd dat door de explosie en de daaropvolgende brand gemeen gevaar voor goederen, gevaar voor lichamelijk letsel en levensgevaar voor personen te duchten is geweest. Voor nader onderzoek naar de concrete gevaarzetting, zoals de verdediging heeft bepleit, ziet de rechtbank geen aanleiding. De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de expertise van de forensische experts van de politie.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het teweegbrengen van een explosie, met gemeen gevaar voor goederen, gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en levensgevaar voor personen.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:
Parketnummer: 15-063078-25:
Feit 2:
hij op 15 december 2024 te Purmerend tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk
een ontploffing teweeg heeft gebracht bij een woning aan [adres] , door meerdere cobra’s in combinatie met brandversnellende middelen voor de voordeur van die woning te plaatsen en die cobra’s in combinatie met brandversnellende middelen aan te steken en tot ontploffing te brengen, terwijl daarvan:
- gemeen gevaar voor goederen, te weten de genoemde woning en naastgelegen
woningen en
- levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten voor
bewoners van genoemde woning en naastgelegen woningen, te duchten was.
Parketnummer 09-352327-25:
hij op 28 december 2025 te 's-Gravenhage, een wapen van categorie III, onder 4 van de Wet wapens en munitie, te weten een alarmpistool, voorhanden heeft gehad.
Wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
4. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten
Het bewezenverklaarde levert op:
Parketnummer: 15-063078-25:
Feit 2:
Opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is en terwijl daarvan levensgevaar/gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is, gepleegd door twee of meer verenigde personen.
Parketnummer 09.352327.25:
Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.
5. Strafbaarheid van verdachte
De rechtbank is van oordeel dat de bewezenverklaarde feiten in verminderde mate aan de verdachte kunnen worden toegerekend en neemt hierbij het volgende in overweging.
Om tot verminderde toerekenbaarheid in de zin van artikel 39 Wetboek van Strafrecht te kunnen komen, moet sprake zijn van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bij de verdachte, een causaal verband tussen deze stoornis of gebrekkige ontwikkeling en de bewezenverklaarde feiten én moet de ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling zodanig van aard zijn dat deze volledig of gedeeltelijk aan de toerekening van de bewezenverklaarde feiten in de weg staat.
De rechtbank heeft bij de beoordeling rekening gehouden met het psychiatrisch rapport van 1 augustus 2025, opgesteld door [kinder- en jeugdpsychiater] , kinder- en jeugdpsychiater, en het psychologisch rapport van 29 juli 2025, opgesteld door [GZ-psycholoog] , GZ-psycholoog.
Uit het psychiatrisch rapport blijkt dat bij de verdachte sprake is van een licht verstandelijke beperking, een autismespectrumstoornis samenhangend met chromosoomafwijkingen, ADHD van het gecombineerde type, een norm overschrijdende gedragsstoornis, problemen in de ouder-kindrelatie, opvoeding in afwezigheid van de ouders en het achterblijven op school. De verdachte heeft door zijn verstandelijke beperking moeite met het overzien van de gevolgen van zijn gedrag voor zichzelf en anderen. Hij is hierdoor minder in staat om keuzemogelijkheden goed af te wegen, wat leidt tot gebrekkige oplossingsvaardigheden.
Dit wordt versterkt door zijn autisme en ADHD en gedragsstoornis. Door zijn gedragsstoornis zal de verdachte sneller dan gemiddeld wet- en regelgeving veronachtzamen, maar dat wil niet zeggen dat hij zich niet bewust is van bepaalde gedragingen. De verdachte is ook niet volledig beperkt geweest in zijn wilsbepaling. In wezen wordt betrokkene continue beperkt in zijn dagelijks leven door de genoemde stoornissen. Door de combinatie van de genoemde, en elkaar negatief beïnvloedende, stoornissen hebben tijdens de tenlastegelegde feiten zijn denken, voelen en handelen gekleurd en daarmee een rol gespeeld tijdens de gedragingen en keuzes van betrokkene. Omdat vanwege de ontkennende houding van de verdachte geen zicht is gekomen op de omstandigheden rondom de tenlastegelegde feiten, heeft de psychiater geen advies gegeven met betrekking tot het toerekenen van de feiten.
In de rapportage van de psycholoog worden grotendeels dezelfde conclusies getrokken wat betreft problematiek van de verdachte. Ook de psycholoog heeft geen advies gegeven over het toerekenen van de feiten vanwege de ontkennende houding van de verdachte. Op de vraag in welke mate de problematiek van de verdachte een eventuele rol heeft gespeeld
bij de ten laste gelegde feiten, heeft de psycholoog geen zicht kunnen krijgen. Wel kon de verdachte zich volgens de psycholoog bewust zijn van de strafbaarheid van zijn gedrag.
De rechtbank sluit zich aan bij de conclusies van de deskundigen en neemt deze over.
Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat bij de verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestesvermogens. Gelet op de aard hiervan kan het niet anders dan dat de licht verstandelijke beperking aanwezig was ten tijde van de bewezenverklaarde feiten. De indruk bestaat dat de elkaar negatief beïnvloedende stoornissen van invloed zijn geweest op de gedragskeuzes en gedragingen van de verdachte, ten tijde van het ten laste gelegde feit (het teweegbrengen van een explosie). Dit staat naar het oordeel van de rechtbank een volledige toerekening van de bewezenverklaarde feiten in de weg en de rechtbank gaat er daarom vanuit dat de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar is. Nu geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van de verdachte geheel uitsluit, is de verdachte wel strafbaar.
6. Motivering van de sancties
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot 368 dagen jeugddetentie, waarvan 307 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar, en daaraan verbonden de door de Raad geadviseerde bijzondere voorwaarden. Daarnaast is gevorderd om de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren.
Gelet op de gelijke rolverdeling eist de officier van justitie een even groot onvoorwaardelijk deel jeugddetentie als bij de minderjarige medeverdachte.
De officier van justitie acht het niet in het belang van de ontwikkeling van de verdachte
dat hij teruggaat naar de jeugdgevangenis, omdat hij behandeling nodig heeft voor zijn problematiek. Gelet op de complexe problematiek van de verdachte en het hoge risico op recidive, is een strak juridisch noodzakelijk.
Een aanvullende werkstraf acht de officier van justitie gelet op de aard en ernst van de feiten niet passend.
Standpunt van de verdediging
Bij een bewezenverklaring heeft de verdediging bepleit om aan de verdachte onvoorwaardelijke jeugddetentie op te leggen waarbij de duur gelijk is aan zijn voorarrest.
Het omvangrijke pakket aan bijzondere voorwaarden alsmede de schorsingsvoorwaarden is al intensief en beperkend genoeg (geweest) voor de verdachte. Dit kan qua zwaarte dan ook gelijk worden gesteld met de zwaarte van jeugddetentie. Daarnaast dient het voorwaardelijk deel aan jeugddetentie te worden gematigd, aangezien niet alle ten laste gelegde feiten bewezen kunnen worden verklaard. Daarnaast is de verdachte het niet eens met de bijzondere voorwaarden ten aanzien van de wifi en het afsluiten van zijn woning in de avonduren. Ten aanzien van het gebiedsverbod voor Purmerend is bepleit om de elektronische controle te beperken tot het wettelijk maximum van zes maanden.
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sancties die aan verdachte moeten worden opgelegd, heeft
de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals uit
het onderzoek op de zitting en de hieronder te noemen persoons- en adviesrapportages
is gebleken.
De ernst van de feiten
De verdachte heeft zich samen met de minderjarige medeverdachte, in opdracht, schuldig gemaakt aan het teweegbrengen van een explosie door een VBC bestaande uit zes cobra’s en zes flessen wasbenzine aan te steken bij de voordeur van een woning aan [adres] in Purmerend. De explosie vond rond 04:00 uur in de nacht plaats, een tijdstip waarop mensen doorgaans liggen te slapen, zo ook de slachtoffers in deze zaak als de bewoners in de naastgelegen woningen. De explosie heeft een hevige brand veroorzaakt die zich snel verspreidde, waarbij de slachtoffers uit hun woningen moesten vluchten. De getroffen woningen, met daarin ook persoonlijke bezittingen van emotionele waarde, zijn grotendeels verwoest dan wel zeer ernstig beschadigd. De beoogde woning op nummer [nummer] is compleet verwoest en ook de naastgelegen woningen hebben grote (bouwkundige) schade opgelopen. Daarnaast is bij de brand het minderjarige slachtoffer [de benadeelde partij 1] ( [de benadeelde partij 1] ) levensgevaarlijk gewond geraakt. Zijn broer [de benadeelde partij 3] heeft hem uit de brandende woning gered, waarna hij bij buren onder de douche is gezet om zijn ernstige brandwonden te koelen. Zijn moeder en omwonenden zijn hiervan getuige geweest. [de benadeelde partij 1] heeft als gevolg van brandwonden ruim twee weken in coma gelegen. 55% van zijn lichaam is verbrand. Hij heeft meerdere operaties en een intensief revalidatieproces moeten ondergaan.
Vasstaat dat [de benadeelde partij 1] en zijn gezin de rest van hun leven geconfronteerd zullen worden met de gevolgen van de explosie. [de benadeelde partij 1] is niet helemaal hersteld. Mogelijk zal hij nog meer hersteloperaties moeten ondergaan, aangezien hij nog jong is en nog niet is uitgegroeid. Wat dit voor gevolgen gaat hebben voor zijn toekomst is nog niet duidelijk. Hoe dan ook zal [de benadeelde partij 1] de rest van zijn leven worden herinnerd aan de explosie. Ook geestelijk heeft de explosie grote gevolgen voor [de benadeelde partij 1] gehad als ook voor zijn moeder en broer, zoals is gebleken uit de op zitting voorgedragen slachtofferverklaringen. De moeder van [de benadeelde partij 1] heeft lange tijd in de overlevingsstand geleefd, omdat zij er voor haar zoons wilde en moest zijn. Mede hierdoor heeft zij nog geen behandeling kunnen ondergaan voor de psychische impact van de gebeurtenissen. Ook [de benadeelde partij 3] , die het leven van zijn broertje heeft gered, functioneert tot op de dag van vandaag niet zoals voor de explosie.
Op de directe buren, een gezin bestaande uit een moeder en twee (puber)kinderen, heeft
de explosie ook grote impact gehad. Ook hun woning is verwoest geraakt en zij zijn getuige geweest van het feit dat [de benadeelde partij 1] door zijn broer brandend uit de woning werd getrokken. Uit de op zitting voorgedragen slachtofferverklaringen blijkt dat deze gebeurtenissen tot op de dag van vandaag grote impact hebben op het gezin. Ook in de maatschappij leiden dergelijke explosies vaak tot gevoelens van onrust en onveiligheid, te meer nu dit feit midden in de nacht heeft plaatsgevonden.
De verdachte en de medeverdachte zouden voor de opdracht een bedrag van € 3.500,00 krijgen, een bedrag dat in het niet valt bij de schade die is ontstaan en de gevolgen voor
de slachtoffers. De verdachte kende de slachtoffers niet. Hij heeft zich enkel laten leiden door geld, zonder stil te staan bij de ernstige gevolgen die zijn handelen had kunnen hebben en ook daadwerkelijk heeft gehad.
De verdachte heeft zich verder schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een alarmpistool. Dergelijke wapens worden vaak gebruikt bij het plegen van strafbare feiten en het bezit daarvan is daarom strafbaar gesteld. Het is niet toegestaan om een alarmpistool zonder ontheffing voorhanden te hebben, nu niet en ook niet in de toekomst.
Persoonlijke omstandigheden
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet
op het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie van 9 april 2026, waaruit blijkt dat de verdachte in Nederland niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.
Waar met een blanco strafblad soms in het voordeel van een verdachte rekening kan worden gehouden, ziet de rechtbank hiervoor in het geval van deze verdachte en alle omstandigheden die hiervoor zijn genoemd, geen aanleiding.
De rechtbank heeft verder kennis genomen van het reeds genoemde psychiatrisch rapport van 1 augustus 2025, opgesteld door [kinder- en jeugdpsychiater] , kinder- en jeugdpsychiater, en het psychologisch rapport van 29 juli 2025, opgesteld door [GZ-psycholoog] , GZ-psycholoog.
Hieruit volgt dat het risico op recidive voor toekomstig (agressief) grensoverschrijdend gedrag, hoog is als de verdachte niet wordt behandeld voor zijn complexe problematiek.
Door de psycholoog is gerapporteerd dat de verdachte beperkt leerbaar is en dat vanwege
de complexheid van zijn problematiek, wordt ingeschat dat de verdachte zijn hele leven afhankelijk zal blijven van hulpverlening. De pedagogische aanpak die de verdachte krijgt bij de [verbijfplaats] lijkt vrij goed te werken. Een andere plek zou de lichte gedragsverandering die wordt gezien, mogelijk teniet doen. Hierbij lijkt de verdachte beter alleen dan in een groepssetting te kunnen wonen. Geadviseerd wordt dan ook om hem te laten wonen in een woonvoorziening met 24-uurs begeleiding, zonder andere jongeren. Geadviseerd wordt onder meer verder om de benodigde woonplek en hulpverlening als bijzondere voorwaarden op te leggen bij een (deels) voorwaardelijke straf. Toezicht vanuit de jeugdreclassering is daarbij van belang, waarbij een enkelband tevens helpend kan zijn.
Het advies van de psychiater sluit aan bij dat van de psycholoog. Ook de psychiater adviseert een strak kader aan bijzondere voorwaarden op te leggen aan de verdachte, in het kader van een deels voorwaardelijke jeugddetentie.
Het over de verdachte uitgebrachte voorlichtings- en adviesrapport van de Raad van
18 mei 2026 houdt - kort samengevat- onder meer het volgende in:
Het risico op recidive is hoog. De Raad heeft grote zorgen over de ontwikkeling van de verdachte. Er bestaan op verschillende leefgebieden risicofactoren. Door zijn complexe persoonlijke problematiek en belaste verleden, is de verdachte een blijvend kwetsbare jongen. Hij heeft intensieve begeleiding nodig, met duidelijke begrenzing en sturing.
De verdachte kan snel ontregeld raken bij onduidelijkheid, waardoor hij verbaal en fysiek agressief kan reageren. De verdachte kan de gevolgen van zijn eigen gedrag niet overzien.
Er bestaat ook grote zorgen over zijn leerbaarheid en morele ontwikkeling.
Alles afwegende adviseert de Raad om een deels voorwaardelijke jeugddetentie op te
leggen, waarbij het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan zijn voorarrest, met daarbij een werkstraf. Jeugddetentie is belastend voor de verdachte, omdat een onvoorspelbare en onbekende omgeving delictgedrag kan triggeren. Er is echter geen informatie op basis waarvan de verdachte niet geschikt moet worden geacht voor detentie. Daarnaast is begeleiding vanuit de reclassering noodzakelijk, met een stevig pakket aan bijzondere voorwaarden. Geadviseerd wordt om de volwassenenreclassering als toezichthouder te benoemen, omdat er geen pedagogische gronden meer worden gezien voor jeugdreclassering. Binnen de volwassenenreclassering bestaan er bovendien meer mogelijkheden wat betreft de inzet van hulpverlening en het vinden van een passende woonvoorziening. De verdachte verblijft nu nog bij [verbijfplaats] , maar in de toekomst is een andere plek voor hem nodig.
Als bijzondere voorwaarden adviseert de Raad om te bepalen dat de verdachte:
* zich houdt aan de aanwijzingen van de gecertificeerde instelling te weten GGZ
Reclassering Fivoor te Den Haag en meewerkt aan de warme overdracht van de huidige jeugdreclassering;
* meewerkt en actief meedoet aan het dagprogramma van de woongroep [verbijfplaats] of soortgelijke instantie en aan de dagbesteding, zich houdt aan de huisregels en meewerkt aan één op één begeleiding, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;
Onder de huisregels valt tevens het afsluiten van de voordeur tussen 23:00 uur en 07:00 uur i.c.m. het uitzetten van de Wifi van het appartement tussen 00:00 uur en 07:00 uur;
* zich houdt aan een contactverbod met de medeverdachten en de slachtoffers
[de benadeelde partij 1] (geboren op [geboortedatum] ), [de benadeelde partij 3] (geboren op [geboortedatum] ) en [de benadeelde partij 2] (geboren op [geboortedatum] );
* zich houdt aan het locatiegebod, te weten; [adres] ;
* zich houdt aan het locatieverbod voor Purmerend;
* zich houdt aan de avondklok van 19.00 uur tot 7.00 uur, zolang als de
reclassering dit noodzakelijk acht;
* zich ter controle van het locatiegebod/verbod onder elektronische monitoring
stelt van de Reclassering Nederland in Den Haag, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.
De Raad voor de Kinderbescherming adviseert de rechtbank te bevelen dat de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn.
De jeugdreclassering heeft zich op de zitting aangesloten bij het voorgaande en geeft verder aan dat het mede gezien de toekomst van de verdachte van belang is dat GGZ Reclassering van Fivoor betrokken raakt, die zich op meerdere leefgebieden richt zoals wonen, behandeling en dagbesteding
De straf
Samenvattend houdt de rechtbank bij de strafoplegging rekening met de ernst van de feiten en de gevolgen voor de slachtoffers, de ontkennende proceshouding van de verdachte, zijn complexe persoonlijke problematiek en het hoge risico op recidive.
Gelet op alles wat hiervoor is overwogen, is de enige passende straf naar het oordeel van
de rechtbank jeugddetentie.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf voor de duur van 250 dagen moet worden opgelegd. De rechtbank zal echter bepalen dat een gedeelte daarvan, te weten 190 dagen vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaren, opdat verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit.
Verder zullen de hiervoor genoemde, door de Raad geadviseerde bijzondere voorwaarden aan het voorwaardelijk strafdeel worden verbonden, waarbij voor de elektronische controle een termijn van zes maanden zal worden bepaald. De rechtbank ziet geen aanleiding om de voorwaarden met betrekking tot de wifi, het afsluiten van de woning op bepaalde tijden en het gebiedsverbod voor Purmerend te laten vervallen. Uit alles blijkt dat de verdachte gebaat is bij duidelijkheid, zo geeft hij ook zelf aan. De voorwaarden zoals hiervoor genoemd geven hem die duidelijkheid.
De verdachte hoeft door deze straf niet terug naar de jeugdgevangenis. De rechtbank
komt tot dit oordeel, omdat de verdachte hulpverlening en begeleiding nodig heeft voor zijn problematiek om het hoge risico op recidive te verminderen. Voorkomen moet worden dat de verdachte zich opnieuw schuldig maakt aan ernstige strafbare feiten en dit kan alleen binnen het strakke kader dat aan de verdachte zal worden opgelegd.
De straf is lager dan de eis van de officier van justitie, omdat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring van poging moord dan wel doodslag komt.
Dadelijke uitvoerbaarheid voorwaarden
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een misdrijf dat is gericht tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van meerdere personen, te weten het teweegbrengen
van een explosie met onder meer gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en levensgevaar tot gevolg. Gelet op het hoge risico op, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan. Daarom zal de rechtbank bevelen dat de hierna te stellen voorwaarden en het uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.
7. Vorderingen benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregel
Vorderingen
Benadeelde partij [de benadeelde partij 1]
[de benadeelde partij 2] heeft namens haar zoon, de benadeelde partij [de benadeelde partij 1] , een vordering tot schadevergoeding van € 303.480,55 ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van de ten laste gelegde feiten zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente.
De gestelde materiële schade bestaat uit medische kosten, kosten voor verblijf in
het ziekenhuis en revalidatiecentrum en kosten in verband met studievertraging.
De gestelde immateriële schade bestaat uit schade door lichamelijk en geestelijk letsel. Een bedrag van € 50.000,00 betreft toekomstige (materiële en immateriële) schade.
Benadeelde partij [de benadeelde partij 2]
De benadeelde partij [de benadeelde partij 2] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 140.527,77 ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die zij als gevolg van
de ten laste gelegde feiten zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente.
De gestelde materiële schade heeft betrekking op de inboedel, kosten voor alternatief verblijf, kosten voor verblijf in het Ronald McDonald huis, kosten in verband met de nieuwe woning, kosten voor medicatie en reiskosten. De gestelde immateriële schade bestaat uit schade als gevolg van geestelijk letsel, shockschade en affectieschade.
Benadeelde partij [de benadeelde partij 3]
De benadeelde partij [de benadeelde partij 3] heeft een vordering tot schadevergoeding van
€ 60.010,00 ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van de ten laste gelegde feiten zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente.
De gestelde materiële schade bestaat uit vergane kleding. De gestelde immateriële schade bestaat uit schade als gevolg van geestelijk letsel, shockschade en affectieschade.
Benadeelde partij [de benadeelde partij 7]
De benadeelde partij [de benadeelde partij 7] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 5.000,00 ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die zij als gevolg van de ten laste gelegde feiten zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente.
De gestelde materiële schade bestaat uit kosten voor de inboedel. De gestelde immateriële schade bestaat uit kosten in verband met verblijf in een noodwoning.
Benadeelde partij [de benadeelde partij 4]
De benadeelde partij [de benadeelde partij 4] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 5.849,00 ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die zij als gevolg van de ten laste gelegde feiten zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente.
De gestelde materiële schade bestaat uit kosten voor aanschaf van een fatbike. De gestelde immateriële schade bestaat uit schade als gevolg van geestelijk letsel.
Benadeelde partij [de benadeelde partij 5]
De benadeelde partij [de benadeelde partij 5] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 5.613,29 ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die zij als gevolg van de ten laste gelegde feiten zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente.
De gestelde materiële schade bestaat uit kosten voor medische behandelingen. De gestelde immateriële schade bestaat uit schade als gevolg van geestelijk letsel.
Benadeelde partij [de benadeelde partij 6]
De benadeelde partij [de benadeelde partij 6] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 5.000,00 ingediend tegen de verdachte wegens immateriële schade die hij als gevolg van de ten laste gelegde feiten zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente.
De gestelde schade bestaat uit schade als gevolg van geestelijk letsel.
Standpunt officier van justitie
Benadeelde partij [de benadeelde partij 1]
Materiële schade
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering wat betreft de materiële schade kan worden toegewezen tot een bedrag van € 5.730,55.
Medische kosten, ziekenhuis en revalidatievergoeding:
Deze posten betreffen schade die het rechtstreekse gevolg zijn van de ten laste gelegde feiten. De posten zijn door de benadeelde partij voldoende onderbouwd en daarom voor toewijzing vatbaar.
Studievertraging:
Dat de benadeelde partij studievertraging heeft opgelopen als gevolg van de ten laste gelegde feiten is voldoende onderbouwd. De vordering tot vergoeding van schade wegens studievertraging kan worden toegewezen.
Immateriële schade
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering wat betreft de immateriële schade kan worden toegewezen voor het bedrag van € 230.000,00.
De vordering is op dit punt voldoende onderbouwd. Het geestelijk en lichamelijk
letsel dat bij de benadeelde partij is ontstaan, is het rechtstreekse gevolg van de ten laste gelegde feiten. Uit de aard en de ernst van de normschending volgt dat de benadeelde partij ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast.
Toekomstige schade
Deze schade is gevorderd met het oog op een eventuele hoger beroep procedure en bestaat daarom feitelijk nog niet. De benadeelde partij dient hierin niet-ontvankelijk te worden verklaard.
Benadeelde partij [de benadeelde partij 2]
Materiële schade
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering wat betreft de materiële schade kan worden toegewezen tot een bedrag van € 18.310,75.
Kosten alternatief verblijf, verblijf Ronald McDonaldshuis en medicatie:
Deze posten betreffen schade die het rechtstreekse gevolg is van de ten laste gelegde feiten. De posten zijn door de benadeelde partij voldoende onderbouwd en daarom voor toewijzing vatbaar.
Kosten inboedel:
Deze schadepost is onvoldoende onderbouwd en daarom niet voor toewijzing vatbaar.
Op de lijst van de inboedel staan gangbare en voorzienbare goederen genoemd, maar ook minder gangbare goederen, waaronder bijvoorbeeld tassen ter waarde van € 2.500 euro. Dit vraagt om een nadere onderbouwing. Daarnaast is niet inzichtelijk gemaakt hoe het bedrag zich verhoudt tot de schade die reeds door de verzekering is vergoed.
Kosten vloer, muren en bank nieuwe woning:
Deze post is toewijsbaar tot een gedrag van € 11.843,01.
De schade aan de vloer en de muren is het rechtstreekse gevolg van de ten laste gelegde
feiten. Wat betreft de vloer en het stucwerk kan op basis van de overgelegde offertes
door de rechtbank gebruik worden gemaakt van de schattingsbevoegdheid.
Wat betreft de kosten voor de zitbank dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te
worden verklaard. Door de verzekeraar is reeds een bedrag uitgekeerd voor de inboedel en niet kan worden vastgesteld of er, bij toewijzing van deze post, al dan niet sprake is van een dubbele vergoeding.
Reiskosten voor bezoek aan zoon (slachtoffer):
Op grond van jurisprudentie van de Hoge Raad (2025:853) bestaat er wat betreft deze post zowel een vorderingsrecht voor het slachtoffer als voor degene die de schade maakt. De vordering is daarbij voldoende onderbouwd en daarom voor toewijzing vatbaar.
Immateriële schade
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering wat betreft de immateriële schade kan worden toegewezen tot een bedrag van € 20.000,00.
Geestelijk letsel:
Deze post betreft schade die het rechtstreekse gevolg is van de ten laste gelegde feiten,
is voldoende onderbouwd en daarom voor toewijzing vatbaar. Uit de aard en ernst van de normschending, volgt dat de benadeelde partij ‘op andere wijze’ in haar persoon is aangetast.
Schokschade:
De benadeelde partij dient wat betreft deze post niet-ontvankelijk te worden verklaard.
In de vordering wordt verwezen naar een screenshot waaruit enkel volgt dat sprake is van een vermoeden van PTSS-achtige klachten. Dat sprake is van een (objectief vastgesteld) in de psychiatrie erkend ziektebeeld, is niet onderbouwd.
Affectieschade:
De benadeelde partij dient wat betreft deze post niet-ontvankelijk te worden verklaard.
Om affectieschade te kunnen toewijzen moet sprake zijn van blijvend en ernstig letsel bij
de getroffen naaste. In de rechtspraak wordt hierbij het criterium gehanteerd dat in beginsel sprake moet zijn van 70% of meer blijvende functiestoornis. Dit is geen hard criterium. Bijkomende omstandigheden, zoals de invloed van het blijvende letsel bij de naaste op
het dagelijks leven, wegen ook mee.
Vasstaat dat het slachtoffer ernstig letsel heeft opgelopen en dat dit (deels) ook blijvend zal zijn. Uit de vordering volgt echter niet in welke mate sprake is van blijvend letsel bij het slachtoffer en welke impact dit heeft en zal gaan hebben op het leven van de benadeelde partij.
Benadeelde partij [de benadeelde partij 3]
Materiële schade
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de benadeelde partij wat betreft de materiële schade niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat de vordering op dit punt onvoldoende is onderbouwd.
Immateriële schade
De vordering kan wat betreft de immateriële schade volgens het de officier van justitie worden toegewezen tot een bedrag van € 40.000,00.
Geestelijk letsel:
Deze post betreft schade die het rechtstreekse gevolg is van de ten laste gelegde feiten, is voldoende onderbouwd en is daarom voor toewijzing vatbaar. Uit de aard en ernst van de normschending, volgt dat de benadeelde partij ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast.
Shockschade:
In de rechtspraak is met betrekking tot shockschade overwogen dat dit in het algemeen slechts kan worden toegekend indien sprake is van een (objectief vastgesteld) in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Uit de stukken volgt dat er bij de benadeelde partij PTSS is vastgesteld. De benadeelde partij heeft deze post hiermee voldoende onderbouwd. Daarom kan de shockschade worden toegewezen tot het gevorderde bedrag.
Affectieschade:
De benadeelde partij dient wat betreft deze post niet-ontvankelijk te worden verklaard, omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd.
Om affectieschade te kunnen toewijzen moet sprake zijn van blijvend en ernstig letsel bij
de getroffen naaste. In de rechtspraak wordt het criterium gesteld dat in beginsel sprake
moet zijn van 70% of meer blijvende functiestoornis. Dit is geen hard criterium. Bijkomende omstandigheden, zoals de invloed van het blijvende letsel bij de naaste op het dagelijks leven weegt ook mee.
Daarbij kunnen broers en zussen in beginsel geen aanspraak maken op affectieschade, tenzij is onderbouwd dat sprake is van een speciale band en de impact van de blijvende invaliditeit van de naaste, ook impact heeft op het leven van, in dit geval, de broer.
Vasstaat dat het slachtoffer ernstig letsel heeft opgelopen en dat dit (deels) ook blijvend zal zijn. Uit de vordering volgt echter niet in welke mate sprake is van blijvend letsel bij het slachtoffer en welke impact dit heeft en zal gaan hebben op het leven van de benadeelde partij. Ook is, anders dan dat sprake was van een hecht gezin, niet onderbouwd welke speciale band de benadeelde met het slachtoffer heeft en welke impact de invaliditeit heeft en zal gaan hebben op het leven van de benadeelde partij.
Benadeelde partij [de benadeelde partij 7]
Materiële schade
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering wat betreft de materiële schade geheel kan worden toegewezen, met gebruikmaking van de schattingsbevoegdheid, tot het gevorderde bedrag van € 2.000,00.
Immateriële schade
De benadeelde partij dient wat betreft de immateriële schade volgens het de officier van justitie niet-ontvankelijk te worden verklaard, omdat de vordering op dit punt onvoldoende
is onderbouwd.
Benadeelde partij [de benadeelde partij 4]
Materiële schade
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de benadeelde partij wat betreft de materiële schade niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat de kosten voor aanschaf van een fatbike niet kunnen worden gezien als rechtstreekse schade als gevolg van de ten laste gelegde feiten.
Immateriële schade
De vordering kan wat betreft de materiële schade volgens de officier van justitie worden toegewezen voor het geheel gevorderde bedrag van € 5.000,00.
Uit de aard en ernst van de normschending, volgt dat de benadeelde partij op andere wijze in haar persoon is aangetast. De benadeelde partij heeft dit voldoende onderbouwd en daarom kan de vordering op dit punt worden toegewezen.
Benadeelde partij [de benadeelde partij 5]
Materiële schade
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering wat betreft de materiële schade geheel kan worden toegewezen tot het gevorderde bedrag van € 613,29.
Immateriële schade
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering wat betreft de immateriële schade geheel kan worden toegewezen tot het gevorderde bedrag van € 5.000,00.
Uit de onderbouwing volgt dat bij de benadeelde partij PTSS is vastgesteld als gevolg
van de explosie. Ook is onderbouwd op welke wijze de persoon van de benadeelde partij
‘op andere wijze’ is aangetast.
Benadeelde partij [de benadeelde partij 6]
Immateriële schade
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering geheel kan worden toegewezen tot het gevorderde bedrag van € 5.000,00.
Uit de onderbouwing volgt dat gelet op de aard en de ernst van de normschending de benadeelde partij ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast.
Verdeling, hoofdelijkheid en schadevergoedingsmaatregel
De verdachte en de minderjarige medeverdachte zijn de uitvoerders van de ten laste
gelegde feiten. De opdrachtgever is de meerderjarige medeverdachte. Gelet
op het verschil in rollen ziet de officier van justitie aanleiding om een andere verdeling voor te stellen dan een hoofdelijke toewijzing van de toe te wijzen schade. Hierbij speelt ook een rol dat de meerderjarige medeverdachte mogelijk voor langere duur dan de minderjarigen gedetineerd zal blijven. Hierdoor zullen de minderjarige verdachten als eerste voor het geheel aan schade moeten opdraaien. De officier van justitie acht dit onwenselijk.
Het voorstel is om elke schade voor 25% toe te wijzen aan de verdachte en de minderjarige medeverdachte en daarbij de hoofdelijkheid te bepalen. Voor de overige 75% dienen de benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk te worden verklaard.
Verder wordt ten aanzien van alle vorderingen gevorderd dat deze zullen worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 december 2024.
Daarnaast wordt ten aanzien van alle vorderingen oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd, telkens ter hoogte van 25% van het totale schadebedrag, te vervangen door 0 dagen hechtenis.
Standpunt van de verdediging
Benadeelde partij [de benadeelde partij 1]
De verdediging heeft bepleit om de benadeelde partij wat betreft de kosten voor opgelopen studievertraging en voor toekomstige schade niet-ontvankelijk te verklaren.
Voor het overige heeft de verdediging de vordering niet betwist.
Benadeelde partij [de benadeelde partij 2]
Wat betreft de materiële schadeposten heeft de verdediging bepleit om de benadeelde
partij voor de kosten van de inboedel, reiskosten en kosten voor vloeren en bank niet-ontvankelijk te verklaren. De overige schadeposten worden niet betwist. De verdediging heeft wat betreft de immateriële schade voor het geestelijk letsel matiging bepleit van het schadebedrag. Wat betreft de shock- en affectieschade dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard. De verdediging sluit zich aan bij het standpunt van de officier van justitie.
Benadeelde partij [de benadeelde partij 3]
Wat betreft de materiële schade heeft de verdediging bepleit om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren, omdat de vordering op dit punt onvoldoende is onderbouwd.
De immateriële schade wordt wat betreft het geestelijk letsel en de shockschade niet betwist. Wat betreft de affectieschade sluit de verdediging zich aan bij het standpunt van de officier van justitie tot het niet-ontvankelijk verklaren van de benadeelde partij.
Benadeelde partij [de benadeelde partij 7]
De verdediging heeft wat betreft de materiële schade bepleit om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren, omdat de vordering op dit punt onvoldoende is onderbouwd. Er zijn foto’s overgelegd, maar daar blijkt niet uit dat de omschreven schade is geleden. Onderbouwing van reinigingskosten of herstelkosten in verband met waterschade, zijn niet bijgevoegd.
Ook wat betreft de immateriële schade is bepleit om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren. De verdediging sluit zich aan bij het standpunt van de officier van justitie.
Benadeelde partijen [de benadeelde partij 4] , [de benadeelde partij 5] en [de benadeelde partij 6]
Wat betreft de kosten voor de aanschaf van een fatbike, heeft de verdediging bepleit om de benadeelde partij [de benadeelde partij 4] niet-ontvankelijk te verklaren. Dit betreft geen schade die het rechtstreekse gevolg is van de ten laste gelegde feiten.
Wat betreft de overige posten worden de vorderingen niet betwist.
Verdeling en hoofdelijkheid
De verdediging sluit zich wat betreft de hoofdelijkheid aan bij het standpunt van de officier van justitie.
Oordeel van de rechtbank
Hoofdelijkheid/verdeling en matiging
Anders dan de officier van justitie en de verdediging hebben betoogd, zal de rechtbank niet afwijken van het wettelijke uitgangspunt bij de vorderingen die hierna zullen worden toegewezen en de hoofdelijkheid bepalen voor het geheel aan toe te wijzen schade.
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich als medepleger schuldig heeft gemaakt aan een onrechtmatige daad, namelijk het teweegbrengen van een explosie met gemeen gevaar voor goederen, gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en levensgevaar voor personen. De benadeelde partij die rechtstreekse schade heeft geleden als gevolg van de onrechtmatige gedragingen van de verdachte en zijn mededaders(s), kan aanspraak maken op vergoeding van die schade. Op grond van artikel 6:102 van het Burgerlijk Wetboek zijn alle daders hoofdelijk verbonden tot het betalen van de gehele schade. De rechtbank ziet geen wettelijke grondslag om van dit uitgangspunt af te wijken. Het is juist ook de bedoeling van de wetgever geweest indien sprake is van twee of meer mededaders, dat niet het slachtoffer achter de daders aan hoeft te gaan om zijn deel van de schade te innen, maar dat hij de totale schade kan verhalen bij ieder van hen. Het is dan aan de mededaders om onderling een regeling te treffen over de verdeling van de schade. Dat, in dit geval, de verdachte niet in contact mag of wil komen met zijn mededader(s), maakt dat niet anders.
De rechtbank ziet overigens ook geen aanleiding om bij de toe te wijzen bedragen vanwege de jeugdige leeftijd van de verdachten dan wel om andere redenen, tot een algehele matiging van de schadebedragen te komen.
Rechtstreekse schade
Bij de beoordeling van de hierna te noemen vorderingen gaat de rechtbank er telkens
vanuit dat de gevorderde schade rechtstreeks voortvloeit uit het bewezenverklaarde feit, tenzij expliciet wordt benoemd dat geen rechtstreekse schade wordt aangenomen.
Benadeelde partij [de benadeelde partij 1]
Materiële schade
Vergoeding van de materiële schade komt de rechtbank wat betreft de medische kosten
(€ 1.094,55) en de kosten voor het ziekenhuis en revalidatie (€ 4.636,00) billijk voor gelet
op de onderbouwing van de vordering. De vordering is op deze punten niet betwist door de verdediging, zodat deze posten zullen worden toegewezen.
Wat betreft de kosten in verband met studievertraging is de rechtbank van oordeel dat de vordering onvoldoende is onderbouwd. Bovendien is de vordering op dit punt gemotiveerd betwist door de verdediging. Uit de stukken blijkt dat de benadeelde partij al voor het bewezenverklaarde feit feitelijk niet dan wel nauwelijks naar school ging en ook de leerplicht in dit kader betrokken was. Daarom kan niet worden beoordeeld of al dan niet sprake is geweest van studievertraging en in welke mate. Dat de benadeelde partij stond ingeschreven op een school doet hieraan niets af.
De benadeelde partij zal wat betreft de gevorderde studievertraging daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.
Immateriële schade
Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW aan de orde als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast.
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan.
In dit geval is voldoende onderbouwd met stukken dat de benadeelde als gevolg van het bewezen verklaarde feit geestelijk letsel (trauma) heeft opgelopen. Overigens volgt dat ook uit de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan, hetgeen de verdediging ook niet betwist. Het gevorderde bedrag van € 30.000,00 komt de rechtbank billijk voor, gelet op de onderbouwing en het verhandelde ter terechtzitting, en zal worden toegewezen.
Met betrekking tot de gevorderde immateriële schadevergoeding voor opgelopen lichamelijk letsel, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij ernstig lichamelijk letsel heeft opgelopen in de vorm van tweede- en derdegraads brandwonden over 55% van zijn lichaam.
Hij is daardoor blijvend getekend door littekens en beperkt in zijn fysieke mogelijkheden, hetgeen niet wordt betwist. De rechtbank zoekt voor wat betreft de hoogte van de schadevergoeding voor het opgelopen lichamelijk letsel aansluiting bij de bedragen die daarvoor zijn opgenomen in de Rotterdamse schaal en neemt voorts in aanmerking de reeds toegekende vergoeding voor geestelijk letsel, en stelt het bedrag dat kan worden toegekend voor de lichamelijks schade naar billijkheid vast op € 100.000,00 Voor het overige zal de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard nu ernstiger lichamelijke gevolgen die een hoger bedrag rechtvaardigen, vooralsnog onvoldoende zijn onderbouwd en deze procedure geen ruimte biedt voor een uitgebreider debat aan de hand van (nieuwe) onderbouwende stukken.
Toekomstige schade
De benadeelde partij heeft toekomstige schade gevorderd met het oog op een eventuele hoger beroepsprocedure. Nu deze schade feitelijk nog niet is geleden, zal de rechtbank de benadeelde partij wat betreft deze post niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
Conclusie
De vordering zal voor wat betreft de materiële schade worden toegewezen tot een bedrag van € 5.730,55 en wat betreft de immateriële schade tot een bedrag van € 130.000,00.
Dit betekent dat de vordering zal worden toegewezen tot een totaalbedrag van € 135.730,55, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 15 december 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.
Daarbij zal de rechtbank bepalen dat indien een medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.
Daarnaast dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.
Vordering benadeelde partij [de benadeelde partij 2]
Materiële schade
De rechtbank is van oordeel dat de kosten voor alternatief verblijf (€ 3.862,16), het verblijf in het Ronald McDonald huis (€ 1.785,00), de kosten voor niet vergoede medische behandelingen (€ 820,58), de kosten voor de muren (€ 10.073,56) en de vloer (€ 1.769,45) en de reiskosten (€ 518,56) kunnen worden toegewezen nu ze voldoende zijn onderbouwd en niet zijn betwist. De gevorderde reiskosten zijn eveneens voldoende onderbouwd en kunnen als zogenaamde verplaatste schade worden toegewezen aan de benadeelde partij [de benadeelde partij 2] , die deze kosten heeft gemaakt.
Wat betreft de kosten voor de inboedel is de rechtbank met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat deze onvoldoende zijn onderbouwd. Duidelijk is geworden dat door de verzekeraar een bedrag is uitgekeerd voor de inboedel. Hoe dit bedrag tot stand is gekomen en of meer schade is geleden dan door de verzekeraar is vergoed, wordt op grond van de overlegde stukken echter niet duidelijk. De benadeelde partij zal wat betreft deze post daarom niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit geldt ook voor de kosten voor de zitbank. De zitbank valt onder de inboedel, zodat niet valt uit te sluiten of bij toewijzing van deze post, al dan niet sprake is van een dubbele vergoeding.
Immateriële schade
Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.
Uit de onderbouwing bij de vordering volgt dat de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Er bestaat een sterk vermoeden van PTSS-achtige klachten, maar deze diagnose is nog niet officieel gesteld. De aard en ernst van de normschending brengen in dit geval echter mee de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvoor voor de benadeelde zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. De benadeelde is in de nacht terwijl zij lagen te slapen in haar eigen woning overdonderd door een vernietigende vuurwerkbom. De brand die als gevolg daarvan is ontstaan, heeft haar woning onbewoonbaar gemaakt en haar jongste zoon ernstig verwond. De benadeelde is direct en ook nu nog geconfronteerd met de angstige en ernstige gevolgen die de explosie heeft gehad voor haar en de rest van haar gezin. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de schadevergoeding wegens opgelopen geestelijk letsel toewijzen tot het gevorderde bedrag
€ 20.000,00. De rechtbank heeft daarbij gelet op de bedragen die in vergelijkbare zaken worden toegewezen.
Shockschade
Shockschade komt voor toewijzing in aanmerking als de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van een hevige emotionele schok door het waarnemen van het door de verdachte gepleegde strafbare feit, of door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan. Vaststelling van de omvang van het smartengeld na confrontatie met een schokkende gebeurtenis zal in beginsel moeten plaatsvinden aan de hand van de rapportage van een deskundige die het geestelijk letsel heeft vastgesteld. Echter hier geldt dat algemene ervaringsregels kunnen leren dat de ‘shockgevolgen’ van de confrontatie met het primaire slachtoffer zodanig voor de hand liggen dat ze zonder onderbouwing met een deskundigenbericht kunnen worden aangenomen. In dit geval is de benadeelde geconfronteerd met haar jongste zoon die zwartgeblakerd, ernstig gewond en met brandend haar door zijn broer uit de brandende woning is gered. De jongen heeft daarna nog zo’n twee weken in coma gelegen. Gelet op deze omstandigheden en het feit dat door de praktijkondersteuner (ggz) van de huisarts van de benadeelde partij is vastgesteld dat er sprake is van een sterk vermoeden van PTSS-achtige klachten, is de rechtbank van oordeel dat shockschade kan worden toegewezen.
De rechtbank acht het gevorderde bedrag van € 20.000,00 passend, zodat de vordering op dit punt geheel zal worden toegewezen.
Affectieschade
Op grond van de artikelen 6:107 en 6:108 BW hebben naasten van slachtoffers recht op vergoeding van affectieschade (voor pijn en verdriet) die zij lijden doordat het slachtoffer
als gevolg van het strafbare feit ernstig en blijvend letsel heeft opgelopen. Een beperkte
kring van personen kan voor vergoeding van affectieschade in aanmerking komen.
Voor de vraag of sprake is van ernstig en blijvend letsel is bij het primaire slachtoffer wordt in de rechtspraak het criterium gehanteerd dat in beginsel sprake moet zijn van 70% of meer blijvende functiestoornis. Ook bijkomende omstandigheden, zoals de invloed van het blijvende letsel op de naaste en het dagelijks leven van de benadeelde wegen mee.
Vasstaat dat de jongste zoon van de benadeelde ernstig en deels blijvend letsel heeft opgelopen als gevolg van brandwonden. Echter, dat sprake is van dermate grote, ingrijpende en blijvende beperkingen in het leven van de jongste zoon die maken dat aanspraak gemaakt kan worden op affectieschade, volgt niet zonder meer uit de onderbouwing van de vordering en wordt door de verdediging betwist.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de benadeelde partij voor wat betreft de gevorderde affectieschade niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
Conclusie
De rechtbank zal de vordering wat betreft de materiële schade toewijzen tot een bedrag van
€ 18.829,31 en wat betreft de immateriële schade tot een bedrag van € 40.000,00.
Dit betekent dat de vordering zal worden toegewezen tot een totaalbedrag van € 58.829,31, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 15 december 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.
Daarbij zal de rechtbank bepalen dat indien een medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.
Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.
Vordering benadeelde partij [de benadeelde partij 3]
Materiële schade
De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat deze post door de benadeelde partij onvoldoende is onderbouwd. Niet vastgesteld kan worden of de opgevoerde goederen van de benadeelde partij - die niet permanent op het getroffen adres woonachtig was en hier ook niet stond ingeschreven - op dat moment van de brand aanwezig waren in de woning.
De benadeelde partij zal op dit punt daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in de
vordering.
Immateriële schade
Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam
of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.
Uit de onderbouwing bij de vordering volgt dat de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen. Hij is door de huisarts doorverwezen voor psychologische behandeling van PTSS klachten als gevolg van het bewezen verklaarde feit. Overigens brengen de aard en ernst van de normschending in dit geval reeds mee dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. De benadeelde is in de nacht terwijl hij lag te slapen in de woning bij zijn moeder en jongste broertje, geconfronteerd met een vernietigende vuurwerkbom. Als gevolg daarvan is een brand ontstaan in de woning en heeft benadeelde, kort samengevat, eerst zijn moeder met een ladder via het balkon uit het huis gered waarna hij het leven van zijn jongere broer heeft gered door hem uit de brandende woning te redden, terwijl het haar van zijn broertje nog in brand stond. Hij heeft het vuur gedoofd en zijn broertje bij de buren onder de douche gezet om de ernstige brandwonden te koelen.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de schadevergoeding wegens opgelopen geestelijk letsel toewijzen tot het gevorderde bedrag van € 20.000,00. De rechtbank heeft daarbij gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend.
Shockschade
Onder verwijzing naar hetgeen hiervoor onder 7.4.5. is overwogen met betrekking tot de grondslag voor de toekenning van shockschade en de vaststelling van de omvang van die schade, overweegt de rechtbank dat (ook) ten aanzien van deze benadeelde shockschade kan worden toegewezen. De benadeelde is geconfronteerd met zijn jongere broertje dat hij zwartgeblakerd, ernstig gewond en met brandend haar uit de bandende woning heeft gered en bij de buren onder de douche heeft gezet. De benadeelde heeft (mede) als gevolg hiervan PTSS klachten opgelopen waarvoor de huisarts hem heeft doorgestuurd naar een psycholoog. De rechtbank acht het gevorderde bedrag van € 20.000,00 passend, zodat de vordering tot dat bedrag ook zal worden toegewezen.
Affectieschade
Op grond van de artikelen 6:107 en 6:108 BW hebben naasten van slachtoffers recht op vergoeding van affectieschade (voor pijn en verdriet) die zij lijden doordat het slachtoffer
als gevolg van het strafbare feit ernstig en blijvend letsel heeft opgelopen. Een beperkte
kring van personen kan voor vergoeding van affectieschade in aanmerking komen.
Broers kunnen volgens de wet in beginsel geen aanspraak maken op affectieschade. Dat kan anders zijn als wordt onderbouwd dat sprake is van een speciale band en de impact van het blijvende letsel bij de naaste ook impact heeft op het leven van de benadeelde partij. Die onderbouwing ontbreekt. Nu de schadevergoedingsvordering op dit punt bovendien wordt betwist, zal de rechtbank de benadeelde partij wat betreft de affectieschade niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
Conclusie
De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij toewijzen tot een totaalbedrag van
€ 40.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 15 december 2024
tot aan de dag der algehele voldoening.
Daarbij zal de rechtbank bepalen dat indien een medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.
Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.
Vordering benadeelde partij [de benadeelde partij 7]
De rechtbank is van oordeel dat de vordering, die door de verdediging voldoende gemotiveerd wordt betwist, onvoldoende is onderbouwd.
Wat betreft de materiële schade zijn enkel foto’s als onderbouwing toegevoegd, waarmee de schade niet kan worden vastgesteld en ook geen gebruik kan worden gemaakt van de schattingsbevoegdheid. Hiervoor zijn meer feitelijke gegevens nodig.
Wat betreft de immateriële schade is niet voldaan aan de wettelijke criteria die gelden voor
het aannemen van geestelijk letsel Het verblijf in een noodwoning onder primitieve omstandigheden, zoals als onderbouwing is gegeven, is onvoldoende voor het aannemen van geestelijk letsel.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de benadeelde partij voor wat betreft de gehele vordering niet-ontvankelijk verklaren.
Vordering benadeelde partij [de benadeelde partij 5]
Deze vordering is, zowel voor het materiële (€ 613,19) als voor het immateriële deel
(€ 5.000,00), voldoende onderbouwd en wordt niet betwist. De vordering zal in zijn geheel worden toegewezen tot het gevorderde bedrag.
Daarbij zal de rechtbank bepalen dat indien een medeverdachte deze bedragen geheel of gedeeltelijk heeft betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.
Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.
Vorderingen benadeelde partijen [de benadeelde partij 4] en [de benadeelde partij 6]
Materiële schade
De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij [de benadeelde partij 4] wat betreft de materiële schade (kosten voor aanschaf van een fatbike) afwijzen, nu er geen rechtstreeks verband bestaat tussen het bewezenverklaarde feit en deze schade.
Immateriële schade
De rechtbank zal de beide vorderingen tot vergoeding van immateriële schade geheel toewijzen. De vorderingen zijn voldoende onderbouwd met stukken en met de enkele stelling dat de doorverwijzing naar een psycholoog slechts lijkt te zijn gevraagd in een poging de vordering van een (onterechte?) onderbouwing te kunnen voorzien, onvoldoende betwist door de verdediging.
Conclusie
De vorderingen van de benadeelde partijen [de benadeelde partij 4] en [de benadeelde partij 6] zullen wat betreft
de immateriële schade dan ook worden toegewezen tot het gevorderde bedrag van € 5.000,00 per persoon, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 15 december 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.
Daarbij zal de rechtbank bepalen dat indien een medeverdachte deze bedragen geheel of gedeeltelijk heeft betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.
Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen hebben gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moeten maken.
Schadevergoedingsmaatregel ten aanzien van alle vorderingen
De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder bewezen verklaarde handelen
[kort gezegd: het teweegbrengen van een explosie) aanleiding voor alle hiervoor genoemde vorderingen van de benadeelde partijen de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.
8. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
artikel 36f, 47,77a, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 157 van het Wetboek van Strafrecht.
artikel 26, 54 van de Wet wapens en munitie.
9. Beslissing
De rechtbank:
Verklaart bewezen dat verdachte de in parketnummer 15.063078.25 onder feit 2 en parketnummer 09.352327.25 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.5 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4 vermelde strafbare feiten opleveren.
Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 250 (twee honderd en vijftig) dagen.
Beveelt dat van deze jeugddetentie een gedeelte, groot 190 dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.
Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
* zich houdt aan de aanwijzingen van de gecertificeerde instelling te weten GGZ
Reclassering Fivoor te Den Haag en meewerkt aan de warme overdracht van de huidige jeugdreclassering;
* zal meewerken en actief zal meedoen aan het dagprogramma van de woongroep [verbijfplaats] of soortgelijke instantie en aan de dagbesteding, zal zich daar houden aan de huisregels en zal meewerken aan 1 -op-1 begeleiding, zolang de reclassering dit
noodzakelijk acht;
Onder de huisregels valt tevens het afsluiten van de voordeur tussen 23:00 uur en 07:00 uur in combinatie met het uitzetten van de Wifi van het appartement tussen 00:00 uur en 07:00 uur;
* zal zich houden aan een contactverbod met de medeverdachten [de medeverdachte 1] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] en [de medeverdachte 2] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] ,
en de slachtoffers [de benadeelde partij 1] (geboren op [geboortedatum] ), [de benadeelde partij 3] (geboren op [geboortedatum] ) en [de benadeelde partij 2] (geboren op [geboortedatum] );
* zal verblijven op het adres [adres] , zolang als de reclassering dit nodig acht
* zal zich houden aan het locatieverbod, in zie zin dat hij zich niet in Purmerend
mag bevinden, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht, maar voor de duur van maximaal zes maanden
* zal zich houden aan de avondklok van 19.00 uur tot 7.00 uur zolang als de
reclassering dit noodzakelijk acht, maar voor de duur van maximaal zes maanden;
* zich ter controle van het locatiegebod/verbod onder elektronische monitoring
zal stellen van de Reclassering Nederland in Den Haag, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht, maar voor de duur van maximaal zes maanden.
Geeft opdracht aan de gecertificeerde instelling GGZ Reclassering Fivoor, gevestigd te Den Haag, tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Stelt verder als voorwaarden dat de veroordeelde is gehouden om, ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking te verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aan te bieden en medewerking te verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht.
Dadelijke uitvoerbaarheid
Beveelt dat de op grond van artikel 77z Sr gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 77aa Sr uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.
Gedeeltelijke toewijzing vordering benadeelde partij [de benadeelde partij 1]
Wijst gedeeltelijk toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij
[de benadeelde partij 1] geleden schade tot een bedrag van € 135.730,35, bestaande uit € 5730,55 voor de materiële en € 130.000,00 voor de immateriële schade en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf
15 december 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk tot betaling aan de benadeelde partij van de toegewezen bedragen, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door ander(en) (gedeeltelijk) aan de benadeelde is betaald, de verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd.
Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de civiele rechter.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [de benadeelde partij 1] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 135.730,55, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 15 december 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 0 dagen jeugddetentie.
Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een medeverdachte aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Gedeeltelijke toewijzing vordering benadeelde partij [de benadeelde partij 2]
Wijst gedeeltelijk toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade tot een bedrag van € 58.829,31, bestaande uit € 18.829,21 voor de materiële en € 40.000,00 voor de immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 15 december 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk tot betaling aan de benadeelde partij van de toegewezen bedragen, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door ander(en) (gedeeltelijk) aan de benadeelde is betaald, de verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd.
Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de civiele rechter.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [de benadeelde partij 2] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 58.829,31, vermeerderd met
de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 15 december 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 0 dagen jeugddetentie, met dien verstande dat toepassing van de vervangende jeugddetentie de betalingsverplichting niet opheft.
Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een medeverdachte aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Gedeeltelijke toewijzing vordering benadeelde partij [de benadeelde partij 3]
Wijst gedeeltelijk toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij
[de benadeelde partij 3] geleden schade tot een bedrag van € 40.000,00, bestaande uit immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 15 december 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk tot betaling aan de benadeelde partij van de toegewezen bedragen, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door ander(en) (gedeeltelijk) aan de benadeelde is betaald, de verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd.
Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de civiele rechter.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [de benadeelde partij 3] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 40.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 15 december 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 0 dagen jeugddetentie.
Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een medeverdachte aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Vordering benadeelde partij [de benadeelde partij 7]
Verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de civiele rechter.
Gedeeltelijke toewijzing vordering benadeelde partij [de benadeelde partij 4]
Wijst gedeeltelijk toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij
[de benadeelde partij 4] geleden schade tot een bedrag van € 5.000,00, bestaande uit immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 15 december 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk tot betaling aan de benadeelde partij van de toegewezen bedragen, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door ander(en) (gedeeltelijk) aan de benadeelde is betaald, de verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd.
Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Wijst de vordering wat betreft de materiële schade af.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de civiele rechter.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [de benadeelde partij 4] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 5.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 15 december 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 0 dagen jeugddetentie.
Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een medeverdachte aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Gehele toewijzing vordering benadeelde partij [de benadeelde partij 5]
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade tot een bedrag van € 5.613,29, bestaande uit € 613,29 voor de materiële en € 5000,00 voor de immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 15 december 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk tot betaling aan de benadeelde partij van de toegewezen bedragen, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door ander(en) (gedeeltelijk) aan de benadeelde is betaald, de verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd.
Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de civiele rechter.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [de benadeelde partij 5] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 5.613,29, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 15 december 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 0 dagen jeugddetentie.
Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een medeverdachte aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Gedeeltelijke toewijzing vordering benadeelde partij [de benadeelde partij 6]
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade tot een bedrag van € 5.000,00, bestaande uit immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 15 december 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk tot betaling aan de benadeelde partij van de toegewezen bedragen, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door ander(en) (gedeeltelijk) aan de benadeelde is betaald, de verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd.
Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de civiele rechter.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [de benadeelde partij 6] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 5000,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 15 december 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 0 dagen jeugddetentie.
Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een medeverdachte aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Beslissing over voorlopige hechtenis
Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. A.K. Mireku, voorzitter, tevens kinderrechter,
mrs. E.C.M. van Mierlo en M.H. Simons, rechters, allen tevens kinderrechter,
in tegenwoordigheid van de griffier S. Rebel,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 4 juni 2026.
Mr. M.H Simons is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.