ECLI:NL:RBNHO:2026:6616

ECLI:NL:RBNHO:2026:6616

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 10-06-2026
Datum publicatie 04-06-2026
Zaaknummer C/15/377556
Rechtsgebied Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure Kort geding
Zittingsplaats Haarlem

Samenvatting

Vorderingen tot verbod van het doen van bepaalde uitlatingen uit hoofde van smaad en laster worden afgewezen. Gedaagde heeft de uitlatingen alleen gedaan in het kader van een klachtprocedure bij het medisch tuchtcollege, dan wel een interne klachtenprocedure bij de werkgever van eisers sub 2.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht

Zittingsplaats Haarlem

Zaaknummer: C/15/377556 / KG ZA 26-244

Vonnis in kort geding van 10 juni 2026

in de zaak van

1. [eiser 1],

2. [eiser 2],

beiden wonende te [plaats 1],

eisende partijen,

hierna samen te noemen: [eisers],

advocaat: mr. A.C. van der Bent,

tegen

[gedaagde] ,

te [plaats 2],

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde],

advocaat: mr. E.M. Rengelink.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties 1 tot en met 12

- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 12

- de aanvullende producties 13 tot en met 15 van [eisers]- de mondelinge behandeling van 27 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt- de pleitnota van [eisers]- de pleitnota van [gedaagde].

Voor de mondelinge behandeling op 27 mei 2026 zijn verschenen [eisers], bijgestaan door mr. Van der Bent voornoemd en [gedaagde], bijgestaan door mr. Rengelink voornoemd.

2. De feiten

[eiser 1] en [gedaagde] zijn ex-echtelieden. Het huwelijk is op 12 juli 2023 ontbonden door echtscheiding. [eiser 2] is de huidige echtgenote van [eiser 1].

Uit de relatie tussen [eiser 1] en [gedaagde] zijn drie, thans nog minderjarige, zonen geboren, [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3].

[gedaagde] beschuldigt [eiser 1] vanaf oktober 2024 van het vergiftigen van [minderjarige 2] door hem, zonder dat dit is voorgeschreven, pilletjes methylfenidaat toe te dienen. Zij heeft hiervan op 23 oktober 2024 ook aangifte gedaan bij de politie. Naar aanleiding van deze aangifte is een strafrechtelijk onderzoek opgestart waarbij [eiser 1] als verdachte wordt aangemerkt. De strafzaak is nog in behandeling.

Op 16 juni 2025 hebben de heer dr. [betrokkene 1] (kinderarts, sociale pediatrie) en mevrouw dr. [betrokkene 2] (kinderarts, gedrags- en ontwikkelingsproblematiek) een expertise rapport afgegeven. In de inleiding wordt vermeld dat op verzoek van [eiser 1] een onafhankelijk medisch contra-expertise is verricht inzake de beschuldiging dat [minderjarige 2] stelselmatig zou zijn geïntoxiceerd met methylfenidaat, waarover door [gedaagde] melding is gedaan bij de politie.

De Raad voor de Kinderbescherming heeft op verzoek van het gerechtshof Amsterdam van 23 juli 2025 een beschermingsonderzoek uitgevoerd. Zij heeft op 30 oktober 2025 het onderzoek afgesloten en de rechter geadviseerd de omgang tussen [eiser 1] en de kinderen voort te zetten.

Bij brief van 4 januari 2026 heeft [gedaagde] een tuchtklacht ingediend tegen de beide artsen die voornoemd expertiserapport hebben opgesteld. Deze artsen zijn directe collega’s van [eiser 2], die zelf ook kinderarts is en gespecialiseerd is in ontwikkelingsproblemen. Naar aanleiding van de klacht heeft een medewerker van het tuchtcollege telefonisch contact opgenomen met [gedaagde] om te vragen of de klacht goed was begrepen. Naar aanleiding van dat gesprek is de klacht ook aangemerkt als een klacht tegen [eiser 2] en is ook tegen haar een tuchtprocedure opgestart.

Op 8 januari 2026 heeft de rechtbank de bestaande zorgregeling herbevestigd.

Bij brief van 15 april 2026 heeft de advocaat van [eisers] [gedaagde] gesommeerd zich te onthouden van de uitlatingen die zij heeft gedaan in de tuchtklacht. [gedaagde] heeft via haar advocaat bij brief van 24 april 2026 laten weten niet aan de sommatie te zullen voldoen.

3. Het geschil

[eisers] vorderen dat de voorzieningenrechter:

I [gedaagde] verbiedt om op enigerlei wijze in woord of geschrift, direct of indirect, de hierna genoemde beschuldigingen te (doen) uiten over [eiser 1]:

a. dat hij zijn zoon [minderjarige 2] heeft gedrogeerd;

b. dat hij zijn zoon [minderjarige 2] heeft mishandeld;

c. dat hij zijn zoon [minderjarige 2] methylfenidaat heeft toegediend

d. dat zijn zoon [minderjarige 2] klachten heeft ondervonden als gevolg van handelen van zijn

vader;

e. dat zijn zoon [minderjarige 2] afwijkend gedrag heeft vertoond als gevolg van handelen van

zijn vader;

II [gedaagde] verbiedt om op enigerlei wijze in woord of geschrift, direct of indirect, [eiser 2] te beschuldigen van betrokkenheid bij of het zich zelf schuldig maken aan handelen zoals hiervoor onder I opgesomd;

III [gedaagde] beveelt om het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg binnen zeven dagen na het wijzen van vonnis schriftelijk te berichten dat:

a. de suggestie in haar brief van 4 januari 2026 dat [eiser 1] zijn zoon [minderjarige 2] methylfenidaat heeft toegediend, onjuist is;

b. de suggestie in haar brief van 4 januari 2026 dat medici de oorzaak voor het gedrag en/of de klachten van [minderjarige 2] zoeken bij [eiser 1], onjuist is;

c. de suggestie dat [eiser 2] betrokken is (geweest) bij strafbare gedragingen van [eiser 1], meer specifiek: de toediening van methylfenidaat aan zijn zoon [minderjarige 2], onjuist is;

met gelijktijdige kopie aan beklaagden in de betreffende tuchtprocedure en [eisers],

alles op straffe van verbeurte van een dwangsom en met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van het geding, waaronder de nakosten, evenals in de wettelijke rente over de kosten, voor zover deze niet door [gedaagde] zijn betaald binnen veertien dagen na de datum waarop het vonnis in deze zaak zal zijn gewezen.

[eisers] leggen aan hun vorderingen ten grondslag dat [gedaagde] onrechtmatig handelt tegenover hen en met haar uitlatingen inbreuk maakt op hun eer en goede naam.

[gedaagde] voert verweer. Zij voert aan dat zij haar uitlatingen baseert op haar eigen waarnemingen, op de waarneming van de meester van [minderjarige 2], op de verklaringen van [minderjarige 2] en zijn broers en op het rapport van het NFI. Zij verklaart dat het doel van haar klacht niet is om [eiser 2] en haar collega’s publiekelijk in diskrediet te brengen, maar om toetsing te krijgen van het bevoegde orgaan over de vraag of de twee collega artsen van [eiser 2], die haar of [minderjarige 2] nooit hadden gezien of gesproken dit rapport zo hadden mogen opstellen. Verder voert zij aan dat het feit dat [eisers] in de klacht worden genoemd noodzakelijk was voor het schetsen van de omstandigheden waaronder het betreffende rapport tot stand gekomen is omdat de tuchtrechter het gedrag van de kinderartsen niet adequaat kan beoordelen zonder kennis te nemen van hetgeen waarvan [eiser 1] wordt verdacht en de stellingen dat [eiser 2] als stiefmoeder daarin niet objectief en onafhankelijk als deskundige kan optreden.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover hier van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

Spoedeisend belang

Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat [eisers] daarbij een spoedeisend belang hebben. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen. De aard van de vordering, het staken van de aantasting van de eer en goede naam van [eisers], levert een voldoende spoedeisend belang op bij hun vordering.

Is er sprake van smaad en/of laster en/of onrechtmatig handelen?

[eisers] hebben hun vorderingen gebaseerd op smaad en/of laster, dan wel onrechtmatig handelen.

Voor smaad dan wel laster is het noodzakelijk dat [gedaagde] haar beschuldigingen ten aanzien van [eisers] publiekelijk heeft geuit en met geen ander doel dan het schaden van de eer en goede naam van [eisers]. Die situatie doet zich hier niet voor. Niet is gesteld of gebleken dat [gedaagde] haar beschuldigingen anders heeft geuit dan in het kader van de tuchtklacht en van de interne klachtenprocedure van het ziekenhuis. Dit betekent dat in ieder geval niet geoordeeld kan worden dat [gedaagde] de beschuldigingen publiekelijk heeft geuit.

Ook kan niet worden geoordeeld dat [gedaagde] de beschuldigingen, waarvan [eisers] een verbod vorderen, met geen ander doel heeft geuit dan om de eer en goede naam van [eisers] aan te tasten. De beschuldigingen vinden steun in het aanwezige feitenmateriaal. Tussen partijen is immers niet in geschil dat [eiser 1] thans als verdachte strafrechtelijk wordt vervolgd voor het mishandelen van [minderjarige 2], door het toedienen van niet voorgeschreven medicijnen. In verband met die procedure is ook het rapport opgesteld door de beide artsen tegen wie [gedaagde] een klacht heeft ingediend. Bovendien blijkt uit de verklaringen van de broers van [minderjarige 2] dat ook [eiser 2] de kinderen wel eens een pilletje gaf en blijkt uit het rapport van het NFI dat in het haar van [minderjarige 2] (sporen van) methylfenidaat is aangetroffen. In het licht van deze bevindingen is het niet onbegrijpelijk dat [eiser 1] in de klachtbrief wordt genoemd hoewel de klacht zich niet tegen hem richt. Voor het overige zijn de door [gedaagde] in de klachtprocedure aangevoerde feiten gebaseerd op haar interpretatie van wat zij heeft waargenomen. Het staat haar vrij om haar klachten op deze wijze te presenteren in haar klachtbrief aan het medisch tuchtcollege, ook als de weergave of interpretatie van de feiten door [gedaagde] mogelijk gekleurd en/of onjuist is. De tuchtprocedure is een zelfstandige procedure die met voldoende waarborgen is omkleed, waarin het voor [eisers] mogelijk is verweer te voeren tegen de aangevoerde feiten. Het is dan ook aan het medisch tuchtcollege om de voor de tuchtprocedure relevante feiten vast te stellen en te beoordelen en niet aan de voorzieningenrechter in een civielrechtelijk kort geding. Dat zou anders kunnen zijn als de gepresenteerde feiten geen enkele samenhang vertonen met de ingediende klacht en/of klaarblijkelijk alleen zijn opgenomen om mensen te schaden, maar daarvan is hier geen sprake.

De omstandigheid dat [gedaagde] ook een klachtbrief aan de werkgever van [eiser 2] heeft gestuurd maakt dit niet anders. Die brief is gestuurd in het kader van de interne klachtprocedure van het ziekenhuis, omdat het medisch tuchtcollege op haar website adviseert eerst de interne klachtprocedure van een organisatie te volgen voordat een klacht wordt ingediend bij het tuchtcollege. Daar heeft [gedaagde] aan voldaan. De omstandigheid dat zo’n klacht, zoals [eiser 2] heeft aangevoerd, wordt besproken in het overleg van het bestuur waardoor ook anderen met die klacht bekend worden of kunnen worden, is niet een omstandigheid die [gedaagde] kan worden aangerekend, maar volgt uit de interne werkwijze van het ziekenhuis. Ook de omstandigheid dat [gedaagde] zelf arts is en dus weet wat de impact van een klacht kan zijn maakt het niet anders. Het enkele feit dat [gedaagde] zelf arts is betekent niet dat zij als moeder van haar kinderen geen klacht zou mogen indienen over in haar ogen klachtwaardig handelen.

Door [eisers] is nog bezwaar gemaakt tegen het gebruik van de term ‘gecompromitteerd’ met betrekking tot [eiser 2]. Zij hebben gesteld dat het gebruik van deze term een negatieve associatie oproept en dat dit de reputatie van [eiser 2] als kinderarts schaadt. Ook dit betoog slaagt niet. De term is alleen gebruikt in de klachtbrief. In die context moet het de lezers van de brief duidelijk zijn dat dit de mening van [gedaagde] is, naar aanleiding van wat haar kinderen hebben verklaard. Zoals hiervoor ook is overwogen, is het [gedaagde] toegestaan haar interpretatie van de feiten in de klachtbrief weer te geven, of die interpretatie nu juist is of niet. Die beoordeling is aan het medisch tuchtcollege en zonodig - in de interne klachtprocedure van het ziekenhuis - aan de werkgever van [eiser 2].

Conclusie

Dit betekent dat niet voldoende aannemelijk geworden is dat sprake is van smaad of laster. Ook overigens is in deze kortgedingprocedure niet gebleken van enig onrechtmatig handelen van [gedaagde].

Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat de vorderingen van [eisers] worden afgewezen. [eisers] krijgen ongelijk en worden daarom veroordeeld in de kosten van dit geding, tot op heden aan de zijde van [gedaagde] begroot op:

griffierecht € 314,00

salaris advocaat € 1.177,00

nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

totaal € 1.680,00

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten is ook toewijsbaar.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

wijst de vorderingen af,

veroordeelt [eisers] in de proceskosten van € 1.680,00, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening voor het geval het vonnis wordt betekend, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over deze kosten met ingang van de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.S.J. Thijs en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026.

1155

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand