HAA 26/2092
2. De boete
3. Bij besluit van 16 maart 2026 heeft verweerder aan verzoekster een boete opgelegd van € 11.400,-- en daaraan het volgende ten grondslag gelegd. Uit onderzoek door een arbeidsinspecteur van de Nederlandse Arbeidsinspectie is gebleken dat [B.V.] een Indiase vreemdeling arbeid heeft laten verrichten op 2 februari 2023 bestaande uit het werken als chauffeur, zonder tewerkstelling of zonder dat de vreemdeling in het bezit was van een gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid voor werkzaamheden bij die werkgever. Er is sprake van overtreding van artikel 2, eerste lid, Wav. Van het onderzoek heeft de arbeidsinspectie op 28 januari 2025 een boeterapport opgemaakt.
4. Verzoekster wenst te bewerkstelligen dat het besluit waarbij de boete is opgelegd wordt geschorst. Zij meent dat er een spoedeisend belang is bij het treffen van een voorziening. Ook meent zij dat er sprake is van onrechtmatige besluitvorming.
5. De voorzieningenrechter ziet zich, zoals ter zitting aan de orde is gesteld, allereerst gesteld voor de vraag of sprake is van een spoedeisend belang als bedoeld in artikel 8:81, eerste lid, van de Awb. Bij een financieel geschil, wordt in beginsel niet snel aangenomen dat er een spoedeisend belang aanwezig is. In beginsel kan namelijk na afloop alsnog worden (terug)betaald, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement, of acute financiële nood is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat hij alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft. Indien verzoekster van mening is dat er wel degelijk een spoedeisend belang bestaat om de boete hangende bezwaar niet te voldoen, zal in ieder geval gemotiveerd gesteld moeten worden dat betaling van de boete tot ernstige problemen zal leiden en zal een dergelijke stelling ook met stukken onderbouwd moeten worden. Door verzoekster is niet aannemelijk gemaakt, laat staan aangetoond dat zij door betaling van de boete in grote financiële problemen zal komen. Daarmee is niet voldaan aan het vereiste van spoedeisend belang.
6. Als geen spoedeisend belang aanwezig is, kan de gevraagde voorziening toch worden getroffen als het boetebesluit evident onrechtmatig is. Van zodanig evidente onrechtmatigheden op grond waarvan thans reeds – anticiperend op de door verweerder nog te nemen beslissing op bezwaar – tot schorsing van de oplegging van de boete zou moeten worden overgegaan is geen sprake. Verzoekster betwist niet dat zij in overtreding is geweest, maar zij kan zich niet verenigen met de hoogte van de boete. Verzoekster meent dat door verweerder ten onrechte grove schuld wordt aangenomen, en ten onrechte is uitgegaan van recidive. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder zich echter terecht op het standpunt gesteld dat op deze punten nader onderzoek vereist is. Van een evidente onrechtmatigheid is daarom geen sprake. Daarbij komt dat, zelfs als verweerder verzoekster in de bezwaarprocedure in haar standpunt zou volgen, een en ander bij de beslissing op bezwaar kan worden hersteld. Er is daarom op dit moment geen aanleiding om in zoverre een voorlopige voorziening te treffen.
7. De openbaarmaking van de boete
8. De vraag of het boetebesluit openbaar mag worden gemaakt hangt samen met de beoordeling of verweerder terecht een boete heeft mogen opleggen. Ten aanzien daarvan is – zoals hiervoor onder rechtsoverwegingen 5 en 6 is overwogen – voorshands niet gebleken van een evidente onrechtmatigheid. Daar kan het spoedeisend belang dan ook niet aan worden ontleend.
9. Door verzoekster is ten aanzien van de openbaarmaking aangevoerd dat haar reputatie ernstige schade zal lijden indien daartoe wordt overgegaan voordat de boete onherroepelijk is geworden. Bovendien is ten onrechte een boete opgelegd en is deze eveneens ten onrechte verhoogd op basis van beweerdelijke recidive. De boete moet gematigd worden en er is sprake van een lagere mate van verwijtbaarheid dan nu wordt aangenomen. Daarmee is naar het oordeel van de voorzieningenrechter ten aanzien van dit onderdeel het spoedeisend belang voldoende onderbouwd.
10. De voorzieningenrechter ziet echter geen aanleiding om een voorlopige voorziening op dit onderdeel te treffen. Daartoe wordt het volgende overwogen. Tegenover het belang van verzoekster bij het voorkomen van een openbaarmaking in dit stadium van de procedure staat het belang van verweerder. Het boetebesluit is genomen in het kader van de wettelijke taak van verweerder om toezicht te houden op de naleving van verschillende wetten en de daarmee samenhangende bevoegdheid om handhavend op te treden tegen overtreding daarvan. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat het publiceren van boetebesluiten in het licht van het beginsel van transparantie passend is in het kader van deze toezichthoudende taak en bovendien een wettelijke verplichting is, terwijl van openbaarmaking ook een preventieve werking uitgaat. De inspectiegegevens van álle werkgevers worden openbaar gemaakt en dus niet alleen van die werkgevers waarbij een overtreding is geconstateerd en waaraan een boete is opgelegd. Bij de openbaarmaking wordt, aldus verweerder, niet vermeld hoeveel overtredingen zijn geconstateerd, noch hoe hoog de boete is, noch of de boete is verlaagd. Tenslotte wordt ook vermeld of er rechtsmiddelen zijn aangewend tegen de boeteoplegging, en in welk stadium de procedure zich bevindt. Voor derden is het daarom duidelijk of en in hoeverre de boetebesluiten al rechterlijk zijn beoordeeld, en onherroepelijk zijn.
11. Het geheel overziend is de voorzieningenrechter van oordeel dat het omschreven belang van verweerder om de openbaarmaking van de inspectiegegevens niet (langer) op te schorten zwaarder weegt dan het belang van verzoekster om openbaarmaking op dit moment te voorkomen. Verzoekster betwist immers niet dat zij de Wav heeft overtreden, terwijl een eventuele wijziging van de hoogte van de boete in de lopende bezwaarprocedure geen gevolgen heeft voor de te publiceren gegevens.
HAA 26/2093
12. De waarschuwing preventieve stillegging van werk
12. Op 1 maart 2023 is een overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wav geconstateerd. Dit is volgens verweerder de tweede keer dat een soortgelijke overtreding wordt gepleegd, op 21 september 2023 is ook een boete opgelegd. Als sprake is van een herhaling van een soortgelijke overtreding dan geeft verweerder een waarschuwing.
14. Door verzoekster is toegelicht dat met de voorlopige voorziening wordt beoogd te voorkomen dat er een groter en sneller risico ontstaat op stillegging. Er is geen sprake van recidive, de waarschuwing is ten onrechte opgelegd. Door verweerder is ten onrechte geen rekening gehouden met de eventuele maatschappelijke en economische gevolgen en derden.
15. De voorzieningenrechter overweegt dat het hier gaat om een waarschuwing en (nog) niet om een daadwerkelijk bevel tot stillegging. Gesteld noch gebleken is dat er op dit moment dan wel op korte termijn een concreet zicht op een daadwerkelijke stillegging van de werkzaamheden zou bestaan. De voorzieningenrechter ziet dan ook geen reden om hier een spoedeisend belang aan te nemen.
16. Van een evidente onrechtmatigheid is ook op dit onderdeel niet gebleken. Daarvan is sprake als zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten dan wel het recht, zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door verweerder ingenomen standpunt juist is en of het besluit in stand zal blijven. Dat is in dit geval niet aan de orde. Voor een zorgvuldige beoordeling van de juistheid van de stelling van verzoekster dat verweerder ten onrechte recidive heeft aangenomen, is naar verweerder terecht heeft opgemerkt, nader onderzoek nodig. Niet valt in te zien dat verzoekster de besluitvorming van verweerder in het kader van de bezwaarprocedure niet zou kunnen afwachten.
17. De voorzieningenrechter wijst de verzoeken daarom af. Dat betekent dat de besluiten niet worden opgeschort. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.H.A.C. Everaerts, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.M. Wammes, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.