ECLI:NL:RBNHO:2026:6680

ECLI:NL:RBNHO:2026:6680

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 04-06-2026
Datum publicatie 05-06-2026
Zaaknummer 15/129037-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Alkmaar

Samenvatting

Veroordeling wegens verkrachting in de leeftijdscategorie van twaalf tot zestien jaren. De verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden waarvan 9 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Gedeeltelijke toewijzing vordering benadeelde partij wegens materiële en immateriële schade.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Alkmaar

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/129037-25 (P)

Uitspraakdatum: 4 juni 2026

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 21 mei 2026 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum 1] te [geboorteplaats],

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres Ekster 98, 1628 AG te Hoorn.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. W.M. van der Most en van wat de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. C. de Vries, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 16 augustus 2023 en/of 17 augustus 2023 in de gemeente Hoorn, in elk geval in Nederland met [benadeelde], geboren op [geboortedatum 2], die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [benadeelde],te weten het (telkens)- duwen en/of brengen van zijn, verdachtes vinger(s) in de vagina van die [benadeelde], en/of- duwen en /of brengen van zijn, verdachtes penis in de vagina van die [benadeelde], en/of- duwen en/of brengen van zijn, verdachte penis in de anus van die [benadeelde].

2. Voorvragen

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd kennis te nemen van de zaak, de officier van justitie is ontvankelijk en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

3. Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit, met uitzondering van wat onder het derde gedachtestreepje ten laste is gelegd.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit. Zij heeft daartoe aangevoerd dat er onvoldoende bewijs is voor de gedragingen die onder het eerste en het derde gedachtestreepje ten laste zijn gelegd. De verdachte heeft de seksuele handeling van het tweede gedachtestreepje bekend, maar deze seksuele handeling had geen ontuchtig karakter.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank komt tot een bewezenverklaring op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn opgenomen. De rechtbank zal hierna uiteenzetten hoe zij tot deze beslissing is gekomen.

De rechtbank stelt vast dat de verklaringen van de verdachte en [benadeelde] (hierna: [benadeelde]) uiteenlopen wat betreft het exacte verloop van de avond en de nacht van 16 op 17 augustus 2023. De verdachte heeft evenwel erkend dat hij die nacht seks met [benadeelde] heeft gehad in zijn huis in Hoorn, waarbij hij zijn penis in haar vagina heeft gebracht. De verdachte heeft ontkend dat hij die nacht zijn vinger(s) in de vagina van [benadeelde] heeft geduwd of gebracht of zijn penis in haar anus heeft geduwd of gebracht.

[benadeelde] heeft tweemaal een verklaring afgelegd bij de politie, namelijk de eerste keer bij het zogenoemde informatief gesprek zeden en later, toen zij door de politie als getuige werd gehoord. De rechtbank overweegt dat deze verklaringen van [benadeelde] over de gebeurtenissen van 16 en 17 augustus 2023 consistent en gedetailleerd zijn. De verdachte heeft de verklaring van [benadeelde] ook op belangrijke onderdelen bevestigd. Voorts komt de inhoud van haar verklaringen overeen met hetgeen zij, blijkens de aangifte die haar moeder namens haar heeft gedaan, kort na die nacht aan haar moeder heeft verteld. De rechtbank acht de verklaringen van [benadeelde] dan ook betrouwbaar en zal deze als uitgangspunt voor de bewijsvoering nemen.

Het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, mag op grond van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) niet uitsluitend gebaseerd worden op de betrouwbaar geachte verklaring van één getuige (in dit geval de verklaring van [benadeelde]). De rechtbank kan daarom alleen tot een bewezenverklaring komen indien de door [benadeelde] genoemde feiten en omstandigheden voldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. Dit betekent echter niet dat voor ieder onderdeel van de tenlastelegging meer bewijs moet zijn dan de verklaring van [benadeelde]. Genoemd wetsartikel heeft namelijk betrekking op de tenlastelegging als geheel en niet op elk afzonderlijk onderdeel daarvan. Onderdelen van het ten laste gelegde feit kunnen daarom wel worden bewezen op grond van de enkele verklaring van [benadeelde], als die verklaring in zijn geheel op specifieke punten wordt bevestigd door ander bewijsmateriaal. Dit steunbewijs moet afkomstig zijn uit een andere bron dan [benadeelde] en moet op een voor de beschuldiging relevante wijze in verband staan met de verklaring van [benadeelde].

Vrijspraak 3e gedachtestreepje

De rechtbank overweegt dat [benadeelde] niet heeft verklaard dat de verdachte zijn penis in haar anus heeft geduwd of gebracht, zoals aan hem onder het derde gedachtestreepje ten laste is gelegd. De verdachte ontkent dat dit heeft plaatsgevonden. De rechtbank is, met de officier van justitie en de raadsvrouw, van oordeel dat de DNA-sporen (aangetroffen in en rond de anus van [benadeelde]; ZAAE4577NL#06 en ZAAE4577NL#07) niet voldoende zijn om wettig en overtuigend bewezen te achten dat de verdachte deze handeling heeft uitgevoerd. De rechtbank zal de verdachte dan ook vrijspreken van het aan hem onder het derde gedachtestreepje ten laste gelegde.

Veroordeling 1e en 2e gedachtestreepje

Hetgeen onder het eerste en tweede gedachtestreepje aan de verdachte ten laste is gelegd, te weten het door de verdachte brengen van zijn vingers, respectievelijk zijn penis in de vagina van [benadeelde], acht de rechtbank wel bewezen. De verdachte heeft bevestigd dat hij zijn penis in de vagina van [benadeelde] heeft gebracht. Nu de verklaringen van [benadeelde] aldus in zijn geheel en op specifieke punten voldoende worden bevestigd door ander bewijsmateriaal, acht de rechtbank op grond van de verklaringen van [benadeelde] ook bewezen dat de verdachte zijn vingers in de vagina van [benadeelde] heeft gebracht.

Ontuchtig karakter

De raadsvrouw heeft het standpunt ingenomen dat aan de door de verdachte verrichte seksuele handeling het ontuchtige karakter ontbreekt. Er zou sprake zijn van vrijwillig seksueel contact tussen personen die in geringe mate in leeftijd verschillen. De cognitieve ontwikkeling van de verdachte maakt voorts dat hij functioneert op een wijze die jonger is dan op basis van zijn kalenderleeftijd verwacht mag worden.

De verdachte wordt verweten dat hij ontuchtige handelingen heeft gepleegd bij [benadeelde]. De rechtbank stelt voorop dat het begrip ‘ontuchtige handelingen’ een andere, meer geladen betekenis heeft dat het begrip ‘seksuele handelingen’, Het gaat om handelingen van seksuele aard die in strijd zijn met de sociaal-ethische norm. De rechtbank verwijst in dit kader naar het arrest van de Hoge Raad van 30 maart 2010 (ECLI:NL:HR:2010:BK4794). Artikel 245 van het Wetboek van Strafrecht (Sr), zoals dat ten tijde van de aan de verdachte verweten gedragingen gold, strekt tot bescherming van de seksuele integriteit van personen die gelet op hun jeugdige leeftijd in het algemeen geacht moeten worden niet of onvoldoende in staat te zijn zelf die integriteit te bewaken en de draagwijdte van hun gedrag in dit opzicht te overzien. Dit artikel beschermt deze jeugdige personen ook tegen verleiding die mede van henzelf kan uitgaan.

Het is vaste jurisprudentie dat onder omstandigheden aan seksuele handelingen met een minderjarige tussen de twaalf en zestien jaren het ontuchtige karakter kan ontbreken. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn indien die handelingen vrijwillig plaatsvinden tussen personen die slechts in geringe mate in leeftijd verschillen en eventueel een affectieve relatie hebben.

Niet ter discussie staat dat [benadeelde] en de verdachte geen affectieve relatie hadden. Ze zijn elkaar tegengekomen op de kermis en hadden elkaar daarvoor slechts één keer eerder gezien. Onder invloed van alcohol is [benadeelde] aan het einde van de avond met de verdachte mee naar zijn huis gegaan.

Uitgaande van de door [benadeelde] weergegeven gang van zaken is er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van handelingen die vrijwillig hebben plaatsgevonden. De verdachte heeft [benadeelde] gevingerd, terwijl zij nog sliep. Hij heeft haar vervolgens naar zich toe getrokken, zijn penis is haar vagina geduwd en seks met haar gehad. [benadeelde] is pas gaandeweg die handelingen wakker geworden.

[benadeelde] was op dat moment vijftien jaar oud en de verdachte was drieëntwintig jaar oud. Dat is, mede gelet op het verschil in ontwikkelingsfasen, een aanzienlijk leeftijdsverschil, wat ook door de raadsvrouw ter zitting is erkend. De stelling dat de verdachte zou functioneren op een leeftijd die lager zou dan zijn kalenderleeftijd is niet nader onderbouwd of gebleken.

Het verweer dat het ontuchtige karakter aan de handelingen van de verdachte ontbreekt wordt dan ook verworpen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat

hij op 17 augustus 2023 in de gemeente Hoorn met [benadeelde], geboren op [geboortedatum 2], die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [benadeelde], te weten het - brengen van zijn, verdachtes, vingers in de vagina van die [benadeelde], en- brengen van zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [benadeelde].

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is daarom strafbaar.

5. Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is daarom strafbaar.

6. Motivering van de sanctie

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan acht maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en een contactverbod als bijzondere voorwaarde.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht om bij de strafoplegging rekening te houden met de omstandigheden waaronder het feit is begaan, de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de overschrijding van de redelijke termijn. Zij heeft verzocht geen gevangenisstraf op te leggen.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Ernst van het feit

De verdachte heeft op 23-jarige leeftijd seksuele handelingen gepleegd met een minderjarig meisje dat destijds 15 jaar oud was. Hij heeft haar, terwijl zij onder invloed van alcohol was, meegenomen naar zijn huis waar zij de daaropvolgende ochtend seks hebben gehad. Daarbij heeft hij zijn vingers en zijn penis, zonder condoom, in haar vagina gebracht. De verdachte is met die handelingen begonnen terwijl [benadeelde] nog sliep.

De wet beschermt (de belangen van) jeugdigen tussen de twaalf en zestien jaren tegen het ondergaan van seksuele handelingen. De verdachte heeft met zijn handelen ernstig inbreuk gemaakt op de lichamelijke en seksuele integriteit van het slachtoffer. Minderjarigen bevinden zich in een kwetsbare ontwikkelingsfase en worden, gezien hun jeugdige leeftijd, geacht niet of in onvoldoende mate in staat te zijn hun seksuele integriteit te bewaken. Daarom moeten zij beschermd worden tegen seksueel misbruik. Daarbij komt dat de verhouding tussen de verdachte en het slachtoffer ongelijkwaardig was, gelet op het (relatief) grote leeftijdsverschil van acht jaar en het verschil in levensfase. De verdachte heeft op geen enkel moment rekening gehouden met de gevolgen van zijn handelen voor het slachtoffer. Het is algemeen bekend dat jonge slachtoffers vaak ernstige psychische gevolgen ondervinden van seksueel misbruik. Dat is ook in deze zaak het geval, zo blijkt uit hetgeen het slachtoffer in het kader van haar spreekrecht op de zitting naar voren heeft gebracht en uit de toelichting op het verzoek om schadevergoeding. Zij ondervindt nu, ruim tweeënhalf jaar later, nog steeds de psychische gevolgen van het handelen van de verdachte en zal hier ook nog een behandeling voor ondergaan.

Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft bij het bepalen van de hoogte van de straf ook gekeken naar de persoon van de verdachte. Uit het strafblad van de verdachte blijkt dat hij niet eerder voor een soortgelijk strafbaar feit is veroordeeld. Uit het reclasseringsadvies van 11 september 2025 blijkt dat de verdachte een belast verleden heeft en dat bij hem de diagnose verstandelijke beperking, ADHD (NAO) en een stoornis in impulsbeheersing (NAO) is gesteld. Aangezien de reclassering het recidiverisico ten aanzien van seksuele delicten inschat als matig tot hoog heeft de reclassering overwogen om een ambulante behandeling in te zetten, maar gelet op de geringe responsiviteit van de verdachte ziet de reclassering geen mogelijkheden om met interventies of toezicht risico's te beperken of zijn gedrag te veranderen. De reclassering adviseert daarom bij een veroordeling een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen.

Geen overschrijding redelijke termijn

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank bij het bepalen van de hoogte van de straf ook rekening moet houden met de overschrijding van de redelijke termijn. Naar het oordeel van de rechtbank is evenwel geen sprake van een overschrijding. Het uitgangspunt is dat een strafzaak bij de rechtbank, in het geval de verdachte zich niet (meer) in voorlopige hechtenis bevindt, moet zijn afgerond met een vonnis binnen de twee jaren nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De rechtbank heeft geconstateerd dat de verdachte op 10 februari 2025 is aangehouden en verhoord. In deze zaak is dat de eerste handeling waaraan de verdachte in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat hij zou worden vervolgd en dat is dan ook het moment dat de termijn in deze zaak is aangevangen. Nu de rechtbank dit vonnis op 4 juni 2026 wijst, is de termijn van twee jaar sindsdien nog niet verstreken. Het tijdsverloop heeft dus geen invloed op de straf.

De op te leggen straf

Gelet op de aard en ernst van het gepleegde feit en de gevolgen daarvan voor het slachtoffer acht de rechtbank enkel een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden moet worden opgelegd, waarvan negen maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, zodat de verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit. Nu er sinds het bewezen verklaarde feit geen contact meer is geweest tussen de verdachte en het slachtoffer en de verdachte ter zitting expliciet heeft meegedeeld geen contact te zullen zoeken met het slachtoffer ziet de rechtbank geen aanleiding om een contactverbod als bijzondere voorwaarde aan het voorwaardelijk strafdeel te verbinden.

7. Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [benadeelde] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 5.164,08 ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die zij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gevorderde materiële schade bestaat uit reiskosten van in totaal € 164,08. De gestelde immateriële schade bedraagt € 5.000,- en wordt gevorderd wegens de psychische gevolgen die de benadeelde partij door het handelen van de verdachte zou hebben opgelopen.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering geheel toe te wijzen.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft primair verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering vanwege de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsvrouw zich met betrekking tot het materiële deel van de vordering gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Met betrekking tot het immateriële deel heeft de raadsvrouw verzocht de vordering af te wijzen, dan wel de hoogte van de schadevergoeding te matigen omdat het causale verband tussen de het feit en de gestelde schade ontbreekt aangezien de benadeelde partij al psychische klachten had en al psychische hulp ontving voorafgaand aan het ten laste gelegde feit.

Oordeel van de rechtbank

De gevorderde materiële schade bestaat uit reiskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt om naar haar advocaat, het Centrum Seksueel Geweld, het politiebureau voor het afleggen van een getuigenverklaring en het slachtoffergesprek met de officier van justitie te gaan. Ook worden de reiskosten gevorderd die de moeder van de benadeelde partij heeft gemaakt om naar het politiebureau te gaan om aangifte te doen.

Uit artikel 51f Sv volgt dat degene die rechtstreekse schade heeft geleden door een strafbaar feit zich als benadeelde partij in het strafproces kan voegen. Van rechtstreekse schade is sprake indien een persoon is getroffen in het belang dat door de overtreden strafbepaling wordt beschermd.

Materiële schade

Naar het oordeel van de rechtbank zijn de reiskosten die door de benadeelde partij zijn gemaakt om naar het politiebureau en het Centrum Seksueel Geweld te gaan, respectievelijk € 20,72 en € 41,12, dergelijke rechtstreekse schade. Dit zijn namelijk redelijke kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt ter vaststelling van de schade en aansprakelijkheid. Dit gedeelte van de vordering zal dan ook worden toegewezen.

De reiskosten die zijn gemaakt om naar de advocaat en het slachtoffergesprek te gaan zijn niet aan te merken als schade die rechtstreeks is geleden door het strafbare feit, maar als proceskosten. Deze kosten komen slechts voor vergoeding in aanmerking voor zover in persoon – dat wil zeggen: zonder gemachtigde (advocaat) – wordt geprocedeerd (artikel 238 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). In dit geval sprake is van bijstand door een advocaat. Om die reden zal de vordering, voor zover deze ziet op de reiskosten naar de advocaat en het slachtoffergesprek, worden afgewezen.

De benadeelde was op het moment van de aangifte nog minderjarig, waardoor de aangifte door haar moeder werd gedaan. De door de moeder van de benadeelde partij gemaakte reiskosten zijn niet door de benadeelde zelf gemaakt. Dat maakt dat sprake is van zogenoemde verplaatste schade in de zin van artikel 6:107 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Dergelijke schade komt alleen voor vergoeding in aanmerking in de situatie die wordt omschreven in artikel 51f lid 2 Sv. Nu deze situatie zich hier niet voordoet, had de moeder van de benadeelde zelfstandig een vordering moeten indienen om deze gemaakte kosten vergoed te krijgen. Dat is niet gebeurd. Om die reden zal de vordering, voor zover deze de door moeder gemaakte reiskosten betreft, worden afgewezen.

Conclusie materiële schade

De vordering zal wat betreft de materiële schade dus worden toegewezen tot een bedrag van € 61,84, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De rechtbank bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op de dag dat de kosten zijn gemaakt. Voor de reiskosten naar het politiebureau van € 20,72 is dat 14 december 2023. Voor de reiskosten naar het Centrum Seksueel Geweld van € 41,12 is dat 19 augustus 2023. De rechtbank zal de vordering wat betreft de overige materiële schade afwijzen.

Immateriële schade

Vergoeding van immateriële schade is op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b BW mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De vordering van de benadeelde partij is op deze laatste grondslag gebaseerd.

Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. In beginsel moet degene die zich hierop beroept de aantasting in de persoon met concrete gegevens onderbouwen. In bepaalde gevallen kunnen de aard en de ernst van de normschending echter meebrengen dat relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon zonder meer kan worden aangenomen. Naar het oordeel van de rechtbank is dat, gelet op de aard en ernst van de normschending, in dit geval aan de orde. Uit de behandeling op de zitting en de onderbouwing van de vordering is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van verdachtes handelen rechtstreeks immateriële schade heeft geleden.

Bij het bepalen van de hoogte van deze schade neemt de rechtbank de Rotterdamse Schaal (een ordening van smartengeldenbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen) als uitgangspunt. De rechtbank zal aansluiting zoeken bij de bandbreedte die in de Rotterdamse schaal is opgenomen voor ontucht met binnendringen (hoofdstuk 15.2). Gelet hierop en op de ernst van het handelen van de verdachte en de gevolgen die dat voor de benadeelde partij heeft gehad, acht de rechtbank toewijzing van het gevorderde bedrag van € 5.000,- billijk.

Conclusie immateriële schade

Het deel van de vordering van de benadeelde partij dat ziet op de immateriële schade zal dan ook geheel worden toegewezen. De verdachte zal worden veroordeeld tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 17 augustus 2023 tot aan de dag der algehele voldoening.

Kostenveroordeling

Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de vordering tot schadevergoeding wordt toegewezen, moet de verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vast staat dat de benadeelde partij kosten heeft gemaakt voor het indienen en toelichten van de vordering en begroot de kosten daarom op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet verder reden om in het belang van de benadeelde partij, als extra waarborg voor betaling, de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f Sr aan de verdachte op te leggen. Dit betekent (kort gezegd) dat de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor haar doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van € 5.061,84 aan de Staat moet betalen.

Als de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast voor de duur van 50 dagen. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen.

De verdachte mag de schadevergoeding ook rechtstreeks betalen aan de benadeelde partij. Als hij dat heeft gedaan, is hij niet langer verplicht om aan de Staat te betalen.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Van toepassing zijn de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 63 en 245 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9. Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen dat de verdachte ten laste gelegde en heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven;

verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij;

bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert;

verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden;

beveelt dat van deze straf een gedeelte, groot 9 (negen) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van 2 (twee) jaren;

stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde] geleden schade tot een bedrag van € 5.061,84, bestaande uit € 61,84 als vergoeding voor de materiële en € 5.000,- als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag;

bepaalt dat:

- het bedrag van € 20,72 wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 december 2023;

- het bedrag van € 41,12 wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf dat 19 augustus 2023 en

- het bedrag van € 5.000,- wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 augustus 2023;

allen tot aan de dag der algehele voldoening, aan [benadeelde], voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

wijst de vordering voor het overige af;

legt aan de verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde] aan de Staat

€ 5.045,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hiervoor genoemde data tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 50 dagen gijzeling;

bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde partij dan wel aan de Staat heeft vergoed. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.M. Jongkind, voorzitter,

mr. S.J. Riem en mr. J.F. van Halderen, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. M. Langendoen

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 4 juni 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. J.M. Jongkind
  • mr. S.J. Riem
  • mr. J.F. van Halderen

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand