RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Team Straf, zittingsplaats Alkmaar
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/093081-26 (P)
Uitspraakdatum: 4 juni 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 21 mei 2026 in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],
zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,
nu gedetineerd in Justitieel Complex Zaanstad.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. W.M. van der Most en van wat de verdachte en zijn raadsman, mr. E. Boskma, advocaat te Alkmaar, naar voren hebben gebracht.
1. Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 28 maart 2026 te Castricum diverse winkelgoederen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan Dekamarkt, gevestigd aan de Torenstraat 48 te Castricum, in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
2. Voorvragen
De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de zaak, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
3. Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde feit kan worden bewezen.
Oordeel van de rechtbank
De verdachte heeft het ten laste gelegde feit bekend en door of namens hem is geen vrijspraak hiervoor bepleit. Gelet op artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) zal daarom worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen op grond waarvan de rechtbank tot een bewezenverklaring is gekomen, te weten:
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat
hij op 28 maart 2026 te Castricum diverse winkelgoederen die geheel aan Dekamarkt, gevestigd aan de Torenstraat 48 te Castricum toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
4. Kwalificatie en strafbaarheid van het feit
Het bewezenverklaarde levert op:
Diefstal.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.
5. Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
6. Motivering van de sanctie
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) voor de duur van één jaar, zonder aftrek van voorarrest.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht de vordering tot oplegging van een ISD-maatregel af te wijzen, om zo de verdachte de allerlaatste kans te geven om zelfstandig naar Polen af te reizen.
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sanctie of maatregel die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een winkeldiefstal. Een dergelijk delict is een hinderlijk feit dat overlast veroorzaakt voor de maatschappij in het algemeen en voor winkeliers in het bijzonder.
Persoon van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op zijn strafblad van 15 april 2026, waaruit blijkt dat hij recent al vele malen voor overlast gevende feiten is veroordeeld, waaronder een ander vermogensdelict. De rechtbank weegt deze omstandigheid in het nadeel van de verdachte mee.
De rechtbank heeft verder kennis genomen van het reclasseringsrapport van 13 mei 2026. Het strafblad van de verdachte toont een patroon aangaande het niet voldoen aan ambtelijke bevelen, maar ook werd hij veroordeeld voor vermogens- en geweldsdelicten. De verdachte was meermaals onder invloed van alcohol tijdens het plegen van delicten. Er is instabiliteit op alle leefgebieden en het ontbreekt de verdachte aan beschermende factoren. Hierin ziet de reclassering hoge risico's voor recidive. Het ontbreekt betrokkene aan huisvesting, dagbesteding en een inkomen. Daarbij heeft hij geen steunend netwerk en is er vermoedelijk sprake van alcoholproblematiek en psychische problematiek. Dakloosheid, het gebrek aan inkomsten en het alcoholgebruik lijken met name ten grondslag te liggen aan het delictgedrag van de verdachte. De reclassering acht het positief dat de verdachte zegt terug te willen keren naar Polen.
De reclassering constateert dat de verdachte zowel aan de harde als aan de zachte criteria voor oplegging van de ISD-maatregel voldoet. De reclassering ziet geen mogelijkheden om de verdachte te begeleiden binnen een reclasseringstoezicht en met voorwaarden en/of toezicht de risico's te beperken.
De reclassering adviseert daarom een onvoorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen. De verdachte blijft delicten plegen, ondanks meerdere bestraffingen. Hij veroorzaakt hierdoor overlast voor de maatschappij. Indien de onvoorwaardelijke ISD-maatregel wordt opgelegd, adviseert de reclassering om de verdachte over te plaatsen naar de penitentiaire inrichting Veenhuizen, locatie Groot Bankenbosch, voor de zogenaamde ISD-VRIS (Vreemdelingen in Strafrecht). Deze locatie is gespecialiseerd in programma’s voor EU-onderdanen en mensen met een onrechtmatig verblijf in Nederland. De invulling van de onvoorwaardelijke ISD-maatregel is binnen Groot Bankenbosch niet gericht op resocialisatie, maar op repatriëring met een zachte landing.
De rechtbank heeft reclasseringswerker, de heer [deskundige], op de zitting als deskundige gehoord. Hij heeft het advies om een onvoorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen, gemotiveerd gehandhaafd. Daarnaast heeft hij op de zitting verklaard dat de repatriëring naar Polen meestal binnen zes maanden kan plaatsvinden.
Onvoorwaardelijke ISD-maatregel
De rechtbank sluit zich aan bij het advies van de reclassering en acht oplegging van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel passend en geboden. De rechtbank is van oordeel dat wordt voldaan aan de voorwaarden die artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) voor het opleggen van de ISD-maatregel stelt. Immers (i) betreft het door de verdachte begane feit (diefstal) een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, (ii) is de verdachte in de afgelopen vijf jaren minstens driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk veroordeeld tot vrijheidsbenemende straffen, (iii) is onderhavig feit begaan na tenuitvoerlegging hiervan, (iv) moet er (mede gezien het reclasseringsrapport van 13 mei 2026) ernstig rekening mee gehouden worden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan en (v) eist de veiligheid van goederen het opleggen van de maatregel.
Voorts is voldaan aan de voorwaarden zoals gesteld in de “Richtlijn voor Strafvordering bij meerderjarige veelplegers" van het Openbaar Ministerie. De verdachte is een zeer actieve veelpleger, die over een periode van vijf jaar voorafgaand aan het bewezen verklaarde feit meer dan tien processen-verbaal tegen zich zag opgemaakt, waarvan ten minste één in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen van de pleegdatum van onderliggend feit.
Ook aan de ‘zachte’ criteria voor oplegging van de ISD-maatregel is voldaan. Dat wil zeggen dat de rechtbank geen reëel, minder ingrijpend alternatief ziet voor de oplegging van een ISD-maatregel. De omstandigheid dat de verdachte zelfstandig wil terugkeren naar Polen doet aan de noodzaak tot oplegging van de ISD-maatregel niet af. Uit het reclasseringsadvies en het verhandelde op de zitting blijkt dat de verdachte, gelet op zijn verblijfsstatus, in Nederland geen aanspraak kan maken op sociale voorzieningen. De verdachte heeft geen vaste woon- of verblijfplaats en beschikt niet over een inkomen. Gelet daarop ziet de rechtbank niet hoe de verdachte zelfstandig zou kunnen terugkeren naar Polen. Op de zitting daar naar gevraagd bleek ook dat de verdachte geen concreet plan heeft voor zijn terugkeer. Daarnaast heeft hij eerder ook niet uit eigen beweging het land verlaten. Dat maakt dat de rechtbank in een voorwaardelijke ISD-maatregel met als voorwaarde de zelfstandige terugkeer naar Polen, zoals door de raadsman bepleit, geen reëel alternatief ziet.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke ISD-maatregel moet worden opgelegd.
Aangezien de insteek van deze ISD-maatregel is om de verdachte terug te laten keren naar Polen, en de deskundige van de reclassering op de zitting heeft aangegeven dat de terugkeer binnen een half jaar verwezenlijkt kan zijn, zal de rechtbank, overeenkomstig de eis van de officier van justitie, bepalen dat de ISD-maatregel voor de duur van één jaar wordt opgelegd. Daarbij merkt de rechtbank op dat de Minister van Justitie en Veiligheid op basis van artikel 6:2:20 Sv de maatregel kan beëindigen wanneer de verdachte wordt uitgezet naar Polen.
De rechtbank ziet geen aanleiding om het voorarrest af te trekken en daarmee de duur van de ISD-maatregel te bekorten. De ISD-maatregel wordt doorgaans opgelegd voor minimaal één jaar. Om beëindiging van de recidive van de verdachte en een zachte landing bij succesvolle repatriëring naar Polen de best mogelijke kans te geven zal de rechtbank de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht daarom niet in mindering brengen op de duur van de maatregel.
7. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
Artikelen 38m, 38n en 310 van het Wetboek van Strafrecht.
8. Beslissing
De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Legt op de maatregel tot plaatsing van verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van één (1) jaar.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door:
mr. J.F. van Halderen, voorzitter,
mr. J.M. Jongkind en mr. S.J. Riem, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. M. Langendoen
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 4 juni 2026.