RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Alkmaar
Zaaknummer / rekestnummer: 12065177 \ EJ VERZ 26-25 WD
Beschikking van 29 januari 2026
in de zaak van
PARTIAR B.V., in haar hoedanigheid van vereffenaar van na te melden nalatenschap,
te Voorhout,
verzoekende partij,
hierna te noemen: de vereffenaar,
procederend in persoon,
tegen
1. [curator] , in hoedanigheid van curator in het faillissement van [naam 2] B.V.,
te Amsterdam,2. Het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (hierna: LBIO),
woonplaats gekozen hebbende te Maastricht op het kantooradres van gerechtsdeurwaarder mr. R.J.V. Batta,
verwerende partijen,
hierna samen te noemen: de curator respectievelijk LBIO.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift;
- het bericht van de curator dat deze afziet van het voeren van verweer en zich refereert aan het oordeel van de kantonrechter;- het verweerschrift van LBIO.
De beschikking is bepaald op vandaag.
2. De feiten
Op 8 april 2025 is [erflater] , geboren op [geboortedatum] 1982 te [plaats] , laatst gewoond hebbende te [plaats] , overleden (hierna: de erflater).
Bij beschikking van 9 september 2025 is de vereffenaar benoemd tot vereffenaar van de nalatenschap van de erflater.
Tot de nalatenschap behoort de voorheen mede aan de erflater toebehorende woning aan het adres [adres] (hierna: de onroerende zaak). De andere mede-eigenaar van de onroerende zaak is [naam 1] . De onroerende zaak is blijkens de openbare registers op 1 juli 2021 belast met een recht van hypotheek ten behoeve van ASR Levensverzekering N.V. (hierna: ASR).
Op 26 juli 2024 heeft de curator conservatoir beslag gelegd op de onroerende zaak.
Op 19 augustus 2025 heeft LBIO executoriaal beslag gelegd op de onroerende zaak.
Op 2 december 2025 heeft de vereffenaar een overeenkomst gesloten waarbij zij – samen met [naam 1] de onroerende zaak aan een derde heeft verkocht. De overeengekomen leveringsdatum is 2 februari 2026.
3. Het verzoek en het verweer
De vereffenaar verzoekt dat de kantonrechter de door de curator en LBIO op de onroerende zaak gelegde beslagen opheft.
LBIO voert verweer. De curator refereert zich aan het oordeel van de kantonrechter.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4. De beoordeling
Op verzoek van een vereffenaar kunnen reeds gelegde beslagen, voor zover dat voor de vereffening nodig is, door de kantonrechter worden opgeheven. Dit brengt mee dat het verzoek zal worden toegewezen, als de kantonrechter kan vaststellen dat opheffing van de beslagen noodzakelijk is voor de vereffening van de nalatenschap. Dit laatste houdt in dat de opheffing van de beslagen nodig moet zijn om aan de schuldeisers van de nalatenschap enige uitbetaling te kunnen doen.
Uit de door de vereffenaar ter onderbouwing overgelegde concept boedelbeschrijving blijkt van een schuldenlast van minimaal € 868.749,55. Tot deze schuldenlast behoort de hypothecaire schuld aan ASR van € 727.531,68 en de vordering van de curator, vooralsnog begroot op € 140.588,92. Daarnaast moet nog rekening worden gehouden met de schuld aan LBIO. Deze schuldeiser is wel op de concept boedelbeschrijving vermeld, maar haar schuld is slechts als p.m.-post daarop opgenomen. Voorts blijkt uit de beschikking van 9 september 2025 dat [naam 1] (mogelijkerwijs) een vordering heeft op de nalatenschap.
Uitgaande van de concept-boedelbeschrijving vormt de onroerende zaak het enige (noemenswaardige) actief van de nalatenschap. De kantonrechter gaat er daarbij vanuit dat het uit de concept boedelbeschrijving blijkende aandelenpakket in de failliete vennootschap [naam 2] B.V. waardeloos is.
Uit het voorgaande volgt dat voor enige uitbetaling aan de schuldeisers verkoop van de onroerende zaak noodzakelijk is. Hiermee is de noodzaak tot het opheffen van het beslag gegeven. De kantonrechter is daarom van oordeel dat het verzoek moet worden toegewezen.
Wat LBIO hiertegen heeft ingebracht, leidt niet tot een ander oordeel. Voor zover de door LBIO gemaakte opmerkingen zien op de verdeling van de verkoopopbrengst, merkt de kantonrechter op dat dit buiten het bestek van deze procedure valt.Uit de regeling in artikel 57 van de Faillissementswet (Fw) vloeit namelijk voort dat (i) de vereffenaar zorgdraagt voor de verdeling van de opbrengst en daarbij de rechten van de beslag leggende schuldeisers uitoefent en (ii) eventuele geschillen aangaande de verdeling van de verkoopopbrengst moeten worden beslecht in de in lid 4 van voornoemd artikel genoemde rangregelingprocedure bij de voorzieningenrechter.
5. De beslissing
De kantonrechter
wijst het verzoek toe;
heft op de hiervoor genoemde, op 26 juli 2024 respectievelijk 19 augustus 2025 gelegde, beslagen op de onroerende zaak, het woonhuis met ondergrond, erf, tuin en verdere aanhorigheden gelegen te [adres]
Deze beschikking is gegeven door mr. J.S. Reid en in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2026.