RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Haarlem
Zaaknummers: C/15/377569 / JU RK 26-690 & C/15/377903 / JU RK 26-752
Datum uitspraak: 22 mei 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming,
hierna te noemen: de Raad,
gevestigd te Haarlem,
over
[de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige 1] ,
[de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige 2] ,
[de minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige 3] ,
[de minderjarige 4] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige 4] ,
[de minderjarige 5] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige 5] ,
het ongeboren kind [het ongeboren kind],
hierna te noemen: het ongeboren kind,
hierna gezamenlijk ook te noemen: de kinderen.
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [plaats] ,
hierna gezamenlijk ook te noemen: de ouders,
advocaat van de ouders: mr. P.J. van de Pol, kantoorhoudende te Haarlem.
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift van 30 april 2026 met bijlagen, ontvangen op dezelfde datum;
de beschikking van 13 mei 2026 en de daarbij behorende stukken.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 22 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:
de ouders, bijgestaan door hun advocaat;
[vertegenwoordiger van de raad] , namens de Raad;
[vertegenwoordiger van de GI] en [vertegenwoordiger van de GI] , namens de GI;
[begeleider] en [begeleider] , begeleiders van de ouders van BijdeHand.
De kinderrechter heeft [de minderjarige 1] naar haar mening gevraagd. [de minderjarige 1] heeft hierover – via videoverbinding en in het bijzijn van een begeleidster – een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [de minderjarige 1] heeft verteld.
2. De feiten
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] , [de minderjarige 3] , [de minderjarige 4] en [de minderjarige 5] .
De moeder is in verwachting van het thans nog ongeboren kind.
[de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] , [de minderjarige 3] , [de minderjarige 4] en [de minderjarige 5] verblijven in een gezinshuis op een voor de ouders onbekende locatie.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 19 februari 2026 [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] , [de minderjarige 3] , [de minderjarige 4] , [de minderjarige 5] en het ongeboren kind voorlopig onder toezicht gesteld tot 19 mei 2026. Deze beslissing is door de kinderrechter gehandhaafd bij proces-verbaal van de zitting op 25 februari 2026.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 9 maart 2026 een machtiging verleend [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] , [de minderjarige 3] , [de minderjarige 4] en [de minderjarige 5] met spoed uit huis te plaatsen in een gezinsgerichte voorziening tot 6 april 2026. Deze machtiging is bij beschikking van 20 maart 2026 door de kinderrechter verlengd tot 19 mei 2026.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 13 mei 2026 opnieuw een voorlopige ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen verleend voor de duur van vier weken.
3. De verzoeken
C/15/377569 / JU RK 26-690
De Raad verzoekt [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] , [de minderjarige 3] , [de minderjarige 4] , [de minderjarige 5] en het ongeboren kind onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] , [de minderjarige 3] , [de minderjarige 4] en [de minderjarige 5] in een gezinsgerichte voorziening te verlenen voor de duur van zes maanden. De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De Raad heeft het verzoek – samengevat – als volgt onderbouwd. Er is sprake van een ernstig bedreigde ontwikkeling van de kinderen. Zij groeiden op in een situatie waarin langere tijd sprake is geweest van forse verwaarlozing en hebben daardoor niet altijd de zorg, aandacht en begeleiding gekregen die zij nodig hebben. Zowel de veiligheid als de gezondheid van de kinderen is daardoor in gevaar (geweest) en bij alle kinderen worden kindsignalen gezien. De zorg voor de kinderen vraagt veel van de ouders, zeker nu de moeder opnieuw in verwachting is. Hoewel de ouders zich openstellen voor de hulpverlening, lukt het hen onvoldoende om adviezen op te volgen, lijken zij de zorgen te bagatelliseren en zeggen zij regelmatig afspraken af. Gezien de grote zorgen verzoekt de Raad de ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar. De machtiging tot uithuisplaatsing verzoekt de Raad voor de duur van een half jaar, omdat binnen die termijn duidelijk moet worden of de ouders voldoende leerbaar zijn op het gebied van de verzorging en opvoeding van de kinderen.
Ter zitting heeft de Raad het volgende naar voren gebracht. De problemen spelen al lang, in 2018 is al een zwaar vervuild huis aangetroffen en is de eerste politiemelding bij Veilig Thuis gedaan. Er is veel hulpverlening ingezet maar dat heeft onvoldoende geholpen. De woning van de ouders is inmiddels helemaal schoon opgeleverd en de Raad vraagt zich af waarom de ouders daar nog niet wonen. De ouders wonen nog steeds bij de grootmoeder moederszijde, waar de vervuiling wederom toeneemt.
C/15/377903 / JU RK 26-752
Omdat de voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen afliepen voor de geplande behandeling ter zitting, heeft de Raad op 13 mei 2026 een spoedverzoek ingediend. In het spoedverzoek heeft de Raad verzocht [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] , [de minderjarige 3] , [de minderjarige 4] , [de minderjarige 5] en het ongeboren kind voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van vier weken en een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] , [de minderjarige 3] , [de minderjarige 4] , [de minderjarige 5] in een gezinsgerichte voorziening te verlenen voor de duur van vier weken en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Hierop is op 13 mei 2026 beslist door de kinderrechter en belanghebbenden zijn op de zitting van 22 mei 2026 gehoord op dit spoedverzoek.
4. De standpunten
De GI heeft naar voren gebracht dat de zorgen enorm groot zijn. Het huis van de ouders was ernstig verwaarloosd en in het gezinshuis laten de kinderen signalen zien waaruit onveiligheid in de thuissituatie blijkt. De GI heeft de afgelopen periode ingezet op ondersteuning voor het gezinshuis om rust voor de kinderen te creëren. De GI is bezig met de aanmelding van het gezin voor een gezinsopname in [plaats] .
De ouders hebben zich niet verzet tegen het verzoek tot ondertoezichtstelling, maar wel tegen de verzochte duur van de uithuisplaatsing. De advocaat heeft naar voren gebracht dat de ouders hard hebben gewerkt om het huis weer op orde te krijgen voor de kinderen. Zij begrijpen dat de kinderen niet gelijk naar huis kunnen komen maar vinden de verzochte duur van zes maanden te lang. Er komen veel veranderingen aan, met de bevalling van de moeder en de mogelijke gezinsopname. De ouders verzoeken om de machtiging tot uithuisplaatsing tot aan de zomerschoolvakantie te verlengen, zodat de kinderen voor de zomervakantie weer thuis kunnen wonen, met intensieve hulpverlening vanuit Parlan. De ouders hebben aangegeven de zorgen deels te herkennen. Zij begrijpen dat er zorgen bestonden over hun woning. Zij snappen echter niet dat de kinderen vanaf de thuissituatie bij de grootmoeder uit huis zijn geplaatst, welke eerst nog was goedgekeurd door de Raad. Ook kloppen volgens de vader de zorgen over huiselijk geweld niet. Inmiddels is het huis van de ouders bijna klaar maar de douche en balkondeur zijn nog kapot. De ouders wachten op de woningcorporatie Woonwaard om dat te regelen. De ouders denken dat de kinderen weer thuis kunnen wonen met de hulpverlening van BijdeHand. Zij staan open voor een gezinsopname maar willen liever een ambulant traject vanuit huis inzetten.
De hulpverlening van BijdeHand heeft aangegeven dat zij dagelijks contact hebben met de ouders. Zij kunnen de ouders echter niet volledig ondersteunen en begeleiden in de zorg voor de kinderen. De hulpverlening pleit vanaf het begin al voor een gezinsopname en denkt dat het traject in [plaats] passend is.
5. De mening van [de minderjarige 1]
heeft verteld dat ze het fijn heeft in het gezinshuis en op de dagbesteding. Ook vindt zij het fijn om met de ouders contact te hebben.
6. De beoordeling
C/15/377903 / JU RK 26-752
Op grond van de stukken en wat op de zitting naar voren is gekomen, ziet de kinderrechter geen aanleiding om het oordeel geformuleerd in de beschikking van 13 mei 2026 over de voorlopige ondertoezichtstelling en de spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen te wijzigen. Deze beslissing zal dan ook worden gehandhaafd.
C/15/377569 / JU RK 26-690
ondertoezichtstelling
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
De ontwikkeling van [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] , [de minderjarige 3] , [de minderjarige 4] , [de minderjarige 5] en het ongeboren kind wordt ernstig bedreigd. In de thuissituatie bij de ouders was sprake van zowel verwaarlozing van de basale verzorging van de kinderen als pedagogische verwaarlozing. De woning van de ouders was ernstig vervuild, er bestonden zorgen over de persoonlijke verzorging van de kinderen en de mate van de beschikbaarheid van de ouders voor de kinderen en tot slot zijn de kinderen mogelijk geconfronteerd met huiselijk geweld vanuit de vader. Omdat de woning van de ouders onleefbaar was bevonden, is het gezin gedurende het raadsonderzoek bij de grootmoeder moederszijde gaan wonen. Ook in de thuissituatie bij de grootmoeder bleven de zorgen over de veiligheid en de verzorging van de kinderen bestaan, waarna de kinderen bij beschikking van 9 maart 2026 met spoed uit huis zijn geplaatst.
De GI heeft aangegeven dat de afgelopen periode is ingezet op het creëren van rust in het gezinshuis waar de kinderen verblijven. De kinderen laten allemaal kindsignalen zien en er bestaan zorgen over de algehele ontwikkeling van de kinderen. Zo bestaan er zorgen over de eetpatronen van de kinderen en spelen bij hen zindelijkheidsproblemen. [de minderjarige 1] kampt daarnaast met gedragsproblemen, zij kan erg boos worden en daarbij fysieke agressie gebruiken. Bij [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] wordt stiekem gedrag en aanhankelijkheid naar onbekenden gezien. Bij [de minderjarige 3] wordt gezien dat hij problemen heeft bij zijn emotieregulatie en bij [de minderjarige 4] zijn er zorgen over haar taalontwikkeling. Tot slot hebben de kinderen sinds hun uithuisplaatsing zorgelijke uitspraken gedaan over huiselijk geweld vanuit de vader.
De afgelopen periode is de woning van de ouders schoongemaakt en daarnaast ontvangen de ouders dagelijks hulpverlening vanuit BijdeHand, gericht op het brengen van structuur in de woonsituatie en de opvoeding van de kinderen. Op dit moment hebben de ouders een keer per week begeleid contact met de kinderen. De GI heeft aangegeven dat de contactmomenten goed verlopen maar dat wel zorgen bestaan in hoeverre de ouders de kinderen de juiste begrenzing kunnen bieden en over de (dreigende) uitspraken vanuit de vader.
De komende periode is het nodig dat de ouders weer in hun eigen woning gaan wonen en dat de hulpverlening voor de ouders voortgezet wordt. Ook moet zicht worden gehouden op de zwangerschap van de moeder en moet zij ondersteund worden bij de praktische zaken rondom haar zwangerschap. Voor de kinderen is het van belang dat gekeken wordt welke hulpverlening zij nodig hebben. De GI heeft aangegeven dat traumabehandeling en diagnostiek voor de oudste kinderen nodig is en dat voor de jongste kinderen IMH therapie (Infant Mental Health) passend zou zijn.
Hoewel de ouders zich inzetten voor de hulpverlening lukt het hen niet altijd de adviezen op te volgen en lijken zij de ernst van de zorgen niet voldoende in te zien. Het is hen daarom gedurende de voorlopige ondertoezichtstelling niet gelukt om de situatie voor de kinderen te verbeteren. De betrokkenheid van de GI is nodig om regie te voeren op de hulpverlening en zicht te houden op de ontwikkeling van de kinderen. Ter zitting is nog besproken dat het helpend kan zijn voor de ouders als de GI een lijst maakt voor hen met punten die door de GI van de ouders worden verwacht.
De ondertoezichtstelling is daarom in dit geval nodig. De kinderrechter stelt [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] , [de minderjarige 3] , [de minderjarige 4] , [de minderjarige 5] en het ongeboren kind onder toezicht voor de verzochte duur van een jaar.
machtiging uithuisplaatsing
Ook is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] , [de minderjarige 3] , [de minderjarige 4] , [de minderjarige 5] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding.
Gezien de zorgen over de veiligheid van de kinderen in de thuissituatie en de opvoedvaardigheden van de ouders is de kinderrechter van oordeel dat de kinderen op dit moment niet bij de ouders kunnen wonen. De GI wil middels een gezinsopname onderzoeken of de ouders de kinderen voldoende zorg en structuur kunnen bieden en of de kinderen veilig bij de ouders kunnen opgroeien. Ook de Raad en de hulpverlening vanuit BijdeHand hebben aangegeven dat een gezinsopname nodig is. De GI is bezig met een aanmelding voor de gezinsopname in [plaats] . Vanaf het moment van aanmelding betreft de wachttijd voor een gezinsopname gemiddeld tien tot twaalf weken en de opname zelf bedraagt minstens zes weken, aldus de GI. Hoewel de kinderrechter de wens van de ouders voor een eerdere thuisplaatsing van de kinderen begrijpt, is een kortere termijn gelet op het bovenstaande niet realistisch. De kinderrechter verleent de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen daarom voor de (verzochte) duur van zes maanden.
De beslissing tot ondertoezichtstelling wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
7. De beslissing
De kinderrechter:
C/15/377569 / JU RK 26-690
stelt [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] , [de minderjarige 3] , [de minderjarige 4] , [de minderjarige 5] en het ongeboren kind onder toezicht van William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering met ingang van 22 mei 2026 tot 22 mei 2027;
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] , [de minderjarige 3] , [de minderjarige 4] en [de minderjarige 5] in een gezinsgerichte voorziening met ingang van 22 mei 2026 tot 22 november 2026;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. J. Lintjer, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2026, in aanwezigheid van mr. E.E. ten Kate als griffier, en vastgesteld en ondertekend op 3 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.