RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Team Straf, zittingsplaats Alkmaar
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/106915-24 (P)
Uitspraakdatum: 5 juni 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 22 mei 2026 in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],
zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. R. Klein.
1. Tenlastelegging
Aan de verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering (Sv), ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 2 maart 2024 te Purmerend, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde] opzettelijk van het leven te beroven met dat opzet- die [benadeelde] met een mes, althans een scherp/puntig voorwerp, in de borst/buik, althans de romp, heeft gestoken/gesneden, en/of- die [benadeelde] met een mes, althans een scherp/puntig voorwerp, in de hals heeft gestoken/gesneden en/of,- die [benadeelde] met een mes, althans een scherp/puntig voorwerp, in het gezicht heeft gestoken/gesneden,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 2 maart 2024 te Purmerend, aan [benadeelde] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten slagaderlijke bloedingen, een klaplong, een leverscheuring en/of één of meerdere blijvende ontsierendelittekens, heeft toegebracht door- die [benadeelde] met een mes, althans een scherp/puntig voorwerp, in de borst/buik, althans de romp, te steken/snijden, en/of- die [benadeelde] met een mes, althans een scherp/puntig voorwerp, in de hals te steken/snijden en/of,- die [benadeelde] met een mes, althans een scherp/puntig voorwerp, in het gezicht te steken/snijden;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 2 maart 2024 te Purmerend ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met dat opzet- die [benadeelde] met een mes, althans een scherp/puntig voorwerp, in de borst/buik, althans de romp, heeft gestoken/gesneden, en/of- die [benadeelde] met een mes, althans een scherp/puntig voorwerp, in de hals heeft gestoken/gesneden en/of,- die [benadeelde] met een mes, althans een scherp/puntig voorwerp, in het gezicht heeft gestoken/gesneden,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
2. Voorvragen
De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd kennis te nemen van de zaak, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
3. Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van de primair ten laste gelegde poging tot doodslag en bewezenverklaring van de subsidiair ten laste gelegde zware mishandeling, met dien verstande dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het steken/snijden in de borst/buik van de aangever.
Oordeel van de rechtbank
Bewijsmiddelen
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de subsidiair ten laste gelegde zware mishandeling op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn opgenomen.
Bewijsmotivering
De aangever heeft verklaard dat hij in de ochtend van 2 maart 2024 aanwezig was in de woning van [betrokkene] aan het adres [adres]. Hij kreeg in de woonkamer ruzie met de verdachte, waarna deze op hem is gaan zitten en hem vervolgens met een klein mesje (van ongeveer 10 centimeter) in het gezicht, de hals en de borst heeft gesneden. Korte tijd daarna zou [betrokkene] hem in de keuken met een vleesmes nog een keer in de borst hebben gestoken. De verdachte ontkent dat hij de aangever heeft gesneden of gestoken.
De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van de aangever voldoende steun vindt in de overige bewijsmiddelen en overweegt daartoe als volgt. Uit de verklaringen van de verdachte en [betrokkene] volgt dat tussen de verdachte en de aangever in de woning een schermutseling heeft plaatsgevonden, waarbij zij samen op de grond zijn terechtgekomen en de verdachte boven op de aangever is gaan zitten. [betrokkene] heeft verklaard dat zij direct daarna overal bloed zag, zowel op de grond als bij het hoofd van de aangever. Ook zag zij op de grond een zakmes liggen. Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat hij, toen hij voor het eerst de woning binnenkwam, zag dat de aangever letsel in zijn gezicht had. Uit de camerabeelden volgt dat de verdachte op dat moment nog in de woning aanwezig was. Daarnaast blijkt uit de letselrapportage van 18 april 2024 dat bij de aangever littekens zijn vastgesteld in het gezicht, de hals en linksboven (hoog) op de borst, welke littekens goed passen bij (genezen) snijwonden. Op grond van het voorgaande acht de rechtbank bewezen dat de verdachte de aangever in het gezicht, de hals en linksboven (hoog) in de borst heeft gesneden.
Vervolgens is de vraag aan de orde hoe dit handelen van de verdachte dient te worden gekwalificeerd.
Bij de aangever is naast de hiervoor beschreven oppervlakkige snijwonden ook een steekverwonding op de borst ter hoogte van de tepel geconstateerd. Uit forensisch medisch onderzoek volgt dat dit letsel acuut levensbedreigend was doordat slagaderlijke bloedingen en bloed in de borstholte zijn ontstaan. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat uit de verklaring van de aangever volgt dat het niet de verdachte, maar een ander is geweest die deze steekverwonding heeft toegebracht. De verdachte kan daarom alleen verantwoordelijk worden gehouden voor de bij de aangever geconstateerde oppervlakkige snijwonden. Uit het forensisch medisch onderzoek volgt verder dat deze verwondingen geen inwendig letsel hebben veroorzaakt en niet acuut levensbedreigend zijn geweest. Daarom kan niet worden vastgesteld dat door te snijden in het gezicht, de hals en linksboven (hoog) op de borst - waardoor de snijwonden zijn ontstaan - de aanmerkelijke kans (naar algemene ervaringsregels) op het overlijden van de aangever in deze zaak heeft bestaan. Hierdoor kan niet worden bewezen dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet had op de dood van de aangever. De rechtbank is daarom, met de officier van justitie, van oordeel dat de primair ten laste gelegde poging tot doodslag niet bewezen kan worden, zodat de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.
De rechtbank stelt vast dat als gevolg van het handelen van de verdachte bij de aangever meerdere blijvende en ontsierende littekens zijn ontstaan in het gelaat en hoog op de borst, waardoor sprake is van zwaar lichamelijk letsel. Dit leidt tot een bewezenverklaring van de subsidiair ten laste gelegde zware mishandeling.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat
hij op 2 maart 2024 te Purmerend, aan [benadeelde] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten meerdere blijvende ontsierende littekens, heeft toegebracht door- die [benadeelde] met een mes in de borst te snijden en- die [benadeelde] met een mes in de hals te snijden en- die [benadeelde] met een mes in het gezicht te snijden.
Wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
4. Kwalificatie en strafbaarheid van het feit
Het bewezenverklaarde levert op:
zware mishandeling.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dan ook strafbaar.
5. Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dan ook strafbaar.
6. Motivering van de sanctie
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht en een proeftijd van twee jaar.
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, en de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zware mishandeling. De verdachte had in een woning ruzie met het slachtoffer, waarna hij hem met een mes in zijn gezicht, hals en borst heeft gesneden. Het slachtoffer heeft hierdoor snijverwondingen opgelopen, waaraan hij blijvende en ontsierende littekens heeft overgehouden. De verdachte heeft met zijn handelen een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. De rechtbank rekent het de verdachte zwaar aan dat hij tijdens een ruzie, onder invloed van alcohol en zonder de rechtbank bekende noemenswaardige aanleiding, gebruik heeft gemaakt van een mes. Door het gebruik van een dergelijk scherp en potentieel levensgevaarlijk voorwerp heeft de verdachte een situatie doen ontstaan die veel ernstiger had kunnen afgelopen. Het gemak en de lichtvaardigheid waarmee de verdachte naar een mes heeft gegrepen en daarmee heeft gesneden, vindt de rechtbank zorgelijk. De rechtbank acht de omstandigheid dat de verdachte het letsel met een mes heeft toegebracht strafverzwarend. Bovendien zorgt een steekpartij in een woning waarin zich ook andere personen bevinden voor gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving, in dit geval in het bijzonder bij de omwonenden. Deze omwonenden zijn ongewild, in de ochtend, op straat geconfronteerd met het letsel dat het slachtoffer heeft opgelopen.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft gelet op het strafblad van de verdachte van 8 april 2026, waaruit blijkt dat hij in de afgelopen vijf jaar al eerder is veroordeeld voor mishandeling. De rechtbank zal hier in strafverzwarende zin rekening mee houden.
Conclusie
De aard en ernst van het gepleegde feit en de gevolgen daarvan voor het slachtoffer rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij het bepalen van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank gelet op straffen die in vergelijkbare zaken zijn opgelegd. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden moet worden opgelegd.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv.
7. Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij [benadeelde] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 33.060,91 ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde materiële schade bestaat uit kosten in verband met beschadigde kleding (€ 633,91), een daggeldvergoeding wegens ziekenhuisopname (€ 175,-), het eigen risico van de zorgverzekering (€ 770,-) en een vergoeding voor huishoudelijke hulp (€ 1.482,-). De immateriële schade bedraagt € 30.000,- en wordt gevorderd wegens het door de benadeelde partij opgelopen letsel, de geleden pijn en de psychische gevolgen van het ten laste gelegde feit.
De advocaat van de benadeelde partij heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de verdachte civielrechtelijk hoofdelijk aansprakelijk kan worden gesteld voor de hierboven genoemde schade, omdat sprake is van één feitencomplex en de verdachte als groepsdeelnemer aansprakelijk is voor alle geleden schade. Subsidiair heeft hij verzocht de verdachte te veroordelen tot vergoeding van de schade die voortvloeit uit het door hem veroorzaakte letsel, te weten de ontsierende littekens in het gezicht en de hals. In dat geval wordt een immateriële schadevergoeding van € 15.000,- billijk geacht.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte niet hoofdelijk aansprakelijk kan worden gesteld voor de schade die verband houdt met de steekverwonding in de borst van de benadeelde partij. Hij gaat ervan uit dat zich in de woning twee afzonderlijke incidenten hebben voorgedaan en dat geen sprake is van medeplegen en daarmee ook niet van groepsaansprakelijkheid.
Wat betreft de materiële schade komt volgens de officier van justitie alleen het eigen risico van 2024 voor vergoeding in aanmerking, omdat dit ook volledig zou zijn verbruikt voor de behandeling van de snijwonden in het gezicht en de hals. De benadeelde partij dient in de overige materiële schade niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering, nu die schade met name voortvloeit uit het steken in de borst, ten aanzien waarvan de officier van justitie vrijspraak heeft gevorderd.
Ten aanzien van de immateriële schade heeft de officier van justitie verzocht aansluiting te zoeken bij de Rotterdamse Schaal en deze toe te wijzen tot een bedrag van € 9.500,-.
Oordeel van de rechtbank
Artikel 6:166, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat als één van tot een groep behorende personen onrechtmatig schade toebrengt en de kans op het toebrengen van schade deze personen had behoren te weerhouden van hun gedragingen in groepsverband, zij hoofdelijk aansprakelijk zijn als deze gedragingen hen kunnen worden toegerekend. De regeling van artikel 6:166 BW voorziet in een individuele aansprakelijkheid van tot een groep behorende personen (deelnemers) voor onrechtmatig vanuit de groep toegebrachte schade.
Anders dan door de advocaat van de benadeelde partij is aangevoerd, is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van groepsaansprakelijkheid voor de geleden schade als bedoeld in artikel 6:166 BW. Daartoe overweegt de rechtbank dat de verdachte de woning al had verlaten en was weggefietst op het moment dat de benadeelde partij door een ander persoon in zijn borst werd gestoken, als gevolg waarvan acuut levensgevaar is ontstaan. De verdachte maakte dan ook geen deel uit van een groep personen die onrechtmatig schade heeft toegebracht. De verdachte is naar het oordeel van de rechtbank daarom alleen aansprakelijk voor de geleden schade die door hem is ontstaan, te weten de schade die voortvloeit uit de oppervlakkige snijwonden in het gelaat, hals en hoog op de borst.
Materiële schade
Het gedeelte van de vordering dat ziet op het eigen risico van 2024 (€ 385,-) is voldoende onderbouwd en door/namens de verdachte niet betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat deze schade in rechtstreeks verband staat met het bewezen verklaarde feit. De snijverwondingen die de benadeelde partij had opgelopen, zijn namelijk in het ziekenhuis behandeld.
Hoofdelijkheid
De rechtbank wijst dit deel van de vordering hoofdelijk toe, nu is gebleken dat een ander persoon de (diepe) steekverwonding in de borst heeft toegebracht waarvoor de benadeelde partij eveneens in het ziekenhuis is behandeld.
Daarbij zal de rechtbank dan ook bepalen dat indien een medeverdachte dit bedrag (€ 385,-) geheel of gedeeltelijk heeft betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.
Niet-ontvankelijk
De rechtbank verklaart de benadeelde partij voor het restant van het materiële gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk, omdat geen sprake is van een rechtstreeks verband tussen deze schade en het bewezen verklaarde feit. De rechtbank overweegt daartoe dat uit het dossier en de vordering van de benadeelde partij volgt dat de overige schadeposten voortvloeien uit (de gevolgen van) de (diepe) steekverwonding in de borst die de benadeelde partij heeft opgelopen.
Immateriële schade
Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW onder meer mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen. In dit geval staat vast dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van het door de verdachte gepleegde strafbare feit. Uit de medische stukken blijkt dat het slachtoffer als gevolg van het handelen van de verdachte blijvende ontsierende littekens in het gelaat, hals en (hoog) in de borst heeft opgelopen. Gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken worden toegekend als schadevergoeding en de Rotterdamse Schaal, is de rechtbank van oordeel dat een vergoeding van € 7.500,- billijk is. De rechtbank wijst dit deel van de vordering van de benadeelde partij daarom tot dat bedrag toe. De rechtbank verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk.
Proceskosten
Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de verdachte aansprakelijk is voor de schade die door het door hem gepleegde feit is ontstaan en omdat een substantieel deel van de gevorderde schade wordt toegewezen, moet de verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt.
De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vast staat dat de benadeelde partij kosten heeft gemaakt voor het indienen en toelichten van de vordering en begroot de kosten daarom op nihil.
Wettelijke rente en schadevergoedingsmaatregel
De hiervoor genoemde bedragen die de verdachte aan de benadeelde partij moet vergoeden worden vermeerderd met de wettelijke rente, telkens vanaf de datum van het ontstaan van de schade, zoals hieronder in de beslissing weergegeven.
Daarnaast legt de rechtbank ten behoeve van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor hem doet. Als de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast, zoals hieronder in de beslissing weergegeven.
De verdachte mag de schadevergoeding ook rechtstreeks betalen aan de benadeelde partij. Als hij dat heeft gedaan, is hij niet langer verplicht om aan de Staat te betalen.
9. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
36f, 63 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.
10. Beslissing
De rechtbank:
verklaart niet bewezen wat aan de verdachte primair is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.3 weergegeven;
verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert;
verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 (zestien) maanden;
bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
wijst de vordering van [benadeelde] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 7.885,- (zegge: zevenduizend achthonderdvijfentachtig euro), bestaande uit € 385,- materiële schade en € 7.500,- immateriële schade;
veroordeelt de verdachte tot betaling aan [benadeelde] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente:
- over een bedrag van € 385,- met ingang van 24 april 2024 tot de dag van volledige betaling;
- over een bedrag van € 7.500,- met ingang van 2 maart 2024 tot de dag van volledige betaling;
veroordeelt de verdachte hoofdelijk tot betaling aan [benadeelde] van het toegewezen bedrag aan materiële schade (€ 385,-), met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een ander/anderen (gedeeltelijk) aan de benadeelde is betaald, de verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;
verklaart [benadeelde] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering;
veroordeelt de verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
legt aan de verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde] aan de Staat € 7.885,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente
- over een bedrag van € 385,- met ingang van 24 april 2024 tot de dag van volledige betaling;
- over een bedrag van € 7.500,- met ingang van 2 maart 2024 tot de dag van volledige betaling;
indien de verdachte niet betaalt, wordt de betalingsverplichting aangevuld met 64 dagen gijzeling;
bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;
legt aan de verdachte de hoofdelijke verplichting op het toegewezen bedrag aan materiële schade (€ 385,-) aan de Staat te betalen;
bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of (een van) zijn mededader(s) op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door:
mr. M. Rigter, voorzitter,
mr. A. Buiskool en mr. H.P.H.I. Cleerdin, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. L.E.H. de Koning
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 5 juni 2026.