ECLI:NL:RBNHO:2026:6807

ECLI:NL:RBNHO:2026:6807

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 09-06-2026
Datum publicatie 09-06-2026
Zaaknummer 15/299774-24, 15/043264-23, 15/142692-22, 15/256675-22 en 15/393108-24 (gev.)
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Haarlemmermeer

Samenvatting

Deelneming aan een criminele organisatie met het oogmerk opzettelijk brand te stichten en ontploffingen teweeg te brengen, medeplegen brandstichting/ontploffing, criminele uitbuiting van een minderjarige, drugshandel, witwassen, vernieling van politiecellen en belediging van een politieambtenaar. Gevangenisstraf van 8 jaar opgelegd en gedragsbeïnvloedende/vrijheidsbeperkende maatregel. Schorsing voorlopige hechtenis voortgezet tot het moment dat het vonnis onherroepelijk is.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Haarlemmermeer

Meervoudige strafkamer

Parketnummers:

15/299774-24, 15/043264-23, 15/142692-22, 15/256675-22 en 15/393108-24 (gev.) (P)

Uitspraakdatum: 9 juni 2026

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 13 april 2026, 14 april 2026, 15 april 2026, 16 april 2026 en 26 mei 2026 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres] .

De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, op eerdere terechtzittingen gevoegd.

De zaak met parketnummer 15/299774-24 wordt hierna aangeduid als zaak A.

De zaak met parketnummer 15/043264-23 wordt hierna aangeduid als zaak B.

De zaak met parketnummer 15/142692-22 wordt hierna aangeduid als zaak C.

De zaak met parketnummer 15/256675-22 wordt hierna aangeduid als zaak D.

De zaak met parketnummer 15/393108-24 wordt hierna aangeduid als zaak E.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie

mr. C.J. Booij en A. van den Driest (hierna elk afzonderlijk, dan wel gezamenlijk aangeduid als: de officier van justitie) en van wat de verdachte en zijn raadsman, mr. H. Raza, advocaat te Rotterdam, naar voren hebben gebracht.

1. Tenlasteleggingen

Op de zitting van 13 april 2026 is de tenlastelegging in zaak A op vordering van de officier van justitie gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering (Sv).

De verdachte wordt er – verkort en zakelijk weergegeven – van verdacht dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan de volgende strafbare feiten:

Zaak A

Feit 1: het in de periode van 12 augustus 2023 tot en met 11 februari 2024 deelnemen aan een organisatie, die tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten het opzettelijk plegen van brandstichtingen en/of teweegbrengen van ontploffingen;

Feit 2: het op 5 oktober 2023 medeplegen van het veroorzaken van een ontploffing en brand bij een pand aan de [adres A] in Alkmaar (primair), dan wel (subsidiair) het medeplegen van het uitlokken van dit feit;

Feit 3: het op 1 februari 2024 medeplegen van het veroorzaken van een ontploffing en brand bij een woning aan de [adres B] in Alkmaar (primair), dan wel (subsidiair) het medeplegen van het uitlokken van dit feit;

Feit 4: het in de periode van 1 februari 2024 tot en met 4 februari 2024 medeplegen van een drietal pogingen tot het veroorzaken van een ontploffing en brand bij panden aan de [adres C] en [adres D] te Alkmaar (primair), dan wel (subsidiair) het medeplegen van het uitlokken van deze feiten;

Feit 5: het in de periode van 1 april 2024 tot en met 16 juli 2024 in meerdere plaatsen in Nederland dealen in harddrugs.

Zaak B

Feit 1: het in de periode van 1 januari 2023 tot en met 9 maart 2023 in Alkmaar medeplegen van dealen in harddrugs;

Feit 2: het op 9 maart 2023 in Alkmaar witwassen van een geldbedrag van € 2.400,-.

Zaak C

Het op 13 juni 2022 plegen van vernielingen in twee verschillende cellen in het politiebureau in Alkmaar.

Zaak D

Het op 9 oktober 2022 in Alkmaar beledigen van een politieambtenaar.

Zaak E

Het in de periode van 2 oktober 2023 tot en met 5 oktober 2023 in Alkmaar medeplegen van de criminele uitbuiting van een minderjarige.

De volledige tekst van de tenlasteleggingen is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaardingen geldig zijn, dat de rechtbank bevoegd is van de zaken kennis te nemen, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle ten laste gelegde feiten, telkens – voor zover van toepassing – in de primaire variant. De officier van justitie heeft onder meer aangevoerd dat de verdachte, gelet op het onderliggende conflict met [persoon A] , samen met zijn broer en medeverdachte [medeverdachte A] een criminele organisatie heeft opgericht (en geleid) die als oogmerk heeft het plegen van brandstichtingen en/of het teweegbrengen van ontploffingen. De verdachte heeft deze organisatie geleid, en is voorts als medepleger betrokken geweest bij drie pogingen en twee voltooide brandstichtingen / explosies.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft, gelet op de bekennende verklaringen van de verdachte, geen verweer gevoerd ten aanzien van feit 5 in zaak A, de feiten 1 en 2 in zaak B, zaak C en zaak D, afgezien van de kanttekening dat de verdachte alleen in cocaïne heeft gedeald en niet in andere middelen.

Met betrekking tot de feiten 1 tot en met 4 in zaak A (de ‘explosiezaken’) heeft de verdediging aangevoerd dat geen sprake kan zijn van het gebruik van schakelbewijs, omdat in de handelingen die aan de verdachte worden toegeschreven geen herkenbaar en gelijksoortig patroon kan worden vastgesteld. Ook kan niet gesproken worden van een situatie waarin de verdachte voor omstandigheden die voor een bewezenverklaring redengevend geacht moeten worden, geen redelijke, die redengevendheid ontzenuwende verklaring heeft gegeven. Daarnaast heeft de verdediging vraagtekens gezet bij de betrouwbaarheid van de verklaringen van de getuigen [getuige A] en [getuige B] .

Met betrekking tot de verdenking van betrokkenheid bij de explosie op de [adres A] in Alkmaar (feit 2 in zaak A) en de criminele uitbuiting van de minderjarige [betrokkene A] (zaak E) heeft de verdediging gesteld dat de identificatie van de verdachte als de persoon die het Snapchat-account ‘ [account A] ’ gebruikt en die [betrokkene A] ‘ [voornaam A] ’ noemt, gebaseerd is op onjuiste aannames en gebrekkig bewijsmateriaal. Daarbij heeft de verdediging naar voren gebracht dat de processen-verbaal met betrekking tot de reisbewegingen van de telefoon van de verdachte zijn gebaseerd op stemherkenning in tapgesprekken, terwijl niet kan worden vastgesteld of die stemherkenning correct is uitgevoerd.

De verdediging heeft geconcludeerd tot vrijspraak voor alle feiten die zien op explosies en op de criminele uitbuiting.

Ook moet volgens de verdediging vrijspraak volgen voor de in zaak A onder 1 ten laste gelegde deelneming aan een criminele organisatie. Het feit dat medeverdachte [medeverdachte B] meerdere opdrachtgevers had, is een contra-indicatie voor het aannemen van een criminele organisatie. Het is duidelijk dat er een vriendschappelijke, respectievelijk familiale band bestaat tussen de verdachte en [medeverdachte B] en zijn broer/medeverdachte [medeverdachte A] . Dat is echter zonder nadrukkelijke concretisering van gedragingen die onder de noemer van een criminele organisatie gebracht kunnen worden, geen bewijs voor het bestaan van een criminele organisatie.

Oordeel van de rechtbank

Inleiding

Uit het dossier blijkt dat in de periode van 14 september 2023 tot en met 11 februari 2024 in totaal 21 (pogingen tot) explosies/brandstichtingen hebben plaatsgevonden, vooral in Alkmaar. In vrijwel alle gevallen werd gebruik gemaakt van een zogenaamde Vuurwerk Brandstof Combinatie (VBC), te weten knalvuurwerk in de vorm van Cobra’s 6 in combinatie met flesjes gevuld met snel ontbrandend materiaal, of werden niet tot ontploffing gekomen VBC’s of onderdelen daarvan aangetroffen.

Uit het dossier blijkt het vermoeden dat aan deze feiten een langdurig conflict ten grondslag ligt tussen de verdachte en zijn broer medeverdachte [medeverdachte A] (hierna: [medeverdachte A] ) enerzijds en [persoon A] (hierna: [persoon A] ) anderzijds. Dit vermoeden wordt naar het oordeel van de rechtbank ondersteund door het feit dat [medeverdachte A] op 21 februari 2024 onherroepelijk is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaar voor een poging tot doodslag, door op 12 mei 2022 met een vuurwapen op [persoon A] te schieten. [medeverdachte A] is sinds 21 mei 2022, op verschillende titels, gedetineerd.

Genoemd vermoeden wordt eveneens ondersteund door het feit dat 16 van de (pogingen tot) explosies/brandstichtingen hebben plaatsgevonden bij woningen en panden die in verband kunnen worden gebracht met [persoon A] en zijn familie, vrienden of andere relaties, zoals zijn (voormalig) zakenpartner [persoon B] en [persoon C] .

In genoemde periode is voorts drie keer een explosief afgegaan bij de woning van de moeder van de verdachte en [medeverdachte A] en is de auto van hun tante in Amsterdam in brand gestoken. Ook is in genoemde periode onder de auto van [persoon D] , een nauw contact van de verdachte en [medeverdachte A] , een explosief gegooid waardoor deze auto vlam heeft gevat. Gebleken is dat ook hier gebruik is gemaakt van een VBC. Verder komt uit afgeluisterde (telefoon)gesprekken van de diverse verdachten in dit dossier naar voren dat de verdachte en [medeverdachte A] een conflict hebben met [persoon A] waarbij van beide kanten geweld wordt gebruikt. Ook hebben diverse getuigen over verschillende (pogingen tot) explosies/brandstichtingen verklaard dat deze te maken hebben met een ruzie tussen de verdachte, [medeverdachte A] en [persoon A] .

Tot slot is aan de reeks (pogingen tot) explosies/brandstichtingen een einde gekomen met de aanhoudingen van de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte B] (hierna: [medeverdachte B] ).

Hoewel de exacte aard van het conflict niet duidelijk is geworden, gaat de rechtbank er, gelet op de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden, van uit dat aan de (pogingen tot) explosies/brandstichtingen in de genoemde periode een conflict tussen de verdachte en [medeverdachte A] enerzijds en [persoon A] anderzijds ten grondslag ligt. Dit zal de rechtbank bij de beoordeling van de aan de verdachte tenlastegelegde feiten dan ook tot uitgangspunt nemen.

Vrijspraak zaak A, feit 3 (primair en subsidiair) en feit 4 (primair en subsidiair) Onder 3 in zaak A wordt de verdachte verweten dat hij op 1 februari 2024 betrokken is geweest bij het veroorzaken van een ontploffing en/of brand bij een woning aan de [adres B] in Alkmaar.

De beschuldiging in zaak A onder 4 houdt in dat de verdachte betrokken is geweest bij pogingen tot het veroorzaken van een ontploffing en/of brand bij woningen aan respectievelijk de [adres C] te Alkmaar op 1 februari 2024 en de [adres D] te Alkmaar op 3 en 4 februari 2024.

Primair zijn deze feiten ten laste gelegd als medeplegen. Subsidiair gaat het om het medeplegen van het uitlokken van deze feiten, waarbij de uitlokkingshandelingen zouden bestaan uit het geven van de opdracht, het in het vooruitzicht stellen van een betaling, het verstrekken van de adressen waar de explosies moesten plaatsvinden en/of het geven van instructies en/of aanwijzingen aan de uitvoerders.

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de verdachte als medepleger van deze feiten kan worden aangemerkt. Dit standpunt is in belangrijke mate gebaseerd op de zienswijze dat de incidenten moeten worden gezien als onderdeel van het hiervoor beschreven conflict tussen de verdachte, [medeverdachte A] en [persoon A] .

De rechtbank neemt evenals de officier van justitie tot uitgangspunt dat het conflict tussen de verdachte, [medeverdachte A] en [persoon A] ten grondslag ligt aan de betreffende (pogingen tot) ontploffingen/brandstichtingen. De woning aan de [adres B] in Alkmaar is immers in verband te brengen met [persoon B] , de voormalig zakenpartner van [persoon A] , terwijl de woning aan de [adres D] in Alkmaar het woonadres is van [persoon A] . De poging een VBC tot ontploffing te brengen bij de [adres C] moet als een vergissing ten opzichte van nummer [adres D] worden beschouwd. Een andere verklaring voor deze reeks van gewelddadigheden is niet aannemelijk geworden. De rechtbank komt evenwel met betrekking tot de betrokkenheid van de verdachte tot een ander oordeel dan de officier van justitie. Vooropgesteld moet worden dat ieder bewijs voor directe betrokkenheid van de verdachte bij de uitvoering van de betreffende feiten ontbreekt. Het zou in de visie van de officier van justitie dan ook moeten gaan om betrokkenheid ‘op afstand’.

Met betrekking tot de gebeurtenissen in de nacht van 1 februari 2024 (ontploffing [adres B] en poging ontploffing [adres C] ) kent de officier van justitie – naast het verband met het conflict van de verdachte en [medeverdachte A] met [persoon A] – betekenis toe aan de omstandigheid dat de telefoon van de verdachte en die van [medeverdachte B] zich rond het tijdstip van de explosie in elkaars nabijheid bevonden in de omgeving van de woning van [medeverdachte B] in Amsterdam. De politie stelt dat het goed mogelijk is dat [medeverdachte B] op dat moment instructies aan de uitvoerders stuurde, terwijl hij in het gezelschap verkeerde van de verdachte en er zodoende gelegenheid was tot aansturing door de verdachte en tot onderling overleg en afstemming. Dat de verdachte en [medeverdachte B] daadwerkelijk samen waren rond het tijdstip van deze ontploffing en poging ontploffing blijkt echter niet uit het dossier. De rechtbank heeft in het dossier geen (ander) bewijs aangetroffen waaruit blijkt dat de verdachte een rol heeft gehad bij de uitvoering van de feiten van 1 februari 2024.

Ook wat betreft de feiten van 3 en 4 februari 2024 is de rechtbank van oordeel dat het dossier geen bewijs bevat voor directe betrokkenheid van de verdachte.

De officier van justitie heeft in dit verband gewezen op de verklaring van de getuige [getuige A] . Volgens de officier van justitie heeft zij immers verklaard dat de verdachte haar zelf heeft verteld dat hij achter de explosies zit waar de politie onderzoek naar doet. Dit leest de rechtbank echter niet in haar verklaringen. Uit haar aangifte (J procesdossier Map L TCI en getuigen p. 33) komt juist naar voren dat zij angst heeft voor de verdachte omdat zij dingen van hem weet ‘van horen en zeggen’. In een later proces-verbaal van bevindingen (ibidem, p. 36) tekent de politie uit haar mond op de woorden: ‘ [voornaam verdachte] heeft mij dit zelf verteld’, maar gezien de context kan dit even goed zien op het bestaan van het conflict met [persoon A] . De rechtbank ziet hierin dus geen bewijs voor directe betrokkenheid van de verdachte bij specifieke explosies.

Datzelfde geldt voor het tap-gesprek van 6 augustus 2024 tussen de verdachte en zijn (ex)vriendin [getuige B] (H procesdossier Map J Tap, p. 284-288). Volgens de officier van justitie bevestigt [getuige B] in dit gesprek dat de verdachte achter ‘de aanslagen’ zit. Weliswaar gebruikt [getuige B] woorden als ‘explosiefje’, ‘voordeur opblazen’ en ‘vuurwerkje klaarzetten’, maar naar het oordeel van de rechtbank kan uit het gesprek geen directe betrokkenheid van de verdachte bij specifieke ontploffingen worden afgeleid.

Ook heeft de officier van justitie gewezen op een Snapchat-gesprek van [medeverdachte B] met een zogeheten ‘virtual agent’ (een politieambtenaar die zich voordeed als [medeverdachte A] ). Het gesprek begint met een bericht van de politie aan [medeverdachte B] : ‘blauw weet dat je die kk ossos in alkmaar voor ons heb gedaan’. [medeverdachte B] reageert even later, als hij kennelijk denkt dat hij contact heeft met de verdachte, met: ‘Voor wat herhaal je ’t nog’. De officier van justitie interpreteert deze reactie zo dat [medeverdachte B] daarmee bevestigt dat hij de ‘ossos’ (huizen) in Alkmaar heeft ‘gedaan’ voor [medeverdachte A] en de verdachte. De rechtbank is echter van oordeel dat uit de reactie van [medeverdachte B] slechts blijkt dat de verdachte dit kennelijk al eerder tegen hem heeft gezegd. Een bevestiging van [medeverdachte B] dat hij ‘huizen’ in Alkmaar heeft ‘gedaan’ voor de verdachte en [medeverdachte A] , leest de rechtbank echter niet in dit gesprek.

Tot slot kan naar het oordeel van de rechtbank ook uit de overige door de officier van justitie aangehaalde tap- en OVC-gesprekken niet worden afgeleid dat de verdachte direct betrokken is geweest bij de (pogingen tot) ontploffingen en brandstichtingen op 1, 3 en 4 februari 2024.

De rechtbank ziet kortom, anders dan de officier van justitie, in het dossier geen bewijs voor betrokkenheid van de verdachte bij de genoemde feiten, noch in de vorm van medeplegen, noch in de vorm van (medeplegen van) uitlokking. De verdachte wordt daarom vrijgesproken van de feiten die aan hem in zaak A onder 3 primair en subsidiair en onder 4 primair en subsidiair zijn ten laste gelegd.

Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de feiten die zijn ten laste gelegd in zaak A onder 1, 2 primair en 5, in zaak B onder 1 en 2 en in de zaken C, D en E. Dit oordeel is gebaseerd op de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn opgenomen.

Bewijsmotivering en bespreking van gevoerde verweren

Zaak A, feit 2

De rechtbank stelt op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting het volgende vast.

Op 5 oktober 2023, rond 23.30 uur, heeft zich een ontploffing voorgedaan bij een bedrijfspand aan de [adres A] in Alkmaar. Door de ontploffing is een beginnende brand ontstaan, die door een voorbijganger is geblust. Uit forensisch onderzoek ter plaatse is gebleken dat de ontploffing is veroorzaakt door een VBC, die bestond uit ten minste drie stuks Cobra 6 vuurwerk, die aan een plastic fles met snel ontbrandende vloeistof waren vast getapet. Door de drukgolf van de explosie en de ontstane brand was gemeen gevaar voor goederen te duchten, te weten voor het pand [adres A] , de aangrenzende panden en de daarin aanwezige goederen. Buurtbewoners zagen direct na de explosie een persoon wegrennen. Deze persoon is door hen aangehouden en aan de politie overgedragen. Het bleek te gaan om de minderjarige [betrokkene A] (hierna: [betrokkene A] ). [betrokkene A] heeft bekend dat hij de vuurwerkbom bij het pand [adres A] in Alkmaar tot ontploffing heeft gebracht.

Verklaring [betrokkene A]

De verklaringen die [betrokkene A] heeft afgelegd houden – samengevat – onder meer het volgende in.

[betrokkene A] is op 5 oktober 2023 via Snapchat benaderd door iemand met de schermnaam ‘ [naam A] ’. Deze [naam A] berichtte dat hij [betrokkene A] nodig had om die avond een explosief te laten afgaan in Alkmaar. Hij zou daar een goed bedrag voor krijgen. [betrokkene A] is hier op ingegaan. Vervolgens werd [betrokkene A] via Snapchat benaderd door een persoon die [voornaam A] zou heten. [voornaam A] gaf aan dat hij de naam van [betrokkene A] van [naam A] had gekregen. [voornaam A] had van [naam A] gehoord dat [betrokkene A] ‘het’ zou gaan doen. [betrokkene A] is die avond door [voornaam A] met de auto opgehaald bij het station in Wormerveer en naar Alkmaar gebracht. [voornaam A] heeft ergens een explosief opgehaald en aan [betrokkene A] gegeven. Het waren drie Cobra’s, die aan een Spa-fles met iets vloeibaars waren vastgemaakt. [voornaam A] heeft [betrokkene A] verteld hoe en bij welk adres de explosie moest plaatsvinden en er zijn afspraken gemaakt over de plek waar [voornaam A] [betrokkene A] naderhand weer zou ophalen. In de auto heeft [voornaam A] een paar schoenen aan [betrokkene A] gegeven, zodat hij niet ‘heet’ zou zijn met zijn eigen schoenen. Toen het volgens [voornaam A] tijd was, is [betrokkene A] naar het opgegeven adres gegaan en heeft hij het explosief laten afgaan met behulp van een aansteker die hij van [voornaam A] had meegekregen. Na de explosie is [betrokkene A] gaan rennen, maar hij werd aangehouden door enkele mannen. [betrokkene A] beschouwt [voornaam A] als de opdrachtgever en [naam A] als een tussenpersoon. Het in de telefoon van [betrokkene A] aangetroffen Snapchat-contact [account A] is [voornaam A] . [naam A] had tegen [betrokkene A] gezegd dat hij [account A] moest toevoegen op Snapchat.

Identificatie [medeverdachte B]

Op 22 mei 2024 is onder [medeverdachte B] een iPhone 15 Pro in beslag genomen. Het op deze telefoon ingestelde Snapchat-account was ‘ [account B] ’. Daarnaast was aan deze telefoon een Snapchat-account gekoppeld met de username ‘ [usernaam A] ’ en de schermnaam ‘ [naam A] ’. Gezien het feit dat de telefoon in beslag genomen is onder [medeverdachte B] , dat de username van zowel Facebook als de Apple Wallet op de telefoon ‘ [medeverdachte B] ’ was en dat op de telefoon selfies van [medeverdachte B] en met deze telefoon gemaakte foto’s van een identiteitsbewijs van [medeverdachte B] zijn aangetroffen, lijdt het naar het oordeel van de rechtbank geen twijfel dat [medeverdachte B] ten tijde hier van belang de gebruiker was van deze telefoon en van het daaraan gekoppelde Snapchat-account met de schermnaam ‘ [naam A] ’. Er zijn geen aanwijzingen dat iemand anders van deze telefoon en dit Snapchat-account gebruik heeft gemaakt. De rechtbank concludeert daarom dat [medeverdachte B] de persoon is die [betrokkene A] ‘ [naam A] ’ noemt en met wie [betrokkene A] op 5 oktober 2023 via Snapchat contact heeft gehad en die het contact tussen [betrokkene A] en ‘ [voornaam A] ’ tot stand heeft gebracht.

Identificatie [verdachte]

Aan het Snapchat-account met de gebruikersnaam ‘ [usernaam B] ’ blijkt met ingang van 5 oktober 2023 het emailadres [mailadres A] @icloud.com te zijn gekoppeld. Bij een zoekslag in de politiesystemen kwam naar voren dat dit icloud-account in 2022 werd gebruikt in een iPhone die in beslag was genomen onder [medeverdachte A] . Bij onderzoek aan een onder de moeder van [medeverdachte A] en [verdachte] in beslag genomen smartphone bleek dat in deze telefoon het Snapchat-account met gebruikersnaam ‘ [usernaam B] ’ als tegencontact stond opgeslagen. Tevens werd een screenshot/snapshot aangetroffen van een Snapchat-conversatie waarin ‘ [account A] ’ het volgende bericht stuurt: Ik ben [verdachte] hallo, Hallo [voornaam B] ik ben [verdachte] u wilde mij spreken, Kopieer dat, Hallo [voornaam B] ik ben [verdachte] u wilde mij spreken. Blijkens de door Snapchat verstrekte gegevens is de schermnaam ‘ [usernaam B] ’ op 5 oktober 2023 veranderd in ‘ [account A] ’. Het account ‘ [account A] ’ is op 7 oktober 2023 verwijderd. Dit betekent dat de conversatie waarin de gebruiker met schermnaam ‘ [account A] ’ zich voorstelt als ‘ [verdachte] ’ moet hebben plaatsgevonden tussen 5 oktober en 7 oktober 2023. De rechtbank leidt uit deze bevindingen, in onderling verband en samenhang beschouwd, af dat de verdachte op 5 oktober 2023 de gebruiker was van het Snapchat-account met de schermnaam ‘ [account A] ’. Dit leidt de rechtbank tevens tot de conclusie dat de verdachte de persoon is die [betrokkene A] in zijn verklaringen aanduidt als ‘ [voornaam A] ’.

Medeplegen

Uit het voorgaande volgt dat de verdachte door [medeverdachte B] in contact is gekomen met [betrokkene A] . De verdachte heeft [betrokkene A] opgehaald in Wormerveer en naar Alkmaar gebracht. Hij heeft [betrokkene A] een VBC overhandigd en geïnstrueerd waar en hoe hij deze tot ontploffing moest brengen. Vervolgens heeft hij [betrokkene A] een aansteker meegegeven, en een paar schoenen, om – zo begrijpt de rechtbank – voor de politie niet herkenbaar (‘heet’) te zijn aan zijn eigen schoenen. [betrokkene A] is door de verdachte in de buurt van het beoogde doelwit afgezet en heeft de VBC daadwerkelijk laten ontploffen.

Op grond van het voorgaande oordeelt de rechtbank dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en zijn medeverdachte(n), die – ook al heeft de verdachte de vuurwerkbom niet zelf geplaatst – in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. Daarmee acht de rechtbank het primair tenlastegelegde medeplegen bewezen.

Zaak E

De tenlastelegging in deze zaak ziet op – kort gezegd – het medeplegen van de criminele uitbuiting van de minderjarige [betrokkene A] . Deze verdenking vloeit rechtstreeks voort uit het hiervoor in zaak A onder 2 primair bewezen verklaarde feit.

Op grond van de bewijsmiddelen waarop de bewezenverklaring van feit 2 primair in zaak A is gestoeld stelt de rechtbank vast dat de minderjarige [betrokkene A] ertoe is aangezet een ernstig strafbaar feit te plegen, namelijk het tot ontploffing brengen van een explosief bij een bedrijfspand, met gemeen gevaar voor goederen als gevolg. Ook [betrokkene A] zelf liep als uitvoerder van deze opdracht gevaar. Het aansteken van een zwaar explosief (drie Cobra’s 6 tegelijk, in combinatie met een snel ontbrandende vloeistof) brengt immers grote risico’s met zich. Daarnaast heeft [betrokkene A] het risico gelopen om voor het plegen van dit feit strafrechtelijk te worden vervolgd en veroordeeld. [betrokkene A] was vanwege zijn jonge leeftijd kwetsbaar en voelde zich blijkens zijn verklaringen in een situatie gebracht waarin hij geen ‘nee’ meer kon zeggen. Het onder deze omstandigheden vervoeren en overbrengen van een minderjarige en het aan hem verstrekken van middelen voor het teweegbrengen van een ontploffing, waardoor de verdachten zelf aanzienlijk minder risico’s liepen, leidt er naar het oordeel van de rechtbank toe dat de verdachten hebben gehandeld met het oogmerk van uitbuiting.

Pleegplaats

De rechtbank stelt vast dat de tenlastelegging als pleegplaats alleen Alkmaar vermeldt. De niet ongebruikelijke uitbreiding ‘althans in Nederland’ ontbreekt. Nu niet met zekerheid kan worden vastgesteld waar de verdachten en [betrokkene A] zich bevonden toen contact werd gelegd via Snapchat, kan dit onderdeel van de tenlastelegging niet bewezen worden verklaard. Dit brengt met zich dat ook het element ‘werven’ in de tenlastelegging niet bewezen kan worden.

Medeplegen

Op grond van hetgeen de rechtbank hiervoor ten aanzien van zaak A, feit 2 primair heeft overwogen met betrekking tot het medeplegen, is de rechtbank van oordeel dat de criminele uitbuiting van de minderjarige [betrokkene A] door de verdachte en [medeverdachte B] tezamen en in vereniging is gepleegd.

Zaak A feit 1

De verdachte wordt ervan verdacht dat hij in de periode van 12 augustus 2023 tot en met 11 februari 2024 heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van brandstichtingen en/of het teweegbrengen van ontploffingen.

Beoordelingskader

Voor een veroordeling voor deelneming aan een criminele organisatie moet worden vastgesteld dat sprake is geweest van een organisatie, dat die organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven en dat de verdachte aan die organisatie heeft deelgenomen. Er moet sprake zijn van een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur tussen de verdachte en tenminste één andere persoon. Niet is vereist dat daarbij komt vast te staan dat een persoon om als deelnemer aan die organisatie te kunnen worden aangemerkt moet hebben samengewerkt, althans bekend moet zijn geweest, met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds hetzelfde is. Voor ‘deelneming’ aan de organisatie is voldoende dat de verdachte in zijn algemeenheid weet (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Niet vereist is dat hij wetenschap heeft van één of meer concrete misdrijven die door de organisatie worden beoogd of dat zijn opzet is gericht op het plegen van die misdrijven. De verdachte hoeft niet bij meerdere misdrijven van de organisatie betrokken te zijn geweest. Het gaat er immers niet om of zijn opzet was gericht op het plegen van (meer) misdrijven of dat hij heeft deelgenomen aan (al binnen de organisatie) gepleegde misdrijven. Het opzet van de verdachte moet gericht zijn op het deelnemen aan de organisatie. Volgt uit de bewijsvoering dat de verdachte een aan de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie bijdragende of ondersteunende handeling heeft verricht, dan ligt daarin zijn wetenschap met betrekking tot dat oogmerk besloten. Dat is anders als uit de bewijsvoering slechts blijkt van het verrichten van hand- en spandiensten door de verdachte voor de deelnemers aan de criminele organisatie, zonder dat hieruit kan worden afgeleid dat de verdachte daarbij handelde in de wetenschap dat die organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven. Dan staat niet vast dat de verdachte in zijn algemeenheid wist dat die organisatie bedoeld oogmerk had en levert het handelen van de verdachte geen deelneming aan de criminele organisatie op.

Bestaan criminele organisatie

De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen aan de hand van het hiervoor weergegeven beoordelingskader vast dat in de aan de verdachte ten laste gelegde periode sprake was van een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband, bestaande uit twee of meer personen, die tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten het opzettelijk plegen van brandstichtingen en/of het teweegbrengen van ontploffingen. Andere deelnemers aan deze organisatie waren in ieder geval [medeverdachte A] en [medeverdachte B] .

De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

Met het vonnis van heden in de zaak van [medeverdachte B] heeft de rechtbank onder meer bewezen verklaard dat [medeverdachte B] als medepleger betrokken was bij vijf (pogingen tot) brandstichting(en)/ teweegbrengen van ontploffing(en) bij diverse woningen die in verband kunnen worden gebracht met het in de inleiding beschreven conflict. Overigens blijkt niet dat [medeverdachte B] betrokken is bij genoemd conflict. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte contact had met zowel [medeverdachte A] als met [medeverdachte B] , met wie [medeverdachte A] tot 12 augustus 2023 gedetineerd was. Daartoe verwijst de rechtbank onder meer naar het in de telefoon van [medeverdachte A] aangetroffen screenshot (gemaakt op 22 augustus 2023) van een selfie van de verdachte en [medeverdachte B] in een auto, met daarbij de tekst “Die jongens van me” en zogenaamde emoji’s in de vorm van hartjes. Uit opgenomen telecommunicatie, onder meer op 6 en 9 september 2023, dus na de vrijlating van [medeverdachte B] , blijkt dat de verdachte en [medeverdachte A] spreken over ‘ [bijnaam] ’, de bijnaam van [medeverdachte B] . De rechtbank duidt de inhoud van deze gesprekken zo, dat daarin gesproken wordt over wat [medeverdachte B] voor de verdachte en [medeverdachte A] zou kunnen betekenen. Er wordt immers gesproken over dat de verdachte ‘iets voor hem had’, maar dat hij ( [medeverdachte B] ) traag reageert, en ‘ [bijnaam] gaat nu om de seconde op ons reageren’. Kort hierna, op 14 september 2023, vindt vervolgens de eerste explosie plaats die met het in de inleiding genoemde conflict in verband kan worden gebracht. Ook op 5 oktober 2023 vindt een explosie plaats op een adres dat met het conflict in verband kan worden gebracht en waarvoor de verdachte en [medeverdachte B] bij vonnissen van heden als medeplegers worden veroordeeld.

De rechtbank stelt voorts vast dat binnen de criminele organisatie sprake was van een zekere rolverdeling. Uit het dossier (onder meer map Z: procesdossier criminele organisatie) blijkt immers dat bij de diverse (pogingen tot) brandstichting(en)/teweegbrengen van (een) ontploffing(en), via veelal Snapchat, uitvoerders, waaronder chauffeurs en degenen die de explosieven plaatsten en aanstaken, voor deze misdrijven werden gezocht door zogenaamde brokers/ronselaars. Daarbij werden de explosieven (VBC’s) aan de uitvoerders ter beschikking gesteld en werd in de meeste gevallen de opdracht gegeven een en ander te filmen. Dat sommige deelnemers aan de criminele organisatie wel eens van rol wisselden omdat ze zich bijvoorbeeld binnen de organisatie opwerkten van uitvoerder tot broker, of omdat zij een dubbelrol vervulden, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat niet meer kan worden gesproken van een zekere rolverdeling.

Voor de rechtbank staat in dit verband vast dat in ieder geval de verdachte, als direct betrokkene bij het in de inleiding genoemde conflict, [medeverdachte A] , en ook [medeverdachte B] , onder meer vanwege zijn contacten met de verdachte en zijn betrokkenheid als medepleger waarvan ook één keer met de verdachte, bij diverse (pogingen tot) brandstichting(en)/teweegbrengen van (een) ontploffing(en), een rol vervulden binnen de criminele organisatie en dat er in ieder geval tussen hen sprake was van een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband.

Oogmerk

De rechtbank is voorts van oordeel dat de organisatie tot oogmerk had het plegen van brandstichtingen en/of het teweegbrengen van ontploffingen. Daartoe wordt allereerst verwezen naar het in de inleiding beschreven conflict. De rechtbank is namelijk van oordeel dat het criminele oogmerk van de organisatie voortkomt uit het bestaan van dit conflict. De verdachte en [medeverdachte A] zijn immers beiden betrokken bij het conflict en zijn – zoals hierna wordt overwogen – ook beiden betrokken bij de oprichting van de criminele organisatie. Er is voorts sprake geweest van een groot aantal brandstichtingen en/of ontploffingen dan wel pogingen daartoe bij woningen of panden die in verband kunnen worden gebracht met het conflict. De rechtbank verwijst daarvoor naar het in de bewijsmiddelenbijlage opgenomen overzicht van deze feiten. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank het criminele oogmerk van de organisatie ook daadwerkelijk verwezenlijkt.

De verdachte als deelnemer aan de organisatie

Hoewel het de verdachte blijkens de tenlastelegging niet wordt verweten dat hij oprichter en/of leider van de criminele organisatie is, is de rechtbank van oordeel dat uit hetgeen hiervoor onder ‘bestaan criminele organisatie’ is overwogen, blijkt dat de verdachte ook een rol heeft gehad bij de oprichting van de criminele organisatie. De verdachte en [medeverdachte A] hebben immers contact met elkaar over ‘ [bijnaam] ’ ( [medeverdachte B] ) en wat [medeverdachte B] voor de verdachte en [medeverdachte A] kan betekenen. De rechtbank duidt deze contacten dan ook in het licht van de oprichting van deze organisatie, waarbij [medeverdachte A] , samen met de verdachte, [medeverdachte B] heeft geworven om een bijdrage te leveren aan het oogmerk van de criminele organisatie.

De rechtbank heeft hiervoor reeds overwogen dat bewezen verklaard kan worden dat de verdachte als medepleger, in ieder geval samen met [medeverdachte B] , betrokken was bij één brandstichting/teweegbrengen van een ontploffing bij een adres dat in verband kan worden gebracht met het in de inleiding beschreven conflict. Daar komt nog eens bij dat ten aanzien van de verdachte ook bewezen is verklaard dat hij zich in relatie tot dit feit schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het crimineel uitbuiten van een minderjarige uitvoerder van dit feit.

Conclusie

Door dit beschreven handelen van de verdachte is de rechtbank van oordeel dat de verdachte een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan de verwezenlijking van het hiervoor weergegeven oogmerk van de criminele organisatie en dat zijn opzet daar ook op was gericht. De rechtbank merkt de verdachte dan ook aan als deelnemer aan deze criminele organisatie zoals tenlastegelegd.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de in zaak A onder 1, 2 primair en 5, in zaak B onder 1 en 2 en in de zaken C, D en E ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat

Zaak A

1

hij in de periode van 12 augustus 2023 tot en met 11 februari 2024 in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten (onder andere) [medeverdachte A] en [medeverdachte B] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten opzettelijk brandstichten en/of teweegbrengen van ontploffingen;

2. primair

hij op 5 oktober 2023 te Alkmaar, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht en brand heeft gesticht bij een bedrijfspand, gelegen aan de [adres A] te Alkmaar, door bij voornoemd pand een zogenaamde vuurwerk-brandstof-combinatie, te weten explosieven (cobra’s 6) en een flesje met snel ontbrandende vloeistof tot ontsteking en/of ontbranding te brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten een pand gelegen aan de [adres A] te Alkmaar en aangrenzende panden en de in voornoemde panden aanwezige goederen te duchten was;

5

hij in de periode van 1 april 2024 tot en met 16 juli 2024 in Nederland opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en vervoerd materiaal bevattende cocaïne.

Zaak B

1

hij in de periode van 1 januari 2023 tot en met 9 maart 2023 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en vervoerd hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne.

2

hij omstreeks 9 maart 2023 te Alkmaar 2400 euro voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, wist dat dat voorwerp onmiddellijk afkomstig was uit enig eigen misdrijf.

Zaak C

hij op 13 juni 2022 te Alkmaar opzettelijk en wederrechtelijk de intercom en klok in cel 7 van het politiebureau Mallegatsplein 2 te Alkmaar en de klok en deur en muur en tafel in cel 13 van het politiebureau Mallegatsplein 2 te Alkmaar, die aan de Politie (afdeling arrestantenzorg te Alkmaar) toebehoorden, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt.

Zaak D

hij op 9 oktober 2022 te Alkmaar opzettelijk een ambtenaar, te weten [naam verbalisant] , in dienst bij politie eenheid Noord-Holland, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in zijn tegenwoordigheid, mondeling

heeft beledigd, door hem de woorden toe te voegen: "Ik vind jullie kankerflikkers'.

Zaak E

hij op 5 oktober 2023 te Alkmaar, tezamen en in vereniging met een ander, [betrokkene A] , geboren op [datum] , heeft vervoerd en overgebracht, met het oogmerk van uitbuiting van die [betrokkene A] , terwijl die [betrokkene A] de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt, immers hebben verdachte en zijn mededader:

- die [betrokkene A] vervoerd naar de nabijheid van de locatie waar het explosief geplaatst diende te worden en

- een explosief, een paar schoenen en een aansteker verstrekt voor het plegen van de brandstichting/het teweegbrengen van de ontploffing.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van zaak A, feit 1

Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van twaalf jaar of meer is gesteld

Ten aanzien van zaak A, feit 2:

Medeplegen van opzettelijk brand stichten en een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is

Ten aanzien van zaak A, feit 5

Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

Ten aanzien van zaak B, feit 1

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

Ten aanzien van zaak B, feit 1

Eenvoudig witwassen

Ten aanzien van zaak C

Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen en/of beschadigen en/of onbruikbaar maken, meermalen gepleegd

Ten aanzien van zaak D

Eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening

Ten aanzien van zaak E

Mensenhandel, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en terwijl de persoon ten aanzien van wie het in artikel 273f, eerste lid onder 2º van het Wetboek van Strafrecht omschreven feit wordt gepleegd, de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5. Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar.

6. Motivering van de sancties

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van tien jaren, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan de verdachte de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (hierna: GVM) als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht (Sr) wordt opgelegd.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft de rechtbank verzocht bij de straftoemeting rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn. De eis van tien jaren gevangenisstraf, in combinatie met een GVM, is fors, zeker gelet op jonge leeftijd van de verdachte. Gepleit wordt voor een gevangenisstraf die gelijk is aan het voorarrest, met daarnaast een maximale taakstraf en een flinke voorwaardelijke gevangenisstraf met daaraan verbonden de door de reclassering voorgestelde bijzondere voorwaarden.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sancties die aan de verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Ernst van de feiten

De verdachte heeft samen met [medeverdachte A] een criminele organisatie opgericht die als oogmerk had het opzettelijk brandstichten en teweegbrengen van ontploffingen. Het conflict tussen de verdachte en [medeverdachte A] enerzijds en [persoon A] anderzijds lag hieraan ten grondslag; het oogmerk van de organisatie was er meer specifiek op gericht om [persoon A] en/of diens omgeving te raken door het plegen van zeer ernstige feiten met onaanvaardbare risico’s, zoals levensgevaar voor personen. De verdachte heeft in de criminele organisatie gedurende een periode van 6 maanden een leidende rol gehad en is daarom mede verantwoordelijk voor de feiten die in dat kader zijn gepleegd. De rechtbank weegt deze rol van de verdachte in strafverzwarende zin mee.

De verdachte heeft zich samen met anderen op 5 oktober 2023 schuldig gemaakt aan het teweegbrengen van een ontploffing en aan brandstichting bij een bedrijfspand aan de [adres A] in Alkmaar. Het is een gelukkige omstandigheid geweest dat er ten tijde van de ontploffing niemand in de directe nabijheid aanwezig was, waardoor alleen gevaar voor goederen is ontstaan.

De verdachte en [medeverdachte B] hebben de minderjarige [betrokkene A] onder druk gezet dit feit te plegen. Zij hebben [betrokkene A] een zwaar explosief gegeven dat bestond uit tenminste drie stuks Cobra 6 vuurwerk en een plastic fles met snel ontbrandende vloeistof en hem naar de plaats delict gebracht, waar [betrokkene A] het explosief moest aansteken. Op deze wijze hebben zij [betrokkene A] in gevaar gebracht en hoefden zij zelf de risicovolle handelingen niet uit te voeren. De verdachten hebben zich daarmee schuldig gemaakt aan de criminele uitbuiting van [betrokkene A] . De rechtbank acht dit een zeer ernstig feit.

Deze incidenten speelden zich af in een periode waarin bij meerdere panden in Alkmaar ontploffingen plaatsvonden of pogingen daartoe werden ondernomen. Dit heeft veel impact gehad op de direct betrokkenen en omwonenden, maar ook meer algemeen op de (inwoners van de) stad Alkmaar. Onder andere tijdens bewonersbijeenkomsten bleek dat de angst en ongerustheid onder de burgers groot was. Als gevolg van de ontploffingen en pogingen daartoe zijn meerdere locaties in Alkmaar aangewezen als veiligheidsrisicogebied en is ingezet op permanent cameratoezicht op en observatie van de betreffende woningen. De woning aan de [adres D] , waar [persoon A] destijds woonde, is als gevolg van de incidenten op last van de burgemeester gesloten. Dat heeft niet alleen impact gehad op de bewoner(s), maar ook op de omwonenden van die woning.

De verdachte heeft zich verder schuldig gemaakt aan het handelen in cocaïne gedurende een periode van in totaal bijna zes maanden en aan het witwassen van een deel van de opbrengst van die drugshandel. Het is een feit van algemene bekendheid dat drugs niet alleen zeer schadelijk zijn voor de gezondheid van gebruikers, maar ook voor de volksgezondheid en de samenleving in het algemeen. De handel in drugs gaat veelal gepaard met verschillende vormen van ook zeer zware criminaliteit en illegale geldstromen; het vormt een schakel in de keten van criminele ondermijnende activiteiten die de samenleving ernstig ontwrichten. De verdachte heeft daaraan bijgedragen.

Daarnaast heeft de verdachte, op straat en in het bijzijn van veel mensen, een verbalisant op grove wijze beledigd. Dergelijk gedrag getuigt van een gebrek aan respect voor de betreffende politieambtenaar en voor het publieke belang dat door de politie wordt gediend.

Ten slotte heeft de verdachte goederen in twee cellen op het politiebureau in Alkmaar vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt. Door zijn handelen heeft verdachte er blijk van gegeven geen respect te hebben voor de eigendommen van anderen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een aantal zeer ernstige strafbare feiten. Hij heeft bij het plegen van deze feiten kennelijk alleen oog gehad voor geldelijk gewin of andere eigen belangen en zich niets gelegen laten liggen aan de gevolgen van zijn handelen voor de slachtoffers. De verdachte heeft geen openheid van zaken gegeven en geen verantwoordelijkheid genomen voor zijn rol in de bewezenverklaarde feiten.

Persoon van de verdachte

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op het strafblad van de verdachte, gedateerd 11 maart 2026, waaruit blijkt dat de verdachte eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld. De rechtbank weegt dit ten nadele van de verdachte mee bij de straftoemeting.

De rechtbank heeft verder kennisgenomen van verschillende reclasseringsadviezen over de verdachte, waaronder het meest recente advies van 25 maart 2026. De reclassering constateert op basis van het strafblad van de verdachte en de in het verleden ingezette groepsaanpak vanuit de gemeente, dat sprake is van een zorgelijke ontwikkeling. De verdachte heeft een verscheidenheid aan delicten gepleegd die in ernst lijken toe te nemen. Het sociale netwerk van de verdachte, zijn houding en zijn psychosociaal functioneren houden verband met het delictgedrag. De verdachte lijkt zich als crimineel te profileren.

De voorlopige hechtenis van de verdachte is met ingang van 11 november 2025 geschorst onder bijzondere voorwaarden. De reclassering houdt toezicht op de naleving van deze voorwaarden. De verdachte laat volgens de reclassering veranderingsbereidheid zien en houdt zich aan de afspraken en voorwaarden. De reclassering merkt hierbij wel op dat dit mogelijk sociaal wenselijk gedrag is in verband met de aankomende zitting. De reclassering heeft zorgen over het sociale netwerk van de verdachte, zijn drugsgebruik, de gezinsdynamiek, zijn psychosociaal functioneren en zijn pro-criminele houding. Aangezien de leefstijltraining nog niet is afgerond, een delictanalyse en verder persoonlijkheidsonderzoek (nog) niet kan worden ingezet vanwege de grotendeels ontkennende proceshouding van de verdachte, acht de reclassering voortzetting van het toezicht na een eventuele gevangenisstraf noodzakelijk. Forensische behandeling dient dan uit te wijzen of en in welke mate de persoonlijkheid van de verdachte van invloed is geweest op zijn delictgedrag. De reclassering adviseert ook de elektronische monitoring gedurende een langere periode te handhaven, alsmede een GVM op te leggen.

De reclassering schat het risico op recidive in als gemiddeld tot hoog, het risico op letsel als gemiddeld, en het risico op onttrekken aan de voorwaarden als laag.

Redelijke termijn

De verdachte heeft in de hoofdzaak korter dan zestien maanden in voorlopige hechtenis gezeten. Als uitgangspunt geldt dan dat de behandeling op zitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen 24 maanden nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van een zaak of de invloed van de verdachte en/of zijn raadslieden op het procesverloop.

De rechtbank overweegt met betrekking tot de aanvang van de redelijke termijn en het procesverloop in deze zaak het volgende. De redelijke termijn in de hoofdzaak is aangevangen op 17 september 2024, de dag waarop de verdachte voor het eerst door de politie is verhoord en in bewaring is gesteld, en eindigt derhalve op 17 september 2026. De rechtbank wijst eindvonnis in deze zaak op 9 juni 2026 en is daarom van oordeel dat de redelijke termijn niet is overschreden.

Strafoplegging

De rechtbank acht, alles afwegende, waaronder de veelheid en ernst van de feiten, een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren passend en geboden.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 .

Gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (GVM)

De rechtbank leidt uit de stukken met betrekking tot de persoon van de verdachte af dat het noodzakelijk is een mogelijkheid te creëren om de verdachte, ook na de detentie, onder toezicht te stellen om het recidiverisico in de toekomst naar een aanvaardbaar risico terug te kunnen dringen, dan wel op een aanvaardbaar niveau te houden. Aan de wettelijke voorwaarden voor de oplegging van de GVM is voldaan. De oplegging is namelijk nodig ter bescherming van de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen. Daarnaast zal de verdachte worden veroordeeld tot een gevangenisstraf wegens – onder meer – een misdrijf als omschreven in artikel 273f Sr (artikel 38z, eerste lid, onder c Sr). De rechtbank zal daarom aan de verdachte de maatregel opleggen als bedoeld in artikel 38z Sr. Hierdoor kan de rechtbank, na ommekomst van de gevangenisstraf, op vordering van de officier van justitie en na beoordeling van de op dat moment actuele situatie, de tenuitvoerlegging van een GVM bevelen en de inhoud en de duur daarvan bepalen (artikel 6:6:23b Sv).

7. Voorlopige hechtenis

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de schorsing van de voorlopige hechtenis bij vonnis wordt opgeheven.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft de rechtbank primair verzocht de (geschorste) voorlopige hechtenis van de verdachte op te heffen. De gronden van de geschokte rechtsorde en van het herhalingsgevaar zijn volgens de verdediging niet (meer) aan de orde. Subsidiair is verzocht de schorsing van de voorlopige hechtenis niet bij vonnis op te heffen maar de schorsing te continueren.

Oordeel van de rechtbank

Het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte in de zaak met parketnummer

15-299774-24 is door de rechtbank met ingang van 11 november 2025 onder voorwaarden geschorst tot aan de einduitspraak. Dit betekent dat de voorlopige hechtenis in beginsel op 9 juni 2026 herleeft.

De rechtbank is van oordeel dat de ernstige bezwaren en de gronden die tot het verlenen van het bevel tot voorlopige hechtenis hebben geleid, nog steeds bestaan. De rechtbank wijst daarom het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis af. Ook de persoonlijke belangen van de verdachte die tot de schorsing hebben geleid zijn onveranderd. Na afweging van de strafvorderlijke belangen bij tenuitvoerlegging van de voorlopige hechtenis enerzijds en de persoonlijke belangen van de verdachte anderzijds, acht de rechtbank het in dit concrete geval niet aangewezen dat de voorlopige hechtenis herleeft op de dag van de einduitspraak. De rechtbank zal daarom opnieuw de schorsing van de voorlopige hechtenis onder bijzondere voorwaarden bevelen tot het moment waarop dit vonnis onherroepelijk is. Deze beslissing wordt afzonderlijk geminuteerd.

8. Bijkomende straf - verbeurdverklaring

De rechtbank merkt op dat het dossier oorspronkelijk twee beslaglijsten bevatte:

Op de zitting van 13 april 2026 heeft de officier van justitie een nieuwe beslaglijst in de zaak met parketnummer 15-043264-23 overgelegd, gedateerd 13 april 2026. Op deze nieuwe beslaglijst staan, naast een aantal geldbedragen, drie van de acht op de eerdere beslaglijst opgenomen telefoons vermeld. Er is geen nieuwe beslaglijst in de zaak met parketnummer 15-142692-22 overgelegd. Op vragen van de rechtbank heeft de officier van justitie uitdrukkelijk medegedeeld dat de nieuwe beslaglijst de oorspronkelijk in het dossier aanwezige beslaglijsten vervangt. Gelet hierop gaat de rechtbank ervan uit dat over de zeven telefoons die niet meer op de nieuwe beslaglijst voorkomen, geen beslissing meer hoeft te worden genomen.

De rechtbank is van oordeel dat de volgende drie onder de verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven telefoons dienen te worden verbeurd verklaard:

Uit het dossier blijkt dat deze voorwerpen aan de verdachte toebehoren en dat het in zaak B onder 1 bewezen verklaarde feit met behulp van die voorwerpen (dealtelefoons) is begaan of voorbereid.

De rechtbank is van oordeel dat de volgende onder de verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven geldbedragen eveneens dienen te worden verbeurd verklaard:

4. 2395 2395 euro, omschrijving: 1464461

4. 2395 76,70 euro, omschrijving: 1464463

4. 2395 5 euro, omschrijving 1465791.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat deze geldbedragen, die aan de verdachte toebehoren, door middel van het in zaak B onder 1 bewezen verklaarde feit zijn verkregen.

9. Vorderingen benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregelen

Vorderingen benadeelde partijen [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3]

De benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , bewoners van de woning aan de [adres C] te Alkmaar, hebben beiden een vordering tot schadevergoeding van € 1.000,- ingediend tegen de verdachte wegens immateriële schade die zij als gevolg van het in zaak A onder 4 ten laste gelegde feit zouden hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente daarover.

De benadeelde partij [slachtoffer 3] , bewoner van de woning aan de [adres B] te Alkmaar, heeft een vordering tot schadevergoeding van € 3.000,- ingediend tegen de verdachte wegens immateriële schade die hij als gevolg van het in zaak A onder 3 ten laste gelegde zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente daarover.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de vorderingen van de benadeelde partijen toe te wijzen en aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat, gelet op de bepleite vrijspraak, de benadeelde partijen [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in hun vorderingen dan wel dat hun vorderingen moeten worden afgewezen.

Oordeel van de rechtbank

Omdat de verdachte wordt vrijgesproken van het ten laste gelegde in zaak A onder 3 en 4, zullen de benadeelde partijen [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vorderingen.

Vorderingen benadeelde partij [persoon A]

De benadeelde partij [persoon A] , de (voormalige) bewoner van de woning aan de [adres D] te Alkmaar, vordert een bedrag van € 3.000,- wegens immateriële schade die hij als gevolg van – naar de rechtbank begrijpt – de in zaak A onder 1 en 4 ten laste gelegde feiten zou hebben geleden.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de vordering van de benadeelde partij [persoon A] voldoende onderbouwd. De officier van justitie stelt zich daarnaast op het standpunt dat de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde kan worden toegerekend (eigen schuld) en daarom voor 50% kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich, gelet op de bepleite vrijspraak, op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij [persoon A] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vordering dan wel dat zijn vordering moet worden afgewezen.

Oordeel van de rechtbank

Omdat de verdachte wordt vrijgesproken van het ten laste gelegde in zaak A onder 4, zal de benadeelde partij [persoon A] niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering voor zover het schade betreft die het gevolg zou zijn van dat feit.

Voor zover het gaat om de gestelde schade als gevolg van het in de zaak A bewezenverklaarde onder 1, overweegt de rechtbank als volgt. Vergoeding van immateriële schade is op grond van artikel 6:106 aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek (BW) mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van [persoon A] in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.

De benadeelde partij [persoon A] heeft beschreven welke gevolgen de reeks van pogingen en voltooide explosies met zijn woning als doelwit voor hemzelf, zijn ex-partner en zijn kind heeft gehad. Gelet op de aard en de ernst van de normschending, neemt de rechtbank aan dat sprake is van een “aantasting in zijn persoon op andere wijze" in de zin van artikel 6:106 eerste lid BW. Die schade is naar het oordeel van de rechtbank echter, gelet op het conflict tussen aan de ene kant de verdachte en [medeverdachte A] en aan de andere kant [persoon A] waar de reeks van pogingen en voltooide explosies deel van uitmaken, mede een gevolg van een omstandigheid die aan [persoon A] kan worden toegerekend zoals bedoeld in artikel 6:101 BW. Het vaststellen van de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden aan de schade hebben heeft bijgedragen, zou leiden tot een onevenredige belasting van deze strafprocedure. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij [persoon A] niet-ontvankelijk is in zijn vordering tot schadevergoeding. Desgewenst kan hij de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

10. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

- 33, 33 a, 38z, 47, 57, 63, 140, 157, 266, 267, 273f, 420bis en 350 van het Wetboek van Strafrecht en

- 2 en 10 van de Opiumwet.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

11. Beslissing

De rechtbank:

 Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte in zaak A onder 3 primair en subsidiair en 4 primair en subsidiair is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

 Verklaart bewezen dat de verdachte de in zaak A onder 1, 2 primair en 5, in zaak B onder 1 en 2 en in de zaken C, D en E laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.

 Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren.

Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

 Legt aan de verdachte op de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking (artikel 38z Sr).

 Verklaart verbeurd:

 Verklaart de benadeelde partijen [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [persoon A] niet-ontvankelijk in hun vorderingen.

Wijst af het verzoek tot opheffing van het bevel tot voorlopige hechtenis in de zaak met het oorspronkelijke parketnummer 15-299774-24.

Schorst de voorlopige hechtenis in de zaak met het oorspronkelijke parketnummer

15-299774-24 met ingang van 9 juni 2026 om 12.45 uur tot het moment waarop dit vonnis onherroepelijk is, welke beslissing afzonderlijk is geminuteerd.

 Heft op het geschorste bevel voorlopige hechtenis in de zaak met parketnummer

15-043264-23.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.E. Francke, voorzitter,

mr. M.S. Neervoort en mr. E.L. Hoogstraate, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier A. Helder,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 9 juni 2026.

Bijlage I

De tenlasteleggingen

Zaak A

1

OZ Klaver

hij in of omstreeks de periode van 12 augustus 2023 tot en met 11 februari 2024 te Alkmaar en/of Heerhugowaard en/of Amsterdam, althans (meerdere plaatsen) in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten (onder andere) [medeverdachte A] en [medeverdachte B] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten opzettelijk brandstichten en/of teweegbrengen van ontploffingen;

2

OZ Klaver 1

hij op of omstreeks 5 oktober 2023 te Alkmaar, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht en/of brand heeft gesticht bij een pand (bedrijfspand), gelegen aan de [adres A] te Alkmaar door bij voornoemd pand een zogenaamde vuurwerk-brandstof-combinatie, te weten een of meer explosieven (cobra’s 6) en/of (een flesje met) snel ontbrandende vloeistof tot ontsteking en/of ontbranding te brengen, terwijl daarvan

- gemeen gevaar voor goederen, te weten een pand gelegen aan de [adres A] te Alkmaar en/of aangrenzende panden en/of de in voornoemde panden aanwezige goederen, en/of

- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten (een) aanwezige(n) in voornoemd pand en/of aangrenzende panden en/of (een) passant(en) en/of hulpverleners te duchten was;

subsidiair

[betrokkene A] op of omstreeks 5 oktober 2023 te Alkmaar, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht en/of brand heeft gesticht bij een pand (bedrijfspand), gelegen aan de [adres A] te Alkmaar door bij voornoemd pand een zogenaamde vuurwerk-brandstof-combinatie, te weten een of meer explosieven (cobra’s 6) en/of (een flesje met) snel ontbrandende vloeistof tot ontsteking en/of ontbranding te brengen, terwijl daarvan

- gemeen gevaar voor goederen, te weten een pand gelegen aan de [adres A] te Alkmaar en/of aangrenzende panden en/of de in voornoemde panden aanwezige goederen, en/of

- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten (een) aanwezige(n) in voornoemd pand en/of aangrenzende panden en/of (een) passant(en) en/of hulpverleners te duchten was

welk feit hij, verdachte, in of omstreeks de periode van 6 september 2023 tot en met 5 oktober 2023, te Alkmaar en/of Krommenie en/of Heerhugowaard en/of Amsterdam, in elk geval (op een of meerdere locaties) in Nederland, tezamen en in vereniging met [medeverdachte A] en/of [medeverdachte B] en een of meerdere anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft uitgelokt door giften en/of beloften en/of bedreiging en/of door het verschaffen van gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen, te weten door (al dan niet via tussenpersonen) - opdracht te geven tot een brandstichting voor/bij de genoemde woning (door middel van een zogenaamde vuurwerk-brandstof combinatie)

en/of

- contact op te nemen en/of onderhouden met [betrokkene A] en diens medeverdachten (over het teweegbrengen van die explosie) en/of

- [betrokkene A] en/of zijn medeverdachten een of meerdere geldbedragen en/of vergoedingen (ten behoeve van die explosie), te weten 2000 euro (voor het teweegbrengen van die explosies), aan te bieden en/of toe te zeggen en/of

- het adres van het pand en/of locatie, waar die explosie zou moeten plaatsvinden, te verstrekken en/of te tonen door die [betrokkene A] mee te nemen naar de betreffende locatie en/of

- meerdere malen, althans eenmaal, (ten behoeve van die explosies) (via derden) instructies en/of aanwijzingen aan die [betrokkene A] en/of zijn medeverdachten (door) te geven;

3

OZ Amarant

hij op of omstreeks 1 februari 2024 te Alkmaar, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht en/of brand heeft gesticht bij een pand (woning), gelegen aan de [adres B] te Alkmaar door bij voornoemd pand een zogenaamde vuurwerk-brandstof-combinatie, te weten een explosief (een rookbom en/of cobra 6) en/of (een flesje met) snel ontbrandende vloeistof tot ontsteking en/of ontbranding te brengen, terwijl daarvan

- gemeen gevaar voor goederen, te weten een pand gelegen aan de [adres B] te Alkmaar en/of aangrenzende panden en/of de in voornoemde panden aanwezige goederen, en/of

- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten (een) aanwezige(n) in voornoemde panden en/of (een) passant(en) en/of hulpverleners te duchten was;

subsidiair

[betrokkene B] , [betrokkene C] , [betrokkene D] en/of [betrokkene E] , althans anderen op of omstreeks 1 februari 2024 te Alkmaar, Amsterdam, Rotterdam, Arnhem in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht en/of brand heeft gesticht bij een pand (woning), gelegen aan de [adres B] te Alkmaar door bij voornoemd pand een zogenaamde vuurwerk-brandstof-combinatie, te weten een explosief (een rookbom en/of cobra 6) en/of (een flesje met) snel ontbrandende vloeistof tot ontsteking en/of ontbranding te brengen, terwijl daarvan - gemeen gevaar voor goederen, te weten een pand gelegen aan de [adres B] te Alkmaar en/of aangrenzende panden en/of de in voornoemde panden aanwezige goederen, en/of

- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten (een) aanwezige(n) in voornoemde panden en/of (een) passant(en) en/of hulpverleners te duchten

was

welk feit verdachte in de periode van 12 augustus 2023 tot en met 1 februari 2024 in Alkmaar, althans in Nederland tezamen en in vereniging met [medeverdachte A] en/of [medeverdachte B] een of meerdere anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft uitgelokt door giften en/of beloften en/of geweld en/of bedreiging en/of het verschaffen van gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen, te weten door (al dan niet via tussenpersonen)

- opdracht te geven tot een brandstichting voor/bij de genoemde woning (door middel van een zogenaamde vuurwerk brandstof combinatie) en/of

- het in het vooruitzicht stellen van een betaling en/of

- het adres van de woningen en/of locaties, waar die explosies zouden moeten plaatsvinden, te (laten) verstrekken en/of

- meerdere malen, althans eenmaal, (ten behoeve van die explosies) (via derden) instructies en/of aanwijzingen aan de uitvoerder(s) (door) te geven;

4

OZ Amarant/Uranus/Saturnus

hij (op drie, althans een of meerdere tijdstippen) in of omstreeks de periode van 1 februari tot en met 4 februari 2024, te Alkmaar, althans in Nederland, meerdere malen, althans eenmaal, (telkens) tezamen en in vereniging met een of meerdere anderen, althans alleen, ter uitvoering van het/de door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrij(f)(ven) om (telkens) opzettelijk een ontploffing teweeg te brengen en/of brand te stichten, terwijl daarvan

- gemeen gevaar voor goederen, te weten het pand gelegen aan de [adres C] en/of [adres D] te Alkmaar en/of aangrenzende panden en/of de in voornoemde panden aanwezige goederen en/of,

- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten (een) aanwezige(n) in voornoemde (en/of aangrenzende) panden en/of (een) passant(en) en/of één of meer hulpverlener(s) te duchten was,

telkens met dat opzet

- met een of meer anderen met een auto naar Alkmaar is gereden en/of

- een zogenaamde vuurwerk-brandstof-combinatie (VBC), te weten een explosief (een cobra 6) en/of (een flesje met) snel ontbrandende vloeistof heeft gefabriceerd en/of

- deze VBC en aansteker(s) heeft meegenomen en/of

- deze VBC voor de deur/in de nabijheid heeft neergezet van de woningen op de adressen aan de [adres C] te Alkmaar en/of [adres D] te Alkmaar en/of

- een tegel tegen het raam van de [adres C] heeft gegooid,

terwijl de uitvoering van dat/die voorgenomen misdrij(f)(ven) niet is voltooid;

subsidiair

(OZ Amarant) [betrokkene B] , [betrokkene C] , [betrokkene D] en/of [betrokkene E] , en/of

(OZ Uranus) [betrokkene F] , [betrokkene G] en/of [betrokkene H] , en/of

(OZ Saturnus) [betrokkene I] , [betrokkene J] , [betrokkene K] en/of [betrokkene H] ,

althans een ander, (op drie, althans een of meerdere tijdstippen) in of omstreeks de periode van 1 februari tot en met 4 februari 2024, te Alkmaar, althans in Nederland, meerdere malen, althans eenmaal, (telkens) tezamen en in vereniging met een of meerdere anderen, althans alleen, ter uitvoering van het/de door die

(OZ Amarant) [betrokkene B] , [betrokkene C] , [betrokkene D] en/of [betrokkene E] , en/of

(OZ Uranus) [betrokkene F] , [betrokkene G] en/of [betrokkene H] , en/of

(OZ Saturnus) [betrokkene I] , [betrokkene J] , [betrokkene K] en/of [betrokkene H]

voorgenomen misdrij(f)(ven) om (telkens) opzettelijk een ontploffing teweeg te brengen en/of brand te stichten, terwijl daarvan

- gemeen gevaar voor goederen, te weten het pand gelegen aan de [adres C] en/of [adres D] te Alkmaar en/of aangrenzende panden en/of de in voornoemde panden aanwezige goederen en/of,

- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten (een) aanwezige(n) in voornoemde panden en/of (een) passant(en) en/of hulpverleners te duchten was

telkens met dat opzet

- met een of meer anderen met een auto naar Alkmaar is gereden en/of

- een zogenaamde vuurwerk-brandstof-combinatie (VBC), te weten een explosief (een cobra 6) en/of (een flesje met) snel ontbrandende vloeistof heeft gefabriceerd en/of

- deze VBC en aansteker(s) heeft meegenomen en/of - deze VBC voor de deur/in de nabijheid heeft neergezet van de woningen op de adressen aan de [adres C] te Alkmaar en/of [adres D] te Alkmaar en/of

- een tegel tegen het raam van de [adres C] heeft gegooid,

terwijl de uitvoering van dat/die voorgenomen misdrij(f)(ven) niet is voltooid,

welk(e) voorgenomen feit(en) verdachte in de periode van 12 augustus 2023 tot en met 4 februari 2024 in te Alkmaar, Amsterdam, Utrecht, Rotterdam, Arnhem in elk geval (op een of meerdere locaties) in Nederland tezamen en in vereniging met [medeverdachte A] en/of [medeverdachte B] een of meerdere anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft uitgelokt door giften en/of beloften en/of geweld en/of bedreiging en/of het verschaffen van gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen, te weten door (al dan niet via tussenpersonen)

- opdracht te geven tot een brandstichting voor/bij de genoemde woning (door middel van een zogenaamde vuurwerk brandstof combinatie) en/of

- het in het vooruitzicht stellen van een betaling en/of

- het adres van de woningen en/of locaties, waar die explosies zouden moeten plaatsvinden, te (laten) verstrekken en/of

- meerdere malen, althans eenmaal, (ten behoeve van die explosies) (via derden) instructies en/of aanwijzingen aan de uitvoerder(s) (door) te geven;

5

hij op één of meerdere momenten in of omstreeks de periode 1 april 2024 tot en met 16 juli 2024 te Alkmaar en/of Heiloo, althans in Nederland, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde cocaïne en/of MDMA (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Zaak B

1

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2023 tot en met 9 maart 2023 te Alkmaar, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of vervoerd en/of verstrekt aan een of meer onbekend gebleven perso(o)n(en) een of meer hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende cocaïne en/of een of meer hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende heroïne, zijnde cocaïne en/of heroïne, in elk geval (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst 1, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet

2

hij op/in of omstreeks 9 maart 2023 te Alkmaar, in elk geval in Nederland, 2400 euro, althans een of meer voorwerpen heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad terwijl hij, verdachte, wist dat dat/die voorwerp(en) onmiddellijk afkomstig was uit enig (eigen) misdrijf.

Zaak C

hij op of omstreeks 13 juni 2022 te Alkmaar, in elk geval in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk de intercom en/of klok (in cel 7 van het politiebureau Mallegatsplein 2 te Alkmaar) en/of de klok en/of deur en/of muur en/of tafel (in cel 13 van het politiebureau Mallegatsplein 2 te Alkmaar), in elk geval enig goed, die geheel of ten dele aan de Politie (afdeling arrestantenzorg te Alkmaar), in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.

Zaak D

hij op of omstreeks 9 oktober 2022 te Alkmaar opzettelijk een ambtenaar,te weten [naam verbalisant] , in dienst bij politie eenheid Noord-Holland, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in zijn tegenwoordigheid, mondeling

heeft beledigd, door hem de woorden toe te voegen: "Ik vind jullie kankerflikkers', althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking.

Zaak E

hij op of omstreeks in de periode van 2 oktober 2023 tot en met 5 oktober 2023 te Alkmaar, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een man, genaamd [betrokkene A] , geboren op [datum] ,

- heeft geworven, vervoerd of overgebracht, met het oogmerk van uitbuiting van die [betrokkene A] , terwijl die [betrokkene A] de leeftijd van achttien jaren nog niet had(den) bereikt

(lid 1 sub 2)

immers hebben verdachte en zijn mededader:

- met die [betrokkene A] (via Snapchat en/of telefonisch) contact gelegd, en/of

- die [betrokkene A] opgehaald van het station en vervoerd naar (de nabijheid van) de locatie waar het explosief geplaatst diende te worden en/of

- een explosief, een paar schoenen en/of een aansteker verstrekt voor het plaatsen en/of laten afgaan van het explosief en/of het plegen van de brandstichting/teweegbrengen ontploffing.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand