RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 11787236 \ CV EXPL 25-4514
Uitspraakdatum: 27 mei 2026
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
1. [eiser 1]
2. [eiser 2]
beiden pro se en in hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger voor hun minderjarige kinderen [minderjarige 1] en [minderjarige 2]
allen wonende te [plaats]
eisers
hierna te noemen: de passagiers
gemachtigde: mr. B.W. Floris (Yource B.V.)
tegen
de vennootschap naar buitenlands recht
Air Arabia Maroc
gevestigd te Casablanca (Marokko)
gedaagde
hierna te noemen: de vervoerder
gemachtigde: mr. V.L. van Uden (AKD)
1. Het procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding;
- de conclusie van antwoord;
- de conclusie van repliek;
- de conclusie van dupliek.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
De passagiers hebben een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan de vervoerder hen op 4 augustus 2024 moest vervoeren van Amsterdam-Schiphol Airport naar Fez-Saïss Airport (Marokko), met vlucht 3O126 (hierna: de vlucht).
De vervoerder heeft de vlucht vertraagd uitgevoerd. De passagiers zijn met een vertraging van meer dan drie uur aangekomen op hun eindbestemming.
De passagiers hebben daarom compensatie van de vervoerder gevorderd.
De vervoerder heeft niet uitbetaald.
Passagiers sub 1 en sub 2 zijn door de kantonrechter gemachtigd de onderhavige procedure namens hun minderjarige kinderen te voeren.
3. Het geschil
De passagiers vorderen dat de vervoerder, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, veroordeeld zal worden tot betaling van:- € 1.600,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag van het incident tot aan de dag der algehele voldoening;- € 290,40, althans een in redelijke justitie door de rechtbank te bepalen bedrag, aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente;- de proceskosten en de nakosten.
De passagiers baseren hun vordering op de Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening) en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagiers stellen dat de vervoerder hen vanwege de vertraging van de vlucht moet compenseren met een bedrag van € 400,00 per passagier.
De vervoerder voert verweer. Op zijn verweer wordt bij de beoordeling ingegaan.
4. De beoordeling
De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat hij bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.
Vast staat dat de passagiers met een vertraging van meer dan drie uur op de eindbestemming zijn aangekomen. In beginsel moet de vervoerder dan compenseren. Dit is anders als hij kan aantonen dat de vertraging het gevolg is geweest van buitengewone omstandigheden, die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen konden worden.
Tussen partijen is slechts in geschil of de vervoerder alle redelijke maatregelen heeft genomen om de vertraging op de eindbestemming zo beperkt mogelijk te houden. De kantonrechter oordeelt dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. Hij overweegt daartoe als volgt.
De passagiers voeren onder meer aan dat de vervoerder reeds om 09:50 UTC wist dat de vlucht vertraagd zou worden uitgevoerd. Daarom had de vervoerder voor de rotatie Fez – Amsterdam – Fez een reservetoestel (en -crew) kunnen inzetten. Bovendien had hij tailnumbers kunnen ‘swappen’, aldus de passagiers. De vervoerder heeft dit laatste niet weersproken. Ook heeft hij zijn stelling dat alle toestellen uit zijn vloot die dag, de gehele dag, in gebruik waren, onvoldoende onderbouwd. De gevorderde hoofdsom zal daarom worden toegewezen.
Ten aanzien van de over de hoofdsom gevorderde wettelijke rente geldt het volgende. De passagiers hebben de wettelijke rente gevorderd vanaf de datum van de vlucht. Het gaat om een vordering tot vergoeding van forfaitair berekende schade, zodat deze schade direct opeisbaar is. Het verzuim treedt zonder ingebrekestelling in op het moment dat de schade geacht wordt te zijn geleden. De wettelijke rente wordt daarom toegewezen vanaf 4 augustus 2024, zijnde de datum waarop de vlucht op de eindbestemming had moeten aankomen.
De passagiers hebben een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. De vervoerder heeft dit (gemotiveerd) betwist. De vordering heeft geen betrekking op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten van toepassing is. Daarom moet de kantonrechter de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn, toetsen aan het rapport Voorwerk II. De passagiers hebben onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de verrichte werkzaamheden meer hebben omvat dan de verzending van een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten – en de daarover gevorderde rente – moet daarom worden afgewezen.
De vervoerder zal (grotendeels) in het ongelijk worden gesteld. Daarom zal hij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Ook de nakosten worden toegewezen, voor zover deze kosten daadwerkelijk door de passagiers worden gemaakt.
5. De beslissing
De kantonrechter:
veroordeelt de vervoerder tot betaling aan de passagiers van € 1.600,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 augustus 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening;
veroordeelt de vervoerder tot betaling van de proceskosten die aan de kant van de passagiers tot en met vandaag worden begroot op de bedragen zoals deze hieronder zijn gespecificeerd:
dagvaarding € 144,47;griffierecht € 257,00;salaris gemachtigde € 434,00;
veroordeelt de vervoerder tot betaling van € 108,50 aan nakosten, voor zover de passagiers daadwerkelijk nakosten zullen maken;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.W. Koenis, kantonrechter, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter