RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 11821553 \ CV EXPL 25-5060
Uitspraakdatum: 3 juni 2026
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
1. [eiser 1]
2. [eiser 2]beiden wonende te [plaats]
eisers
hierna gezamenlijk te noemen: de passagiers
gemachtigde: [gemachtigde] (Yource B.V.)
tegen
de vennootschap naar buitenlands recht
Etihad Airways PJSC gevestigd te Abu Dhabi (Verenigde Arabische Emiraten)
gedaagde
hierna te noemen: de vervoerder
gemachtigde: mr. L.B. van Beveren (Kneppelhout)
1. Het procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding;
- de conclusie van antwoord;
- de conclusie van repliek;
- de conclusie van dupliek.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
De passagiers hebben een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan de vervoerder hen moest vervoeren van Amsterdam-Schiphol Airport via Abu Dhabi International Airport (VAE) naar Chhatrapati Shivaji Maharaj International Airport (India) op 20 en 21 januari 2025, met de vluchtcombinatie EY42 en EY202.
De vervoerder heeft vlucht EY42 (hierna: de vlucht) vertraagd uitgevoerd. De passagiers zijn met een vertraging van meer dan drie uur aangekomen op de eindbestemming.
De passagiers hebben daarom compensatie van de vervoerder gevorderd.
De vervoerder heeft niet uitbetaald.
3. Het geschil
De passagiers vorderen dat de vervoerder, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, veroordeeld zal worden tot betaling van:- € 1.200,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag van het incident tot aan de dag der algehele voldoening;- € 217,80, althans een in redelijke justitie door de rechtbank te bepalen bedrag, aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente;- de proceskosten en de nakosten.
De passagiers baseren hun vordering op de Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening) en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagiers stellen dat de vervoerder hen vanwege de vertraging van de vlucht moet compenseren met een bedrag van € 600,00 per passagier.
De vervoerder voert verweer. Op zijn verweer wordt bij de beoordeling ingegaan.
4. De beoordeling
De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat zij bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.
Vast staat dat de passagiers met een vertraging van meer dan drie uur op de eindbestemming zijn aangekomen. In beginsel moet de vervoerder dan compenseren. Dit is anders als hij kan aantonen dat de vertraging het gevolg is geweest van buitengewone omstandigheden, die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen konden worden.
De vervoerder heeft een beroep op buitengewone omstandigheden gedaan. Hij stelt in dit verband dat de vlucht met een vertraging van 34 minuten is uitgevoerd. Het toestel moest namelijk kort voor vertrek nog worden ge-de-iced. De passagiers hebben dit niet betwist, zodat de kantonrechter dit als vaststaand aanneemt. Daarom slaagt het beroep op buitengewone omstandigheden.
Tussen partijen is slechts in geschil of de vervoerder alle redelijke maatregelen heeft genomen om de vertraging op de eindbestemming te voorkomen. De passagiers hebben zich op het standpunt gesteld dat de vervoerder onvoldoende buffer heeft ingepland. De vervoerder had, naast de minimale overstaptijd, nog een buffer van ten minste 20 minuten moeten hanteren. Ook had de vlucht (sneller) kunnen worden uitgevoerd met een hoger brandstofverbruik, aldus de passagiers. De vervoerder heeft hier onder meer tegenin gebracht dat een buffer van 20 minuten ook niet genoeg zou zijn geweest om de vertraging op te vangen.
De kantonrechter overweegt dat de vervoerder in het stadium van de planning van de vlucht redelijkerwijs rekening moet houden met het risico op vertraging. De kantonrechter acht in dit kader een reservetijd (of buffer) van ten minste 20 minuten bovenop de MCT (Minimum Connecting Time) noodzakelijk. In dit geval hebben de buitengewone omstandigheden tot een vertraging van meer dan 20 minuten geleid. Dit betekent dat, ook al had de vervoerder voldoende reservetijd in acht genomen, de passagiers hun aansluitende vlucht niet meer hadden kunnen halen.
Vast staat dat de passagiers zijn omgeboekt op een alternatieve vlucht naar Mumbai. In de gegeven omstandigheden kon niet van de vervoerder worden verwacht dat hij maatregelen zou treffen die leiden tot een hoger brandstofverbruik of buitensporige kosten. Niet valt in te zien welke maatregelen de vervoerder nog meer had kunnen nemen om de vertraging te voorkomen. De passagiers hebben ook niets anders aangevoerd. Daarom heeft hij alle redelijke maatregelen genomen. De vordering van de passagiers zal daarom worden afgewezen.
De proceskosten komen voor rekening van de passagiers, omdat zij ongelijk krijgen. Daarbij worden de passagiers ook veroordeeld tot betaling van nasalaris, voor zover daadwerkelijk nakosten door de vervoerder worden gemaakt. De gevorderde rente wordt toegewezen vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis.
5. De beslissing
De kantonrechter:
wijst de vordering af;
veroordeelt de passagiers tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor de vervoerder worden vastgesteld op een bedrag van € 434,00 aan salaris van de gemachtigde van de vervoerder;en veroordeelt de passagiers tot betaling van € 108,50 aan nakosten voor zover deze kosten daadwerkelijk door de vervoerder worden gemaakt, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis tot aan de dag van de algehele voldoening;
verklaart dit vonnis – voor wat de proceskostenveroordeling betreft – uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. S. Kleij, kantonrechter, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter