RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Team Straf, zittingsplaats Haarlemmermeer
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/149636-24 (P)
Uitspraakdatum: 9 juni 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 13 april 2026, 14 april 2026, 15 april 2026, 16 april 2026 en 26 mei 2026 in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2000 te [geboorteplaats],
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres],
thans gedetineerd in het Justitieel Complex Zaanstad te Westzaan.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie
mr. C.J. Booij en A. van den Driest (hierna elk afzonderlijk, dan wel gezamenlijk aangeduid als: de officier van justitie) en van hetgeen de verdachte en zijn raadsman, mr. C.W. Flokstra, advocaat te Almere, naar voren hebben gebracht.
1. Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij in of omstreeks de periode van 12 augustus 2023 tot en met 11 februari 2024 te [geboorteplaats] en/of Heerhugowaard en/of Amsterdam, althans (meerdere plaatsen) in Nederland, als oprichter, leider en/of bestuurder, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten (onder andere) [medeverdachte A] en [medeverdachte B], welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten opzettelijk brandstichten en/of teweegbrengen van ontploffingen (artikel 157 van het Wetboek van Strafrecht).
2. Voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat de rechtbank bevoegd is van de zaak kennis te nemen, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
3. Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft naar voren gebracht dat bewezen kan worden verklaard dat de verdachte, als oprichter en leider, gedurende de tenlastegelegde periode heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die als oogmerk heeft het opzettelijk brandstichten en/of teweegbrengen van explosies.
Standpunt van de verdediging
De verdachte heeft ontkend als leider/oprichter te hebben deelgenomen aan een criminele organisatie die als oogmerk had het teweegbrengen van explosies en/of het stichten van brand.
De verdediging onderkent in het dossier en het requisitoir van de officier van justitie drie elementen waarmee de vermeende rol van de verdachte feitelijk wordt ingevuld. Dit betreft (1) het ronselen van medeverdachte [medeverdachte B] en hem in contact brengen met medeverdachte/broer [medeverdachte A], (2) het geven van opdrachten tot explosies aan [medeverdachte B] als ‘hoofdbroker’ en (3) contact onderhouden/overleggen met [medeverdachte B] en [medeverdachte A]. In de ogen van de verdediging leveren alle onderzoeksbevindingen, ook in onderling verband en samenhang, geen enkel rechtstreeks, concreet bewijs op dat de verdachte de feitelijke rol die hem wordt toegedicht heeft gespeeld. De verdachte moet daarom worden vrijgesproken.
Oordeel van de rechtbank
Inleiding
Uit het dossier blijkt dat in de periode van 14 september 2023 tot en met 11 februari 2024 in totaal 21 (pogingen tot) explosies/ brandstichtingen hebben plaatsgevonden, vooral in [geboorteplaats]. In vrijwel alle gevallen werd gebruik gemaakt van een zogenaamde Vuurwerk Brandstof Combinatie (VBC), te weten knalvuurwerk in de vorm van Cobra’s 6 in combinatie met flesjes gevuld met snel ontbrandend materiaal, of werden niet tot ontploffing gekomen VBC’s of onderdelen daarvan aangetroffen.
Uit het dossier blijkt het vermoeden dat aan deze feiten een langdurig conflict ten grondslag ligt tussen de verdachte en zijn broer medeverdachte [medeverdachte A] (hierna: [medeverdachte A]) enerzijds en [persoon A] (hierna: [persoon A]) anderzijds. Dit vermoeden wordt naar het oordeel van de rechtbank ondersteund door het feit dat de verdachte op 21 februari 2024 onherroepelijk is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaar voor een poging tot doodslag, door op 12 mei 2022 met een vuurwapen op [persoon A] te schieten. De verdachte is sinds 21 mei 2022, op verschillende titels, gedetineerd.
Genoemd vermoeden wordt eveneens ondersteund door het feit dat 16 van de (pogingen tot) explosies/brandstichtingen hebben plaatsgevonden bij woningen en panden die in verband kunnen worden gebracht met [persoon A] en zijn familie, vrienden of andere relaties, zoals zijn (voormalig) zakenpartner [betrokkene A] en [betrokkene B].
In genoemde periode is voorts drie keer een explosief afgegaan bij de woning van de moeder van de verdachte en [medeverdachte A] en is de auto van hun tante in Amsterdam in brand gestoken. Ook is in genoemde periode onder de auto van [betrokkene C], een nauw contact van de verdachte en [medeverdachte A], een explosief gegooid waardoor deze auto vlam heeft gevat. Gebleken is dat ook hier gebruik is gemaakt van een VBC. Verder komt uit afgeluisterde (telefoon)gesprekken van de diverse verdachten in dit dossier naar voren dat de verdachte en [medeverdachte A] een conflict hebben met [persoon A] waarbij van beide kanten geweld wordt gebruikt.
Ook hebben diverse getuigen over verschillende (pogingen tot) explosies/brandstichtingen verklaard dat deze te maken hebben met een ruzie tussen de verdachte, [medeverdachte A] en [persoon A].
Tot slot is aan de reeks (pogingen tot) explosies/brandstichtingen een einde gekomen met de aanhoudingen van [medeverdachte A] en de medeverdachte [medeverdachte B] (hierna: [medeverdachte B]).
Hoewel de exacte aard van het conflict niet duidelijk is geworden, gaat de rechtbank er, gelet op de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden, van uit dat aan de (pogingen tot) explosies/brandstichtingen in de genoemde periode een conflict tussen de verdachte en [medeverdachte A] enerzijds en [persoon A] anderzijds ten grondslag ligt. Dit zal de rechtbank bij de beoordeling van het aan de verdachte tenlastegelegde feit dan ook tot uitgangspunt nemen.
Redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn opgenomen.
Bewijsmotivering
De verdachte wordt ervan verdacht dat hij in de periode van 12 augustus 2023 tot en met 11 februari 2024 als oprichter, leider en/of bestuurder heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die tot oogmerk heeft het opzettelijk plegen van brandstichtingen en/of het teweegbrengen van ontploffingen.
Beoordelingskader
Voor een veroordeling voor deelneming aan een criminele organisatie moet worden vastgesteld dat sprake is geweest van een organisatie, dat die organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven en dat de verdachte aan die organisatie heeft deelgenomen. Er moet sprake zijn van een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur tussen de verdachte en tenminste één andere persoon. Niet is vereist dat daarbij komt vast te staan dat een persoon om als deelnemer aan die organisatie te kunnen worden aangemerkt moet hebben samengewerkt, althans bekend moet zijn geweest, met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds hetzelfde is. Voor ‘deelneming’ aan de organisatie is voldoende dat de verdachte in zijn algemeenheid weet (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Niet vereist is dat hij wetenschap heeft van één of meer concrete misdrijven die door de organisatie worden beoogd of dat zijn opzet is gericht op het plegen van die misdrijven. De verdachte hoeft niet bij meerdere misdrijven van de organisatie betrokken te zijn geweest. Het gaat er immers niet om of zijn opzet was gericht op het plegen van (meer) misdrijven of dat hij heeft deelgenomen aan (al binnen de organisatie) gepleegde misdrijven. Het opzet van de verdachte moet gericht zijn op het deelnemen aan de organisatie. Volgt uit de bewijsvoering dat de verdachte aan de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie een bijdragende of ondersteunende handeling heeft verricht, dan ligt daarin zijn wetenschap met betrekking tot dat oogmerk besloten. Dat is anders als uit de bewijsvoering slechts blijkt van het verrichten van hand- en spandiensten door de verdachte voor de deelnemers aan de criminele organisatie, zonder dat hieruit kan worden afgeleid dat de verdachte daarbij handelde in de wetenschap dat die organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven. Dan staat niet vast dat de verdachte in zijn algemeenheid wist dat die organisatie bedoeld oogmerk had en levert het handelen van de verdachte geen deelneming aan de criminele organisatie op.
Bestaan criminele organisatie
De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen aan de hand van het hiervoor weergegeven beoordelingskader vast dat in de aan de verdachte ten laste gelegde periode sprake was van een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband, bestaande uit twee of meer personen, dat tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten het opzettelijk plegen van brandstichtingen en/of het teweegbrengen van ontploffingen. Andere deelnemers aan deze organisatie waren in ieder geval [medeverdachte A] en [medeverdachte B].
De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
Met het vonnis van heden in de zaak van [medeverdachte B] heeft de rechtbank onder meer bewezen verklaard dat [medeverdachte B] als medepleger betrokken was bij vijf (pogingen tot) brandstichting(en) / teweegbrengen van (een) ontploffing(en) bij diverse woningen die in verband kunnen worden gebracht met het in de inleiding beschreven conflict. Overigens blijkt niet dat [medeverdachte B] betrokken is bij genoemd conflict. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat [medeverdachte B] contact had met zowel de verdachte, met wie hij tot 12 augustus 2023 gedetineerd was, als met [medeverdachte A]. Daartoe verwijst de rechtbank onder meer naar het in de telefoon van de verdachte aangetroffen screenshot (gemaakt op 22 augustus 2023) van een selfie van [medeverdachte A] en [medeverdachte B] in een auto met daarbij de tekst “Die jongens van me” en zogenaamde emoji’s in de vorm van hartjes. Uit opgenomen telecommunicatie, onder meer op 6 en 9 september 2023, dus na de vrijlating van [medeverdachte B], blijkt dat de verdachte en [medeverdachte A] spreken over ‘[bijnaam]’, de bijnaam van [medeverdachte B]. De rechtbank duidt de inhoud van deze gesprekken zo, dat daarin gesproken wordt over wat [medeverdachte B] voor de verdachte en [medeverdachte A] zou kunnen betekenen. Er wordt immers gesproken over dat [medeverdachte A] ‘iets voor hem had’, maar dat hij ([medeverdachte B]) traag reageert, en ‘[bijnaam] gaat nu om de seconde op ons reageren’. Kort hierna, op 14 september 2023, vindt vervolgens de eerste explosie plaats die met het in de inleiding genoemde conflict in verband kan worden gebracht. Ook op 5 oktober 2023 vindt een explosie plaats op een adres dat met het conflict in verband kan worden gebracht en waarvoor zowel [medeverdachte A] als [medeverdachte B] bij vonnissen van heden als medeplegers worden veroordeeld.
De rechtbank stelt voorts vast dat binnen de criminele organisatie sprake was van een zekere rolverdeling. Uit het dossier (onder meer map Z: procesdossier criminele organisatie) blijkt immers dat bij de diverse (pogingen tot) brandstichting(en)/teweegbrengen van (een) ontploffing(en), via veelal Snapchat, uitvoerders, waaronder chauffeurs en degenen die de explosieven plaatsten en aanstaken, voor deze misdrijven werden gezocht door zogenaamde brokers/ronselaars. Daarbij werden explosieven (de VBC’s) aan de uitvoerder ter beschikking gesteld en werd in de meeste gevallen de opdracht gegeven een en ander te filmen. Dat sommige deelnemers aan de criminele organisatie wel eens van rol wisselden omdat ze zich bijvoorbeeld binnen de organisatie opwerkten van uitvoerder tot broker, of omdat zij een dubbelrol vervulden, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat niet meer kan worden gesproken van een zekere rolverdeling.
Voor de rechtbank staat in dit verband vast dat in ieder geval [medeverdachte A], als direct betrokkene bij het in de inleiding genoemde conflict, en ook [medeverdachte B], onder meer vanwege zijn contacten met [medeverdachte A] en zijn betrokkenheid als medepleger waarvan ook één keer met [medeverdachte A], bij diverse (pogingen tot) brandstichting(en)/teweegbrengen van (een) ontploffing(en), een rol vervulden binnen de criminele organisatie en dat er in ieder geval tussen hen sprake was van een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband.
Oogmerk
De rechtbank is voorts van oordeel dat de organisatie tot oogmerk had het plegen van brandstichtingen en/of het teweegbrengen van ontploffingen. Daartoe wordt allereerst verwezen naar het in de inleiding beschreven conflict. De rechtbank is namelijk van oordeel dat het criminele oogmerk van de organisatie voortkomt uit het bestaan van dit conflict. De verdachte en [medeverdachte A] zijn immers beiden betrokken bij het conflict en zijn - zoals hierna wordt overwogen - ook beiden betrokken bij de oprichting van de criminele organisatie. Er is voorts sprake geweest van een groot aantal brandstichtingen en/ontploffingen dan wel pogingen daartoe bij woningen of panden die in verband kunnen worden gebracht met het conflict. De rechtbank verwijst daarvoor naar het in de bewijsmiddelenbijlage opgenomen overzicht van deze feiten. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank het criminele oogmerk van de organisatie ook daadwerkelijk verwezenlijkt.
De verdachte als oprichter van de organisatie
De rechtbank merkt ook de verdachte aan als deelnemer aan deze criminele organisatie. Het enkele feit dat de verdachte gedurende de gehele tenlastegelegde periode gedetineerd was doet hier niet aan af. Zoals hiervoor overwogen is immers niet vereist dat de verdachte zelf heeft deelgenomen aan misdrijven waarop het oogmerk van de organisatie was gericht om als deelnemer te worden aangemerkt. Ook is wetenschap bij de verdachte van de betreffende concrete misdrijven niet vereist.
Gelet op het voorgaande duidt de rechtbank de rol van de verdachte als één van de oprichters van de organisatie en verwijst daartoe naar het in de inleiding beschreven conflict en de rol van de verdachte bij dat conflict. Gelet op hetgeen hiervoor is vastgesteld over het moment waarop de verdachte in contact is gekomen met [medeverdachte B], het moment waarop [medeverdachte A] vervolgens in contact is gekomen met [medeverdachte B] en de wijze waarop [medeverdachte A] in de genoemde gesprekken op 6 en 9 september 2023 vervolgens over [medeverdachte B] contact heeft met de verdachte, is de rechtbank van oordeel dat de verdachte, samen met [medeverdachte A], [medeverdachte B] geworven heeft om een bijdrage te leveren aan het oogmerk van de organisatie. De rechtbank acht daarbij mede van belang dat het dossier geen aanwijzingen oplevert dat [medeverdachte A] en [medeverdachte B] elkaar al voor die tijd kenden. De rechtbank houdt het er derhalve voor dat de verdachte [medeverdachte A] en [medeverdachte B] met elkaar in contact heeft gebracht en zo een cruciale rol heeft gespeeld in de oprichting van de organisatie met genoemd oogmerk.
Conclusie
De rechtbank acht derhalve bewezen dat de verdachte, als oprichter, heeft deelgenomen aan de criminele organisatie zoals ten laste gelegd en dat zijn opzet daar ook op gericht was. Wel zal de bewezenverklaarde periode beperkt worden tot deelneming in de periode van 12 augustus 2023 tot 1 oktober 2023, omdat het dossier geen bewijs bevat dat de verdachte na die periode nog handelingen heeft verricht die duiden op deelneming aan de criminele organisatie met meergenoemd oogmerk. Uit het dossier blijkt weliswaar dat ook na deze periode nog veelvuldig contact is geweest tussen de verdachte en [medeverdachte A] en ook dat de verdachte in detentie, door gebruikmaking van naar binnengesmokkelde telefoons (waarvan hij er één kapot heeft gemaakt) heeft gecommuniceerd, maar aan de inhoud van de communicatie die in het dossier is opgenomen, kan in het kader van het verwijt dat de verdachte wordt gemaakt niet die conclusie worden verbonden die de officier van justitie daaraan verbindt. Er wordt immers op geen enkel moment na de bewezenverklaarde periode in de afgeluisterde gesprekken of opgenomen vertrouwelijke communicatie meer gesproken over (of gezinspeeld op) brandstichtingen, dan wel explosies.
Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat geen bewijs voorhanden is dat de verdachte ook (een) leider van de criminele organisatie was.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat
hij in de periode van 12 augustus 2023 tot 1 oktober 2023 in Nederland als oprichter heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten (onder andere) [medeverdachte A] en [medeverdachte B], welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten opzettelijk brandstichten en/of teweegbrengen van ontploffingen (artikel 157 van het Wetboek van Strafrecht).
Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
4. Kwalificatie en strafbaarheid van het feit
Het bewezenverklaarde levert op:
Als oprichter deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van twaalf jaar of meer is gesteld.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.
5. Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar.
6. Motivering van de sanctie
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren, met aftrek van voorarrest.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit. Over een eventuele strafoplegging heeft de verdediging zich niet uitgelaten.
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van het feit
De verdachte is gedurende een periode van in ieder geval twee maanden bezig geweest met het oprichten van een criminele organisatie die als oogmerk had het opzettelijk brandstichten en teweegbrengen van ontploffingen. Dat heeft hij gedaan op het moment dat hij een gevangenisstraf uitzat voor een poging doodslag op [persoon A], gepleegd in het kader van het kennelijk al langer lopend conflict. In verband met datzelfde conflict heeft de verdachte de criminele organisatie opgericht, die erop uit was om [persoon A] en/of diens omgeving te raken door het plegen van zeer ernstige feiten met onaanvaardbare risico’s, zoals levensgevaar voor personen. Het oogmerk van de organisatie heeft zich uiteindelijk over een periode van zes maanden verwezenlijkt. In de gemeente [geboorteplaats] heeft in deze periode immers een groot aantal (vergis) brandstichtingen / ontploffingen bij woningen plaatsgevonden.
Dit heeft veel impact gehad op de direct betrokkenen en omwonenden, maar ook meer algemeen op de (inwoners van de) stad [geboorteplaats]. Onder andere tijdens bewonersbijeenkomsten bleek dat de angst en ongerustheid onder de burgers groot was. Als gevolg van de ontploffingen en pogingen daartoe zijn meerdere locaties in [geboorteplaats] aangewezen als veiligheidsrisicogebied en is ingezet op permanent cameratoezicht op en observatie van de betreffende woningen. De woning aan de [adres A], waar [persoon A] destijds woonde, is als gevolg van de incidenten op last van de burgemeester gesloten. Dat heeft niet alleen impact gehad op de bewoner(s), maar ook op de omwonenden van die woning.
De verdachte heeft in de criminele organisatie in een periode van twee maanden een cruciale rol gehad en is daarom mede verantwoordelijk voor de feiten die in dat kader zijn gepleegd. De verdachte heeft bovendien geen openheid van zaken gegeven en geen verantwoordelijkheid genomen voor zijn rol in de criminele organisatie. Dit is een zeer ernstig strafbaar feit en de rechtbank rekent dit de verdachte ook zwaar aan. Er kan hierop dan ook slechts gereageerd worden met het opleggen van een vrijheidsbenemende straf van aanzienlijke duur, waarbij in strafverzwarende zin meeweegt dat de verdachte de oprichter is van de criminele organisatie.
Persoon van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het strafblad van de verdachte, gedateerd 17 maart 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld.
De rechtbank heeft verder kennisgenomen van verschillende reclasseringsadviezen over de verdachte, waaronder het meest recente advies van 12 maart 2026. De reclassering ziet risico's in de pro-criminele houding van de verdachte, zijn negatieve sociale netwerk, de relatie met zijn broer en het gebrek aan dagbesteding. Omdat de verdachte inmiddels bijna vier jaar gedetineerd is, heeft hij een ontwikkelingsachterstand opgelopen. De reclassering adviseert daarom de verdachte, na een eventuele veroordeling, een deels voorwaardelijke straf op te leggen met bijzondere voorwaarden en toezicht en begeleiding door de reclassering.
Strafoplegging
De rechtbank acht, alles afwegende, en gelet op wat in vergelijkbare gevallen doorgaans wordt opgelegd, een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren passend en geboden. Gelet op de duur van de gevangenisstraf is een voorwaardelijk strafdeel niet aan de orde.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering. Daaraan kunnen eventueel een of meerdere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering worden verbonden.
7. Bijkomende straf - verbeurdverklaring
De rechtbank is van oordeel dat de volgende twee onder de verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven telefoons dienen te worden verbeurd verklaard:
Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat deze voorwerpen aan de verdachte toebehoren en dat het bewezen verklaarde feit met behulp van die voorwerpen is begaan of voorbereid.
8. Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel
Vorderingen benadeelde partij [persoon A]
De benadeelde partij [persoon A], de (voormalige) bewoner van de woning aan de [adres A] te Alkmaar, vordert een bedrag van € 3.000,- wegens immateriële schade die hij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht de vordering van de benadeelde partij [persoon A] voldoende onderbouwd. De officier van justitie stelt zich daarnaast op het standpunt dat de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde kan worden toegerekend (eigen schuld) en daarom voor 50% kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft geen verweer gevoerd met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij.
Oordeel van de rechtbank
Vergoeding van immateriële schade is op grond van artikel 6:106 aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek (BW) mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van [persoon A] in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.
De benadeelde partij [persoon A] heeft beschreven welke gevolgen de reeks van pogingen en voltooide explosies met zijn woning als doelwit voor hemzelf en zijn ex-partner en zijn kind heeft gehad. Gelet op de aard en de ernst van de normschending, neemt de rechtbank aan dat sprake is van een “aantasting in zijn persoon op andere wijze" in de zin van artikel 6:106 eerste lid BW. Die schade is naar het oordeel van de rechtbank echter, gelet op het conflict tussen aan de ene kant de verdachte en [medeverdachte A] en aan de andere kant [persoon A] waar de reeks van pogingen en voltooide explosies deel van uitmaakt, mede een gevolg van een omstandigheid die aan [persoon A] kan worden toegerekend zoals bedoeld in artikel 6:101 BW. Het vaststellen van de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden aan de schade hebben bijgedragen, zou leiden tot een onevenredige belasting van deze strafprocedure. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij [persoon A] niet-ontvankelijk is in zijn vordering tot schadevergoeding. Desgewenst kan hij de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
9. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De artikelen 33, 33a, 63 en 140 van het Wetboek van Strafrecht zijn van toepassing.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
10. Beslissing
De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4. weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren.
Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Verklaart verbeurd:
Verklaart de benadeelde partij [persoon A] niet-ontvankelijk in de vordering.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. M.E. Francke, voorzitter,
mrs. M.S. Neervoort en E.L. Hoogstraate, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier A. Helder,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 9 juni 2026.