RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Team Straf, zittingsplaats Haarlem
Meervoudige strafkamer
Parketnummers: 15/303356-25 en 15/253460-25
Uitspraakdatum: 15 mei 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 7 mei 2026 in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1982 te [geboorteplaats] ,inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[detentieadres] ,
nu gedetineerd in [detentieadres] .
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. E. Dam en van hetgeen de verdachte en zijn raadsman, mr. S.J. van Galen, advocaat te Purmerend, naar voren hebben gebracht.
1. Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
Zaak A
15/303356-25 hij op of omstreeks 11 november 2025 te Zaandijk, althans in Nederland, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool, van het merk Browning, type Buck Mark, kaliber .22LR zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool voorhanden heeft gehad;
Zaak B
15/253460-25 hij op/in of omstreeks 5 oktober 2024 te Beverwijk- een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten vuurwapen (pistool), van het merk Colt, type 1911, kaliber .45 acp zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool en- onderdeel van vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3°, gelet op artikel 2, lid 1 van Categorie III onder 1° van de Wet wapens en munitie, te weten een patroonhouder, zijnde een hulpstuk en/of onderdeel dat van wezenlijke aard is en specifiek bestemd voor een pistool van het merk: Colt, kaliber .45 acpvoorhanden heeft gehad.
2. Voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
3. Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich met betrekking tot de bewezenverklaring van het in zaak A ten laste gelegde feit gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van het in zaak B ten laste gelegde feit heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte het wapen op of omstreeks de ten laste gelegde datum voorhanden heeft gehad.
Oordeel van de rechtbank
Vrijspraak van het in zaak B ten laste gelegde feit
Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen wat de verdachte in zaak B ten laste is gelegd, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.
Vaststaat dat het voertuig met kenteken [kenteken] op 3 oktober 2024 is uitgeleend aan de vriendin van de verdachte [naam] . De verdachte was daarbij aanwezig. Op 5 oktober 2024 werd hetzelfde voertuig verlaten aangetroffen op De Meerlanden te Beverwijk. Tijdens de doorzoeking van het voertuig troffen de verbalisanten in het dashboardkastje een vuurwapen en een patroonhouder aan. Op zowel het vuurwapen als de patroonhouder is op verschillende plekken een DNA mengprofiel aangetroffen met daarin een relatief grote hoeveelheid DNA dat, kort gezegd, matcht met het DNA van de verdachte. Daarnaast werd aan de bijrijderskant, voor de bijrijdersstoel, een bankpas op naam van [verdachte] gevonden.
De rechtbank overweegt dat uit deze bevindingen weliswaar kan worden afgeleid dat de verdachte op 3 oktober 2024 in het voertuig heeft gezeten en dat de verdachte het aangetroffen vuurwapen en de patroonhouder op enig moment heeft vastgehad, maar is van oordeel dat enkel op grond van deze bevindingen niet kan worden vastgesteld dat de verdachte dit vuurwapen en de patroonhouder op of omstreeks 5 oktober 2024 in Beverwijk voorhanden heeft gehad. De rechtbank spreekt de verdachte daarom vrij van dit feit.
Bewijsmiddelen van het in zaak A ten laste gelegde feit
De rechtbank komt op grond van de feiten en omstandigheden, die zijn vervat in de hierna te noemen bewijsmiddelen, tot een bewezenverklaring van het in zaak A ten laste gelegde feit.
De hierna vermelde processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.
De bewijsmiddelen zijn, ook in onderdelen, telkens slechts gebruikt tot het bewijs van het feit of de feiten waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben.
De rechtbank heeft vastgesteld dat ten aanzien van het in zaak A bewezenverklaarde feit sprake is van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering. Gelet daarop zal wat betreft dit feit worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen op grond waarvan de rechtbank tot een bewezenverklaring is gekomen:
- (…)
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in zaak A ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat
hij op 11 november 2025 te Zaandijk, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool, van het merk Browning, type Buck Mark, kaliber .22LR zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool voorhanden heeft gehad.
Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
4. Kwalificatie en strafbaarheid van het feit
Het bewezenverklaarde levert op:
Zaak A
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is daarom strafbaar.
5. Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is daarom strafbaar.
6. Motivering van de sanctie
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 450 dagen, waarvan 259 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. De tijd die de verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht, moet hierop in mindering worden gebracht.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte bij het bepalen van de straf en acht te slaan op het reclasseringsrapport van 23 april 2026. Daarnaast is van belang dat de verdachte op 21 of 22 mei 2026 bij [instelling] terecht kan, een plek die komt te vervallen als hij langer vast blijft zitten.
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van het strafbare feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapen in de openbare ruimte. Het wapen werd aangetroffen onder de bijrijdersstoel van het voertuig waarin de verdachte reed. Het betrof een doorgeladen vuurwapen, terwijl de verdachte ook nog extra munitie bij zich had.
Het voorhanden hebben van vuurwapens brengt onaanvaardbare risico’s voor de veiligheid van personen met zich. De praktijk wijst uit dat het bezit van vuurwapens vaak leidt tot het gebruik daarvan. Dit leidt niet zelden tot levensgevaarlijke situaties, ook voor omstanders. Dit temeer nu de verdachte heeft verklaard het vuurwapen aanwezig te hebben gehad om zichzelf te kunnen beschermen. De rechtbank rekent de verdachte dit aan.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennis genomen van het strafblad van de verdachte van 2 april 2026, waaruit blijkt dat de verdachte langer geleden eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
Verder heeft de rechtbank gelet op het reclasseringsrapport van 23 april 2026. Uit dit rapport komt naar voren dat sprake is van een uitgebreide justitiële voorgeschiedenis. De verdachte heeft gehandeld onder invloed van gevoelens van spanning en onveiligheid (psychisch functioneren) en kon via zijn (sociale) netwerk een vuurwapen aanschaffen. Deze omstandigheden worden beschouwd als risicofactoren. Daarnaast heeft de verdachte geen vaste huisvesting, geen dagbesteding en is sprake van schuldenproblematiek. Het risico op recidive, letselschade en het onttrekken aan voorwaarden wordt door de reclassering ingeschat als gemiddeld. Gelet op de risicofactoren, de inschatting van het recidiverisico en omdat de verdachte zich nu gemotiveerd toont voor begeleiding, vindt de reclassering reclasseringsbemoeienis wenselijk, waarbij de nadruk ligt op praktische ondersteuning. Zij adviseert daarom een deels voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden op te leggen.
De rechtbank heeft ook kennisgenomen van de door de verdediging overgelegde brief van de casemanager West van de penitentiaire inrichting waar de verdachte momenteel verblijft. Hieruit blijkt dat de verdachte zich gedurende zijn verblijf actief inzet voor zijn re-integratie. Hij toont een open en samenwerkingsgerichte houding, gedraagt zich vriendelijk en correct en voert zijn werkzaamheden naar behoren uit. Met het inkomen dat hij hierdoor heeft vergaard heeft hij betalingsregelingen kunnen nakomen. Daarnaast is bij hem een sterke motivatie voor persoonlijke ontwikkeling zichtbaar, wat blijkt uit het succesvol afronden van diverse trainingen. Zijn focus op de toekomst en positieve instelling werken bovendien inspirerend op medegedetineerden, aldus de casemanager.
De op te leggen straf
De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde feit, het opleggen van een gevangenisstraf passend is. De rechtbank heeft voor de duur daarvan aansluiting gezocht bij straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd en de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht. Volgens deze oriëntatiepunten geldt voor het voorhanden hebben van een pistool in de openbare ruimte, als uitganspunt een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden. Daar komen als strafverzwarende elementen bij dat het vuurwapen doorgeladen was, binnen handbereik was en dat bij de verdachte ook bijbehorende munitie is aangetroffen. Daarnaast heeft de rechtbank bij de strafoplegging nadrukkelijk rekening ermee gehouden dat de verdachte uiterlijk 22 mei 2026 bij [instelling] terecht kan, en het de bedoeling is dat hij daar ook daadwerkelijk naartoe gaat.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd. De rechtbank zal echter bepalen dat een gedeelte daarvan vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaren, met als doel dat de verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd wederom schuldig te maken aan een strafbaar feit.
Aan het voorwaardelijk deel van de op te leggen straf zullen de bijzondere voorwaarden worden verbonden zoals de reclassering heeft geadviseerd, te weten: een meldplicht, ambulante behandeling, verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang, dagbesteding en aflossing van schulden. Gelet op het belang van nakoming van deze voorwaarden acht de rechtbank het van belang dat het voorwaardelijk deel van de op te leggen straf van voldoende gewicht is.
De rechtbank beveelt ambtshalve de dadelijke uitvoerbaarheid van de op te leggen bijzondere voorwaarden. De rechtbank is van oordeel dat er, gelet op het feit dat het om een doorgeladen vuurwapen gaat dat in een voertuig is aangetroffen en dat de verdachte heeft verklaard dit wapen bij zich te hebben omdat hij zich onveilig voelt, ernstig rekening ermee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.
Beslag
De rechtbank is van oordeel dat de onder de verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten 1 STK Wapen en 1 STK Patroonhouder, dienen te worden onttrokken aan het verkeer. Die voorwerpen betreffen voorwerpen met betrekking tot welke het feit waarvan verdachte werd verdacht is begaan. Het ongecontroleerd bezit daarvan is in strijd met de wet of het algemeen belang.
7. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
14a, 14b, 14c, 36b en 36c van het Wetboek van Strafrecht;
26 en 55 van de Wet Wapens en Munitie.
8. Beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte in zaak B is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat de verdachte het in zaak A ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.
Straf en bijzondere voorwaarden
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 360 (driehonderdzestig) dagen.
Beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 167 (honderdzevenenzestig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.
Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte (hierna ook te noemen: de veroordeelde) zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
Meldplicht
De veroordeelde zal zich volgens afspraak melden bij Reclassering Nederland op het volgende adres: [adres] , zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt om het reclasseringstoezicht uit te voeren. De veroordeelde zal meewerken mee aan het toezicht en de begeleiding door de reclassering, zolang de reclassering dat nodig vindt. Hieronder valt ook het meewerken aan huisbezoeken.
Ambulante behandeling
De veroordeelde zal meewerken aan verdiepingsdiagnostiek en de daaruit voortvloeiende behandeling, uitgevoerd door de Forensische Polikliniek de Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. De veroordeelde zal zich houden aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling.
Verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang
De veroordeelde zal gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijven in [instelling] of een soortgelijke instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. De veroordeelde zal zich houden aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt.
Dagbesteding
De veroordeelde zal zich inspannen voor het vinden en behouden van betaald werk, met een vaste structuur.
Aflossing schulden
De veroordeelde zal meewerken aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. De veroordeelde zal de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden geven.
Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.
Dadelijke uitvoerbaarheid
Beveelt dat de op grond van artikel 14c gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.
Beslag
Onttrekt aan het verkeer:
Voorlopige hechtenis
Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van die voorlopige hechtenis gelijk wordt aan de duur van (het onvoorwaardelijk deel van) de opgelegde gevangenisstraf.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. M. Mateman voorzitter,
mr. S. Mac Donald en mr. A. Talmricht, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. R.M. Beekhuizen,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 15 mei 2026.