RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Team Straf, zittingsplaats Haarlemmermeer
Meervoudige strafkamer
Parketnummers:
15/169305-24, 15/318842-22 en 15/393127-24 (gev.) + 10/309714-22 (vord. tul) (P)
Uitspraakdatum: 9 juni 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 13 april 2026, 14 april 2026, 15 april 2026, 16 april 2026 en 26 mei 2026 in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2001 te Amsterdam,
niet ingeschreven op enig adres in de basisregistratie personen,
thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Leeuwarden.
De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, op eerdere terechtzittingen, gevoegd.
De zaak met parketnummer 15/169305-24 wordt hierna aangeduid als zaak A.
De zaak met parketnummer 15/318842-22 wordt hierna aangeduid als zaak B.
De zaak met parketnummer 15/393127-24 wordt hierna aangeduid als zaak C.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie
mr. C.J. Booij en A. van den Driest (hierna elk afzonderlijk, dan wel gezamenlijk aangeduid als: de officier van justitie) en van wat de verdachte en zijn advocaten, mr. F. El Farougui en mr. C.H. Pentinga, beiden advocaat te Amsterdam, (hierna elk afzonderlijk, dan wel gezamenlijk aangeduid als: de verdediging) naar voren hebben gebracht.
1. Tenlastelegging
In zaak A is op de pro formazitting van 14 juli 2025 een vordering tot nadere omschrijving van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) toegewezen. Op de zitting van 13 april 2026 is de tenlastelegging in deze zaak (A) op vordering van de officier van justitie gewijzigd overeenkomstig artikel 313 Sv.
De verdachte wordt er – verkort en zakelijk weergegeven – van verdacht dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan de volgende strafbare feiten:
Zaak A
Feit 1: het in de periode van 12 augustus 2023 tot en met 11 februari 2024 deelnemen aan een organisatie, die tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten het opzettelijk plegen van brandstichtingen en/of teweegbrengen van ontploffingen;
Feit 2: het op 5 oktober 2023 medeplegen van het veroorzaken van een ontploffing en brand bij een pand aan de [adres A] in Alkmaar (primair), dan wel (subsidiair) het medeplegen van het uitlokken van dit feit, dan wel (meer subsidiair) medeplichtigheid aan dit feit;
Feit 3: het op 1 februari 2024 medeplegen van het veroorzaken van een ontploffing en brand bij een woning aan de [adres B] in Alkmaar (primair), dan wel (subsidiair) het medeplegen van het uitlokken van dit feit, dan wel (meer subsidiair) medeplichtigheid aan dit feit;
Feit 4: het in de periode van 1 februari 2024 tot en met 4 februari 2024 medeplegen van een drietal pogingen tot het veroorzaken van een ontploffing en brand bij panden aan de [adres C] en [adres D] te Alkmaar (primair), dan wel (subsidiair) het medeplegen van het uitlokken van deze feiten, dan wel (meer subsidiair) medeplichtigheid aan deze feiten;
Feit 5: het op 22 mei 2024 te Amsterdam voorhanden hebben van 294 stuks knalvuurwerk (Cobra 6).
Zaak B
Feit 1: het op 23 november 2022 medeplegen van het veroorzaken van een ontploffing en brand bij een woning/woonboot aan de [adres E] te Vijfhuizen;
Feit 2: Het op 23 november 2022 te Vijfhuizen voorhanden hebben van een geïmproviseerde explosieve constructie.
Zaak C
Het in de periode van 2 oktober 2023 tot en met 5 oktober 2023 in Alkmaar medeplegen van de criminele uitbuiting van een minderjarige.
De volledige tekst van de tenlasteleggingen is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
2. Voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaardingen geldig zijn, dat de rechtbank bevoegd is van de zaken kennis te nemen, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
3. Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle ten laste gelegde feiten, telkens – voor zover van toepassing – in de primaire variant.
De officier van justitie heeft onder meer aangevoerd dat de verdachte de spil van de criminele organisatie was, omdat hij ten aanzien van het criminele oogmerk van de organisatie functioneerde als doorgeefluik en aanspreekpunt voor onder meer de medeverdachten [medeverdachte A] en [medeverdachte B] . De verdachte is voorts binnen de criminele organisatie als (hoofd)broker en medepleger betrokken geweest bij drie pogingen en twee voltooide brandstichtingen / ontploffingen. De verdachte is ook al eerder als medepleger betrokken geweest bij een brandstichting / ontploffing, en heeft een grote hoeveelheid Cobra’s 6 voorhanden gehad.
Standpunt van de verdediging
Met betrekking tot zaak B, feit 1 en feit 2 (explosie in Vijfhuizen/voorhanden hebben vuurwerk-brandstof-combinatie; hierna: VBC) heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat er onvoldoende bewijs is om vast te stellen dat het Snapchat-account ‘ [account A] ’, waarmee belastende gesprekken zijn gevoerd, kan worden gekoppeld aan de verdachte. Datzelfde geldt voor het Signal-account ‘ [account B 1] ’. De onderzoeksbevindingen met betrekking tot de onder de verdachte in beslag genomen iPhone 13 zijn enigszins opmerkelijk te noemen, maar leveren nog geen concrete aanwijzingen op dat de verdachte de opdrachtgever is geweest voor de explosie of dat hij de rol van medepleger heeft gehad. De verdediging heeft ten aanzien van deze feiten geconcludeerd tot vrijspraak.
Ook ten aanzien van feit 2 in zaak A (ontploffing [adres A] Alkmaar) en zaak C (criminele uitbuiting minderjarige [betrokkene A] ) heeft de verdediging vrijspraak bepleit. De verklaringen van uitvoerder [betrokkene A] zijn op essentiële, belastende punten niet verifieerbaar en het ontbreekt aan steunbewijs. Het Snapchat-account met de schermnaam ‘ [schermnaam A] ’ kan niet aan de verdachte worden toegeschreven. Voor het geval de rechtbank van oordeel is dat kan worden vastgesteld dat de verdachte in verband met de explosie het eerste contact met [betrokkene A] heeft gelegd, is dit een bijdrage van onvoldoende gewicht om met betrekking tot de explosie van medeplegen te kunnen spreken. Uit de verklaring van [betrokkene A] kan verder niet worden afgeleid dat hij is uitgelokt. Met betrekking tot de meer subsidiair ten laste gelegde medeplichtigheid heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Op grond van hetgeen met betrekking tot de explosie is aangevoerd dient de verdachte ook te worden vrijgesproken van de criminele uitbuiting van [betrokkene A] .
Van de incidenten in de nacht van 1 februari 2024 (poging tot ontploffing/brandstichting [adres C] Alkmaar en ontploffing [adres B] Alkmaar) moet de verdachte eveneens worden vrijgesproken. De verdachte kan niet worden geïdentificeerd als de persoon die op Session onder de schermnaam ‘ [schermnaam B] ’ communiceert. Het is goed mogelijk dat de ‘ [schermnaam B] ’ op de chat-app Session een andere persoon is dan de ‘ [schermnaam B] ’ op Signal. Een direct verband tussen de verdachte en de feiten van 1 februari 2024 ontbreekt.
Mocht de rechtbank oordelen dat de belastende berichten door de verdachte zijn verstuurd, dan geldt dat de bijdrage van de verdachte niet voldoet aan de criteria voor medeplegen, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken. Van uitlokking is geen sprake, omdat niet kan worden uitgesloten dat de medeverdachten door een ander dan de verdachte zijn aangezet tot het plegen van de feiten. Met betrekking tot de meer subsidiair ten laste gelegde medeplichtigheid heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Tot slot heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat noch bij de [adres B] , noch bij de [adres C] levensgevaar voor anderen te duchten was. De verdachte moet van dit onderdeel van de tenlastelegging dan ook worden vrijgesproken.
Met betrekking tot de incidenten bij de [adres D] in Alkmaar op 3 en 4 februari 2024 heeft de verdediging aangevoerd dat niet vaststaat dat de verdachte de enige gebruiker is geweest van het Snapchat-account met de schermnaam ‘ [schermnaam C] ’.
De verdediging heeft verder de stelling betrokken dat bij het incident van 3 februari 2024 geen sprake is geweest van een strafbare poging tot het teweegbrengen van een ontploffing of brandstichting, maar hoogstens van (niet ten laste gelegde) voorbereidingshandelingen. Ook als de rechtbank hier anders over oordeelt, geldt dat de rol van de verdachte de drempel van het medeplegen niet haalt. Ook van uitlokking is geen sprake. Als de verdachte al een strafbare rol in het geheel heeft gespeeld, dan enkel die van medeplichtige.
Tot slot heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat bij de [adres D] geen levensgevaar en geen gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen te duchten was. De verdachte moet van dit onderdeel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.
Ook bij het incident van 4 februari 2024 is geen sprake van een begin van uitvoering en dus kan een strafbare poging tot ontploffing of brandstichting niet worden bewezen. Dit brengt met zich mee dat ook niet bewezen kan worden dat de verdachte als medepleger, uitlokker of medeplichtige betrokken was. De verdachte moet van zowel het incident van 3 februari 2024 als van 4 februari 2024 worden vrijgesproken.
Feit 5 in zaak A, het voorhanden hebben van 294 Cobra’s 6, heeft de verdachte bekend. De verdediging heeft zich ten aanzien van dit feit gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Met betrekking tot de verdenking van deelneming aan een criminele organisatie (feit 1 in zaak A) is de verdediging van mening dat uit het dossier onvoldoende blijkt dat sprake was van een criminele organisatie. Ook blijkt onvoldoende dat de verdachte ondersteunende gedragingen heeft verricht die strekken tot of rechtstreeks verband houden met het oogmerk van de organisatie. De verdediging vraagt vrijspraak voor dit feit.
Oordeel van de rechtbank
Inleiding
Uit het dossier blijkt dat in de periode van 14 september 2023 tot en met 11 februari 2024 in totaal 21 (pogingen tot) explosies/brandstichtingen hebben plaatsgevonden, vooral in Alkmaar. In vrijwel alle gevallen werd gebruik gemaakt van een zogenaamde Vuurwerk Brandstof Combinatie (VBC), te weten knalvuurwerk in de vorm van Cobra’s 6 in combinatie met flesjes gevuld met snel ontbrandend materiaal, of werden niet tot ontploffing gekomen VBC’s of onderdelen daarvan aangetroffen.
Uit het dossier blijkt het vermoeden dat aan deze feiten een langdurig conflict ten grondslag ligt tussen de medeverdachten, de broers [medeverdachte B] (hierna: [medeverdachte B] ) en [medeverdachte A] (hierna: [medeverdachte A] ) enerzijds en [persoon A] (hierna: [persoon A] ) anderzijds. Dit vermoeden wordt naar het oordeel van de rechtbank ondersteund door het feit dat [medeverdachte A] op 21 februari 2024 onherroepelijk is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren voor een poging tot doodslag, door op 12 mei 2022 met een vuurwapen op [persoon A] te schieten. [medeverdachte A] is sinds 21 mei 2022, op verschillende titels, gedetineerd.
Genoemd vermoeden wordt eveneens ondersteund door het feit dat 16 van de (pogingen tot) explosies/brandstichtingen hebben plaatsgevonden bij woningen en panden die in verband kunnen worden gebracht met [persoon A] en zijn familie, vrienden of andere relaties, zoals zijn (voormalig) zakenpartner [betrokkene B] en [betrokkene C] .
In genoemde periode is voorts drie keer een explosief afgegaan bij de woning van de moeder van [medeverdachte A] en [medeverdachte B] en is de auto van hun tante in Amsterdam in brand gestoken. Ook is in genoemde periode onder de auto van [betrokkene D] , een nauw contact van [medeverdachte A] en [medeverdachte B] , een explosief gegooid waardoor deze auto vlam heeft gevat. Gebleken is dat ook hier gebruik is gemaakt van een VBC. Verder komt uit afgeluisterde (telefoon)gesprekken van de diverse verdachten in dit dossier naar voren dat [medeverdachte A] en [medeverdachte B] een conflict hebben met [persoon A] waarbij van beide kanten geweld wordt gebruikt. Ook hebben diverse getuigen over verschillende (pogingen tot) explosies/brandstichtingen verklaard dat deze te maken hebben met een ruzie tussen [medeverdachte A] , [medeverdachte B] en [persoon A] .
Tot slot is aan de reeks (pogingen tot) explosies/brandstichtingen een einde gekomen met de aanhoudingen van de verdachte en [medeverdachte B] .
Hoewel de exacte aard van het conflict niet duidelijk is geworden, gaat de rechtbank er, gelet op de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden, van uit dat aan de (pogingen tot) explosies/brandstichtingen in de genoemde periode een conflict tussen [medeverdachte A] en zijn broer [medeverdachte B] enerzijds en [persoon A] anderzijds ten grondslag ligt. Dit zal de rechtbank bij de beoordeling van de aan de verdachte tenlastegelegde feiten dan ook tot uitgangspunt nemen, waarbij dient te worden opgemerkt dat niet is gebleken dat de verdachte enige betrokkenheid heeft bij dit conflict.
Redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de feiten die zijn ten laste gelegd in zaak A onder 1, 2 primair, 3 primair, 4 primair en 5, in zaak B onder 1 en 2 en in zaak C. Dit oordeel is gebaseerd op de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn opgenomen.
Bewijsmotivering en bespreking van gevoerde verweren
Zaak A, feit 2
De rechtbank stelt op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting het volgende vast.
Op 5 oktober 2023, rond 23.30 uur, heeft zich een ontploffing voorgedaan bij een bedrijfspand aan de [adres A] in Alkmaar. Door de ontploffing is een beginnende brand ontstaan, die door een voorbijganger is geblust. Uit forensisch onderzoek ter plaatse is gebleken dat de ontploffing is veroorzaakt door een VBC, die bestond uit ten minste drie stuks Cobra 6 vuurwerk, die aan een plastic fles met een snel ontbrandende vloeistof waren vast getapet. Door de drukgolf van de explosie en de ontstane brand was gemeen gevaar voor goederen te duchten, te weten voor het pand [adres A] , de aangrenzende panden en de daarin aanwezige goederen.
Buurtbewoners zagen direct na de explosie een persoon wegrennen. Deze persoon is door hen aangehouden en aan de politie overgedragen. Het bleek te gaan om de minderjarige [betrokkene A] (hierna: [betrokkene A] ). [betrokkene A] heeft bekend dat hij bij het pand [adres A] in Alkmaar een vuurwerkbom tot ontploffing heeft gebracht.
Verklaring [betrokkene A]
De verklaringen die [betrokkene A] heeft afgelegd houden – samengevat – onder meer het volgende in.
[betrokkene A] is op 5 oktober 2023 via Snapchat benaderd door iemand met de schermnaam ‘ [schermnaam D 1] ’. Deze [schermnaam D 1] berichtte dat hij [betrokkene A] nodig had om die avond een explosief te laten afgaan in Alkmaar. Hij zou daar een goed bedrag voor krijgen. [betrokkene A] is hier op ingegaan. Vervolgens werd [betrokkene A] via Snapchat benaderd door een persoon die [naam A] zou heten. [naam A] gaf aan dat hij de naam van [betrokkene A] van [schermnaam D 1] had gekregen. [naam A] had van [schermnaam D 1] gehoord dat [betrokkene A] ‘het’ zou gaan doen. [betrokkene A] is die avond door [naam A] met de auto opgehaald bij het station in Wormerveer en naar Alkmaar gebracht. [naam A] heeft ergens een explosief opgehaald en aan [betrokkene A] gegeven. Het waren drie Cobra’s, die aan een Spa-fles met iets vloeibaars waren vastgemaakt. [naam A] heeft [betrokkene A] verteld hoe en bij welk adres de explosie moest plaatsvinden en er zijn afspraken gemaakt over de plek waar [naam A] [betrokkene A] naderhand weer zou ophalen. In de auto heeft [naam A] een paar schoenen aan [betrokkene A] gegeven, zodat hij niet ‘heet’ zou zijn met zijn eigen schoenen. Toen het volgens [naam A] tijd was, is [betrokkene A] naar het opgegeven adres gegaan en heeft hij het explosief laten afgaan met behulp van een aansteker die hij van [naam A] had meegekregen. Na de explosie is [betrokkene A] gaan rennen, maar hij werd aangehouden door enkele mannen.
[betrokkene A] beschouwt [naam A] als de opdrachtgever en [schermnaam D 1] als een tussenpersoon. Het in de telefoon van [betrokkene A] aangetroffen Snapchat-contact [contact A] is [naam A] . [schermnaam D 1] had tegen [betrokkene A] gezegd dat hij [contact A] moest toevoegen op Snapchat.
Identificatie verdachte
Op 22 mei 2024 is onder de verdachte een iPhone 15 Pro in beslag genomen. Het op deze telefoon ingestelde Snapchat-account was ‘ [account C] ’. Daarnaast was aan deze telefoon een Snapchat-account gekoppeld met de username ‘ [usernaam A] ’ en de schermnaam ‘ [schermnaam D 1] ’. Gezien het feit dat de telefoon in beslag genomen is onder de verdachte, dat de username van zowel Facebook als de Apple Wallet op de telefoon ‘ [verdachte] ’ was en dat op de telefoon selfies van de verdachte en met deze telefoon gemaakte foto’s van een identiteitsbewijs van de verdachte zijn aangetroffen, lijdt het naar het oordeel van de rechtbank geen twijfel dat de verdachte de gebruiker was van deze telefoon en van het daaraan gekoppelde Snapchat-account met de schermnaam ‘ [schermnaam D 1] ’. Er zijn geen aanwijzingen dat iemand anders van de telefoon en het Snapchat-account gebruik heeft gemaakt. De rechtbank concludeert daarom dat de verdachte de persoon is die [betrokkene A] ‘ [schermnaam D 1] ’ noemt en die [betrokkene A] op 5 oktober 2023 via Snapchat heeft geworven voor het laten afgaan van een explosief en die het contact tussen [betrokkene A] en ‘ [naam A] ’ tot stand heeft gebracht.
Identificatie [medeverdachte B]
Aan het Snapchat-account met de gebruikersnaam ‘ [usernaam B] ’ blijkt met ingang van 5 oktober 2023 het emailadres [mailadres] @icloud.com te zijn gekoppeld. Bij een zoekslag in de politiesystemen kwam naar voren dat dit icloud-account in 2022 werd gebruikt in een iPhone die in beslag was genomen onder [medeverdachte A] . Bij onderzoek aan een onder de moeder van [medeverdachte A] en [medeverdachte B] in beslag genomen smartphone bleek dat in deze telefoon het Snapchat-account met gebruikersnaam ‘ [usernaam B] ’ als tegencontact stond opgeslagen. Tevens werd een screenshot/snapshot aangetroffen van een Snapchat-conversatie waarin ‘ [contact A] ’ het volgende bericht stuurt: Ik ben [medeverdachte B] hallo, Hallo mirelle ik ben [medeverdachte B] u wilde mij spreken, Kopieer dat, Hallo mirelle ik ben [medeverdachte B] u wilde mij spreken. Blijkens de door Snapchat verstrekte gegevens is de schermnaam ‘ [usernaam B] ’ op 5 oktober 2023 veranderd in ‘ [contact A] ’. Het account ‘ [contact A] ’ is op 7 oktober 2023 verwijderd. Dit betekent dat de conversatie waarin de gebruiker met schermnaam ‘ [contact A] ’ zich voorstelt als ‘ [medeverdachte B] ’ moet hebben plaatsgevonden tussen 5 oktober en 7 oktober 2023. De rechtbank leidt uit deze bevindingen, in onderling verband en samenhang beschouwd, af dat [medeverdachte B] op 5 oktober 2023 de gebruiker was van het Snapchat-account met de schermnaam ‘ [contact A] ’. Dit leidt de rechtbank tevens tot de conclusie dat [medeverdachte B] de persoon is die [betrokkene A] in zijn verklaringen aanduidt als ‘ [naam A] ’.
Medeplegen
Uit het voorgaande volgt dat de verdachte de minderjarige [betrokkene A] heeft geronseld om, tegen betaling, een explosief te laten afgaan in Alkmaar. Nadat [betrokkene A] zich had laten overhalen om hiermee in te stemmen, heeft de verdachte tegen [betrokkene A] gezegd dat hij het Snapchat-account ‘ [contact A] ’ moest toevoegen en er zo voor gezorgd dat [medeverdachte B] met [betrokkene A] in contact kon komen. Vervolgens hebben [medeverdachte B] en [betrokkene A] het plan om een explosie te laten plaatsvinden gezamenlijk uitgevoerd. De rechtbank is van oordeel dat de verdachte op deze manier een essentiële en onmisbare rol heeft gespeeld in de uitvoering van het feit en dat zijn bijdrage daaraan van voldoende gewicht was om van een nauwe en bewuste samenwerking te kunnen spreken. De rechtbank acht het primair ten laste gelegde medeplegen daarom bewezen.
Zaak C
De tenlastelegging in deze zaak ziet op – kort gezegd – het medeplegen van de criminele uitbuiting van de minderjarige [betrokkene A] . Deze verdenking vloeit rechtstreeks voort uit het hiervoor in zaak A onder 2 primair bewezen verklaarde feit.
Op grond van de bewijsmiddelen waarop de bewezenverklaring van feit 2 primair in zaak A is gestoeld stelt de rechtbank vast dat de minderjarige [betrokkene A] ertoe is aangezet een ernstig strafbaar feit te plegen, namelijk het tot ontploffing brengen van een explosief bij een bedrijfspand, met gemeen gevaar voor goederen als gevolg. Ook [betrokkene A] liep als uitvoerder van deze opdracht gevaar. Het aansteken van een zwaar explosief (drie Cobra’s 6 tegelijk, in combinatie met een snel ontbrandende vloeistof) brengt immers grote risico’s met zich. Daarnaast heeft [betrokkene A] het risico gelopen om voor het plegen van dit feit strafrechtelijk te worden vervolgd en veroordeeld. [betrokkene A] was vanwege zijn jonge leeftijd kwetsbaar en voelde zich blijkens zijn verklaringen in een situatie gebracht waarin hij geen ‘nee’ (meer) kon zeggen. Het onder deze omstandigheden vervoeren en overbrengen van een minderjarige en het aan hem verstrekken van middelen voor het teweegbrengen van een ontploffing, waardoor de verdachten zelf aanzienlijk minder risico’s liepen, leidt er naar het oordeel van de rechtbank toe dat de verdachten hebben gehandeld met het oogmerk van uitbuiting.
Pleegplaats
De rechtbank stelt vast dat de tenlastelegging als pleegplaats alleen Alkmaar vermeldt. De niet ongebruikelijke uitbreiding ‘althans in Nederland’ ontbreekt. Nu niet met zekerheid kan worden vastgesteld waar de verdachte(n) en [betrokkene A] zich bevonden toen contact werd gelegd via Snapchat, kan dat onderdeel van de tenlastelegging niet bewezen worden verklaard. Dit brengt met zich dat ook het element ‘werven’ in de tenlastelegging niet bewezen kan worden.
Medeplegen
Op grond van hetgeen de rechtbank hiervoor ten aanzien van zaak A, feit 2 primair heeft overwogen met betrekking tot het medeplegen, is de rechtbank van oordeel dat ook de criminele uitbuiting van de minderjarige [betrokkene A] door de verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte B] tezamen en in vereniging is gepleegd.
Zaak A, feit 3 primair ( [adres B] ) en feit 4 primair ( [adres C] )
De rechtbank stelt op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting het volgende vast.
In de nacht van 1 februari 2024 vonden kort na elkaar twee incidenten plaats in Alkmaar. Het eerste incident vond plaats bij de woning aan de [adres C] . Even na middernacht ontving de politie de melding dat de bewoners van de woning met nummer 17 een harde knal hadden gehoord. Op beelden van de bewakingscamera van de woning was te zien dat kort voor de melding een persoon in de voortuin van de woning stond met in zijn handen een tegel en een fles. De persoon zette de fles in de voortuin neer, haalde een voorwerp uit zijn broekzak en bukte voorover alsof hij de fles probeerde aan te steken. Daarna gooide de persoon de tegel richting de ruit en raakte de tegel het kozijn. Nadat de persoon even twijfelend heen en weer liep in de tuin, liep de persoon naar de fles en rende daarmee weg. In de grond waar de fles had gestaan en was omgevallen voordat de persoon die oppakte en ermee wegrende, werden later resten van een ontbrandbare vloeistof, zoals lampolie, gevonden.
Ongeveer tien minuten na de melding over het incident in de [A-straat] ontving de politie een tweede melding, over een harde knal. Dit keer kwam de melding van bewoners aan de [B straat] . Het bleek dat de onderste ruit naast de voordeur van de woning aan de [adres B] was gebroken. Op de grond voor de voordeur en de woning lagen onder andere glasscherven en restanten van een zwarte ballon. Op de stoep en een parkeerplaats voor de woningen met de nummers [adres B] en [naastgelegen adres] vonden politieagenten restanten van een ontplofte Cobra, een spoor van vloeistof naar een kapotte fles met (wat later bleek) lampolie en een niet-ontplofte Cobra 6. Verderop in de straat vond de politie restanten van een fles met (wat later bleek) eveneens een ontbrandbare vloeistof, zoals lampolie. Op beelden van de cameradeurbel van de woning aan de [adres B] was te zien dat een persoon kort voor de melding iets bij de voordeur neerzette en diverse pogingen deed om dit aan te steken, terwijl de persoon met de andere hand een mobiele telefoon vasthield. Nadat het aansteken van het voorwerp was gelukt, kwam rook omhoog langs de camera en rende de persoon weg. Direct na de harde knal die volgde, zag een buurtbewoner een jongen wegrennen vanaf de [B straat] en als passagier instappen in een auto, waarna deze auto direct met gedoofde lichten was weggereden.
De politie heeft direct onderzoek gedaan naar de weggereden auto. Het bleek dat medeverdachte [medeverdachte C] (hierna: [medeverdachte C] ) ten tijde van de feiten de bestuurder van deze auto was. De persoon die was te zien op de camerabeelden van zowel de woning aan de [adres C] als de woning aan de [adres B] bleek later de medeverdachte [medeverdachte D] (hierna: [medeverdachte D] ) te zijn geweest.
Betrokkenheid van de verdachte
Onder de medeverdachte [medeverdachte C] zijn bij zijn aanhouding op 1 februari 2024 twee smartphones in beslag genomen, waaronder een iPhone 14. In die iPhone 14 werd een Snapchat gesprek aangetroffen van 31 januari 2024, vanaf 22.42 uur, tussen ‘ [usernaam C] ’, een Snapchatnaam van [medeverdachte C] , en een gebruiker met de schermnaam ‘ [usernaam D] ’. In dit gesprek deelt [medeverdachte C] een foto van een telefoon waarop een screenshot is te zien van een chatconversatie die werd gevoerd via de applicatie Session. Op de afbeelding is te zien dat een Snapchat-gebruiker met de naam ‘ [naam B] ’ berichten ontvangt van een gebruiker met de naam ‘ [schermnaam B] ’. Vastgesteld is dat medeverdachte [medeverdachte E] (hierna: [medeverdachte E] ) de gebruiker is van de naam ‘ [naam B] ’. [schermnaam B] zegt dat hij ‘die lijst’ aan [naam C] heeft gestuurd. Uit later onderzoek is gebleken dat de persoon achter de schermnaam ‘ [naam C] ’ de medeverdachte [medeverdachte F] (hierna: [medeverdachte F] ) is. [medeverdachte E] antwoordt: ‘dens (de rechtbank begrijpt: stuur) et via hier’ ‘moet aan die drive (de rechtbank begrijpt: driver/chauffeur) laten zien’. [schermnaam B] stuurt dan: ‘Wacht’ en ‘ [adres D] , [adres B] ’, ‘ [C straat 1] hier moeten ze bij die flat kijken achternaam [naam D] en dan die deur raggen! Deze adje (de rechtbank begrijpt: adres) moet als laatste’. [medeverdachte E] reageert met: ‘oke’, waarop [schermnaam B] bericht: ‘na al die acties kunnen ze naar Europaplein beverwijk rijden daar ben ik kunnen ze pla (de rechtbank begrijpt: geld) pakken of ik breng t na jou morgen wat jij wilt’ en ‘en alle acties filmen ook aub’.Gelet op de incidenten die in de vroege nacht van 1 februari 2024 in de [A-straat] en op de [B straat] in Alkmaar hebben plaatsgevonden en mede gelet op de verklaring [medeverdachte D] , concludeert de rechtbank dat [schermnaam B] hier aan [medeverdachte E] de adressen doorgeeft waar die avond/nacht explosies moesten plaatsvinden. Dat in de [A-straat] een poging tot ontploffing is gepleegd op nummer [adres C] , in plaats van op nummer [naastgelegen perceel] , moet als een kennelijke vergissing van de uitvoerder(s) worden beschouwd. Het adres [adres D] in Alkmaar betreft immers de woning van [persoon A] , partij in het in de inleiding van dit vonnis beschreven conflict, die op meerdere data doelwit is geweest van (pogingen) tot ontploffing/brandstichting.
De door [schermnaam B] aan [medeverdachte E] verstrekte informatie en instructies zijn door [medeverdachte E] één-op-één doorgegeven aan [medeverdachte C] , de chauffeur die ook de VBC’s bij zich had. Daarnaast heeft [schermnaam B] informatie – de lijst van beoogde doelwitadressen – verstrekt aan [medeverdachte F] , die deze informatie op zijn beurt weer heeft doorgespeeld aan de uitvoerder, [medeverdachte D] .
Identificatie ‘ [schermnaam B] ’
Vervolgens ligt de vraag voor of de persoon die zich op Session bediende van de naam ‘ [schermnaam B] ’, kan worden geïdentificeerd als de verdachte, zoals door de officier van justitie is gesteld. Anders dan de verdediging, beantwoordt de rechtbank deze vraag bevestigend. Aan dit oordeel liggen de volgende overwegingen ten grondslag.
In een niet aan deze zaak gerelateerd opsporingsonderzoek in Rotterdam is onder de verdachte een telefoon in beslag genomen met telefoonnummer [nummer A] . Dit telefoonnummer was gekoppeld aan de applicatie Signal en binnen die applicatie aan de contactnaam [schermnaam B] . Daarnaast kwam de verdachte met het telefoonnummer [nummer A] voor als tegencontact in een telefoon van een ander subject in dat Rotterdamse onderzoek.
Uit onderzoek is verder gebleken dat het telefoonnummer [nummer A] meerdere malen is gebruikt om bestellingen te doen bij Thuisbezorgd.nl, waarbij het afleveradres het adres betrof van ofwel de verdachte ofwel zijn moeder. Bij deze bestellingen werd enkele malen een emailadres opgegeven, waarvan de verdachte heeft verklaard dat hij daar gebruik van maakte.
Daar komt bij dat de verdachte eerder op vergelijkbare wijze met medeverdachte [medeverdachte E] betrokken is geweest bij het tot ontploffing brengen van een VBC bij een woning. De rechtbank verwijst hiertoe naar de hierna te bespreken gebeurtenissen in Vijfhuizen in november 2023 (zaak B).
De mogelijkheid, zoals geopperd door de verdediging, dat de persoon die zich op Signal ‘ [schermnaam B] ’ noemt een andere persoon is dan de ‘ [schermnaam B] ’ die via Session met [medeverdachte E] communiceert, is weliswaar in theorie aanwezig, maar is in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk.
Medeplegen
De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of de betrokkenheid van de verdachte bij de poging tot ontploffing aan de [adres C] en de geslaagde ontploffing aan de [adres B] kan worden gekwalificeerd als die van een medepleger.
De verdachte heeft via de ‘tussenbrokers’ [medeverdachte E] en [medeverdachte F] de adressen verstrekt waar explosies moesten plaatsvinden. Ook heeft de verdachte instructies gegeven in welke volgorde de adressen moesten worden getroffen en dat er gefilmd moest worden. Nadat de acties zouden zijn uitgevoerd, zou de verdachte zorg dragen voor de betaling aan de uitvoerders.
De rechtbank is van oordeel dat de verdachte hiermee een essentiële en onmisbare bijdrage heeft geleverd in de voorbereiding, aansturing en uitvoering van de incidenten aan de Lekstraat en [adres B]. Deze bijdrage was van zodanig gewicht dat van medeplegen sprake is.
Gevaarzetting
Tot slot zal de rechtbank stilstaan bij de vraag van welk gevaar sprake zou zijn geweest als in de woning aan de [adres C] een ontploffing had plaatsgevonden en welk gevaar als gevolg van de ontploffing bij de [adres B] is ontstaan.
De rechtbank is van oordeel dat bij voltooiing van het voorgenomen handelen naast gemeen gevaar voor goederen ook levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de bewoners van de woning aan de [adres C] te duchten was. De rechtbank betrekt bij dit oordeel de bevindingen van het forensisch onderzoek bij en in de woning aan de [adres C] en de omstandigheid dat de bewoners ten tijde van het feit in de woning aanwezig waren en lagen te slapen. Onder deze omstandigheden was naar algemene ervaringsregels levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de bewoners van de [adres C] voorzienbaar.
Uit forensisch onderzoek dat bij de woning aan de [adres B] is verricht, blijkt dat als gevolg van de ontploffing bij de voordeur van die woning materiële schade is ontstaan en dat gemeen gevaar voor goederen te duchten was. Uit dat onderzoek is niet gebleken van potentieel (levens)gevaar voor andere personen dan de medeverdachte. Omdat het dossier geen aanwijzingen bevat voor potentieel (levens)gevaar voor andere personen, zal de verdachte voor feit 3 primair van dit deel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.
Zaak A, feit 4 primair ( [adres D] , 3 februari 2024 en 4 februari 2024)
Incident [adres D] (3 februari 2024)
De rechtbank stelt op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting het volgende vast.
In de vroege nacht van 3 februari 2024 hield de politie in de Lekstraat in Alkmaar een persoon aan die later bleek te zijn de medeverdachte [medeverdachte G] (hierna: [medeverdachte G] ). Kort daarvoor, rond 00.40 uur, had een politieagent gezien dat [medeverdachte G] in de [C straat 2] , eveneens in Alkmaar, uit een auto stapte en vanuit de [C straat 2] met iets witkleurigs in zijn handen richting de woning aan de [adres D] liep. [medeverdachte G] liep naar de woning en liep vervolgens door richting nabij gelegen garageboxen. Op beelden van de bewakingscamera van de [A-straat] was te zien dat [medeverdachte G] kort de voortuin van de woning aan de [adres D] instapte, voordat hij doorliep richting de garageboxen. Nadat een andere politie-eenheid de [A-straat] inreed, liep [medeverdachte G] terug over de [A-straat] en liep hij voorbij de woning met nummer [adres D] . Op camerabeelden was te zien dat [medeverdachte G] ter hoogte van de woning aan de [adres D] iets weggooide in de bosjes en vervolgens doorliep richting de [C straat 2] . Na de staandehouding van [medeverdachte G] vond de politie naast de heg tegenover de woning aan de [adres D] een Cobra 6 en een wit plastic tasje met daarin een flesje met (wat later bleek) benzine. Ongeveer zes meter verder, ter hoogte van de woning aan de [adres F] , vond de politie een aansteker.
Begin van uitvoering
De verdediging heeft bepleit dat geen sprake is geweest van een strafbare poging tot het teweegbrengen van een ontploffing of van brandstichting, maar hoogstens van (niet ten laste gelegde) voorbereidingshandelingen. De rechtbank volgt dit standpunt niet en legt hierna uit waarom.
Voor een strafbare poging tot het plegen van een misdrijf is vereist dat het voornemen van de dader zich door een begin van uitvoering heeft geopenbaard. Volgens de Hoge Raad is sprake van een begin van uitvoering indien de door de verdachte verrichte gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm in voldoende concrete mate waren gericht op de voltooiing van het misdrijf. Bij de beoordeling van de vraag of sprake is geweest van een begin van uitvoering, komt het aan op de feiten en omstandigheden van het concreet voorliggende geval. Een belangrijke beoordelingsfactor daarbij is hoe dicht de vastgestelde gedragingen bij de voltooiing van het voorgenomen misdrijf lagen, bijvoorbeeld in tijd en/of plaats, en hoe concreet deze daarop waren gericht. Verder kan het bij een poging gaan om een samenstel van gedragingen, met inbegrip van die van eventuele andere deelnemers. De aard van het misdrijf kan van belang zijn, maar niet noodzakelijk is dat al een bestanddeel van het misdrijf is vervuld.
Uit de bewijsmiddelen, waaronder de verklaring van de medeverdachte [medeverdachte H] (hierna: [medeverdachte H] ), volgt dat [medeverdachte G] op de late avond van 2 februari 2024 met een snorder van Amsterdam naar Alkmaar is gekomen. [medeverdachte G] had, toen hij rond 00.40 uur op de [A-straat] was, een tasje bij zich met daarin een Cobra 6 en een flesje benzine. Dit flesje had hij eerder die avond zelf bij een tankstation gevuld met benzine en de Cobra 6 had [medeverdachte H] geregeld. Deze VBC is geschikt om een ontploffing/brand te veroorzaken.
Gelet op de chatgesprekken die [medeverdachte G] op 2 en 3 februari 2024 met anderen heeft gevoerd, concludeert de rechtbank dat [medeverdachte G] met de meegenomen VBC bij de woning aan de [adres D] een ontploffing moest veroorzaken. Zo vroeg ene ‘Wrb’ een kleine tien minuten voor de staandehouding van [medeverdachte G] per sms-bericht aan [medeverdachte G] of ‘die c6 aan die fles’ was. [medeverdachte G] antwoordde hierop: ‘ja, lont is lang’ en ‘is in een zak samen’. Gevraagd of hij ook moet filmen, schreef [medeverdachte G] vervolgens aan ‘Wrb’: ‘jamn filmen ook’ en ‘gw 1 hand film 1 hand aansteken’.
De rechtbank komt in het licht van de hierboven beschreven feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, tot het oordeel dat sprake is geweest van een begin van uitvoering. Het was de bedoeling van [medeverdachte G] om de VBC bij de woning aan de [adres D] tot ontploffing te brengen. [medeverdachte G] is met dat doel naar Alkmaar gekomen, is in de nabije omgeving van de [A-straat] uit de auto van de snorder gestapt en vervolgens met het tasje met daarin de VBC richting de woning aan de [adres D] gelopen. Hij is de voortuin van die woning kort ingelopen, voordat hij doorliep richting nabije garageboxen. Vervolgens is [medeverdachte G] teruggelopen richting de woning op nummer 19 en heeft hij het tasje met de VBC in de heg tegenover deze woning gegooid omdat op dat moment een politie-eenheid de [A-straat] inreed. Deze gedragingen zijn naar het oordeel van de rechtbank naar hun uiterlijke verschijningsvorm in voldoende concrete mate gericht op de voltooiing van het misdrijf. De gedragingen van [medeverdachte G] lagen in tijd en plaats heel dicht bij de voltooiing van het misdrijf en hij zou het misdrijf hebben voltooid als hij niet was gestoord door de politie. Dat geen sprake zou zijn van een poging omdat [medeverdachte G] geen lucifers of aansteker bij zich had, volgt de rechtbank niet. Op korte afstand van de plek waar de Cobra 6 en het tasje met de flesje benzine lagen, is namelijk een aansteker aangetroffen. De rechtbank acht het zeer aannemelijk dat deze aansteker, net als de Cobra en het tasje, door [medeverdachte G] is weggegooid toen hij de politie zag. Het verweer wordt verworpen.
Identificatie ' [schermnaam C] '
Bij de aanhouding van de medeverdachte [medeverdachte I 1] (hierna: [medeverdachte I 1] ) is onder meer een iPhone 12 in beslag genomen. Op deze telefoon stond een snapchat-account ingesteld met de username [usernaam E] en de schermnaam [schermnaam D 2] [adelaars-icoontje]. In de contactenlijst van dit account werden de accounts [account D] en [schermnaam C] aangetroffen. Uit het profiel van het account [schermnaam C] blijkt dat [schermnaam C] de schermnaam is en dat de username [usernaam F] is. Verder is bij het profiel een rood ballonnetje te zien met de tekst ’16 feb'. Onder ‘opgeslagen in chat’ is een foto te zien van een persoon die door de politie is herkend als de verdachte. Deze herkenning wordt bevestigd door het feit dat de geboortedatum van de verdachte [geboortedatum] 2001 is. De rechtbank acht het een feit van algemene bekendheid dat op Snapchat een pictogram van een rode ballon een verjaardag aanduidt.
Ook is bij het profiel een afbeelding te zien met links boven de woorden [schermnaam C] en 6 dagen geleden. Daaronder staat het Snapchat-logo en: [account D] [account C]. In een transparante balk staat de tekst: Nieuwe snap deze gaat weg! @ [account C] . Het is naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk dat deze afbeelding is verstuurd door [schermnaam C] aan zijn contacten, waaronder [medeverdachte I 1] , met de boodschap dat het snap-account [usernaam F] wordt vervangen door [account C] .
In het profiel van het account met de schermnaam [account D] is te zien dat de gebruikersnaam [account C] is. Ook bij dit profiel is een rood ballonnetje te zien met de vermelding ' [geboortedatum] '. De verdachte heeft verklaard dat hij het Snapchat account ‘ [account C] ’ gebruikt.
Op grond van het voorgaande concludeert de rechtbank dat de verdachte kan worden aangemerkt als de gebruiker van de Snapchat-accounts [schermnaam C] ( [usernaam F] ) en [account D] ( [account C] ).
Medeplegen
Op de avond van 2 februari 2024 vindt een Snapchat-gesprek plaats tussen [medeverdachte G] en [medeverdachte H] , waarin [medeverdachte H] zegt dat er een opdracht (‘model’) in Alkmaar is. Er wordt gesproken over het regelen van vervoer en het fixen van een ‘c6’ (de rechtbank begrijpt: Cobra 6). [medeverdachte H] heeft verklaard dat hij die avond met [medeverdachte G] in Amsterdam naar een tankstation is gereden om daar een flesje met benzine te vullen. Dit deed hij omdat dat moest van de opdrachtgever. [medeverdachte H] heeft [medeverdachte G] het adres gegeven waar hij in Alkmaar naar toe moest en heeft hem afgezet bij een snorder die [medeverdachte G] naar Alkmaar zou vervoeren.
In de iPhone 15 Plus van de medeverdachte [medeverdachte I 1] zijn screenshots van berichten aangetroffen die blijkens de metadata zijn gemaakt in de avond van 2 februari 2024.
Daarop is het volgende te lezen.
Op 2 februari 2024 om 22.18 uur: ‘2 ossos Alkmaar c6 met benzine bomme’.
Op 2 februari 2024 om 22.20 uur: een chatgesprek tussen ‘Ik’( [medeverdachte I 1] ) en ‘ [schermnaam C] ’ (de verdachte):
‘Ik’: ‘Ja?’
‘ [schermnaam C] : ‘Ja’
‘Ik’: ‘Mitta’
‘ [schermnaam C] ': ‘Oke Hoelang’
‘lk’: ‘Bel ze nu Voorschot?’
' [schermnaam C] ': ‘Neeman pla (de rechtbank begrijpt: geld) kan gelijk opgehaald worden als is gekino (de rechtbank begrijpt: gefilmd)’.
Vervolgens is een afbeelding te zien van een hand die meerdere bundels 50-eurobiljetten vasthoudt. Kennelijk wil ' [schermnaam C] ' laten zien dat hij over het geld beschikt om uit te betalen.
Op 2 februari 2024 om 23.22 uur: een zwarte achtergrond met de tekst ‘Tegel door voorruit en dan die ding na binnen, kino maken en wegwezen morgen doen ze die andere adje (de rechtbank begrijpt: adres)’. Dit zelfde screenshot is ook aangetroffen op de telefoon van [medeverdachte H] . Het screenshot op de telefoon van [medeverdachte I 1] is een minuut eerder gemaakt.
Op 2 februari 2024 om 23:25 uur: een chatgesprek tussen ‘Ik’ ( [medeverdachte I 1] ) en ‘ [schermnaam C] ’ (de verdachte):
‘Ik’: ‘En die adje van morgen. 2.5?’
‘ [schermnaam C] ': ‘yes’.
De interpretatie van de politie is dat voor het adres van morgen 2.500 euro wordt betaald. ‘ [schermnaam C] ’: ‘Die man v me Zegt nu Tegel hoeft niet Tegen die raam van die woonkamer plakken aansteken Kino Wegwezen Laten ze niet met eigen Karie gaan’.
Dit betekent volgens de politie dat de opdrachtgever van de verdachte zegt dat er geen tegel door de ruit heen hoeft, maar dat het explosief tegen het raam geplakt kan worden. Er moet een video van de explosie gemaakt worden en dan wegwezen. Ze moeten niet met hun eigen auto gaan.
Uit deze berichten leidt de rechtbank af dat de verdachte de opdracht voor de aanslag op de [adres D] in Alkmaar op 3 februari 2024 heeft verstrekt aan [medeverdachte I 1] . [medeverdachte I 1] heeft de opdracht vervolgens doorgezet naar [medeverdachte H] , die op zijn beurt de uitvoerder, [medeverdachte G] , heeft aangestuurd. De verdachte geeft aan dat als het gefilmd is, het geld direct kan worden opgehaald. Om te bewijzen dat hij goed is voor zijn woord, stuurt de verdachte een foto van een dik pak bankbiljetten.
[medeverdachte I 1] geeft om 23.22 uur instructies door aan [medeverdachte H] met betrekking tot de uitvoering (‘Tegel door de voorruit en dan die ding na binnen, kino maken en wegwezen morgen doen ze die andere adje’). Drie minuten later brengt de verdachte [medeverdachte I 1] op de hoogte van een wijziging in de instructies, die kennelijk afkomstig zijn van de uiteindelijke opdrachtgever (‘die man v me’). Het bericht luidt ‘Die man v me Zegt nu Tegel hoeft niet Tegen die raam van die woonkamer plakken aansteken Kino Wegwezen Laten ze niet met eigen Karie gaan’. Uit dit bericht kan worden afgeleid dat de oorspronkelijke instructies ook door de verdachte aan [medeverdachte I 1] zijn gestuurd.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verdachte door het uitzetten van de opdracht, het doorgeven van instructies voor de uitvoering en het garant staan voor de uitbetaling van de uitvoerder(s) een essentiële en onmisbare rol gespeeld in de planning en de uitvoering van de poging tot ontploffing/brandstichting bij de woning aan de [adres D] in Alkmaar op 3 februari 2024. Deze bijdrage was van zodanig gewicht dat van medeplegen sprake is.
Gevaarzetting
De rechtbank is van oordeel dat in het geval de VBC bij de woning aan de [adres D] zou zijn aangestoken en ontploft, sprake zou zijn geweest van gemeen gevaar voor goederen, namelijk materiële schade aan die woning en/of aangrenzende woningen en de goederen daarin.
De rechtbank acht niet bewezen dat ook sprake zou zijn geweest van potentieel (levens)gevaar voor andere personen dan uitvoerder [medeverdachte G] . De verdachte zal daarom van dit onderdeel van de tenlastelegging worden vrijgesproken. Voor deze conclusie is allereerst van belang dat de woning aan de [adres D] door de burgemeester was gesloten waardoor er in de nacht van 3 februari 2024 niemand in de woning aanwezig was. Uit het dossier wordt verder niet duidelijk of de bewoners van nabijgelegen woningen thuis waren en, zo ja, waar zij zich bevonden op het moment dat [medeverdachte G] de woning aan de [adres D] naderde. Evenmin volgt uit het dossier op welke afstand tot de woning de aanwezige politieagenten zich bevonden en of zich nog andere personen in de (directe) omgeving bevonden.
Incident [adres D] (4 februari 2024)
De rechtbank stelt op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting het volgende vast.
De medeverdachte [medeverdachte I 2] (hierna: [medeverdachte I 2] ) heeft op 2 februari 2024 de medeverdachte [medeverdachte J] , die nu [medeverdachte J] heet, (hierna: [medeverdachte J] ) de opdracht gegeven om tegen betaling VBC’s bij een woning in Alkmaar te plaatsen. [medeverdachte J] heeft deze opdracht aanvaard en heeft daarop medeverdachte [medeverdachte K] (hierna: [medeverdachte K] ) ingeschakeld als uitvoerder. [medeverdachte K] heeft zich bereid verklaard tegen betaling de VBC’s voor de woning te plaatsen. [medeverdachte J] heeft met [medeverdachte K] via Snapchat gecommuniceerd over het verkrijgen van materialen voor de VBC’s. [medeverdachte I 2] heeft [medeverdachte J] via Snapchat laten weten waar hij Cobra’s kon ophalen.
Op 4 februari 2024 heeft [medeverdachte J] de Cobra’s opgehaald in Amsterdam, waarna hij de Cobra’s aan twee flessen wasbenzine heeft vastgeplakt. Diezelfde avond heeft [medeverdachte J] met zijn auto [medeverdachte K] opgehaald in Utrecht. De VBC’s bevonden zich in een plastic tas in de auto. [medeverdachte J] en [medeverdachte K] zijn samen naar Alkmaar gereden. Bij het eerste adres, de [C straat 1] , werden zij tegengehouden door de politie. Daarna zijn ze naar de [A-straat] gegaan. Op enig moment is [medeverdachte K] uit de auto gestapt en heeft hij de twee VBC’s voor de voordeur van de woning aan de [adres D] neergezet. Daarna is [medeverdachte K] met versnelde pas weggelopen.
Begin van uitvoering
Met betrekking tot de vraag of sprake is van het voor een strafbare poging vereiste begin van uitvoering verwijst de rechtbank in de eerste plaats naar het hiervoor uiteengezette juridisch kader.
De rechtbank is van oordeel dat sprake is geweest van een begin van uitvoering van een poging tot het teweegbrengen van een ontploffing en/of brandstichting en overweegt daartoe als volgt.
In de telefoon van [medeverdachte I 1] is een screenshot te zien van 4 februari 2024 om 19.05 uur met de tekst: ‘ [C straat 1] achternaam [naam D] moeten ze zoeken en dan daar laaien’. [medeverdachte I 2] heeft verklaard dat hij dit bericht heeft gekregen van ‘ [medeverdachte I 1] ’ (van wie is vastgesteld dat dit medeverdachte [medeverdachte I 1] betreft) en dat met ‘laaien’ werd bedoeld: uitvoeren, tot ontploffing brengen. Op 4 februari 2024 om 19.53 stuurt [medeverdachte I 2] aan [medeverdachte J] hetzelfde screenshot door.
In een bericht van 4 februari 2024 om 21.10 uur van ‘ [schermnaam C] ’ (de verdachte) aan [medeverdachte I 1] staat: ‘Dan moeten ze na die andere adje plakken. Plakken op voorruit. Van vorige X. Maar spits doen beetje. Niet te heet wakka daar. En live campoe’.
Volgens de politie is ‘spits doen’ straattaal voor snel doen; 'wakka’ is straattaal voor lopen; ‘live campoe’ betekent: live camera.
In een bericht van 22.14 uur van de verdachte staat: ‘dan zeg ze ga naar die [A-straat] . Maar zet whip voor de deur snel plakken op die raam. Kino maken vanuit waggie. Gas erop. Dan komen ze makkelijk loezoe’.
Deze zinnen zijn te interpreteren als dat de uitvoerders ‘dan’, dat wil zeggen nadat de [C straat 1] niet is doorgegaan, naar de [A-straat] moeten gaan, een auto voor de deur moeten zetten, waarna iets op het raam moet worden geplakt. Er moet een filmpje gemaakt worden vanuit de auto, dan snel wegrijden want dan komen ze makkelijk weg.
[medeverdachte I 2] heeft een bericht van [medeverdachte I 1] ontvangen van 22.25 uur: ‘Ze moeten naar andere adje. En die doen. Plakken tegen die raam. Lekstraat. Nummer [adres D] .’ Dit bericht heeft [medeverdachte I 2] weer doorgestuurd naar [medeverdachte J] .
Uit deze berichten volgt naar het oordeel van de rechtbank dat het van meet af aan de bedoeling was dat zowel op de [C straat 1] als op de [A-straat] een ontploffing zou plaatsvinden. Met deze opdracht zijn [medeverdachte J] en [medeverdachte K] naar Alkmaar gereisd, met twee zelfgemaakte, gebruiksklare VBC’s bij zich. Na ontvangst van de gewijzigde instructies (omstreeks 22.25 uur) is [medeverdachte K] omstreeks 22.38 uur met een tas met daarin de VBC’s naar de voordeur van de woning aan de [adres D] gelopen. Al lopend pakt hij iets uit de tas, bukt voor de deur en zet daar iets neer en pakt opnieuw de tas om daar iets uit te pakken. Op dat moment rijdt de politie de straat in en rent [medeverdachte K] weg. Voor de voordeur worden twee VBC’s aangetroffen. Deze gedragingen zijn naar het oordeel van de rechtbank naar hun uiterlijke verschijningsvorm in voldoende concrete mate gericht op de voltooiing van het misdrijf. De gedragingen van [medeverdachte K] lagen in tijd en plaats heel dicht bij het misdrijf en [medeverdachte K] zou het misdrijf hebben voltooid als de komst van de politie dit niet had verhinderd. Dat geen vuurbron is aangetroffen is naar het oordeel van de rechtbank geen contra-indicatie voor het aannemen van een begin van uitvoering, reeds omdat [medeverdachte K] heeft weten te ontkomen vanaf de plaats delict en niet ter plaatse is aangehouden. Het is met andere woorden geenszins uitgesloten dat hij een aansteker of andere vuurbron bij zich had op de plaats delict. Bovendien blijkt uit voornoemde berichten onmiskenbaar dat het de bedoeling was om de VBC’s tot ontploffing te brengen.
Medeplegen
Uit de hiervoor besproken berichten van 4 februari 2024 blijkt dat de verdachte concrete instructies (door)geeft aan [medeverdachte I 1] over wat er moet gebeuren, waar en op welke manier. Via [medeverdachte I 1] komt deze informatie vervolgens bij de uitvoerders terecht. Gelet hierop heeft de verdachte een belangrijke en noodzakelijke rol gespeeld bij de poging tot ontploffing/brandstichting op de [adres D] in Alkmaar op 4 februari 2024. Hiermee heeft hij een bijdrage aan het feit geleverd die van voldoende gewicht is om medeplegen bewezen te achten.
Gevaarzetting
De rechtbank acht niet bewezen dat in het geval de VBC’s bij de woning aan de [adres D] zouden zijn aangestoken en ontploft, gevaar voor zwaar lichamelijk letsel of levensgevaar te duchten zou zijn geweest. De rechtbank verwijst naar hetgeen hiervoor bij Incident [adres D] (3 februari 2024) is overwogen met betrekking tot de gevaarzetting.
Zaak A, feit 1
De verdachte wordt ervan verdacht dat hij in de periode van 12 augustus 2023 tot en met 11 februari 2024 heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van brandstichtingen en/of het teweegbrengen van ontploffingen.
Beoordelingskader
Voor een veroordeling voor deelneming aan een criminele organisatie moet worden vastgesteld dat sprake is geweest van een organisatie, dat die organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven en dat de verdachte aan die organisatie heeft deelgenomen. Er moet sprake zijn van een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur tussen de verdachte en tenminste één andere persoon. Niet is vereist dat daarbij komt vast te staan dat een persoon om als deelnemer aan die organisatie te kunnen worden aangemerkt moet hebben samengewerkt, althans bekend moet zijn geweest, met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds hetzelfde is. Voor ‘deelneming’ aan de organisatie is voldoende dat de verdachte in zijn algemeenheid weet (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Niet vereist is dat hij wetenschap heeft van één of meer concrete misdrijven die door de organisatie worden beoogd of dat zijn opzet is gericht op het plegen van die misdrijven. De verdachte hoeft niet bij meerdere misdrijven van de organisatie betrokken te zijn geweest. Het gaat er immers niet om of zijn opzet was gericht op het plegen van (meer) misdrijven of dat hij heeft deelgenomen aan (al binnen de organisatie) gepleegde misdrijven. Het opzet van de verdachte moet gericht zijn op het deelnemen aan de organisatie. Volgt uit de bewijsvoering dat de verdachte een aan de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie bijdragende of ondersteunende handeling heeft verricht, dan ligt daarin zijn wetenschap met betrekking tot dat oogmerk besloten. Dat is anders als uit de bewijsvoering slechts blijkt van het verrichten van hand- en spandiensten door de verdachte voor de deelnemers aan de criminele organisatie, zonder dat hieruit kan worden afgeleid dat de verdachte daarbij handelde in de wetenschap dat die organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven. Dan staat niet vast dat de verdachte in zijn algemeenheid wist dat die organisatie bedoeld oogmerk had en levert het handelen van de verdachte geen deelneming aan de criminele organisatie op.
Bestaan criminele organisatie
De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen aan de hand van het hiervoor weergegeven beoordelingskader vast dat in de aan de verdachte ten laste gelegde periode sprake was van een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband, bestaande uit twee of meer personen, dat tot oogmerk had het plegen misdrijven, te weten het opzettelijk plegen van brandstichtingen en/of het teweegbrengen van ontploffingen. Andere deelnemers aan deze organisatie waren in ieder geval [medeverdachte A] en [medeverdachte B] .
De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte contact had met zowel [medeverdachte A] , met wie hij tot 12 augustus 2023 gedetineerd was, als met [medeverdachte B] . Daartoe verwijst de rechtbank onder meer naar het in de telefoon van [medeverdachte A] aangetroffen screenshot (gemaakt op 22 augustus 2023) van een selfie van [medeverdachte B] en [verdachte] in een auto, met daarbij de tekst “Die jongens van me” en zogenaamde emoji’s in de vorm van hartjes. Uit opgenomen telecommunicatie, onder meer op 6 en 9 september 2023, dus na de vrijlating van de verdachte, blijkt dat [medeverdachte A] en [medeverdachte B] spreken over ‘[bijnaam]’, de bijnaam van de verdachte. De rechtbank duidt de inhoud van deze gesprekken zo, dat daarin gesproken wordt over wat de verdachte voor [medeverdachte A] en [medeverdachte B] zou kunnen betekenen. Er wordt immers gesproken over dat [medeverdachte B] ‘iets voor hem had’, maar dat hij (de verdachte) traag reageert, en ‘[bijnaam] gaat nu om de seconde op ons reageren’. Kort hierna, op 14 september 2023, vindt vervolgens de eerste explosie plaats die met het in de inleiding genoemde conflict in verband kan worden gebracht. Ook op 5 oktober 2023 vindt een explosie plaats op een adres dat met het conflict in verband kan worden gebracht en waarvoor de verdachte en [medeverdachte B] bij vonnis van heden als medeplegers worden veroordeeld.
De rechtbank stelt voorts vast dat binnen de criminele organisatie sprake was van een zekere rolverdeling. Uit het dossier (onder meer map Z: procesdossier criminele organisatie) blijkt immers dat bij de diverse (pogingen tot) brandstichting/teweegbrengen van een ontploffing, via veelal Snapchat, uitvoerders, waaronder chauffeurs en degenen die de explosieven plaatsten en aanstaken, voor deze misdrijven werden gezocht door zogenaamde brokers/ronselaars. Daarbij werden ook de VBC’s aan de uitvoerders ter beschikking gesteld en werd in de meeste gevallen de opdracht gegeven een en ander te filmen. Dat sommige deelnemers aan de criminele organisatie wel eens van rol wisselden omdat ze zich bijvoorbeeld binnen de organisatie opwerkten van uitvoerder tot broker, of omdat zij een dubbelrol vervulden, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat niet meer kan worden gesproken van een zekere rolverdeling.
Voor de rechtbank staat in dit verband vast dat [medeverdachte B] , als direct betrokkene bij het in de inleiding genoemde conflict, en ook de verdachte, onder meer vanwege zijn contacten met [medeverdachte B] en zijn betrokkenheid als medepleger waarvan ook één keer met [medeverdachte B] , bij diverse (pogingen tot) brandstichting/teweegbrengen van een ontploffing, een rol vervulde binnen de criminele organisatie en dat er in ieder geval tussen hen sprake was van een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband.
Oogmerk
De rechtbank is voorts van oordeel dat de organisatie het oogmerk had het plegen van brandstichtingen en/of het teweegbrengen van ontploffingen. Daartoe wordt allereerst verwezen naar het in de inleiding beschreven conflict. De rechtbank is namelijk van oordeel dat het criminele oogmerk van de organisatie voortkomt uit het bestaan van dit conflict. [medeverdachte B] en [medeverdachte A] zijn immers beiden betrokken bij het conflict en zijn – zoals de rechtbank in de vonnissen van heden in hun zaken heeft geoordeeld – ook beiden betrokken bij de oprichting van de criminele organisatie. Er is voorts sprake geweest van een groot aantal brandstichtingen en/of ontploffingen dan wel pogingen daartoe bij woningen of panden die in verband kunnen worden gebracht met het conflict. De rechtbank verwijst daarvoor naar het in de bewijsmiddelenbijlage opgenomen overzicht van deze feiten. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank het criminele oogmerk van de organisatie ook daadwerkelijk verwezenlijkt.
De verdachte als deelnemer aan de organisatie
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen komt de rechtbank tot de bewezenverklaring dat de verdachte als medepleger betrokken was bij vijf (pogingen tot) brandstichting/teweegbrengen van een ontploffing bij diverse woningen die in verband kunnen worden gebracht met het in de inleiding beschreven conflict. Daar komt nog eens bij dat ten aanzien van de verdachte, zoals uit hetgeen hiervoor is weergegeven blijkt, ook bewezen is verklaard dat hij zich in relatie tot één van deze feiten schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het crimineel uitbuiten van een minderjarige uitvoerder van een explosie. De rechtbank kan er in dit verband voorts niet aan voorbijzien dat de verdachte 294 stuks zeer zwaar vuurwerk voorhanden had; Cobra’s 6 die, zoals hiervoor in de inleiding ook is aangegeven, gebruikt zijn om de zogenaamde VBC’s te maken, waarmee de feiten waar het oogmerk van de organisatie op was gericht, werden gepleegd.
Conclusie
Door dit beschreven handelen van de verdachte is de rechtbank van oordeel dat uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de verdachte een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan de verwezenlijking van het hiervoor weergegeven oogmerk van de criminele organisatie en dat zijn opzet daar ook op was gericht. De rechtbank merkt de verdachte dan ook aan als deelnemer aan deze criminele organisatie zoals tenlastegelegd.
Zaak B, feiten 1 en 2
De rechtbank stelt op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting het volgende vast.
Op 23 november 2022, tussen 01.45 en 02.00 uur, heeft een explosie plaatsgevonden bij de voordeur van een woonboot aan de [adres E] in Vijfhuizen. In de woonboot waren op dat moment drie personen aanwezig, waaronder de aangever [slachtoffer A 1]. De aangever zag na de knal bij de onderkant van de voordeur vlammen, die hij heeft weten te blussen. Uit forensisch onderzoek is gebleken dat een ontploffing teweeg is gebracht en brand is gesticht door middel van een VBC, te weten een flesje gevuld met motorbenzine, waarop een Cobra 6 was aangebracht. Naast gemeen gevaar voor goederen (de woonboot, aangrenzende woningen en daarin aanwezige goederen), zou in geval van branduitbreiding ook levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten zijn geweest.
De verdachte is op 25 november 2022 aangehouden in het kader van een ander onderzoek. Daarbij is de telefoon van de verdachte in beslag genomen.
Op deze telefoon is een filmpje aangetroffen waarop te zien is dat een VBC wordt aangestoken en voor een deur neergelegd, waarna een ontploffing plaatsvindt. Aan de hand van het tijdstip waarop het filmpje was gemaakt, kon een verband worden gelegd met de explosie in Vijfhuizen. Bij nader onderzoek aan de telefoon bleek op de avond van 22 november 2022 met dit toestel te zijn gezocht op ‘taxiservice Vijfhuizen’ (een van de bewoners van de getroffen woonboot heeft een taxibedrijf met deze naam) en op ‘ [adres E] Vijfhuizen’. Ook was een screenshot gemaakt van de route naar dit adres op Google Maps.
Daarnaast bleek een chat te zijn gevoerd via Snapchat, die werd gestart op 22 november 2022, tussen het account met de gebruikersnaam ‘ [account A] ’ en de schermnaam ‘[voornaam verdachte]’ (de gebruiker van de telefoon) en een account met de gebruikersnaam ‘[account E]’ en de schermnaam ‘[schermnaam E]’.
De rechtbank concludeert op grond van de bewijsmiddelen dat de verdachte de gebruiker van de telefoon was en dat hij degene is die met de Snapchat schermnaam ‘[voornaam verdachte]’ de chat met [schermnaam E] heeft gevoerd.
Op 22 november 2022 in de avond stuurt de verdachte aan [schermnaam E]: ‘Breng je cobra’, ‘moet je m laaien’, ‘voor me ja’, ‘2kop’. De verdachte laat hiermee aan [schermnaam E] weten dat hij een cobra naar [schermnaam E] brengt, dat [schermnaam E] deze voor hem moet plaatsen en dat de beloning 2.000 euro bedraagt.
Even later stuurt [schermnaam E] aan de verdachte het adres President Kennedyplantsoen in Amsterdam.
De verdachte stuurt vervolgens naar een ander contact een afbeelding van een vuurwerkbom. Deze vuurwerkbom komt overeen met de VBC die te zien is op de video van de ontploffing in Vijfhuizen. Daarna stuurt de verdachte aan [schermnaam E] een screenshot van Google Streetview van het adres [adres E] Vijfhuizen.
Rond 23.30 uur hebben de verdachte en [schermnaam E] contact over de betaling voor de ‘driver’.
Om 01.04 (op 23 november 2022) uur vraagt de verdachte aan [schermnaam E]: ‘Al daar?’. Om 01.29 uur en 01.31 uur vraagt de verdachte nogmaals naar een update: ‘???’, ‘Yo’ en ‘Faka’ (hoe gaat het). Direct na dit laatste bericht slaat de verdachte op zijn telefoon het filmpje op waarop de explosie in Vijfhuizen te zien is.
Om 01.59 uur meldt de verdachte aan [schermnaam E] dat hij zo wordt gebeld om het geld (‘die pap’) te halen en informeert: ‘Is die deur eruit?’, waarop [schermnaam E] antwoordt: ‘Alleen die glas volgens mij’ ‘Die doro (de rechtbank begrijpt: deur) ging er nii uit’.
De volgende ochtend bekijkt de verdachte op zijn telefoon een nieuwsbericht met de kop: “Woonboot in Vijfhuizen na explosie getroffen door brand”.
De volgende dag geeft [schermnaam E] aan de verdachte door dat de driver haar geld wil.
Op 25 november 2022 laat de verdachte desgevraagd aan [schermnaam E] weten dat hij de betaling gaat regelen, desnoods uit zijn eigen zak.
De rechtbank acht in dit verband ook van belang het chatgesprek dat de verdachte op 23 november 2022 ’s middags voert met een contact genaamd ‘[contact F]’. Samengevat komt het erop neer dat de verdachte aangeeft dat hij deuren opblaast met een ‘plofpakket’, voor ‘2/3 k’ (2.000/3.000 euro) en dat hij dit niet alleen in Amsterdam doet. Hij voegt daaraan toe dat er gister eentje was en dat hij iemand gestuurd had. Als er weer een is, zal hij het [contact F] laten weten.
Uit het politieonderzoek is voorts gebleken dat het Snapchat account met de schermnaam [schermnaam E] van de medeverdachte [medeverdachte E] is. [medeverdachte E] heeft in zijn verklaring bij de politie bevestigd dat hij ‘[schermnaam E]’ is en toegegeven dat hij betrokken is geweest bij de explosie op de [adres E] in Vijfhuizen op 23 november 2022. [voornaam verdachte] (de rechtbank begrijpt: de verdachte) had hem via Snapchat gezegd dat hij, [medeverdachte E] , vuurwerk voor een huis moest aansteken en dat hij daarvoor betaald zou worden. [voornaam verdachte] stuurde ook het adres. Op de avond voor de explosie heeft de verdachte bij het President Kennedyplantsoen in Amsterdam de vuurwerkbom aan [medeverdachte E] overhandigd. [medeverdachte E] is op diezelfde locatie in Amsterdam opgehaald door de chauffeur en naar Vijfhuizen gebracht. [medeverdachte E] is degene die het op de telefoon van de verdachte aangetroffen filmpje van de ontploffing heeft gemaakt en verstuurd.
Uit de chatberichten die tussen de verdachte en [medeverdachte E] zijn gewisseld, in samenhang met de verklaring van [medeverdachte E] , volgt dat de verdachte aan de medeverdachte de opdracht heeft gegeven voor het tot ontploffing brengen van een VBC bij de woonboot aan de [adres E] in Vijfhuizen op 23 november 2022, dat hij de medeverdachte dit adres heeft gestuurd, dat hij de gebruikte VBC aan de medeverdachte heeft gegeven en dat hij verantwoordelijk was voor het betalen van de medeverdachte en de chauffeur. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verdachte hiermee aan de uitvoering van het in zaak B onder 1 ten laste gelegde feit een bijdrage geleverd, die van voldoende gewicht is om van de voor een bewezenverklaring van medeplegen noodzakelijke nauwe en bewuste samenwerking te kunnen spreken. De rechtbank acht dit feit dan ook wettig en overtuigend bewezen.
Het voorgaande brengt met zich dat de verdachte en zijn medeverdachte de voor de explosie gebruikte VBC gezamenlijk en in vereniging voorhanden hebben gehad. De VBC kan worden gekwalificeerd als een geïmproviseerde explosieve constructie, zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur of door middel van ontploffing en daarmee als een wapen van Categorie II onder 7 van de Wet wapens en munitie. De rechtbank acht daarom ook het medeplegen van het in zaak B onder 2 ten laste gelegde feit bewezen.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de feiten die zijn ten laste gelegd in zaak A onder 1, 2 primair, 3 primair, 4 primair en 5, in zaak B onder 1 en 2 en in zaak C, heeft begaan, met dien verstande dat
Zaak A
1
hij in de periode van 12 augustus 2023 tot en met 11 februari 2024 in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten (onder andere) [medeverdachte A] en [medeverdachte B], welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten opzettelijk brandstichten en/of teweegbrengen van ontploffingen (artikel 157 van het Wetboek van Strafrecht);
2. primair
hij op 5 oktober 2023 te Alkmaar, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht en brand heeft gesticht bij een bedrijfspand, gelegen aan de [adres A] te Alkmaar, door bij voornoemd pand een zogenaamde vuurwerk-brandstof-combinatie, te weten explosieven (cobra’s 6) en een flesje met snel ontbrandende vloeistof tot ontsteking en/of ontbranding te brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten een pand gelegen aan de [adres A] te Alkmaar en aangrenzende panden en de in voornoemde panden aanwezige goederen te duchten was;
3. primair
hij op 1 februari 2024 te Alkmaar, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht en brand heeft gesticht bij een pand (woning), gelegen aan de [adres B] te Alkmaar, door bij voornoemd pand een zogenaamde vuurwerk-brandstof-combinatie, te weten een explosief (cobra 6) en/of een flesje met ontbrandende vloeistof tot ontsteking en/of ontbranding te brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten een pand gelegen aan de [adres B] te Alkmaar en de in voornoemd pand aanwezige goederen, te duchten was;
4. primair
hij in de periode van 1 februari tot en met 4 februari 2024 in Nederland, meerdere malen, telkens tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van de door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijven om telkens opzettelijk een ontploffing teweeg te brengen en/of brand te stichten, terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten het pand gelegen aan de [adres C] te Alkmaar en het pand gelegen aan de [adres D] te Alkmaar en aangrenzende panden en de in voornoemde panden aanwezige goederen en
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten aanwezigen in het pand aan de [adres C] te Alkmaar te duchten was,
telkens met dat opzet
- met een of meer anderen met een auto naar Alkmaar is gereden en
- een zogenaamde vuurwerk-brandstof-combinatie (VBC), te weten een explosief (een cobra 6) en (een flesje met) snel ontbrandende vloeistof, heeft gefabriceerd en
- deze VBC en aansteker(s) heeft meegenomen en
- deze VBC voor de deur/in de nabijheid heeft neergezet van de woningen op de adressen aan de [adres C] te Alkmaar en [adres D] te Alkmaar en
- een tegel tegen het raam van de [adres C] heeft gegooid,
terwijl de uitvoering van die voorgenomen misdrijven niet is voltooid;
5
hij op 22 mei 2024 te Amsterdam opzettelijk 294 stuks knalvuurwerk (Cobra 6) voorhanden heeft gehad.
Zaak B
1
hij op 23 november 2022 te Vijfhuizen, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door een zwaar explosief (een Cobra 6) en een plastic fles met brandbare vloeistof in de directe nabijheid van de voordeur van de woning (een woonboot) aan de [adres E] met open vuur in aanraking te brengen en te ontsteken waardoor deze aldaar tot ontploffing kwam,
terwijl daarvan gemeen gevaar voor het raam en de kozijnen van de woning aan de [adres E] en een of meer aangrenzende/omliggende woningen en in die woningen aanwezige goederen en levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor [slachtoffer A 1] en/of een of meer inwonende(n)/omwonende(n) te duchten was;
2
hij op 23 november 2022 te Vijfhuizen, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander een wapen van categorie II, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een geïmproviseerde explosieve constructie, zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur of door middel van ontploffing, voorhanden heeft gehad;
Zaak C
hij op 5 oktober 2023 te Alkmaar, tezamen en in vereniging met een ander, [betrokkene A] , geboren op [geboortedatum 2]-2007,- heeft vervoerd of overgebracht, met het oogmerk van uitbuiting van die [betrokkene A] , terwijl die [betrokkene A] de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt,immers hebben verdachte en zijn mededader:- die [betrokkene A] vervoerd naar de nabijheid van de locatie waar het explosief geplaatst diende te worden en- een explosief, een paar schoenen en een aansteker verstrekt voor het plegen van de brandstichting/het teweegbrengen van de ontploffing.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.
Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
4. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten
Het bewezenverklaarde levert op:
Ten aanzien van zaak A, feit 1
Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van twaalf jaar of meer is gesteld
Ten aanzien van zaak A, feit 2 en zaak A feit 3 (telkens)
Medeplegen van opzettelijk brand stichten en een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is
Ten aanzien van zaak A, feit 4
medeplegen van een poging tot opzettelijk brand stichten en een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander en gemeen gevaar voor goederen te duchten is,
en
medeplegen van een poging tot opzettelijk brand stichten en een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gevaar voor gemeen gevaar voor goederen te duchten is, meermalen gepleegd
Ten aanzien van zaak A, feit 5
Overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan
Ten aanzien van zaak B, feit 1 en feit 2
De eendaadse samenloop van
medeplegen van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is
en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, onder 70
Ten aanzien van zaak C
Mensenhandel, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en terwijl de persoon ten aanzien van wie het in artikel 273f, eerste lid onder 2º van het Wetboek van Strafrecht omschreven feit wordt gepleegd, de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.
5. Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar.
6. Motivering van de sanctie
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien jaren, met aftrek van voorarrest.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft de rechtbank verzocht bij de straftoemeting in de eerste plaats rekening te houden met de jonge leeftijd van de verdachte en met de overschrijding van de redelijke termijn. Verder is artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing en is sprake van eendaadse samenloop. Daarbij merkt de verdediging op dat de rol van de verdachte door de officier van justitie sterk wordt overdreven. Het verbaast de verdediging dat de officier van justitie tegen de verdachte dezelfde straf heeft geëist als tegen de medeverdachte [medeverdachte B] , die meer feiten op zijn tenlastelegging heeft en door de officier van justitie hoger in de hiërarchie wordt geplaatst. Gelet op de rolverdeling en op de eis van acht jaren in de zaak van de medeverdachte [medeverdachte A] , was een eis van zes jaar logischer en passender geweest.
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft gedurende een periode van 6 maanden deelgenomen aan een criminele organisatie die als oogmerk had het opzettelijk brandstichten en teweegbrengen van ontploffingen. De verdachte heeft in dat kader zeer ernstige feiten gepleegd met onaanvaardbare risico’s, waaronder levensgevaar voor personen. Door zijn betrokkenheid bij de criminele organisatie als medepleger van ontploffingen en als broker die (veelal zeer jonge) uitvoerders heeft geronseld voor het plegen van ontploffingen, heeft hij een aanzienlijke bijdrage geleverd aan de verwezenlijking van het oogmerk van de criminele organisatie.
De verdachte heeft zich samen met anderen op 5 oktober 2023 schuldig gemaakt aan het teweegbrengen van een ontploffing en aan brandstichting bij een bedrijfspand aan de [adres A] in Alkmaar. Het is een gelukkige omstandigheid geweest dat er ten tijde van de ontploffing niemand in de directe nabijheid aanwezig was, waardoor alleen gevaar voor goederen is ontstaan. De door de ontploffing ontstane brand is even later door een voorbijganger geblust. De verdachte en [medeverdachte B] hebben de minderjarige [betrokkene A] onder druk gezet dit feit te plegen. Zij hebben [betrokkene A] een zwaar explosief gegeven dat bestond uit tenminste drie stuks Cobra 6 vuurwerk en een plastic fles met een snel ontbrandende vloeistof en hem naar de plaats delict gebracht, waar [betrokkene A] het explosief moest aansteken. Op deze wijze hebben zij [betrokkene A] in gevaar gebracht en hoefden zij zelf de risicovolle handelingen niet uit te voeren. De verdachte heeft zich daarmee schuldig gemaakt aan uitbuiting van de minderjarige, en daardoor kwetsbare, [betrokkene A] . Dat is een zeer ernstig delict en de rechtbank rekent dit de verdachte dan ook zwaar aan.
De verdachte heeft zich op 1 februari 2024 opnieuw samen met anderen schuldig gemaakt aan het teweegbrengen van een ontploffing en aan brandstichting bij een woning aan de [adres B] in Alkmaar, waarbij gevaar voor goederen is ontstaan. Eerst werd een ruit naast de voordeur van de woning gebroken, waarna een fles met snel ontbrandende vloeistof en een Cobra bij de voordeur werden neergezet. De Cobra werd aangestoken en kwam tot ontploffing. Dit alles werd gefilmd met een mobiele telefoon.
De verdachte heeft zich verder op 1, 3 en 4 februari 2024 samen met anderen schuldig gemaakt aan drie pogingen tot ontploffingen en brandstichting bij twee woningen aan de [A-straat] in Alkmaar. In één geval was sprake van levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel, omdat de bewoners op dat moment in de woning aanwezig waren en lagen te slapen. In al deze gevallen was het de verdachte die, via zogenaamde ‘tussenbrokers’, de opdracht heeft gegeven tot het plegen van deze feiten. Hij heeft instructies gegeven en de adressen verstrekt waar de explosies moesten plaatsvinden.
Deze incidenten speelden zich af in een periode waarin bij meerdere panden in Alkmaar ontploffingen plaatsvonden of pogingen daartoe werden ondernomen. Dit heeft veel impact gehad op de direct betrokkenen en omwonenden, maar ook meer algemeen op de (inwoners van de) stad Alkmaar. Onder andere tijdens bewonersbijeenkomsten bleek dat de angst en ongerustheid onder de burgers groot was. Als gevolg van de ontploffingen en pogingen daartoe zijn meerdere locaties in Alkmaar aangewezen als veiligheidsrisicogebied en is ingezet op permanent cameratoezicht op en observatie van de betreffende woningen. De woning aan de [adres D] , waar [persoon A] destijds woonde, is als gevolg van de incidenten op last van de burgemeester gesloten. Dat heeft niet alleen impact gehad op de bewoner(s), maar ook op de omwonenden van die woning.
De verdachte heeft zich in 2022 ook al samen met een ander schuldig gemaakt aan het teweegbrengen van een ontploffing en aan brandstichting. In de nacht van 23 november werd bij de voordeur van een woonboot in Vijfhuizen een flesje met motorbenzine, waarop een Cobra 6 was aangebracht, geplaatst en aangestoken. Na de knal ontstonden bij de onderkant van de voordeur vlammen, die een van de aanwezige bewoners heeft weten te blussen. Naast gevaar voor de woonboot, de aangrenzende woonboten en de goederen die zich daarin bevonden, heeft de verdachte met deze explosie ook levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de bewoners veroorzaakt. De explosie moet dan ook erg bedreigend en beangstigend zijn geweest voor de bewoners.
Daarnaast heeft de verdachte in 2022 een VBC voorhanden gehad die later tot ontploffing is gebracht. In 2024 heeft hij maar liefst 294 stuks Cobra 6 vuurwerk in een woning voorhanden gehad. Cobra 6 vuurwerk is professioneel vuurwerk dat een substantieel zwaardere of explosievere lading heeft dan het vuurwerk dat in Nederland aan consumenten verkocht mag worden. Ontploffing van dit professionele vuurwerk kan enorme gevolgen hebben voor de omgeving. Met het opslaan van deze enorme hoeveelheid in de woning van zijn moeder, waar hij destijds zelf ook verbleef, heeft de verdachte onverantwoorde risico’s genomen en de veiligheid van personen en goederen ernstig in gevaar gebracht. Als het vuurwerk tot ontploffing was gekomen, zou dit niet alleen ernstige gevolgen hebben gehad voor de verdachte en zijn moeder, maar ook voor de (bewoners van) huizen in de verre omtrek.
De verdachte heeft zich kortom schuldig gemaakt aan een aantal zeer ernstige strafbare feiten. Hij heeft bij het plegen van deze feiten kennelijk alleen oog gehad voor geldelijk gewin of andere eigen belangen en zich niets gelegen laten liggen aan de gevolgen van zijn handelen voor de slachtoffers. De verdachte heeft geen openheid van zaken gegeven en geen verantwoordelijkheid genomen voor zijn rol in de ontploffingen.
Persoon van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op het strafblad van de verdachte, gedateerd 18 maart 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld. Wel is de verdachte, ondanks zijn jonge leeftijd, al meerdere malen onherroepelijk veroordeeld voor vermogensdelicten en geweldsdelicten. Tijdens het plegen van meerdere feiten in de onderhavige strafzaak, liep hij in een proeftijd van een veroordeling waarbij hem een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, was opgelegd voor een straatroof. De verdachte heeft zich hierdoor kennelijk niet laten weerhouden nieuwe strafbare feiten te plegen. De rechtbank weegt deze omstandigheden ten nadele van de verdachte mee bij de straftoemeting.
De rechtbank heeft verder kennisgenomen van verschillende reclasseringsadviezen over de verdachte, waaronder het advies van 11 juli 2024 en een update van dat advies van 25 maart 2026. De reclassering constateert op basis van hetgeen de verdachte aan de reclassering heeft verteld, dat de verdachte openstaat voor begeleiding en ondersteuning bij zijn re-integratie in de samenleving en dat hij bereid is zich te conformeren aan voorwaarden in het kader van een voorwaardelijke invrijheidstelling. De reclassering schat de risico’s op recidive, letsel en onttrekking aan de voorwaarden in als gemiddeld en adviseert geen bijzondere voorwaarden bij oplegging van een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf.
Redelijke termijn
De verdachte heeft in de hoofdzaak langer dan 16 maanden in voorlopige hechtenis gezeten. Als uitgangspunt geldt dan dat de behandeling op zitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen 16 maanden nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van een zaak of de invloed van de verdachte en/of de verdediging op het procesverloop.
De rechtbank overweegt met betrekking tot de aanvang van de redelijke termijn en het procesverloop in deze zaak het volgende. De redelijke termijn in de hoofdzaak is aangevangen op 22 mei 2024, de dag waarop de verdachte voor het eerst door de politie is verhoord. Deze zaak had moeten zijn afgerond met een eindvonnis op 22 september 2025. De rechtbank ziet geen bijzondere omstandigheden die aanleiding geven tot het afwijken van dit uitgangspunt. De rechtbank stelt dan ook vast dat de redelijke termijn met bijna 9 maanden is overschreden en is van oordeel dat deze overschrijding matiging van de hierna te vermelden straf tot gevolg moet hebben.
Strafoplegging
De rechtbank acht, alles afwegende, en gelet op wat in vergelijkbare gevallen doorgaans wordt opgelegd, in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van 11 jaren passend en geboden. Gelet op de geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn zal de rechtbank deze straf matigen tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren en 6 maanden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
Voorlopige hechtenis
De verdediging heeft verzocht om opheffing van de voorlopige hechtenis. De officier van justitie heeft geen standpunt ingenomen met betrekking tot de voorlopige hechtenis van de verdachte.
De rechtbank is van oordeel dat de ernstige bezwaren en de gronden die tot het verlenen van het bevel tot voorlopige hechtenis hebben geleid, nog steeds bestaan. De rechtbank wijst daarom het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis af.
7. Onttrekking aan het verkeer
De rechtbank is van oordeel dat het onder de verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven (illegale) vuurwerk, te weten
dient te worden onttrokken aan het verkeer. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het in zaak A onder 5 bewezen verklaarde feit met betrekking tot dit vuurwerk is begaan. Het ongecontroleerde bezit van het vuurwerk is in strijd met de wet en het algemeen belang.
8. Vorderingen benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregel
Vorderingen benadeelde partijen [slachtoffer A 2], [slachtoffer B] en [slachtoffer C]
De benadeelde partijen [slachtoffer A 2] en [slachtoffer B], bewoners van de woning aan de [adres C] te Alkmaar, hebben beiden een vordering tot schadevergoeding van € 1.000,- ingediend tegen de verdachte wegens immateriële schade die zij als gevolg van het in zaak A onder 4 ten laste gelegde feit zouden hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente daarover.
De benadeelde partij [slachtoffer C], bewoner van de woning aan de [adres B] te Alkmaar, heeft een vordering tot schadevergoeding van € 3.000,- ingediend tegen de verdachte wegens immateriële schade die hij als gevolg van het in zaak A onder 3 ten laste gelegde feit ten laste gelegde zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente daarover.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd de vorderingen van de benadeelde partijen toe te wijzen en aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partijen [slachtoffer A 2], [slachtoffer B] en [slachtoffer C] niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in hun vorderingen, (primair) gelet op de bepleite vrijspraak voor de feiten waarop de vorderingen zien dan wel (subsidiair) omdat de gestelde psychische schade onvoldoende is onderbouwd.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat de door de benadeelde partijen gestelde immateriële schade
rechtstreeks voortvloeit uit het bewezenverklaarde, namelijk zaak A feit 4 voor de benadeelde partijen [slachtoffer A 2] en [slachtoffer B] en zaak A feit 3 voor de benadeelde partij [slachtoffer C]. Vergoeding van deze schade komt de rechtbank billijk voor, gelet op de onderbouwing van de vorderingen, het verhandelde op de zitting en de bedragen die in vergelijkbare gevallen worden toegewezen. De rechtbank overweegt daarbij dat het handelen door de verdachte en zijn mededaders een ernstige inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke integriteit van de benadeelde partijen. De aard en ernst van die normschending en de gevolgen daarvan, zoals onderbouwd in de toelichtingen op de vorderingen en de schriftelijke slachtofferverklaringen van [slachtoffer B] en [slachtoffer C], zijn zodanig geweest dat naar het oordeel van de rechtbank sprake is van een “aantasting in de persoon op andere wijze" in de zin van artikel 6:106 eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW). De vorderingen tot vergoeding van de immateriële schade zullen dan ook volledig worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente daarover.
De verdachte wordt tevens veroordeeld in de kosten die door of namens de benadeelde partijen zijn gemaakt (tot op heden voor alle drie de benadeelde partijen begroot op nihil) en die ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog zijn te maken.
De rechtbank ziet verder aanleiding om in het belang van de benadeelde partijen, als extra waarborg voor betaling, aan de verdachte op te leggen de schadevergoedingsmaatregel, als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.
De rechtbank zal, in verband met hoofdelijke aansprakelijkheid van de verdachte en alle mededaders voor de geleden schade, voor zover de toegewezen vorderingen van de benadeelde partijen als de op te leggen schadebedragen of delen daarvan al door of namens één van de mededaders aan de benadeelde partijen en/of de Staat zijn betaald, bepalen dat de verdachte in zoverre van die betalingsverplichtingen zal zijn bevrijd.
De rechtbank ziet tot slot, gelet op de straf die in dit vonnis wordt opgelegd aan de verdachte, geen aanleiding om het door [slachtoffer A 2] en [slachtoffer C] verzochte contact- en locatieverbod aan de verdachte op te leggen.
Vorderingen benadeelde partij [persoon A]
De benadeelde partij [persoon A] , de (voormalige) bewoner van de woning aan de [adres D] te Alkmaar, vordert een bedrag van € 1.000,- wegens immateriële schade die hij als gevolg van het in zaak A onder 4 ten laste gelegde feit zou hebben geleden.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht de vordering van de benadeelde partij [persoon A] voldoende onderbouwd. De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde kan worden toegerekend (eigen schuld) en daarom voor 50% kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij [persoon A] niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in zijn vordering, (primair) gelet op de bepleite vrijspraak voor het feit waarop de vordering ziet dan wel (subsidiair) omdat de gestelde psychische schade onvoldoende is onderbouwd. Meer subsidiair heeft de verdediging zich aangesloten bij het standpunt van de officier van justitie dat de vordering voor 50% kan worden toegewezen vanwege de eigen schuld van [persoon A] .
Oordeel van de rechtbank
Zoals hiervoor reeds aangehaald is vergoeding van immateriële schade op grond van artikel 6:106 aanhef en onder b BW mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van [persoon A] in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.
De benadeelde partij [persoon A] heeft beschreven welke gevolgen de reeks van pogingen en voltooide explosies met zijn woning als doelwit voor hemzelf en zijn ex-partner en zijn kind heeft gehad. Gelet op de aard en de ernst van de normschending, neemt de rechtbank aan dat sprake is van een “aantasting in zijn persoon op andere wijze" in de zin van artikel 6:106 eerste lid BW. Die schade is naar het oordeel van de rechtbank echter, gelet op het conflict tussen aan de ene kant [medeverdachte A] en [medeverdachte B] en aan de andere kant [persoon A] , waar de reeks van pogingen en voltooide explosies deel van uitmaakt, mede een gevolg van een omstandigheid die aan [persoon A] kan worden toegerekend als bedoeld in artikel 6:101 BW. Het vaststellen van de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden aan de schade hebben bijgedragen, zou leiden tot een onevenredige belasting van deze strafprocedure. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij [persoon A] niet-ontvankelijk is in zijn vordering tot schadevergoeding. Desgewenst kan hij de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
9. Vordering tot tenuitvoerlegging
Bij onherroepelijk vonnis van 15 maart 2023 in de zaak met parketnummer 10/309714-22 heeft de meervoudige strafkamer van de rechtbank Rotterdam de verdachte ter zake van – kort gezegd – diefstal met geweld veroordeeld tot onder meer een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier maanden, met aftrek van voorarrest. Ten aanzien van die voorwaardelijke straf is de proeftijd op drie jaren bepaald onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De bij genoemd vonnis vastgestelde proeftijd is ingegaan op 30 maart 2023.
De officier van justitie vordert thans dat de rechtbank zal gelasten dat die voorwaardelijke straf alsnog ten uitvoer zal worden gelegd.
De rechtbank heeft bij het onderzoek ter terechtzitting bevonden dat zij bevoegd is over de vordering te oordelen en dat de officier van justitie daarin ontvankelijk is.
De rechtbank is van oordeel dat de vordering dient te worden toegewezen, nu uit de overige inhoud van dit vonnis blijkt dat de verdachte de voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit, niet heeft nageleefd.
10. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
- 36 b, 36c, 36f, 45, 47, 55, 57, 63, 140, 157 en 273f van het Wetboek van Strafrecht;
- 1.2.2 van het Vuurwerkbesluit;
- 9.2.2.1 van de Wet Milieubeheer;
- 1 a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten;
- 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
11. Beslissing
De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte de feiten die in zaak A onder 1, 2 primair, 3 primair, 4 primair en 5, in zaak B onder 1 en 2 en in zaak C zijn ten laste gelegd, heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4. weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren en 6 maanden.
Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Onttrekt aan het verkeer:
Wijst toe (ten aanzien van zaak A feit 4) de vordering tot vergoeding van de door [slachtoffer A 2] geleden schade voor een bedrag van € 1.000,-, betreffende immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling hiervan, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 1 februari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, aan deze benadeelde partij, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Wijst toe (ten aanzien van zaak A feit 4) de vordering tot vergoeding van de door [slachtoffer B] geleden schade voor een bedrag van € 1.000,-, betreffende immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling hiervan, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 1 februari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, aan deze benadeelde partij, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Wijst toe (ten aanzien van zaak A feit 3) de vordering tot vergoeding van de door de [slachtoffer C] geleden schade voor een bedrag van € 3.000,-, betreffende immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling hiervan, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 1 februari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, aan deze benadeelde partij, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partijen gemaakt (tot op heden voor alle drie benadeelde partijen begroot op nihil) en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Legt de verdachte (ten aanzien van zaak A feit 4) als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van [slachtoffer A 2] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € l .000.-. vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 1 februari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, en bepaalt daarbij dat bij niet (volledige) betaling van de schadevergoedingsmaatregel gijzeling kan worden toegepast voor 10 dagen. Toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Legt de verdachte (ten aanzien van zaak A feit 4) als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van [slachtoffer B] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.000,- vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf l februari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, en bepaalt daarbij dat bij niet (volledige) betaling van de schadevergoedingsmaatregel gijzeling kan worden toegepast voor 10 dagen. Toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Legt de verdachte (ten aanzien van zaak A feit 3) als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van [slachtoffer C] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van
€ 3.000.-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 1 februari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, en bepaalt daarbij dat bij niet (volledige) betaling van de schadevergoedingsmaatregel gijzeling kan worden toegepast voor 30 dagen. Toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt, in verband met hoofdelijke aansprakelijkheid van de verdachte en zijn mededaders voor de geleden schade, dat als de hiervoor genoemde schadebedragen of delen daarvan al door of namens één van de mededaders aan de benadeelde partijen en/of de Staat zijn betaald, de verdachte in zoverre van die betalingsverplichtingen zal zijn bevrijd.
Bepaalt dat betalingen van de verdachte aan de benadeelde partijen in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en omgekeerd dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partijen.
Verklaart de benadeelde partij [persoon A] niet-ontvankelijk in de vordering.
Wijst toe de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 10/309714-22 en gelast de tenuitvoerlegging van de niet ten uitvoer gelegde gevangenisstraf voor de duur van vier maanden, opgelegd bij vonnis van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Rotterdam van 15 maart 2023.
Wijst af het verzoek tot opheffing van het bevel tot voorlopige hechtenis.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. M.E. Francke, voorzitter,
mr. M.S. Neervoort en mr. E.L. Hoogstraate, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier A. Helder,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 9 juni 2026.
Bijlage I
De tenlasteleggingen
Zaak A
1
OZ Klaver
hij in of omstreeks de periode van 12 augustus 2023 tot en met 11 februari 2024 te Alkmaar en/of Heerhugowaard en/of Amsterdam, althans (meerdere plaatsen) in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten (onder andere) [medeverdachte A] en [medeverdachte B], welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten opzettelijk brandstichten en/of teweegbrengen van ontploffingen (artikel 157 van het Wetboek van Strafrecht);
2
OZ Klaver 1
hij op of omstreeks 5 oktober 2023 te Alkmaar, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht en/of brand heeft gesticht bij een pand (bedrijfspand), gelegen aan de [adres A] te Alkmaar door bij voornoemd pand een zogenaamde vuurwerk-brandstof-combinatie, te weten een of meer explosieven (cobra’s 6) en/of (een flesje met) snel ontbrandende vloeistof tot ontsteking en/of ontbranding te brengen, terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten een pand gelegen aan de [adres A] te Alkmaar en/of aangrenzende panden en/of de in voornoemde panden aanwezige goederen, en/of
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten (een) aanwezige(n) in voornoemd pand en/of aangrenzende panden en/of (een) passant(en) en/of hulpverleners te duchten was;
subsidiair
[betrokkene A] op of omstreeks 5 oktober 2023 te Alkmaar, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht en/of brand heeft gesticht bij een pand (bedrijfspand), gelegen aan de [adres A] te Alkmaar door bij voornoemd pand een zogenaamde vuurwerk-brandstof-combinatie, te weten een of meer explosieven (cobra’s 6) en/of (een flesje met) snel ontbrandende vloeistof tot ontsteking en/of ontbranding te brengen terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten een pand gelegen aan de [adres A] te Alkmaar en/of aangrenzende panden en/of de in voornoemde panden aanwezige goederen, en/of
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten (een) aanwezige(n) in voornoemd pand en/of aangrenzende panden en/of (een) passant(en) en/of hulpverleners te duchten was
welk feit hij, verdachte, in of omstreeks de periode van 6 september 2023 tot en met 5 oktober 2023, te Alkmaar en/of Krommenie en/of Heerhugowaard en/of Amsterdam, in elk geval (op een of meerdere locaties) in Nederland, tezamen en in vereniging met [medeverdachte A] en/of [medeverdachte B] en een of meerdere anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft uitgelokt door giften en/of beloften en/of bedreiging en/of door het verschaffen van gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen, te weten door (al dan niet via tussenpersonen)
- opdracht te geven tot een brandstichting voor/bij de genoemde woning (door middel van een zogenaamde vuurwerk-brandstof combinatie) en/of
- contact op te nemen en/of onderhouden met [betrokkene A] en diens medeverdachten (over het teweegbrengen van die explosie) en/of
- [betrokkene A] en/of zijn medeverdachten een of meerdere geldbedragen en/of vergoedingen (ten behoeve van die explosie), te weten 2000 euro (voor het teweegbrengen van die explosies), aan te bieden en/of toe te zeggen en/of
- het adres van het pand en/of locatie, waar die explosie zou moeten plaatsvinden, te verstrekken en/of te tonen door die [betrokkene A] mee te nemen naar de betreffende locatie en/of
- meerdere malen, althans eenmaal, (ten behoeve van die explosies) (via derden) instructies en/of aanwijzingen aan die [betrokkene A] en/of zijn medeverdachten (door) te geven;
meer subsidiair
[betrokkene A] op of omstreeks 5 oktober 2023 te Alkmaar, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht en/of brand heeft gesticht bij een pand (bedrijfspand), gelegen aan de [adres A] te Alkmaar door bij voornoemd pand een zogenaamde vuurwerk-brandstof-combinatie, te weten een of meer explosieven (cobra’s 6) en/of (een flesje met) snel ontbrandende vloeistof tot ontsteking en/of ontbranding te brengen, terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten een pand gelegen aan de [adres A] te Alkmaar en/of aangrenzende panden en/of de in voornoemde panden aanwezige goederen, en/of
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten (een) aanwezige(n) in voornoemd pand en/of aangrenzende panden en/of (een) passant(en) en/of hulpverleners te duchten was
bij het plegen van welk voorgenomen misdrijf verdachte toen daar (in de periode van 12 augustus 2023 tot en met 5 oktober 2023 te Alkmaar, in elk geval in Nederland) opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door
- [betrokkene A] te ronselen voor het plegen van voornoemde brandstichting voor/bij de genoemde woning (door middel van een zogenaamde vuurwerk-brandstof combinatie) door contact op te nemen en/of onderhouden met [betrokkene A] en diens medeverdachten en/of
- [betrokkene A] en/of zijn medeverdachten een of meerdere geldbedragen en/of vergoedingen (ten behoeve van die explosie), te weten 2000 euro (voor het teweegbrengen van die explosies), aan te bieden en/of toe te zeggen en/of
- [betrokkene A] in contact te brengen met (mede-)opdrachtgever [medeverdachte B];
3
OZ Amarant
hij op of omstreeks 1 februari 2024 te Alkmaar, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht en/of brand heeft gesticht bij een pand (woning), gelegen aan de [adres B] te Alkmaar door bij voornoemd pand een zogenaamde vuurwerk-brandstof-combinatie, te weten een explosief (een rookbom en/of cobra 6) en/of (een flesje met) snel ontbrandende vloeistof tot ontsteking en/of ontbranding te brengen, terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten een pand gelegen aan de [adres B] te Alkmaar en/of aangrenzende panden en/of de in voornoemde panden aanwezige goederen, en/of
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten (een) aanwezige(n) in voornoemde panden en/of (een) passant(en) en/of hulpverleners te duchten was;
subsidiair
[medeverdachte C] , [medeverdachte D] , [medeverdachte E] en/of [medeverdachte F] , althans anderen op of omstreeks 1 februari 2024 te Alkmaar, Amsterdam, Rotterdam, Arnhem in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht en/of brand heeft gesticht bij een pand (woning), gelegen aan de [adres B] te Alkmaar door bij voornoemd pand een zogenaamde vuurwerk-brandstof-combinatie, te weten een explosief (een rookbom en/of cobra 6) en/of (een flesje met) snel ontbrandende vloeistof tot ontsteking en/of ontbranding te brengen, terwijl daarvan - gemeen gevaar voor goederen, te weten een pand gelegen aan de [adres B] te Alkmaar en/of aangrenzende panden en/of de in voornoemde panden aanwezige goederen, en/of
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten (een) aanwezige(n) in voornoemde panden en/of (een) passant(en) en/of hulpverleners te duchten was
welk feit verdachte in de periode van 12 augustus 2023 tot en met 1 februari 2024 in Alkmaar, althans in Nederland tezamen en in vereniging met [medeverdachte A] en/of [medeverdachte B] een of meerdere anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft uitgelokt door giften en/of beloften en/of geweld en/of bedreiging en/of het verschaffen van gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen, te weten door (al dan niet via tussenpersonen)
- opdracht te geven tot een brandstichting voor/bij de genoemde woning (door middel van een zogenaamde vuurwerk brandstof combinatie) en/of
- het in het vooruitzicht stellen van een betaling en/of
- het adres van de woningen en/of locaties, waar die explosies zouden moeten plaatsvinden, te (laten) verstrekken en/of
- meerdere malen, althans eenmaal, (ten behoeve van die explosies) (via derden) instructies en/of aanwijzingen aan de uitvoerder(s) (door) te geven;
meer subsidiair
[medeverdachte C] , [medeverdachte D] , [medeverdachte E] , [medeverdachte F] en/of [medeverdachte B], althans anderen, op of omstreeks 1 februari 2024 te Alkmaar, Amsterdam, Rotterdam, Arnhem in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht en/of brand heeft gesticht bij een pand (woning), gelegen aan de [adres B] te Alkmaar door bij voornoemd pand een zogenaamde vuurwerk-brandstof-combinatie, te weten een explosief (een rookbom en/of cobra 6) en/of (een flesje met) snel ontbrandende vloeistof tot ontsteking en/of ontbranding te brengen, terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten een pand gelegen aan de [adres B] te Alkmaar en/of aangrenzende panden en/of de in voornoemde panden aanwezige goederen, en/of
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten (een) aanwezige(n) in voornoemde panden en/of (een) passant(en) en/of hulpverleners te duchten was
bij het plegen van welk voorgenomen misdrijf verdachte toen daar (in de periode van 12 augustus 2023 tot en met 1 februari 2024) opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door
- opdracht te geven tot een brandstichting voor/bij de genoemde woning (door middel van een zogenaamde vuurwerk brandstof combinatie) en/of
- het in het vooruitzicht stellen van een betaling en/of
- het adres van de woningen en/of locaties, waar die explosies zouden moeten plaatsvinden, te (laten) verstrekken en/of
- meerdere malen, althans eenmaal, (ten behoeve van die explosies) (via derden) instructies en/of aanwijzingen aan de uitvoerder(s) (door) te geven;
4
OZ Amarant/Uranus/Saturnus
hij (op drie, althans een of meerdere tijdstippen) in of omstreeks de periode van 1 februari tot en met 4 februari 2024, te Alkmaar, althans in Nederland, meerdere malen, althans eenmaal, (telkens) tezamen en in vereniging met een of meerdere anderen, althans alleen, ter uitvoering van het/de door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrij(f)(ven) om (telkens) opzettelijk een ontploffing teweeg te brengen en/of brand te stichten, terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten het pand gelegen aan de [adres C] en/of [adres D] te Alkmaar en/of aangrenzende panden en/of de in voornoemde panden aanwezige goederen en/of,
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten (een) aanwezige(n) in voornoemde (en/of aangrenzende) panden en/of (een) passant(en) en/of één of meer hulpverlener(s) te duchten was,
telkens met dat opzet
- met een of meer anderen met een auto naar Alkmaar is gereden en/of
- een zogenaamde vuurwerk-brandstof-combinatie (VBC), te weten een explosief (een cobra 6) en/of (een flesje met) snel ontbrandende vloeistof heeft gefabriceerd en/of
- deze VBC en aansteker(s) heeft meegenomen en/of
- deze VBC voor de deur/in de nabijheid heeft neergezet van de woningen op de adressen aan de [adres C] te Alkmaar en/of [adres D] te Alkmaar en/of
- een tegel tegen het raam van de [adres C] heeft gegooid,
terwijl de uitvoering van dat/die voorgenomen misdrij(f)(ven) niet is voltooid;
subsidiair
(OZ Amarant) [medeverdachte C] , [medeverdachte D] , [medeverdachte E] en/of [medeverdachte F] , en/of
(OZ Uranus) [medeverdachte G] , [medeverdachte H] en/of [medeverdachte I 1] en/of
(OZ Saturnus) [medeverdachte J] , [medeverdachte K] , [medeverdachte I 2] en/of [medeverdachte I 1] ,
althans een ander, (op drie, althans een of meerdere tijdstippen) in of omstreeks de periode van 1 februari tot en met 4 februari 2024, te Alkmaar, althans in Nederland, meerdere malen, althans eenmaal, (telkens) tezamen en in vereniging met een of meerdere anderen, althans alleen, ter uitvoering van het/de door die
(OZ Amarant) D.B. Lucio , [medeverdachte D] , [medeverdachte E] en/of [medeverdachte F] , en/of
(OZ Uranus) [medeverdachte G] , [medeverdachte H] en/of [medeverdachte I 1] en/of
(OZ Saturnus) [medeverdachte J] , [medeverdachte K] , [medeverdachte I 2] en/of [medeverdachte I 1] , voorgenomen misdrij(f)(ven) om (telkens) opzettelijk een ontploffing teweeg te brengen en/of brand te stichten, terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten het pand gelegen aan de [adres C] en/of [adres D] te Alkmaar en/of aangrenzende panden en/of de in voornoemde panden aanwezige goederen en/of,
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten (een) aanwezige(n) in voornoemde panden en/of (een) passant(en) en/of hulpverleners te duchten was
telkens met dat opzet
- met een of meer anderen met een auto naar Alkmaar is gereden en/of
- een zogenaamde vuurwerk-brandstof-combinatie (VBC), te weten een explosief (een cobra 6) en/of (een flesje met) snel ontbrandende vloeistof heeft gefabriceerd en/of
- deze VBC en aansteker(s) heeft meegenomen en/of
- deze VBC voor de deur/in de nabijheid heeft neergezet van de woningen op de adressen aan de [adres C] te Alkmaar en/of [adres D] te Alkmaar en/of
- een tegel tegen het raam van de [adres C] heeft gegooid,
terwijl de uitvoering van dat/die voorgenomen misdrij(f)(ven) niet is voltooid,
welk(e) voorgenomen feit(en) verdachte in de periode van 12 augustus 2023 tot en met 4 februari 2024 in te Alkmaar, Amsterdam, Utrecht, Rotterdam, Arnhem in elk geval (op een of meerdere locaties) in Nederland tezamen en in vereniging met [medeverdachte A] en/of [medeverdachte B] een of meerdere anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft uitgelokt door giften en/of beloften en/of geweld en/of bedreiging en/of het verschaffen van gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen, te weten door (al dan niet via tussenpersonen) - opdracht te geven tot een brandstichting voor/bij de genoemde woning (door middel van een zogenaamde vuurwerk brandstof combinatie) en/of
- het in het vooruitzicht stellen van een betaling en/of
- het adres van de woningen en/of locaties, waar die explosies zouden moeten plaatsvinden, te (laten) verstrekken en/of
- meerdere malen, althans eenmaal, (ten behoeve van die explosies) (via derden) instructies en/of aanwijzingen aan de uitvoerder(s) (door) te geven;
meer subsidiair
(OZ Amarant) [medeverdachte C] , [medeverdachte D] , [medeverdachte E] , [medeverdachte F] en/of [medeverdachte B], en/of
(OZ Uranus) A.C. [medeverdachte G] , [medeverdachte H] , [medeverdachte I 1] en/of [medeverdachte B], en/of
(OZ Saturnus) [medeverdachte J] , [medeverdachte K] , [medeverdachte I 2] , [medeverdachte I 1] , en/of [medeverdachte B], althans een ander, (op drie, althans een of meerdere tijdstippen) in of omstreeks de periode van 1 februari tot en met 4 februari 2024, te Alkmaar, althans in Nederland, meerdere malen, althans eenmaal, (telkens) tezamen en in vereniging met een of meerdere anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk een ontploffing teweeg te brengen en/of brand te stichten, terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten het pand gelegen aan de [adres C] en/of [adres D] te Alkmaar en/of aangrenzende panden en/of de in voornoemde panden aanwezige goederen en/of,
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten (een) aanwezige(n) in voornoemde panden en/of (een) passant(en) en/of hulpverleners te duchten was telkens met dat opzet
- met een of meer anderen met een auto naar Alkmaar is gereden en/of
- een zogenaamde vuurwerk-brandstof-combinatie (VBC), te weten een explosief (een cobra 6) en/of (een flesje met) snel ontbrandende vloeistof heeft gefabriceerd en/of
- deze VBC en aansteker(s) heeft meegenomen en/of - deze VBC voor de deur/in de nabijheid heeft neergezet van de woningen op de adressen aan de [adres C] te Alkmaar en/of [adres D] te Alkmaar en/of
- een tegel tegen het raam van de [adres C] heeft gegooid,
terwijl de uitvoering van dat/die voorgenomen misdrij(f)(ven) niet is voltooid,
bij het plegen van welk voorgenomen misdrijf verdachte toen daar (in de periode van 12 augustus 2023 tot en met 4 februari 2024) opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door
- opdracht te geven tot een brandstichting voor/bij de genoemde woning (door middel van een zogenaamde vuurwerk brandstof combinatie) en/of
- het in het vooruitzicht stellen van een betaling en/of
- het adres van de woningen en/of locaties, waar die explosies zouden moeten plaatsvinden, te (laten) verstrekken en/of
- meerdere malen, althans eenmaal, (ten behoeve van die explosies) (via derden) instructies en/of aanwijzingen aan de uitvoerder(s) (door) te geven;
5
hij op of omstreeks 22 mei 2024 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, al dan niet opzettelijk, 294 stuks, althans een (grote) hoeveelheid, knalvuurwek (Cobra 6) in elk geval professioneel vuurwerk bestemd voor particulier gebruik, voorhanden heeft gehad en/of heeft opgeslagen.
Zaak B
1
hij op of omstreeks 23 november 2022 te Vijfhuizen, gemeente Haarlemmermeer, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door een (zwaar) explosief/explosieven (een Cobra 6) en/of een (plastic) fles met brandbare vloeistof, aan de voordeur van een woning, althans in de directe nabijheid van de voordeur van de woning (een woonboot) op/aan de [adres E] , met open vuur in aanraking te brengen en/of te ontsteken en/of tot ontbranding aan te brengen waardoor deze aldaar tot ontploffing kwam,
terwijl daarvan gemeen gevaar voor het raam en/of de kozijnen van de woning op/aan de [adres E] en/of een of meer aangrenzende/omliggende woning(en), en/of in die woning(en) aanwezige goederen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor [slachtoffer A 1] en/of een of meer inwonende(n)/omwonende(n), in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor (een) ander(en), te duchten was;
2
hij op of omstreeks 23 november 2022 te Vijfhuizen, gemeente Haarlemmermeer, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, een wapen van categorie II, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een geïmproviseerde explosieve constructie, zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur of door middel van ontploffing voorhanden heeft/hebben gehad;
Zaak C
hij op of omstreeks in de periode van 2 oktober 2023 tot en met 5 oktober 2023 te Alkmaar, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een man, genaamd [betrokkene A] , geboren op [geboortedatum 2]-2007,- heeft geworven, vervoerd of overgebracht, met het oogmerk van uitbuiting van die [betrokkene A] , terwijl die [betrokkene A] de leeftijd van achttien jaren nog niet had(den) bereikt (lid 1 sub 2)immers hebben verdachte en zijn mededader:- met die [betrokkene A] (via Snapchat en/of telefonisch) contact gelegd, en/of- die [betrokkene A] opgehaald van het station en vervoerd naar (de nabijheid van) de locatie waar het explosief geplaatst diende te worden en/of- een explosief, een paar schoenen en/of een aansteker verstrekt voor het plaatsen en/of laten afgaan van het explosief en/of het plegen van de brandstichting/teweegbrengen ontploffing.